Door Rasinski's toedoen waren de vrienden weder in het bezit van een
wagen gekomen, waarop Bianca, Jeannette en het kind den bezwaarlijken
tocht konden voortzetten. Om in den algemeenen nood nog hulp aan te
brengen, waar zij zulks vermochten, namen zij nog drie gekwetste
officieren op, die beurtelings een der paarden bestuurden. Bernard,
wiens wonde bij zijne frissche, jeugdige krachten en onder de betere
verzorging, welke hij in de laatste dagen genoten had, volkomen genezen
was, ging met Lodewijk te voet, maar zij hielden zich in de nabijheid
van het voertuig. Rasinski en zijne manschappen beschouwden zich
eenigermate als de bedekking van den wagen en verlieten dien slechts
wanneer de krijgsplicht hen ergens elders riep.
De koude was geheel geweken en werd door een zóó sterken dooi gevolgd,
dat zelfs de sneeuw ten deele wegsmolt en ten minste van den grooten
weg geheel verdween. Viel dus ook al de winter het leger met zijne
scherpe wapenen niet meer met zooveel geweld aan, zoo werd daarvoor
de marsch nu dubbel bezwaarlijk. Zij, die in het vertrouwen, dat de
vorst van duur zijn zou, hunne wagens met sleden verwisseld hadden,
zagen zich thans bitter bedrogen, daar deze voertuigen bij het
verdwijnen der sneeuw geheel onbruikbaar werden. Het toeval, meer dan
eigen inzicht, had voor Bianca op eene tegenovergestelde wijze zorg
gedragen. Gelijk men in tijden van druk en beproeving zelfs aan de
geringste gunstig schijnende omstandigheden groote waarde hecht, zoo
wilde ook zij daarin een bijzonder teeken ontdekken, dat de hand des
hemels zich beschermend over haar uitstrekte en haar gelukkig uit den
diepen afgrond dezer grenzenlooze ellende redden zoude. Met angstig
medelijden zag zij echter den jammer aan, welke om haar heen heerschte
en van uur tot uur eene meer verschrikkelijke gestalte aannam; het
scheen haar bijna misdadig, in dezen algemeenen ondergang op eigen
redding bedacht te zijn en dood en ellende niet gemeenschappelijk te
willen deelen. Had de smart zich overal onder eene edele gedaante
vertoond, zij zou misschien huiverig zijn geweest, slechts aan eigen
behoud te denken; thans echter kwam onder deze ernstige beproevingen
meerendeels alleen de diepe verdorvenheid der menschelijke ziel in
hare gansche afschuwelijkheid te voorschijn. Hoogst zeldzaam bespeurde
men eene verhevene, edele gelatenheid onder het verpletterend noodlot,
des te menigvuldiger daarentegen eene wrokkende woede, een luid
vloeken en verwenschen van alle menschelijke, heilige en goddelijke
instellingen. Bianca ijsde hiervoor terug; haar gemarteld oog wendde
zich van deze tooneelen van afgrijzen af en zij boog zich over het
aanminnig kind op haren schoot neder, om in de beschouwing van diens
zachte trekken de vreeselijke ontaarding der menschheid te vergeten.
Ach, en juist dit kind herinnerde het haar niet ook de onnatuurlijkste
daad? Stond achter het vriendelijke beeld van dezen lachenden engel
niet de furiëngestalte eener aan het verderf ten prooi gegeven moeder,
die in snoode waanzinnigheid zelve de heilige vrucht van haren
schoot had willen vernietigen?—En wanneer de beangste het oog weder
opsloeg, wat ontdekte zij dan om zich heen? Jammer, ellende, razernij,
vertwijfeling, onmenschelijke woede tegen den Schepper en zijn schepsel!
De slijkige, in een moeras veranderde weg, vorderde eene bovenmatige
inspanning van alle krachten. De voor sleden gespannen paarden
stortten, in weerwil der meedoogenlooze zweepslagen, waarmede de
geleiders hen onder grimmige vloeken trachtten voort te drijven, ter
neder en waren nauwelijks in staat zich weder op te richten. Thans
eerst, schoon te laat, werd het besluit genomen, het onmogelijke op
te geven. Men spande de dieren uit en overlaadde hen met buit en
voorraad; te vergeefs smeekten de zieken en gewonden, dat men hen
niet vergeten zou. De hebzucht en het eigenbelang waren doof; wie nog
krachten bezat, om voor zich zelf te handelen, zich zelf te redden,
dacht aan geen plichten der menschelijkheid meer. Echter werd deze daad
door de verdiende straf op den voet gevolgd, want nauwelijks had men,
zonder zich om het gekerm der kameraden, die men aan een akeligen dood
door honger of koude prijsgaf, te bekommeren, de uitgeputte paarden
eenige honderden schreden vooruitgezweept, of deze stortten andermaal
ter aarde en thans waren alle pogingen, om hen opnieuw op te jagen,
vruchteloos. Huilend van woede trapten de verbitterde bezitters hun
bijeengeraapten buit in het slijk en vernielden in hunne grimmigheid
zelfs de levensmiddelen, die hen wellicht den volgenden dag van den
hongerdood zouden gered hebben.—En honderden en duizenden zagen
deze tooneelen aan, doch niemand stoorde zich daaraan, niemand ging
het lot der verlatenen ter harte, zoo had de vreeselijke herhaling
van dergelijke voorvallen zelfs het verschrikkelijkste tot iets
onverschilligs, iets gewoons gemaakt, zoo de ondragelijke zwaarte van
het eigen lijden elk gevoel voor dat van den vreemden verstompt! En
niet alleen de ruwe, de onbeschaafde, dien beter weten en gevoel voor
het ware en edele de borst niet gelouterd hadden, maar zelfs hij,
die met de hoogere voorschriften der deugd bekend moest zijn, had ze
ganschelijk vergeten en droeg van den mensch nog slechts de uiterlijke
gedaante, en ook deze nog misvormd en bijna onkenbaar door honger,
uitputting, ellende en krankheid.
Zoo zag men hoofdofficieren, zelfs generaals, onder de massa's der
krijgers verloren, zich met behulp van een stok voortsleepen en den
bodem, dien zij als overwinnaars betraden, als bedelaars verlaten,
gelukkig genoeg, zoo zij buiten de bezwaren van den marsch niet nog de
gevaren van den kamp en den hoon des vijands te verduren hadden, wiens
zwervende aziatische horden, als eene schaar hongerige roofvogels, die
om een verrottend lijk in het rond zwierf, het leger verzelden.
Eenige dagen verstreken, gedurende welke de sombere beelden zich in
gestadige opvolging vernieuwden. De hoop van weldra het niet ver meer
verwijderde Minsk te bereiken en aldaar voorraad in overvloed, ruimte
ter herberging van allen en bovendien onderstand van versche, wel
uitgeruste troepen te vinden, hield de kracht staande. Zoo trok men
Toloczin binnen. Den volgenden morgen had men zich nauwelijks weder
op marsch begeven, toen een officier den keizer met een schriftelijk
bericht te gemoet kwam. Deze opende de depêche en verried door eene
driftige beweging, dat de inhoud verre van geruststellend was.
Schoon het bericht nog een geheim bleef, liepen weldra allerlei
vermoedens en geruchten, die aan de waarheid zeer nabij kwamen, door
de gelederen rond. Tegen den avond van den volgenden dag liet zij zich
niet langer ontveinzen, want reeds langs andere wegen was zij het leger
ter ooren gekomen.—Minsk was verloren, in 's vijands handen!
Toen Rasinski op het bivak dit naricht uit den mond van Regnard vernam,
verwisselde zelfs hij van kleur en drukte zich de hand voor de oogen,
als wilde hij dat nieuwe onheil niet zien. „Zoo is dan de keizer een
russisch staatsgevangene!” riep hij in onstuimige gemoedsbeweging.
Een somber zwijgen heerschte in den kleinen kring der verzamelde
vrienden. Met vragende blikken hingen allen aan het gelaat van hun
aanvoerder en trachtten vruchteloos nog eenige hoop op zijn gefronst
voorhoofd te lezen.
„Dus ook dat nog,” vervolgde hij na een lange stilte. „En deze winter,
die ons eerst eene maand te vroeg overviel, verraadt ons nu ten tweede
male, daar hij ons verlaat, waar hij onze bondgenoot worden kon. Het
verlies van Minsk, hoe hard het ook zij, ware nog te verkroppen, zoo
de Beresina ons niet met hare moerassige diepten gevangen hield. Eene
russische armee aan de overzijde der rivier is als een ijzeren grendel,
die ons de poort van dezen Tartarus onherroepelijk sluit.”
„Ons blijft geene andere hoop,” hervatte Regnard, „dan deze, dat de
vijand vóór ons onzen toestand hier nog niet kan kennen; dat hij ons
wellicht vreest, wellicht te misleiden is.”
Rasinski schudde het hoofd. „Kutusow, meent gij, zou geen bode gevonden
hebben, om Tschitschagoff, Wittgenstein, of hoe die generaals heeten
mogen, van alles te verwittigen?—Een demon moest hen verblinden, zoo
zij nu het net niet over de kostelijke vangst toetrokken! Eén uitweg
rest ons nog—de eervolle kamp en ondergang.—Op de baan der schande
kan ons het lot niet brengen, dat echter is ook de eenige gunst, die
het ons toedeelt.”
Over Jaromirs wangen zweefde een weemoedig lachje, toen Rasinski zich
dus uitliet. Bernard, die zulks bespeurde, ontdekte hieruit, welke hoop
door het geheel verbrijzeld hart van den armen jongeling gekoesterd
werd. Sedert de ongelukkige Alisette's lot kende, had buiten den
somberen ernst, die na den rampzaligen avond in Moskou zijne jeugdige
opgeruimdheid in ijzeren boeien geketend hield, ook nog eene stille
droefgeestigheid hem overmeesterd, die dikwijls een wezenloos mijmeren
en droomen geleek. Het mannelijk besluit zijner ziel, om door een stalen
krijgsmansmoed de schuld, met welke hij zich bezwaard gevoelde, te
verzoenen, was door een, buiten de grenzen van zijn wil gelegen oorzaak
verlamd. De vastberadenheid, waardoor hij zich tot hiertoe in deze
dagen van tegenspoed ook boven Boleslaw zoo gunstig had onderscheiden
was verdwenen, de ellende om hem heen scheen hem koud en gevoelloos te
laten, ja zelfs de roerende deelneming en bezorgdheid zijner dierbaarste
vrienden bespeurde hij nauwelijks en beantwoordde hij met merkbare
onverschilligheid.
Met diepe droefheid had de steeds opmerkzame Bernard deze verandering in
het geheele gemoedsbestaan van den jongeling waargenomen. En thans nu
het vonnis der veroordeeling over zijne makkers, over zijne vrienden,
welke hij innig liefhad, over den roem van het leger en dien des
keizers, ja over het lot van zijn vaderland werd uitgesproken, nu hij
zijne lotgenooten verpletterd en als versteend voor zich zag, thans
glimlachte hij, alsof eindelijk een lichtstraal der vreugde in den nacht
zijner smarten doordrong. Hij geleek een afgemartelden lijder op het
doodbed, die den engel der verlossing ziet naderen.
Bernard werd door den aanblik van den ongelukkigen vriend zelfs
nu ten diepste ontroerd, daar de verbrijzelende knodsslag der
wereldgebeurtenissen, die allen gelijkelijk trof, even bedwelmend op hem
nederviel als op alle overigen. Dit ware onmogelijk geweest, wanneer
hetzelfde oogenblik de zekerheid van den ondergang en zijne vervulling
had doen geboren worden; doch wanneer nog een arm van den tijdstroom
tusschen deze twee heenbruist, is de mensch, zelfs onwillekeurig, nog
steeds geneigd, zijn geluk aan het zwakste, met de golven worstelende
vaartuig der hoop toe te vertrouwen, en behoudt hij het gevoel eener
tegenwoordigheid met al hare smarten en genietingen.
„Dus is juist dat zijne hoop en het doel zijner wenschen geworden, wat
in elke andere borst alle wenschen en alle verwachtingen vernietigt?”
dacht Bernard en liet zijn blik in weemoedige beschouwing op het
bleeke gelaat en het matte oog van den jongeling rusten. „Zijt gij
zoo diep ongelukkig, gij arme lotgenoot?”—Het vorschend oog van den
scherpzienden vriend drong dieper door. Het was niet de verlossing uit
zijn lijden, welke met de vernietiging der vrienden, des roems en van
het vaderland gepaard ging, die Jaromir, nog bij zijn volle bewustzijn
verkeerende, met een vriendelijk lachje had begroet! Dat kon slechts
hij, voor wien de beelden des levens zich reeds begonnen te verwarren,
voor wien zij in schemerende droomen overgingen. Ach, reeds lang had
Bernard het bemerkt, maar de gedachte als een pijnigenden vijand van
zich trachten af te weren, dat de Nemesis, die de schuldige Alisette
achterhaald had, voor Jaromir een gruwzaam spiegelbeeld was geworden,
waarin hij zijn eigen noodlot dreigend voor zich zag.
En dit niet alleen, maar ook de gedachte, dat zulk eene vreeselijke
schuld op hem rustte, dat zijne misdaad de duistere wraakgestalten
opriep en ze dreigend aan zijne schreden vasthechtte, folterde Jaromirs
borst met duldelooze wroegingen, van welke hij geene verlossing zag
dan in den dood, dien hij zich zelf niet geven mocht, zonder zich met
nieuwen vloek te beladen. Door deze gestadige, inwendige marteling
verteerde hij zich zelf, zijne kracht bezweek, zijn edele geest
verloor het heldere, vrije bewustzijn; als nachtelijke spooksels slopen
de verschrikkingen der krankzinnigheid zijne ziel binnen en hij ijsde
terug bij hare kille aanraking. Wie zal het thans in hem veroordeelen,
dat de donkere poort des doods hem die der bevrijding toescheen, toen
zijn gemartelde ziel niet meer in staat was, haar zich anders voor te
stellen?
Met ijskoude huivering wendde Bernard het oog van den ongelukkige af.
De openhartige mededeeling zijner bange vermoedens zou thans eene
verkwikkende weldaad voor hem geweest zijn, doch hij ontzeide zich
die, om het hart zijner vrienden niet met nieuwen bitteren kommer te
beladen. Het leed had hunne borst reeds genoeg verpletterd, waartoe
ze met nieuwe, diepe wonden te doorpriemen?—Tot Jaromir wendde hij
zich echter met warme, broederlijke liefde en beproefde, of woorden
van opbeuring en hoop nog in staat waren, den zwarten roofvogel der
krankzinnigheid te verjagen, die in enger en enger kringen om diens
ziel zweefde en haar met giftige klauwen dreigde vaneen te rijten.