HOOFDSTUK II.

Na onuitsprekelijk vermoeiende marschen bereikte het leger eindelijk

Niamanitza. Duizenden hadden op dezen vreeselijken weg den dood

gevonden en de schrikwekkende tijding, dat Minsk in de handen der

Russen was gevallen, werd dagelijks meer bevestigd. De landstreek werd

gestadig woester, de weg liep bijna onafgebroken door onmetelijke

mastbosschen voort, die slechts nu en dan door enkele armzalige hutten

werden afgewisseld. Een grauwe, drukkende wolkenhemel scheen tot laag

op de aarde neder te hangen en haar met zijne vochtige nevelsluiers

aan te raken. Het was noch strenge vorst, noch dooiweder, doch bij

voortduring woei een waterkoude, verstijvende wind, die door de

ellendige kleeding der krijgslieden heendrong en hunne vermoeide

ledematen verkleumde. De grond werd met spiegelgladden ijzel overtogen;

elke schrede vorderde eene vreeselijke inspanning en bijna elke mistred

had den dood tengevolge, daar het den kranken, die meerendeels uit

krachteloosheid nederzonken, dikwijls onmogelijk was, zich weder op te

richten.

In de dichtste duisternis had Rasinski met de zijnen een verlaten

huis gevonden, dat, ter zijde van den weg gelegen, bij toeval door

een zijner lieden was ontdekt geworden. Men zou den nacht in deze

bekrompene, maar toch eene veilige schuilplaats verleenende hut

dragelijk hebben doorgebracht, zoo men niet door de ontmoedigendste

tijdingen ware verontrust geworden. Regnard, wiens ijzeren lichaam

tegen alle vermoeienissen bestand was, en die zich met onbezweken ijver

bezighield met het inwinnen der noodige berichten, kwam nog in den

laten avond Rasinski van alles, wat hij had kunnen uitvorschen, verslag

brengen en tevens zijn dochtertje bezoeken, dat nog steeds aan de hoede

van Bianca bleef toevertrouwd.

„Nu, Regnard, wat nieuws?” vroeg Rasinski, die zich reeds op den grond

had te slapen gelegd.

„Ik wilde u liever niet verontrust hebben, maar ik moet wel,”

antwoordde de binnentredende. „Het schijnt, dat ik altijd de krassende

ongeluksvogel zijn moet; maar wie duivel kan een nachtegaal of

leeuwrik zijn op een veld van lijken, zooals onze marsch van Moskou tot

hier geweest is. De raven zijn hier op hunne plaats.”

„Welnu, kras dan,” hernam Rasinski, zich van zijn leger oprichtende.

Ook de overigen traden nieuwsgierig nader.

„Wij zijn geheel en al in het net,” vervolgde Regnard. „De brug bij

Borisow is verbrand en de rivier zoo breed, dat aan opbouwen niet te

denken is. De andere oever is met vijanden bezaaid; het leger van

Tschitschagoff strekt zich tot alle punten uit, waar men de Beresina

zou kunnen overtrekken; kortom, het is onmogelijk, den overtocht te

bewerkstelligen.”

„Slechts één enkele nacht strenge vorst, en alles zou goed gaan,” riep

Rasinski.

„Misschien, en vooral daar ik u toch nog ééne goede tijding kan

brengen en wel, dat wij tegenover Kutusow toch eindelijk een geregeld

legerkorps kunnen stellen. De maarschalk Victor komt met twintigduizend

man versche troepen aanrukken, waarmede wij ons morgen in de vroegte

zullen vereenigen. Zoo even is de lichte cavalerie van de voorhoede

aangekomen.”

„Het zijn slechts zoovele offers te meer,” was Rasinski's somber

antwoord. „Wel is waar, zoo het mogelijk werd, over den stroom te

komen, zoo de hemel te onzen behoeve een wonder deed, zoo hij de

rivier de Beresina in banden sloeg en haar deed stilstaan als de zon

te Jericho—ja, dan konden de frissche strijdkrachten tot onze redding

bijdragen.—Er bestaat nog eene mogelijkheid,” ging hij driftig

voort, alsof hem een gelukkig denkbeeld was ingevallen; „zoo men

Tschitschagoff omtrent het punt van onzen overgang misleiden kon! Men

moet valsche berichten uitstrooien, wendingen maken, den vloed afwaarts

in de richting van Ukoloda en Beresino, en dan plotseling den overtocht

voor allen volvoeren. Thans, nu een versch armeekorps ons misschien

eenige dagen uitstel kan verschaffen, is zulks mogelijk.”

„Op iets dergelijks is men bedacht,” hernam Regnard; „er worden reeds

aanstalten gemaakt. De zwarigheid is slechts, het leger ongemerkt op

het zware overgangspunt te vereenigen.—Doch het is laat; goeden nacht.

Gij hebt rust noodig en ik niet minder; morgen althans vinden wij

elkander, hoop ik, nog in leven.”

Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps staan en wierp nog een teederen

blik op zijn kind, dat op een leger, hetwelk men achter in de hut van

stroo en eenige dekens zoo goed mogelijk gespreid had, in Bianca's

armen gerust sluimerde. Hij sloop nader, doch behoedzaam, om de

slapende niet te wekken. „De hemel bescherme slechts deze,” fluisterde

hij; „wat ons betreft, wij willen niet klagen, want wij zijn bestemd

om te vallen.”—Haastig verliet hij de hut; Rasinski en de overigen

wierpen zich weder op den grond, waar zij weldra vast insliepen.

Tegen den avond van den volgenden dag bereikte het leger Borisow, dat

dicht aan de steile oevers der Beresina, die hier een breed moerassig

meer gelijkt, gelegen is. De vaste brug over haar was, daar de stad

eerst eenige dagen vroeger aan de Russen was ontrukt geworden, geheel

vernield en onbruikbaar gemaakt. De maarschalk Oudinot hield Borisow

bezet. Rasinski vernam spoedig, dat men, gelijk hij zelf zou hebben

aangeraden, alles gedaan had, om den vijand in den waan te brengen,

dat men het overgangspunt ten zuiden van Borisow kiezen wilde, waar

de rivier inderdaad twee gunstige doorwaadbare plaatsen aanbod. De

generaal Laurencé, als chef van den generalen staf met de herstellingen

der bruggen belast, had verscheidene Joden, die spionnendiensten

verrichtten, laten ontbieden en van de nauwkeurigste berichten

aangaande die plaatsen ingewonnen. Hij was ten volle verzekerd, dat

zij, na van hem hunne betaling ontvangen te hebben, den vijand alles

zouden verraden, ten einde ook door dezen beloond te worden. Derhalve

werden alle vragen zoo ingericht, dat ze niet anders vermoeden konden,

of de armee zou door eene onverhoedsche wending langs den stroom

zuidwaarts trekken, om zoo de vervolgers te misleiden, Tschitschagoff

te ontduiken en het boven alles gewichtige Minsk door verrassing te

hernemen. Inmiddels begaf zich het korps van maarschalk Oudinot in

diepe stilte naar Studianka, waar de overtocht werkelijk zou volvoerd

worden, op marsch. Ook Rasinski moest, nadat zijne manschappen eenige

uren gerust hadden, derwaarts opbreken. Het uitdrukkelijk bevel luidde,

dat men op dezen marsch de diepste stilte moest in acht nemen; ook was

het ten strengste verboden, vuur te slaan of iets anders te doen, wat

van den anderen oever zou kunnen bemerkt worden, daar deze door een

keten van russische voorposten bezet was, welker verwijderde wachtvuren

men op de boschrijke heuvelkruinen als bleeke sterren zag flonkeren.

Zouden ze met haar bloedig schijnsel den ondergang van het leger

verkondigen, dat in dit land door zulke vijandige gesternten bestraald

werd? Om het onheil ten top te voeren, scheen door het noodlot de

voltooiing van hun verderf, in het gezicht der redding, besloten. Een

sombere ernst, door het diepe zwijgen en de angstig gespannen stilte

nog verhoogd, had zich van de ziel der krijgslieden meester gemaakt.

Bij alle harde ontberingen kwam thans ook nog het gemis van eene

troostende bemoedigende toespraak, ja, de stikdonkere nacht vergunde

niet eenmaal een versterkenden blik der liefde en der vriendschap op

de naaste dierbaarste panden. Rasinski had Lodewijk en Bernard willen

overreden, met Bianca het leger te verlaten en, zoover mogelijk, hunne

reis langs de rivier voort te zetten, wijl hij geloofde, dat het hun

onder bescherming van Bianca, die overal voor eene Russin kon doorgaan,

misschien gelukken zou, een toevluchtsoord en wellicht spoedig de

onbelemmerde baan naar Warschau te bereiken. Doch beide vrienden, en

ten stelligste Bianca zelve, verklaarden, dat zij hun lot niet van

dat van Rasinski en de zijnen wilden scheiden. Met dezelfde roerende

hartelijkheid hadden Willhofen en Jeannette aan elke poging van

Bianca, die hun insgelijks dezen weg tot levensbehoud wilde opdringen,

wederstand geboden. Zoo waren er dan toch nog harten, in welke met de

sterkte der beproeving de kracht aanwies en die, verre van door den

ijzeren voet van het lot gestadig dieper in het stof der verworpenheid

vertreden te worden, in elken nieuwen druk slechts de aansporing tot

verdubbelden tegenstand vonden.

Bernard en Lodewijk gingen te voet dicht nevens den wagen, waarop

Bianca gezeten was; het verleende haar en hun troost, zich in elkanders

nabijheid te weten en, nu het gevaar van het oogenblik elke mondelinge

mededeeling verbood, althans de schemerende omtrekken der gedaanten in

het oog te houden.

Naarmate men Studianka meer en meer naderde, werden ook de legervuren

op de hoogten gestadig talrijker. Rasinski merkte zulks met bekommering

op, daar men uit die menigte kon opmaken, dat de tegenoever door een

aanzienlijk legerkorps bezet werd, en alles was reddeloos verloren,

wanneer het niet gelukte, den vijand te misleiden.

Omstreeks vier uren, in den nanacht, kwam Rasinski op de verzamelplaats

bij Studianka aan. Reeds van den vorigen avond af waren de ingenieurs

hier met het slaan van twee bruggen bezig, wier voltooiing men voor het

aanbreken van den dag te gemoet zag, ten einde nog onder bescherming

der duisternis zoovele troepen over te brengen, als noodig waren, om

aan genen oever de eerste baan te breken. Doch deze verwachting werd op

het gruwzaamst teleurgesteld en leed wederom schipbreuk op de der, naar

het scheen, met den vijand saamgezworen elementen. Door het dooiweder

van den vorigen dag opgezwollen, was de vloed ettelijke voeten

gewassen, zoodat de plaats, welke de infanterie in geval van nood

had moeten doorwaden, zelfs voor de ruiterij te diep werd. De sedert

gisteren ingevallen koude was juist voldoende, om sterke ijsschotsen te

vormen, die met den stroom afdreven en alles met zich voortsleepten,

doch zij was niet hevig genoeg, om een hecht ijsdek te vormen. Zoo

behield de ruwe kracht der natuur op de uiterste inspanningen van

menschelijk pogen de overhand. Te vergeefs hadden de pontonniers,

dikwijls tot aan de borst in water en moeras weggezonken, den ganschen

nacht door gezwoegd en gearbeid, te vergeefs met de vinnige koude, de

snijdende ijsschollen, den machtigen stroom gekampt en geworsteld!

De morgen was nabij, en nog geen enkele steunbalk stond behoorlijk

bevestigd, want tweemalen had de opgeruide vloed de ingeheide palen en

kromhouten weggevaagd en wat met ongehoorde inspanning van krachten was

tot stand gebracht, als ijdel speelwerk vernietigd.

Het gevaar was ten top gestegen; brak de dag aan en was de brug niet

voltooid, dan had men te duchten, dat de vijandelijke batterijen aan

gindschen oever door eene volle laag den gebrekkigen arbeid vernielden,

en dan verdween de mogelijkheid, om zelfs een enkelen man voor het

vaderland te redden, dan was alles, alles verloren!

Rasinski was met zijne manschappen op een heuvel nabij Studianka

gelegerd. Hij zelf begaf zich met Regnard naar den oever, waar de

generaals te vergeefs naar een middel ter redding uitzagen.

Mortier, Davoust, Ney en Eugenius vormden een kleine groep en vestigden

hunne donkere blikken op den anderen oever, waar de russische

wachtvuren als zoovele brandtoortsen des verderfs helder opvlamden.

Zelfs de onverschrokken Ney liet zich in zwaarmoedige gramschap op de

verraderlijke krijgskans de woorden ontvallen: „Vindt de keizer hier

nog een uitweg, dan houdt hij de geluksgodin met ketenen aan zich

vastgeboeid en dient zij hem als slavin.”

Daar verscheen deze zelf in den kring der maarschalken en legerhoofden.

Met zijne garden van Borisow opgerukt, had hij in stilte eene

legerplaats in de nabuurschap betrokken. Hier waren hem van minuut tot

minuut de ontmoedigendste berichten aangaande de mogelijkheid, om de

brug tot stand te brengen, overgebracht; hij beschouwde zich dus als

door het geluk verlaten en verscheen nu op de plaats des gevaars, om

zelf te zien, te beoordeelen, te meten en, zoo hij al niet bij machte

was, het te overwinnen, er ten minste roemrijk mede te kampen.

Hij groette kort, ernstig, maar vriendelijk. Hierop vorschte hij met

onverzettelijke bedaardheid naar alle omstandigheden, tegenspoeden,

teleurstellingen. De berichten luidden zoo, dat zelfs hij de

onmogelijkheid der redding bijna moest toegeven. Op een gewelddadig

doorslaan midden door 's vijands legermacht was hij in het gunstige

geval voorbereid geweest.

Rasinski hing met onafgewende oogen aan de ernstige, maar volkomen

kalme wezenstrekken van den reusachtigen man, die den trotschen nek nog

niet voor de slagen van het noodlot gekromd had, maar op nieuwe wapens

zon, om er mede te worstelen. Een somber zwijgen heerschte om hen heen.

Daar rijst eensklaps in Rasinski het denkbeeld op: Wordt _hij_ slechts

gered, zoo is niets verloren, dan een groot leger; gansch Frankrijk,

half Europa kan zich opnieuw voor hem wapenen! Deze massa's zijn dood,

verplet, verstoven, als vergruisde steen, zoo zijne kracht ze niet

samenbindt; zij zijn onverwinnelijk, zoo hij ze met de vlam van zijn

geest bezielt. Honderd duizenden zijn in de sneeuwgroeven begraven; wat

komt er het op eenigen meer of minder aan? _Hij_ moet gered worden, dan

is alles gered.

Met dit denkbeeld bezwangerd, ijlt hij op den maarschalk Ney toe en

ontsluiert dezen de ingeving van zijn hart. De koene soldaat juicht

dit denkbeeld met geestdrift toe; hij zelf zou wel is waar in een

dergelijken voorslag zijner onderhoorigen nimmer hebben ingewilligd,

doch thans voelt hij slechts als soldaat, niet als veldheer. „Is de

redding mogelijk, dan moet zij beproefd worden,” roept hij uit.

„Met mijn hoofd sta ik voor het welgelukken borg,” betuigt Rasinski met

edel vuur. „Van hier af ken ik elk pad, mijne Polen ook. Elk hunner

geeft tienmaal zijn leven voor dat des keizers. Verder opwaarts naar

Weselowa is de rivier niet breed; met onze paarden zwemmen wij over,

nog voor het daglicht zijn wij aan genen oever. In vijf dagen breng

ik den keizer naar Wilna; van daar staat Europa voor hem open. Beweeg

den keizer, maarschalk! Zijne redding is immers ook de onze; weet

Rusland, dat hij van Parijs nieuwe legers zendt, zoo zijn wij hoogstens

_krijgsgevangenen_; deelt de keizer in ons lot, dan zijn wij met hem

_staatsgevangenen_ en gij kent den onmetelijken kerker, welken Rusland

voor dezen bezit.”

Rasinski's vuur had den maarschalk volkomen overtuigd. „Hij moet

willen,” riep hij driftig uit; „en er mag geen oogenblik verloren gaan.”

De keizer had zich juist in eene hut aan den oever begeven. Ney ijlt

derwaarts; hij vindt den koning van Napels en den onderkoning van

Italië, aan hen deelt hij Rasinski's voorslag mede; zij juichen dien

toe, besluiten gezamenlijk tot den keizer te gaan en treden de hut

binnen.

In angstige spanning ziet Rasinski den uitslag te gemoet. Een vierde

uur verloopt; niemand laat zich zien. Het wordt reeds laat—reeds wil

Rasinski het wagen, zelf tot den keizer door te dringen,—daar komt Ney

terug, gaat hem langzaam te gemoet en zegt:

„Graaf Rasinski: De keizer is niet te bewegen, het leger te verlaten.

Wij wachten hier gezamenlijk den dag, den vijand, den ondergang af!”

De ruwe toon waarop de maarschalk dit zeide, bewees, hoe hevig hij

ontroerd was, en hoeveel moeite hij zich aandeed, om het niet te

schijnen. Rasinski stond als versteend; een onbeschrijfelijk smartelijk

gevoel doorpriemde zijne borst en benam hem den adem. „Hebt gij den

keizer gezegd....” begon hij eindelijk weder, doch werd dadelijk door

den maarschalk in de rede gevallen:

„Alles! alles, waartoe liefde en overreding in staat zijn; de koning

van Napels, de onderkoning van Italië, Davoust, Mortier, Rapp, graaf

Daru, Berthier zelfs—bijna hadden wij ons aan zijne voeten geworpen.

Doch hij bleef onwrikbaar als een rots. „De soldaat heeft zijn

vertrouwen op mij gesteld, ik wil het niet teleurstellen,” was het

eenige antwoord.”

„En Parijs, Frankrijk, Europa, wogen die gewichten in de schaal nog te

licht?”

„„Hier is het dringendste gevaar,” herhaalde hij slechts; „ik ga niet,

eer het voorbij is.””

„Dan is het te laat,” riep Rasinski buiten zich zelf; „vergun mij, dat

ik nog eens....”

„Neen, graaf,” antwoordde de maarschalk; „de keizer laat zich door

gebeden niet van zijne besluiten afbrengen. Ook ik zeide hem: Dan is het

te laat.—„„Maar thans is het nog te vroeg,”” was zijn antwoord, „„en,””

voegde hij er na eenig zwijgen bij, „„wilt gij dan met geweld zien, dat

ik bij het ongeluk ook nog schande op mijn hoofd lade! Ik zal gaan, ik

zal niet tot Parijs aan de spits des legers marcheeren, maar eerst dan,

als uwe tegenwoordigheid hier voldoende is. Dat oogenblik is nog niet

gekomen.”””

Rasinski zweeg. Zoo diep het denkbeeld hem griefde, dat de groote man

hier in het aangezicht der redding een onherroepelijken ondergang

vinden zou, zoo diep doordrong hem toch ook het gevoel van opbeurende

bewondering, welke het vaste besluit des keizers inboezemde.

Eenige minuten duurde de kamp in zijn binnenste; vervolgens riep

hij: „Waarlijk, hij mocht niet anders, hij heeft ons ook ditmaal

overtroffen en beschaamd. Zoo is het beter! Wij willen hem het, aan

elke menschelijke borst dierbare bewustzijn ontrooven van edel,

waardig, groot te handelen. Wèl hem, wèl ons, dat hij het niet duldde.

Ook het ware voordeel is aan dezen kant! De wereldgeschiedenis wint

weinig, wanneer hij nog eenige jaren over Europa heerscht, veel,

wanneer hij zijner waardig valt! Voor den glans des roems heeft hij

tienvoudig genoeg gedaan, thans handelt hij voor het echte goud van

dien roem.—Maarschalk, ik ben meer dan getroost, ik ben bemoedigd en

gesterkt.”

„En gij hebt gelijk, en onze diepe droefheid is daarvan het

onbedriegelijke bewijs.” Zij reikten elkander de hand en scheidden.

Rasinski reed naar de zijnen terug en verhaalde wat gebeurd was. De

gloeiende geestdrift voor den veldheer vlamde in aller borst weder

helder op en allen zagen het verderf, dat hen weldra zoude naderen, met

kalmte en trotschen moed tegen.

1812: Historische roman · 第 123 / 154 题