HOOFDSTUK I.

Door Rasinski's toedoen waren de vrienden weder in het bezit van een

wagen gekomen, waarop Bianca, Jeannette en het kind den bezwaarlijken

tocht konden voortzetten. Om in den algemeenen nood nog hulp aan te

brengen, waar zij zulks vermochten, namen zij nog drie gekwetste

officieren op, die beurtelings een der paarden bestuurden. Bernard,

wiens wonde bij zijne frissche, jeugdige krachten en onder de betere

verzorging, welke hij in de laatste dagen genoten had, volkomen genezen

was, ging met Lodewijk te voet, maar zij hielden zich in de nabijheid

van het voertuig. Rasinski en zijne manschappen beschouwden zich

eenigermate als de bedekking van den wagen en verlieten dien slechts

wanneer de krijgsplicht hen ergens elders riep.

De koude was geheel geweken en werd door een zóó sterken dooi gevolgd,

dat zelfs de sneeuw ten deele wegsmolt en ten minste van den grooten

weg geheel verdween. Viel dus ook al de winter het leger met zijne

scherpe wapenen niet meer met zooveel geweld aan, zoo werd daarvoor

de marsch nu dubbel bezwaarlijk. Zij, die in het vertrouwen, dat de

vorst van duur zijn zou, hunne wagens met sleden verwisseld hadden,

zagen zich thans bitter bedrogen, daar deze voertuigen bij het

verdwijnen der sneeuw geheel onbruikbaar werden. Het toeval, meer dan

eigen inzicht, had voor Bianca op eene tegenovergestelde wijze zorg

gedragen. Gelijk men in tijden van druk en beproeving zelfs aan de

geringste gunstig schijnende omstandigheden groote waarde hecht, zoo

wilde ook zij daarin een bijzonder teeken ontdekken, dat de hand des

hemels zich beschermend over haar uitstrekte en haar gelukkig uit den

diepen afgrond dezer grenzenlooze ellende redden zoude. Met angstig

medelijden zag zij echter den jammer aan, welke om haar heen heerschte

en van uur tot uur eene meer verschrikkelijke gestalte aannam; het

scheen haar bijna misdadig, in dezen algemeenen ondergang op eigen

redding bedacht te zijn en dood en ellende niet gemeenschappelijk te

willen deelen. Had de smart zich overal onder eene edele gedaante

vertoond, zij zou misschien huiverig zijn geweest, slechts aan eigen

behoud te denken; thans echter kwam onder deze ernstige beproevingen

meerendeels alleen de diepe verdorvenheid der menschelijke ziel in

hare gansche afschuwelijkheid te voorschijn. Hoogst zeldzaam bespeurde

men eene verhevene, edele gelatenheid onder het verpletterend noodlot,

des te menigvuldiger daarentegen eene wrokkende woede, een luid

vloeken en verwenschen van alle menschelijke, heilige en goddelijke

instellingen. Bianca ijsde hiervoor terug; haar gemarteld oog wendde

zich van deze tooneelen van afgrijzen af en zij boog zich over het

aanminnig kind op haren schoot neder, om in de beschouwing van diens

zachte trekken de vreeselijke ontaarding der menschheid te vergeten.

Ach, en juist dit kind herinnerde het haar niet ook de onnatuurlijkste

daad? Stond achter het vriendelijke beeld van dezen lachenden engel

niet de furiëngestalte eener aan het verderf ten prooi gegeven moeder,

die in snoode waanzinnigheid zelve de heilige vrucht van haren

schoot had willen vernietigen?—En wanneer de beangste het oog weder

opsloeg, wat ontdekte zij dan om zich heen? Jammer, ellende, razernij,

vertwijfeling, onmenschelijke woede tegen den Schepper en zijn schepsel!

De slijkige, in een moeras veranderde weg, vorderde eene bovenmatige

inspanning van alle krachten. De voor sleden gespannen paarden

stortten, in weerwil der meedoogenlooze zweepslagen, waarmede de

geleiders hen onder grimmige vloeken trachtten voort te drijven, ter

neder en waren nauwelijks in staat zich weder op te richten. Thans

eerst, schoon te laat, werd het besluit genomen, het onmogelijke op

te geven. Men spande de dieren uit en overlaadde hen met buit en

voorraad; te vergeefs smeekten de zieken en gewonden, dat men hen

niet vergeten zou. De hebzucht en het eigenbelang waren doof; wie nog

krachten bezat, om voor zich zelf te handelen, zich zelf te redden,

dacht aan geen plichten der menschelijkheid meer. Echter werd deze daad

door de verdiende straf op den voet gevolgd, want nauwelijks had men,

zonder zich om het gekerm der kameraden, die men aan een akeligen dood

door honger of koude prijsgaf, te bekommeren, de uitgeputte paarden

eenige honderden schreden vooruitgezweept, of deze stortten andermaal

ter aarde en thans waren alle pogingen, om hen opnieuw op te jagen,

vruchteloos. Huilend van woede trapten de verbitterde bezitters hun

bijeengeraapten buit in het slijk en vernielden in hunne grimmigheid

zelfs de levensmiddelen, die hen wellicht den volgenden dag van den

hongerdood zouden gered hebben.—En honderden en duizenden zagen

deze tooneelen aan, doch niemand stoorde zich daaraan, niemand ging

het lot der verlatenen ter harte, zoo had de vreeselijke herhaling

van dergelijke voorvallen zelfs het verschrikkelijkste tot iets

onverschilligs, iets gewoons gemaakt, zoo de ondragelijke zwaarte van

het eigen lijden elk gevoel voor dat van den vreemden verstompt! En

niet alleen de ruwe, de onbeschaafde, dien beter weten en gevoel voor

het ware en edele de borst niet gelouterd hadden, maar zelfs hij,

die met de hoogere voorschriften der deugd bekend moest zijn, had ze

ganschelijk vergeten en droeg van den mensch nog slechts de uiterlijke

gedaante, en ook deze nog misvormd en bijna onkenbaar door honger,

uitputting, ellende en krankheid.

Zoo zag men hoofdofficieren, zelfs generaals, onder de massa's der

krijgers verloren, zich met behulp van een stok voortsleepen en den

bodem, dien zij als overwinnaars betraden, als bedelaars verlaten,

gelukkig genoeg, zoo zij buiten de bezwaren van den marsch niet nog de

gevaren van den kamp en den hoon des vijands te verduren hadden, wiens

zwervende aziatische horden, als eene schaar hongerige roofvogels, die

om een verrottend lijk in het rond zwierf, het leger verzelden.

Eenige dagen verstreken, gedurende welke de sombere beelden zich in

gestadige opvolging vernieuwden. De hoop van weldra het niet ver meer

verwijderde Minsk te bereiken en aldaar voorraad in overvloed, ruimte

ter herberging van allen en bovendien onderstand van versche, wel

uitgeruste troepen te vinden, hield de kracht staande. Zoo trok men

Toloczin binnen. Den volgenden morgen had men zich nauwelijks weder

op marsch begeven, toen een officier den keizer met een schriftelijk

bericht te gemoet kwam. Deze opende de depêche en verried door eene

driftige beweging, dat de inhoud verre van geruststellend was.

Schoon het bericht nog een geheim bleef, liepen weldra allerlei

vermoedens en geruchten, die aan de waarheid zeer nabij kwamen, door

de gelederen rond. Tegen den avond van den volgenden dag liet zij zich

niet langer ontveinzen, want reeds langs andere wegen was zij het leger

ter ooren gekomen.—Minsk was verloren, in 's vijands handen!

Toen Rasinski op het bivak dit naricht uit den mond van Regnard vernam,

verwisselde zelfs hij van kleur en drukte zich de hand voor de oogen,

als wilde hij dat nieuwe onheil niet zien. „Zoo is dan de keizer een

russisch staatsgevangene!” riep hij in onstuimige gemoedsbeweging.

Een somber zwijgen heerschte in den kleinen kring der verzamelde

vrienden. Met vragende blikken hingen allen aan het gelaat van hun

aanvoerder en trachtten vruchteloos nog eenige hoop op zijn gefronst

voorhoofd te lezen.

„Dus ook dat nog,” vervolgde hij na een lange stilte. „En deze winter,

die ons eerst eene maand te vroeg overviel, verraadt ons nu ten tweede

male, daar hij ons verlaat, waar hij onze bondgenoot worden kon. Het

verlies van Minsk, hoe hard het ook zij, ware nog te verkroppen, zoo

de Beresina ons niet met hare moerassige diepten gevangen hield. Eene

russische armee aan de overzijde der rivier is als een ijzeren grendel,

die ons de poort van dezen Tartarus onherroepelijk sluit.”

„Ons blijft geene andere hoop,” hervatte Regnard, „dan deze, dat de

vijand vóór ons onzen toestand hier nog niet kan kennen; dat hij ons

wellicht vreest, wellicht te misleiden is.”

Rasinski schudde het hoofd. „Kutusow, meent gij, zou geen bode gevonden

hebben, om Tschitschagoff, Wittgenstein, of hoe die generaals heeten

mogen, van alles te verwittigen?—Een demon moest hen verblinden, zoo

zij nu het net niet over de kostelijke vangst toetrokken! Eén uitweg

rest ons nog—de eervolle kamp en ondergang.—Op de baan der schande

kan ons het lot niet brengen, dat echter is ook de eenige gunst, die

het ons toedeelt.”

Over Jaromirs wangen zweefde een weemoedig lachje, toen Rasinski zich

dus uitliet. Bernard, die zulks bespeurde, ontdekte hieruit, welke hoop

door het geheel verbrijzeld hart van den armen jongeling gekoesterd

werd. Sedert de ongelukkige Alisette's lot kende, had buiten den

somberen ernst, die na den rampzaligen avond in Moskou zijne jeugdige

opgeruimdheid in ijzeren boeien geketend hield, ook nog eene stille

droefgeestigheid hem overmeesterd, die dikwijls een wezenloos mijmeren

en droomen geleek. Het mannelijk besluit zijner ziel, om door een stalen

krijgsmansmoed de schuld, met welke hij zich bezwaard gevoelde, te

verzoenen, was door een, buiten de grenzen van zijn wil gelegen oorzaak

verlamd. De vastberadenheid, waardoor hij zich tot hiertoe in deze

dagen van tegenspoed ook boven Boleslaw zoo gunstig had onderscheiden

was verdwenen, de ellende om hem heen scheen hem koud en gevoelloos te

laten, ja zelfs de roerende deelneming en bezorgdheid zijner dierbaarste

vrienden bespeurde hij nauwelijks en beantwoordde hij met merkbare

onverschilligheid.

Met diepe droefheid had de steeds opmerkzame Bernard deze verandering in

het geheele gemoedsbestaan van den jongeling waargenomen. En thans nu

het vonnis der veroordeeling over zijne makkers, over zijne vrienden,

welke hij innig liefhad, over den roem van het leger en dien des

keizers, ja over het lot van zijn vaderland werd uitgesproken, nu hij

zijne lotgenooten verpletterd en als versteend voor zich zag, thans

glimlachte hij, alsof eindelijk een lichtstraal der vreugde in den nacht

zijner smarten doordrong. Hij geleek een afgemartelden lijder op het

doodbed, die den engel der verlossing ziet naderen.

Bernard werd door den aanblik van den ongelukkigen vriend zelfs

nu ten diepste ontroerd, daar de verbrijzelende knodsslag der

wereldgebeurtenissen, die allen gelijkelijk trof, even bedwelmend op hem

nederviel als op alle overigen. Dit ware onmogelijk geweest, wanneer

hetzelfde oogenblik de zekerheid van den ondergang en zijne vervulling

had doen geboren worden; doch wanneer nog een arm van den tijdstroom

tusschen deze twee heenbruist, is de mensch, zelfs onwillekeurig, nog

steeds geneigd, zijn geluk aan het zwakste, met de golven worstelende

vaartuig der hoop toe te vertrouwen, en behoudt hij het gevoel eener

tegenwoordigheid met al hare smarten en genietingen.

„Dus is juist dat zijne hoop en het doel zijner wenschen geworden, wat

in elke andere borst alle wenschen en alle verwachtingen vernietigt?”

dacht Bernard en liet zijn blik in weemoedige beschouwing op het

bleeke gelaat en het matte oog van den jongeling rusten. „Zijt gij

zoo diep ongelukkig, gij arme lotgenoot?”—Het vorschend oog van den

scherpzienden vriend drong dieper door. Het was niet de verlossing uit

zijn lijden, welke met de vernietiging der vrienden, des roems en van

het vaderland gepaard ging, die Jaromir, nog bij zijn volle bewustzijn

verkeerende, met een vriendelijk lachje had begroet! Dat kon slechts

hij, voor wien de beelden des levens zich reeds begonnen te verwarren,

voor wien zij in schemerende droomen overgingen. Ach, reeds lang had

Bernard het bemerkt, maar de gedachte als een pijnigenden vijand van

zich trachten af te weren, dat de Nemesis, die de schuldige Alisette

achterhaald had, voor Jaromir een gruwzaam spiegelbeeld was geworden,

waarin hij zijn eigen noodlot dreigend voor zich zag.

En dit niet alleen, maar ook de gedachte, dat zulk eene vreeselijke

schuld op hem rustte, dat zijne misdaad de duistere wraakgestalten

opriep en ze dreigend aan zijne schreden vasthechtte, folterde Jaromirs

borst met duldelooze wroegingen, van welke hij geene verlossing zag

dan in den dood, dien hij zich zelf niet geven mocht, zonder zich met

nieuwen vloek te beladen. Door deze gestadige, inwendige marteling

verteerde hij zich zelf, zijne kracht bezweek, zijn edele geest

verloor het heldere, vrije bewustzijn; als nachtelijke spooksels slopen

de verschrikkingen der krankzinnigheid zijne ziel binnen en hij ijsde

terug bij hare kille aanraking. Wie zal het thans in hem veroordeelen,

dat de donkere poort des doods hem die der bevrijding toescheen, toen

zijn gemartelde ziel niet meer in staat was, haar zich anders voor te

stellen?

Met ijskoude huivering wendde Bernard het oog van den ongelukkige af.

De openhartige mededeeling zijner bange vermoedens zou thans eene

verkwikkende weldaad voor hem geweest zijn, doch hij ontzeide zich

die, om het hart zijner vrienden niet met nieuwen bitteren kommer te

beladen. Het leed had hunne borst reeds genoeg verpletterd, waartoe

ze met nieuwe, diepe wonden te doorpriemen?—Tot Jaromir wendde hij

zich echter met warme, broederlijke liefde en beproefde, of woorden

van opbeuring en hoop nog in staat waren, den zwarten roofvogel der

krankzinnigheid te verjagen, die in enger en enger kringen om diens

ziel zweefde en haar met giftige klauwen dreigde vaneen te rijten.

1812: Historische roman · 第 122 / 154 题