Na onuitsprekelijk vermoeiende marschen bereikte het leger eindelijk
Niamanitza. Duizenden hadden op dezen vreeselijken weg den dood
gevonden en de schrikwekkende tijding, dat Minsk in de handen der
Russen was gevallen, werd dagelijks meer bevestigd. De landstreek werd
gestadig woester, de weg liep bijna onafgebroken door onmetelijke
mastbosschen voort, die slechts nu en dan door enkele armzalige hutten
werden afgewisseld. Een grauwe, drukkende wolkenhemel scheen tot laag
op de aarde neder te hangen en haar met zijne vochtige nevelsluiers
aan te raken. Het was noch strenge vorst, noch dooiweder, doch bij
voortduring woei een waterkoude, verstijvende wind, die door de
ellendige kleeding der krijgslieden heendrong en hunne vermoeide
ledematen verkleumde. De grond werd met spiegelgladden ijzel overtogen;
elke schrede vorderde eene vreeselijke inspanning en bijna elke mistred
had den dood tengevolge, daar het den kranken, die meerendeels uit
krachteloosheid nederzonken, dikwijls onmogelijk was, zich weder op te
richten.
In de dichtste duisternis had Rasinski met de zijnen een verlaten
huis gevonden, dat, ter zijde van den weg gelegen, bij toeval door
een zijner lieden was ontdekt geworden. Men zou den nacht in deze
bekrompene, maar toch eene veilige schuilplaats verleenende hut
dragelijk hebben doorgebracht, zoo men niet door de ontmoedigendste
tijdingen ware verontrust geworden. Regnard, wiens ijzeren lichaam
tegen alle vermoeienissen bestand was, en die zich met onbezweken ijver
bezighield met het inwinnen der noodige berichten, kwam nog in den
laten avond Rasinski van alles, wat hij had kunnen uitvorschen, verslag
brengen en tevens zijn dochtertje bezoeken, dat nog steeds aan de hoede
van Bianca bleef toevertrouwd.
„Nu, Regnard, wat nieuws?” vroeg Rasinski, die zich reeds op den grond
had te slapen gelegd.
„Ik wilde u liever niet verontrust hebben, maar ik moet wel,”
antwoordde de binnentredende. „Het schijnt, dat ik altijd de krassende
ongeluksvogel zijn moet; maar wie duivel kan een nachtegaal of
leeuwrik zijn op een veld van lijken, zooals onze marsch van Moskou tot
hier geweest is. De raven zijn hier op hunne plaats.”
„Welnu, kras dan,” hernam Rasinski, zich van zijn leger oprichtende.
Ook de overigen traden nieuwsgierig nader.
„Wij zijn geheel en al in het net,” vervolgde Regnard. „De brug bij
Borisow is verbrand en de rivier zoo breed, dat aan opbouwen niet te
denken is. De andere oever is met vijanden bezaaid; het leger van
Tschitschagoff strekt zich tot alle punten uit, waar men de Beresina
zou kunnen overtrekken; kortom, het is onmogelijk, den overtocht te
bewerkstelligen.”
„Slechts één enkele nacht strenge vorst, en alles zou goed gaan,” riep
Rasinski.
„Misschien, en vooral daar ik u toch nog ééne goede tijding kan
brengen en wel, dat wij tegenover Kutusow toch eindelijk een geregeld
legerkorps kunnen stellen. De maarschalk Victor komt met twintigduizend
man versche troepen aanrukken, waarmede wij ons morgen in de vroegte
zullen vereenigen. Zoo even is de lichte cavalerie van de voorhoede
aangekomen.”
„Het zijn slechts zoovele offers te meer,” was Rasinski's somber
antwoord. „Wel is waar, zoo het mogelijk werd, over den stroom te
komen, zoo de hemel te onzen behoeve een wonder deed, zoo hij de
rivier de Beresina in banden sloeg en haar deed stilstaan als de zon
te Jericho—ja, dan konden de frissche strijdkrachten tot onze redding
bijdragen.—Er bestaat nog eene mogelijkheid,” ging hij driftig
voort, alsof hem een gelukkig denkbeeld was ingevallen; „zoo men
Tschitschagoff omtrent het punt van onzen overgang misleiden kon! Men
moet valsche berichten uitstrooien, wendingen maken, den vloed afwaarts
in de richting van Ukoloda en Beresino, en dan plotseling den overtocht
voor allen volvoeren. Thans, nu een versch armeekorps ons misschien
eenige dagen uitstel kan verschaffen, is zulks mogelijk.”
„Op iets dergelijks is men bedacht,” hernam Regnard; „er worden reeds
aanstalten gemaakt. De zwarigheid is slechts, het leger ongemerkt op
het zware overgangspunt te vereenigen.—Doch het is laat; goeden nacht.
Gij hebt rust noodig en ik niet minder; morgen althans vinden wij
elkander, hoop ik, nog in leven.”
Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps staan en wierp nog een teederen
blik op zijn kind, dat op een leger, hetwelk men achter in de hut van
stroo en eenige dekens zoo goed mogelijk gespreid had, in Bianca's
armen gerust sluimerde. Hij sloop nader, doch behoedzaam, om de
slapende niet te wekken. „De hemel bescherme slechts deze,” fluisterde
hij; „wat ons betreft, wij willen niet klagen, want wij zijn bestemd
om te vallen.”—Haastig verliet hij de hut; Rasinski en de overigen
wierpen zich weder op den grond, waar zij weldra vast insliepen.
Tegen den avond van den volgenden dag bereikte het leger Borisow, dat
dicht aan de steile oevers der Beresina, die hier een breed moerassig
meer gelijkt, gelegen is. De vaste brug over haar was, daar de stad
eerst eenige dagen vroeger aan de Russen was ontrukt geworden, geheel
vernield en onbruikbaar gemaakt. De maarschalk Oudinot hield Borisow
bezet. Rasinski vernam spoedig, dat men, gelijk hij zelf zou hebben
aangeraden, alles gedaan had, om den vijand in den waan te brengen,
dat men het overgangspunt ten zuiden van Borisow kiezen wilde, waar
de rivier inderdaad twee gunstige doorwaadbare plaatsen aanbod. De
generaal Laurencé, als chef van den generalen staf met de herstellingen
der bruggen belast, had verscheidene Joden, die spionnendiensten
verrichtten, laten ontbieden en van de nauwkeurigste berichten
aangaande die plaatsen ingewonnen. Hij was ten volle verzekerd, dat
zij, na van hem hunne betaling ontvangen te hebben, den vijand alles
zouden verraden, ten einde ook door dezen beloond te worden. Derhalve
werden alle vragen zoo ingericht, dat ze niet anders vermoeden konden,
of de armee zou door eene onverhoedsche wending langs den stroom
zuidwaarts trekken, om zoo de vervolgers te misleiden, Tschitschagoff
te ontduiken en het boven alles gewichtige Minsk door verrassing te
hernemen. Inmiddels begaf zich het korps van maarschalk Oudinot in
diepe stilte naar Studianka, waar de overtocht werkelijk zou volvoerd
worden, op marsch. Ook Rasinski moest, nadat zijne manschappen eenige
uren gerust hadden, derwaarts opbreken. Het uitdrukkelijk bevel luidde,
dat men op dezen marsch de diepste stilte moest in acht nemen; ook was
het ten strengste verboden, vuur te slaan of iets anders te doen, wat
van den anderen oever zou kunnen bemerkt worden, daar deze door een
keten van russische voorposten bezet was, welker verwijderde wachtvuren
men op de boschrijke heuvelkruinen als bleeke sterren zag flonkeren.
Zouden ze met haar bloedig schijnsel den ondergang van het leger
verkondigen, dat in dit land door zulke vijandige gesternten bestraald
werd? Om het onheil ten top te voeren, scheen door het noodlot de
voltooiing van hun verderf, in het gezicht der redding, besloten. Een
sombere ernst, door het diepe zwijgen en de angstig gespannen stilte
nog verhoogd, had zich van de ziel der krijgslieden meester gemaakt.
Bij alle harde ontberingen kwam thans ook nog het gemis van eene
troostende bemoedigende toespraak, ja, de stikdonkere nacht vergunde
niet eenmaal een versterkenden blik der liefde en der vriendschap op
de naaste dierbaarste panden. Rasinski had Lodewijk en Bernard willen
overreden, met Bianca het leger te verlaten en, zoover mogelijk, hunne
reis langs de rivier voort te zetten, wijl hij geloofde, dat het hun
onder bescherming van Bianca, die overal voor eene Russin kon doorgaan,
misschien gelukken zou, een toevluchtsoord en wellicht spoedig de
onbelemmerde baan naar Warschau te bereiken. Doch beide vrienden, en
ten stelligste Bianca zelve, verklaarden, dat zij hun lot niet van
dat van Rasinski en de zijnen wilden scheiden. Met dezelfde roerende
hartelijkheid hadden Willhofen en Jeannette aan elke poging van
Bianca, die hun insgelijks dezen weg tot levensbehoud wilde opdringen,
wederstand geboden. Zoo waren er dan toch nog harten, in welke met de
sterkte der beproeving de kracht aanwies en die, verre van door den
ijzeren voet van het lot gestadig dieper in het stof der verworpenheid
vertreden te worden, in elken nieuwen druk slechts de aansporing tot
verdubbelden tegenstand vonden.
Bernard en Lodewijk gingen te voet dicht nevens den wagen, waarop
Bianca gezeten was; het verleende haar en hun troost, zich in elkanders
nabijheid te weten en, nu het gevaar van het oogenblik elke mondelinge
mededeeling verbood, althans de schemerende omtrekken der gedaanten in
het oog te houden.
Naarmate men Studianka meer en meer naderde, werden ook de legervuren
op de hoogten gestadig talrijker. Rasinski merkte zulks met bekommering
op, daar men uit die menigte kon opmaken, dat de tegenoever door een
aanzienlijk legerkorps bezet werd, en alles was reddeloos verloren,
wanneer het niet gelukte, den vijand te misleiden.
Omstreeks vier uren, in den nanacht, kwam Rasinski op de verzamelplaats
bij Studianka aan. Reeds van den vorigen avond af waren de ingenieurs
hier met het slaan van twee bruggen bezig, wier voltooiing men voor het
aanbreken van den dag te gemoet zag, ten einde nog onder bescherming
der duisternis zoovele troepen over te brengen, als noodig waren, om
aan genen oever de eerste baan te breken. Doch deze verwachting werd op
het gruwzaamst teleurgesteld en leed wederom schipbreuk op de der, naar
het scheen, met den vijand saamgezworen elementen. Door het dooiweder
van den vorigen dag opgezwollen, was de vloed ettelijke voeten
gewassen, zoodat de plaats, welke de infanterie in geval van nood
had moeten doorwaden, zelfs voor de ruiterij te diep werd. De sedert
gisteren ingevallen koude was juist voldoende, om sterke ijsschotsen te
vormen, die met den stroom afdreven en alles met zich voortsleepten,
doch zij was niet hevig genoeg, om een hecht ijsdek te vormen. Zoo
behield de ruwe kracht der natuur op de uiterste inspanningen van
menschelijk pogen de overhand. Te vergeefs hadden de pontonniers,
dikwijls tot aan de borst in water en moeras weggezonken, den ganschen
nacht door gezwoegd en gearbeid, te vergeefs met de vinnige koude, de
snijdende ijsschollen, den machtigen stroom gekampt en geworsteld!
De morgen was nabij, en nog geen enkele steunbalk stond behoorlijk
bevestigd, want tweemalen had de opgeruide vloed de ingeheide palen en
kromhouten weggevaagd en wat met ongehoorde inspanning van krachten was
tot stand gebracht, als ijdel speelwerk vernietigd.
Het gevaar was ten top gestegen; brak de dag aan en was de brug niet
voltooid, dan had men te duchten, dat de vijandelijke batterijen aan
gindschen oever door eene volle laag den gebrekkigen arbeid vernielden,
en dan verdween de mogelijkheid, om zelfs een enkelen man voor het
vaderland te redden, dan was alles, alles verloren!
Rasinski was met zijne manschappen op een heuvel nabij Studianka
gelegerd. Hij zelf begaf zich met Regnard naar den oever, waar de
generaals te vergeefs naar een middel ter redding uitzagen.
Mortier, Davoust, Ney en Eugenius vormden een kleine groep en vestigden
hunne donkere blikken op den anderen oever, waar de russische
wachtvuren als zoovele brandtoortsen des verderfs helder opvlamden.
Zelfs de onverschrokken Ney liet zich in zwaarmoedige gramschap op de
verraderlijke krijgskans de woorden ontvallen: „Vindt de keizer hier
nog een uitweg, dan houdt hij de geluksgodin met ketenen aan zich
vastgeboeid en dient zij hem als slavin.”
Daar verscheen deze zelf in den kring der maarschalken en legerhoofden.
Met zijne garden van Borisow opgerukt, had hij in stilte eene
legerplaats in de nabuurschap betrokken. Hier waren hem van minuut tot
minuut de ontmoedigendste berichten aangaande de mogelijkheid, om de
brug tot stand te brengen, overgebracht; hij beschouwde zich dus als
door het geluk verlaten en verscheen nu op de plaats des gevaars, om
zelf te zien, te beoordeelen, te meten en, zoo hij al niet bij machte
was, het te overwinnen, er ten minste roemrijk mede te kampen.
Hij groette kort, ernstig, maar vriendelijk. Hierop vorschte hij met
onverzettelijke bedaardheid naar alle omstandigheden, tegenspoeden,
teleurstellingen. De berichten luidden zoo, dat zelfs hij de
onmogelijkheid der redding bijna moest toegeven. Op een gewelddadig
doorslaan midden door 's vijands legermacht was hij in het gunstige
geval voorbereid geweest.
Rasinski hing met onafgewende oogen aan de ernstige, maar volkomen
kalme wezenstrekken van den reusachtigen man, die den trotschen nek nog
niet voor de slagen van het noodlot gekromd had, maar op nieuwe wapens
zon, om er mede te worstelen. Een somber zwijgen heerschte om hen heen.
Daar rijst eensklaps in Rasinski het denkbeeld op: Wordt _hij_ slechts
gered, zoo is niets verloren, dan een groot leger; gansch Frankrijk,
half Europa kan zich opnieuw voor hem wapenen! Deze massa's zijn dood,
verplet, verstoven, als vergruisde steen, zoo zijne kracht ze niet
samenbindt; zij zijn onverwinnelijk, zoo hij ze met de vlam van zijn
geest bezielt. Honderd duizenden zijn in de sneeuwgroeven begraven; wat
komt er het op eenigen meer of minder aan? _Hij_ moet gered worden, dan
is alles gered.
Met dit denkbeeld bezwangerd, ijlt hij op den maarschalk Ney toe en
ontsluiert dezen de ingeving van zijn hart. De koene soldaat juicht
dit denkbeeld met geestdrift toe; hij zelf zou wel is waar in een
dergelijken voorslag zijner onderhoorigen nimmer hebben ingewilligd,
doch thans voelt hij slechts als soldaat, niet als veldheer. „Is de
redding mogelijk, dan moet zij beproefd worden,” roept hij uit.
„Met mijn hoofd sta ik voor het welgelukken borg,” betuigt Rasinski met
edel vuur. „Van hier af ken ik elk pad, mijne Polen ook. Elk hunner
geeft tienmaal zijn leven voor dat des keizers. Verder opwaarts naar
Weselowa is de rivier niet breed; met onze paarden zwemmen wij over,
nog voor het daglicht zijn wij aan genen oever. In vijf dagen breng
ik den keizer naar Wilna; van daar staat Europa voor hem open. Beweeg
den keizer, maarschalk! Zijne redding is immers ook de onze; weet
Rusland, dat hij van Parijs nieuwe legers zendt, zoo zijn wij hoogstens
_krijgsgevangenen_; deelt de keizer in ons lot, dan zijn wij met hem
_staatsgevangenen_ en gij kent den onmetelijken kerker, welken Rusland
voor dezen bezit.”
Rasinski's vuur had den maarschalk volkomen overtuigd. „Hij moet
willen,” riep hij driftig uit; „en er mag geen oogenblik verloren gaan.”
De keizer had zich juist in eene hut aan den oever begeven. Ney ijlt
derwaarts; hij vindt den koning van Napels en den onderkoning van
Italië, aan hen deelt hij Rasinski's voorslag mede; zij juichen dien
toe, besluiten gezamenlijk tot den keizer te gaan en treden de hut
binnen.
In angstige spanning ziet Rasinski den uitslag te gemoet. Een vierde
uur verloopt; niemand laat zich zien. Het wordt reeds laat—reeds wil
Rasinski het wagen, zelf tot den keizer door te dringen,—daar komt Ney
terug, gaat hem langzaam te gemoet en zegt:
„Graaf Rasinski: De keizer is niet te bewegen, het leger te verlaten.
Wij wachten hier gezamenlijk den dag, den vijand, den ondergang af!”
De ruwe toon waarop de maarschalk dit zeide, bewees, hoe hevig hij
ontroerd was, en hoeveel moeite hij zich aandeed, om het niet te
schijnen. Rasinski stond als versteend; een onbeschrijfelijk smartelijk
gevoel doorpriemde zijne borst en benam hem den adem. „Hebt gij den
keizer gezegd....” begon hij eindelijk weder, doch werd dadelijk door
den maarschalk in de rede gevallen:
„Alles! alles, waartoe liefde en overreding in staat zijn; de koning
van Napels, de onderkoning van Italië, Davoust, Mortier, Rapp, graaf
Daru, Berthier zelfs—bijna hadden wij ons aan zijne voeten geworpen.
Doch hij bleef onwrikbaar als een rots. „De soldaat heeft zijn
vertrouwen op mij gesteld, ik wil het niet teleurstellen,” was het
eenige antwoord.”
„En Parijs, Frankrijk, Europa, wogen die gewichten in de schaal nog te
licht?”
„„Hier is het dringendste gevaar,” herhaalde hij slechts; „ik ga niet,
eer het voorbij is.””
„Dan is het te laat,” riep Rasinski buiten zich zelf; „vergun mij, dat
ik nog eens....”
„Neen, graaf,” antwoordde de maarschalk; „de keizer laat zich door
gebeden niet van zijne besluiten afbrengen. Ook ik zeide hem: Dan is het
te laat.—„„Maar thans is het nog te vroeg,”” was zijn antwoord, „„en,””
voegde hij er na eenig zwijgen bij, „„wilt gij dan met geweld zien, dat
ik bij het ongeluk ook nog schande op mijn hoofd lade! Ik zal gaan, ik
zal niet tot Parijs aan de spits des legers marcheeren, maar eerst dan,
als uwe tegenwoordigheid hier voldoende is. Dat oogenblik is nog niet
gekomen.”””
Rasinski zweeg. Zoo diep het denkbeeld hem griefde, dat de groote man
hier in het aangezicht der redding een onherroepelijken ondergang
vinden zou, zoo diep doordrong hem toch ook het gevoel van opbeurende
bewondering, welke het vaste besluit des keizers inboezemde.
Eenige minuten duurde de kamp in zijn binnenste; vervolgens riep
hij: „Waarlijk, hij mocht niet anders, hij heeft ons ook ditmaal
overtroffen en beschaamd. Zoo is het beter! Wij willen hem het, aan
elke menschelijke borst dierbare bewustzijn ontrooven van edel,
waardig, groot te handelen. Wèl hem, wèl ons, dat hij het niet duldde.
Ook het ware voordeel is aan dezen kant! De wereldgeschiedenis wint
weinig, wanneer hij nog eenige jaren over Europa heerscht, veel,
wanneer hij zijner waardig valt! Voor den glans des roems heeft hij
tienvoudig genoeg gedaan, thans handelt hij voor het echte goud van
dien roem.—Maarschalk, ik ben meer dan getroost, ik ben bemoedigd en
gesterkt.”
„En gij hebt gelijk, en onze diepe droefheid is daarvan het
onbedriegelijke bewijs.” Zij reikten elkander de hand en scheidden.
Rasinski reed naar de zijnen terug en verhaalde wat gebeurd was. De
gloeiende geestdrift voor den veldheer vlamde in aller borst weder
helder op en allen zagen het verderf, dat hen weldra zoude naderen, met
kalmte en trotschen moed tegen.