De maan trad juist van achter dichte wolken te voorschijn en goot haar
bleek licht over het landschap uit, toen Rasinski, die naast den gids
voortreed, den zoom van het woud bereikte en voor het eerst de doodsche
landstreek overzien kon. Slechts de tusschen lage, maar steile oevers
ingesloten Dnieper was zichtbaar en scheen eene zwarte reuzenslang, die
kronkelend over de witte sneeuw voortkroop; want helaas, geen ijsdek
was meer op den breeden stroom te bespeuren en slechts enkele schollen
en schotsen werden door zijne bruisende golven voortgekruid. Rasinski,
die, om zich te verzekeren dat men geen verraad had te duchten, de
colonne ettelijke honderden schreden was vooruit gereden, bevond zich
hier met zijn zwijgenden geleider geheel alleen en liet zijn vorschend
oog over de akelige wildernis ronddwalen, in welke zich slechts het
doffe gekraak en geknars der op elkander hortende ijsklompen liet
vernemen.
„Daar,” sprak de Rus en wees met den vinger naar eene plaats, waar de
loop van den stroom zich achter steile zandheuvels scheen te verliezen,
„daar staat het ijs, want in de enge kromming stapelen zich de
ijsschollen opeen en, zoo zij sedert gisteren niet is weggedooid, heeft
er zich ook eene baan vastgezet.”
Rasinski wendde zijn paard naar de aangewezen plaats. Terwijl hij langs
den zoom van het bosch voortreed, hoorde hij plotseling een gerucht in
de struiken en spoedig daarop het knallen eener zweep en het snuiven
van heftig aangezette paarden. Verwonderd luistert hij toe, want de
wagens van de achterhoede konden onmogelijk reeds zoo nabij zijn, en
bovendien geen enkel span der uitgeputte trekdieren waren thans tot
zulk eene rassche beweging in staat geweest. „Loopt hier een weg door
het woud?” vroeg hij den Rus. „Ja, heer,” gaf deze ten antwoord, „de
weg van Syrokorenje naar Gosinoe komt hier uit. Het zijn wellicht
boeren uit den omtrek. Gevaar heeft het zeker niet, want het schijnt
immers eene slede te zijn.” Intusschen oordeelde Rasinski het toch
raadzaam, den komenden met behoedzaamheid gade te slaan en hen, zoo
noodig, aan te houden. Zoodra hij dus de slede ontdekte, trok hij een
pistool uit den gordel, wierp zich midden op het wagenspoor en riep in
het russisch: „Halt, of ik vuur!”
De in een dichten pels gewikkelde voerman der slede deed zijne paarden
stilhouden en antwoordde in dezelfde taal: „Wat wilt gij? Wij zijn
eerlijke Russen, waarom ons aan te houden?” Rasinski reed nader op
het voertuig toe, doch hield het pistool met overgetrokken haan in
de hand. „Van waar komt gij, wie zijt gij en waarheen is de reis? Op
deze vragen eisch ik voldoend antwoord,” sprak hij op een bedaarden,
maar mannelijk vasten toon. De menner der slede wendde zich, in stede
van te antwoorden, naar zijne reisgenooten om en fluisterde in het
duitsch: „Zij zijn met hun tweeën, zal ik met het pistool antwoorden en
doorrijden?”
Rasinski had thans de onbekenden nader in oogenschouw genomen; naar
hunne kleeding te oordeelen, waren het twee mannen en twee vrouwen.
Daar hij uit de ten deele opgevangen woorden des geleiders opmaakte,
dat het geen Russen waren, kwam hij op het denkbeeld, dat het wellicht
voortvluchtige officieren van de armee zijn konden. Ten einde zich
zekerheid te verschaffen, bracht hij zijn paard dicht aan de slede,
hield een der mannen het pistool op de borst en sprak in het duitsch:
„Wij beiden zijn niet, wat wij willen schijnen; het moet blijken, of
wij vrienden of vijanden zijn. Nogmaals vraag ik....”
Doch een juichende uitroep belette hem uit te spreken. „Rasinski,
Rasinski!” klonk het van de lippen der gedreigden en Lodewijk wierp
zich buiten zich zelf van vreugde aan zijne borst. Tegelijk herkende
hij ook de stem van Bernard, die met woeste drift uit de slede sprong,
om van de andere zijde op hem toe te snellen. Rasinski sprong van het
paard en klemde de vrienden aan het kloppende hart. „O God, welk een
dank ben ik U voor deze genade schuldig!” snikte hij, hevig ontroerd,
en warme vreugdetranen rolden van zijne mannelijke wangen.
Hoe wisselden thans vragen en antwoorden elkander met eene verbazende
snelheid af! Het hart was niet in staat te bevatten, wat de bevleugelde
woorden ontdekten. Het dreigende doodsgevaar, ongeloofelijkste redding,
het vinden der meest geliefde wezens, nieuwe gevaren en uitreddingen
aan de eene zijde; aan de andere daarentegen onuitsprekelijke zorgen,
vreeselijke angst, gestadig nieuwe tegenspoeden en worstelingen en
thans dit wedervinden der vrienden aan den dorpel der redding.
„Leeft Jaromir?” „Waar is Boleslaw?” vroegen Bernard en Lodewijk uit
een mond. Thans eerst herinnerde Rasinski zich, dat een leger hem op
den voet volgde; hij keerde zich om, wees op het bosch en antwoordde:
„Daar komen zij met de onzen.”
Juist zag men de eerste ruiters te voorschijn komen. Rasinski wierp
zich weder in den zadel en haastte zich, den maarschalk van de
aanwijzingen van den gids bericht te geven. Hierop zocht hij Jaromir
op, dien hij bij den wagen van Boleslaw aantrof, zoodat hij aan
beiden tegelijk de blijde tijding kon overbrengen. De jongelingen,
Rasinski op den voet volgende, ijlden met onstuimig ongeduld naar de
wedergevondenen toe en begroetten hen met al het vuur der jeugdige
vriendschap. Het was sinds langen tijd de eerste lichtstraal in beider
neergedrukte ziel. Rasinski liet hun den tijd, hun geluk ten volle te
beseffen, daar hij zelf zich met de zorg voor de troepen belastte.
Zoo vernamen nu ook de jongelingen de aan het wonderbare grenzende
ontmoetingen hunner beide innigste vrienden en zij mochten de bruid
en de zuster met warme hartelijkheid begroeten. Ook Bianca gevoelde
zich gelukkig door het geluk van hen, die haar het dierbaarst op
aarde waren, en haalde vrijer adem, daar zij zich nu eerst van hare
redding verzekerd achtte. Met nog menigerlei gevaren toch hadden de
vluchtenden, sedert zij het jachtslot verlieten, te worstelen gehad.
Bernard was door zijne wonde zoodanig verzwakt geworden, dat het hem
onmogelijk werd de reize dadelijk voort te zetten. Onder het gastvrije
dak van vader Gregorius vonden zij wel is waar eene schuilplaats,
maar toch slechts eene zeer onzekere, daar zij den volgenden dag
reeds vernamen, dat Dolgorow zijne vrijheid had terug bekomen. Elk
oogenblik hadden zij nu des graven wraak te vreezen en moesten zich
derhalve des daags in een grafgewelf der kerk schuil houden, tot
zij onder de bescherming der duisternis door Gregoor naar een van
zijne ambtsbroeders konden worden overgebracht, die hen vijf dagen
lang in zijn huis verborgen hield. Van daar zetten zij, daar Bernard
weldra genoegzaam hersteld was en de russische legers van alle zijden
naderden, wederom in het geheim en bij nacht hunne vlucht voort. Den
vorigen dag hadden zij in het dichtste van het woud doorgebracht, in
dezen nacht hoopten zij het werk der redding te voleindigen en het
fransche leger te bereiken. Willhofen, die het best met de landstreek
bekend was, bestuurde de slede; Jeannette was Bianca's getrouwe
gezellin gebleven. Aller lot scheen nu, zoodra zij den anderen oever
der rivier zouden bereikt hebben, beslist te zullen worden.
Maar hoeveel onheil, jammer en namelooze ellende stapelde zich nog op
den smallen weg opeen, die tusschen hen en de gehoopte redding gelegen
was! Het gansche leger had zich reeds in zwart gewemel over de naar den
stroom afdalende sneeuwvlakten verspreid; maar met verbazing zag men,
dat het zich steeds dichter en dichter aan den oever opeendrong, zonder
dat aan de overzijde iemand zichtbaar werd. Willhofen wilde thans ook
met zijne slede naar de rivier afdalen; doch het gedrang was reeds zoo
groot geworden, dat hij den oever onmogelijk bereiken kon. Rasinski wist
zijne vrienden in de steeds toenemende verwarring te vinden en berichtte
met niet weinig bezorgdheid, dat geen wagen en misschien zelfs geen
paard de rivier kon overtrekken, daar het ijsdek voor zulk een last te
zwak was en nog slechts uit eenige opeengeschovene schollen bestond, die
òf reeds onder water stonden, òf niet dan door eene zeer dunne ijskorst
werden saamgehouden. Slechts enkele manschappen hadden het derhalve
gewaagd, naar den anderen oever over te trekken, en van hen waren nog
verscheidenen verongelukt, die in de diepe spleten en kloven tusschen
de schotsen wegzonken. De maarschalk had dus voor het oogenblik elke
verdere poging verboden, vooral daar zijne menschelijkheid niet kon
toelaten, dat men den overgang bewerkstelligde, zonder die duizenden
gewonden, vrouwen en kinderen af te wachten, die met hunne uitgeputte
krachten niet in staat geweest waren, den vreeselijken marsch door storm
en sneeuwvlagen vol te houden. Er waren dus drie uren tot uitrusten en
ter herzameling der krachten toegestaan, gedurende welk tijdsverloop men
nog het mogelijke beproeven wilde, om, door de niet te breede gaten met
stroo en takken aan te vullen en de overige althans voor het oog kenbaar
aan te duiden, den overgang minder gevaarlijk te maken.
Bianca zag zich dus thans door de zonderlinge aaneenschakeling harer
lotgevallen op eenmaal midden in het krijgsgewoel verplaatst. Ofschoon
hare maagdelijke schuwheid haar dit woeste bedrijf der mannen met
huivering en schrik deed gadeslaan, gevoelde zij zich toch door
Lodewijks en Bernards nabijheid gesterkt en opgebeurd. Tegen uitwendige
gevaren was zij met den moed van edele zielen gewapend, die zich
staande houden door het bewustzijn, dat er buiten dit leven nog iets
beters en eeuwigs bestaat, hetwelk geen vreemd geweld, maar slechts
onze eigene afval van de waarheid ons kan ontrukken. Echter moest zij
zich nog met andere krachten toerusten, dan met die, waardoor men tegen
zijn eigen lot bestand is; zij was bestemd, getuige te zijn van den
onbeschrijfelijken jammer der vele duizenden rampzaligen, die hier den
dood zouden vinden.
Tegen middernacht gaf de maarschalk, die zich dit korte uitstel met
onverzettelijke koelbloedigheid had ten nutte gemaakt, om zich door een
verkwikkenden slaap tot nieuwe vermoeienissen te sterken, bevel, den
overgang in geregelde orde te beproeven. Stil, ernstig, in gesloten
gelederen rukte een regiment lichte infanterie op de rivier aan, doch
nauwelijks hadden de eerste rotten eenige schreden voorwaarts gedaan,
of plotseling deed zich een dof gekraak onder hunne voeten hooren en
de bodem begon te waggelen. Door driftig voortdringen hoopten zij zich
nog te zullen redden en verdubbelden derhalve hunne schreden; doch
daar andere massa's volgden, werd de drukking op de ijsvlakte gestadig
sterker. Zij zonken met de schollen tot aan de knieën in het water;
de voet kantelde, gleed uit, zij stortten neder. Daar scheurde het
ijs met luid gekraak vaneen, een diepe, zwarte afgrond opende zich en
verzwolgen waren de ongelukkigen, die zich aan de verraderlijke schots
hadden toevertrouwd! Een luid angstgeschreeuw verhief zich; ontzet en
verbijsterd keerden de naastvolgenden om en wierpen zich, met geweld
terugdringende, in de gelederen hunner kameraden, die reeds op den
stroom aanrukten.
De maarschalk was overal zelf tegenwoordig. Geheel verpletterd zag hij
zijne dapperen in den gapenden afgrond wegzinken. Nog verhief zich hier
en daar een hoofd, een arm, en een jammerende angstkreet verscheurde
het hart; doch na eenige seconden was alles verdwenen en eene
huiveringwekkende stilte legerde zich op de golven.
„Zóó is het onmogelijk,” sprak de maarschalk, zich met geweld
vermannende. „Een voor een moeten wij het beproeven.”
Thans werd een rot van twintig man afgezonden, die elk afzonderlijk
van schots op schots klimmende, den anderen oever trachtten te
bereiken. Dit gelukte. Eene nieuwe hoop doorgloeide de borst der
soldaten. Daar hoorde men op een niet verren afstand het donderen
van het geschut! Dit geluid herinnerde weder aan de overmacht van
den vijand, die elk oogenblik de sporen van het leger ontdekken en
ze volgen kon; de zucht tot redding kreeg daardoor in elke borst te
zeer de overhand. Kwam de vijand opdagen, zoo waren zij gered, die
de overzijde bereikt hadden, terwijl integendeel zij, die nog op
den oever verwijlden, zich reddeloos verloren moesten achten. Met
woeste onstuimigheid drongen de massa's derhalve op den oever aan en
verhaastten hun eigen verderf, door te wedijveren wie de gevaarlijke
reddingsbaan het eerst betreden zoude. Bevelen, voorstellen, gebeden
zijn vruchteloos, zelfs de maarschalk tracht te vergeefs zijn gezag te
doen gelden. Zijne nabijheid vreezende, begeven de ongelukkigen zich
naar andere punten, waar de duisternis hen aan zijn oog onttrekt. Zoo
wordt, wat hunne redding had kunnen worden, hun ondergang; de haast,
de blinde begeerte, de onvoorzichtigheid dooden hen. Het ijs wordt
te zwaar belast, het vermag de massa's niet te dragen, het buigt,
kraakt, stort in. Het gedrang beneemt aan ieder het gebruik van zijne
kracht en behendigheid. De kameraad stoot den kameraad, de vriend den
vriend, de soldaat het heilig geachte hoofd des aanvoerders in den
poel des verderfs neder. De gansche oppervlakte van het ijs weergalmt
van krakend vaneensplijtende schollen, van gierende angstkreten, van
razende vloeken en verwenschingen. De oever aan de overzijde strekt
hun, die hem bereiken, eene steile met ijs ompantserde borst te gemoet.
De door schrik en inspanning uitgeputten vermogen dien niet meer te
beklimmen; zij tuimelen van de hoogte naar beneden, rollen naar den
stroom af en breken het ijsdek of hunne eigene, half verstijfde leden.
Bloedend wentelen zij zich op de harde schollen rond en kermen te
vergeefs om hulp. Het medelijden is doof geworden, de menschelijkheid
uit elke borst verbannen. Over de stuiptrekkende lichamen hunner
broeders dringen de nakomenden gevoelloos voort en de ruwe voetstap
van den onverzeerden kneust en misvormt de borst en het gelaat van den
bezwijkenden makker. Maar in het volgend oogenblik reeds achterhaalt
hem de Nemesis; ook zijn voet glijdt uit, ook zijne hand weigert hem
den reddenden dienst, ook hij rolt op het ijs terug en kermt hulpeloos
aan de zijde van hem, dien hij nog zoo even meêdoogenloos met voeten
vertrapte.
De gewonden, de vrouwen en kinderen aan den oever hooren het
jammergeschrei der ongelukkigen door den nacht weergalmen; de donkere
sluier welken deze over het tafereel heenspreidt, vermeerdert nog de
ontzetting, want de scheppende verbeelding maalt de verschrikkingen
van het verderf met reusachtige trekken af. Eene razende vertwijfeling
grijpt de versagenden aan; kermend en de handen wringend dwalen
zij langs den oever rond. Eenigen, aan wie dit lijden vreeselijker
toeschijnt dan de dood zelf, storten zich in blinde razernij in de
gapende wakken van den stroom neder; anderen, aan alles en vooral aan
hunne eigene kracht wanhopende, werpen zich jammerend op den ijskouden
grond en verwenschen hun daarzijn en den dag hunner geboorte!
Dit was het tafereel, dat zich aan Bianca's blikken voordeed. Een
tijdlang had zij met stomme gelatenheid hare smart gedragen; thans
werd zij daardoor overweldigd, barstte in tranen uit en zeeg aan
de borst des broeders neder, die te vergeefs al zijne mannenkracht
inspande, om bedaard te schijnen. Gaarne had hij zich op zijne gewone
ruwe wijze lucht gegeven, maar om zijne zuster, die hem thans immers
het liefste was, wat hij op het wijde wereldrond bezat, bedwong hij
zich en sprak haar geruststellend toe: „Troost u, lieve zuster; de
Algoede heeft ons voorzeker niet vereenigd, om de eerste bloesems van
ons geluk hier onder de ijsschollen van den stroom te vernielen. Zijn
oog waakt over ons!”
„O mijn broeder,” hernam zij, „zie op de ellende om ons heen; zij
verscheurt mij de ziel! Ach, ik ben immers niet zóó ondankbaar, om over
mij zelve te klagen!”
Lodewijk trad nader en sprak met zachten ernst: „De Almachtige heerscht
ook te midden dezer verschrikkingen, lieve Bianca. Die de stroom in
zijne diepte begraven heeft, zijn zij niet bevrijd van een eindeloos
lijden? Ach hunne borst is immers reeds rustig en misschien zien zij nu
reeds met een verhelderd oog op de donkere aarde neder! Laat u door het
akelig gezicht van de korte worsteling niet verschrikken.”
Rasinski, die nog altijd te paard zat en ordende en regelde, waar zulks
slechts geschieden kon, kwam op dat oogenblik nader en sprak de vrienden
aan: „Houdt u slechts rustig, mijne besten, doe niets met overhaasting,
want hier vrees ik geen gevaar. Slechts de schrik, die de soldaten heeft
aangegrepen, is hun ondergang.—Ook ik blijf met mijne ruiters tot het
laatste toe; doet dus geene poging, eer ik u kom waarschuwen. Wellicht
is er nog mogelijkheid, om ook de wagens en sleden over te brengen.”
De kalme bedaardheid, welke Rasinski te midden der bedenkelijkste
ontmoetingen wist te bewaren werd een vast steunsel voor allen,
die hem omgaven. Wel is waar was hij op hetzelfde oogenblik weder
verdwenen, om eenige grenadiers, die niet ver van den oever door het
ijs waren gezakt, te hulp te snellen, doch de weinige seconden zijner
tegenwoordigheid waren voldoende geweest, om aan allen nieuwen moed en
nieuwe verwachtingen in te boezemen.
Allengs begon het tooneel zich te ontwarren; de troepen waren
meerendeels over, slechts tot het overbrengen van voertuigen en
kanonnen had men nog geene pogingen in het werk gesteld. Rasinski's
ruiters waren ter dekking van een wagentrein met zwaar gekwetsten
achter gebleven. De maarschalk ging te voet aan den oever rond en gaf
nog gestadig bevelen; hij wilde, als de kapitein van een strandend
schip, het wrak van zijn korps niet verlaten, eer hij het reddeloos
verloren zag.
Eindelijk was de overgang volbracht en de scharen begonnen zich aan
gene zijde reeds weder te ordenen. Thans zou men beproeven, of het
mogelijk was, eenige wagens over te brengen, waarop zich zoodanige
gekwetsten bevonden, die geheel buiten staat waren, te voet te gaan.
Door den gestadig nieuw aanbrengenden stroom werden de schotsen bij
elke opening dadelijk weder dicht op elkander geschoven; ook had
men van lieverlede de plaatsen leeren kennen, die de veiligste baan
aanboden. Op deze zou thans de proef gewaagd worden. Voorzichtig worden
de wagens van den oeverkant nedergelaten; ongeveer dertig schreden
houdt het ijs. Daar stort het plotseling in. Luid angstgeschreeuw
verheft zich, de ongelukkigen verzinken, zij kampen met den vloed, zij
worstelen onderling om de laatste, reeds half uitgebluschte vonk van
hun jammervol leven. God en menschen roepen zij smeekend om redding
aan. Vruchteloos! Weinige oogenblikken zijn genoeg, om hen allen in de
diepte te doen wegzinken, en op de door de ziel snijdende angst- en
jammerkreten volgt eensklaps weder de huiveringwekkende stilte, die
slechts door het doffe ruischen en kabbelen van den stroom en door het
holle dreunen en horten der ijsmassa's wordt afgebroken.
Met hevig, maar gewelddadig beteugeld smartgevoel staart de veldheer
de plaats aan, waar de edelste, de dapperste, de aan de diepste wonden
bloedende martelaars door den zwarten afgrond zijn verslonden geworden.
Daar beweegt zich nog iets boven de oppervlakte van het water! Een
klagelijk geluid laat zich hooren; men ziet eene gestalte op eene
schots, nu dalend, dan rijzend ronddrijven.
„Daar is nog iemand te redden,” roept de menschelijke veldheer en waagt
zich zelf op de gevaarvolle baan, waar elke mistred naar het graf
voert. Rasinski, die in de nabijheid is, springt pijlsnel van het paard
en vliegt den maarschalk te hulp.
Werkelijk is het een der zoo even verongelukten, die als door een
wonder uit de diepte van den afgrond opduikt, doch, zwaar gekwetst
en krachteloos, niet in staat is de vaste schol te beklimmen. Daar
strekken zich de bevriende armen naar hem uit; zijn veldheer en
Rasinski zijn het, die hem de reddende hand toereiken. Zij trekken
hem op den vasten grond, geleiden hem naar den oever—hij is den dood
ontrukt. Doch nu begeven hem de krachten; het verstijfde, uitgeputte,
verbrijzelde lichaam houdt de ziel niet meer in vaste banden—zij
ontvliedt! Zijn dwalend oog valt op zijne redders, zoekt vervolgens
zijn vaderland, breekt, en sluit zich voor eeuwig.
Eene minuut wandelt de maarschalk in sombere mijmering op en neder;
eene minuut is hij mensch en vriend, in de volgende weder geheel
veldheer.
„Wagens kunnen niet worden overgebracht,” spreekt hij op een
beslissenden toon; „vernagelt de kanonnen! Pakgoederen en
levensmiddelen, die niet vervoerbaar zijn blijven voor diegenen achter,
die ons niet kunnen volgen.”
Met dit bevel is het doodvonnis over de ongelukkigen uitgesproken, die
op hunne eigene kracht niet meer kunnen vertrouwen. Een luid weeklagen
verheft zich; wie nog een voet, nog eene hand verroeren kan, klimt
met moeite van de voertuigen, om zich naar den anderen oever voort
te sleepen. De anderen plunderen in vliegende haast de bagage, want
deze bevat, wat alleen redden kan, den geringen spijsvoorraad, de
beschermmiddelen tegen de nijpende koude, de noodzakelijkste behoeften!
Bijna niets is te vervoeren en toch kan men niets ontberen! Zij
grijpen, werpen weg, grijpen nog eens aan, slingeren opnieuw van zich.
Als razenden, wier have in vlammen staat, redden zij in hunne
verbijstering het minst bruikbare. Velen konden niet tot een besluit
komen. Daar hooren zij het geroffel der trommen, die aan de overzijde
den afmarsch aankondigen, de angst van terug te blijven grijpt hen aan,
en in wilde vertwijfeling snellen zij op de rivier toe en wagen de
poging tot redding.
Thans eerst denkt Rasinski aan zich zelf, aan zijne vrienden. Met de
uitdrukking van diepen weemoed in stem en gelaatstrekken nadert hij
de slede, waarop Bianca met Jeannette gezeten is. „Vorstin,” spreekt
hij haar aan, „de nood wil, dat gij u aan eene harde beproeving zult
onderwerpen. Wagens en sleden zijn niet over de rivier te brengen;
met de paarden zal ons dit, hoop ik, gelukken. Voorzie u dus van het
onontbeerlijkste. Zonder twijfel bereiken wij spoedig eene bewoonde
plaats, waar wij voor vrouwen ten minste hulp zullen weten te vinden!”
Bianca sloeg den sluier terug, stond op en antwoordde met aandoening:
„Gij zijt zoo goed—maar ik vrees deze beproeving van het lot niet,”
ging zij met meer kalmte voort; „ik voel moed, deze bezwaren te
verduren. Slechts het lijden van al deze hulpeloozen heeft mij zoo
hevig ontroerd en verlamde mijne eigene kracht. Thans zal een strengen
dwang mij heilzaam zijn.”
De paarden werden afgespannen en met eenige bagage, doch niet te zwaar,
beladen. Willhofen geleidt het eene, een van Rasinski's ruiters, van
welke reeds eenigen te voet gingen, het andere. Rasinski zelf gaat
vooruit, wijl hij de baan, welke men volgen moet, het best kent. Bianca
wordt door Lodewijk en Bernard, Jeannette door Jaromir en Boleslaw
ondersteund.
Daar de weg naar den oever door wagens, pakgoederen en honderden
ongelukkigen, welker angstgeschreeuw de lucht vervult, versperd is,
laat Rasinski de zijnen een omweg maken. Plotseling verneemt Bianca's
angstig luisterend oor het kermen van een kind.
„Mijn hemel,” roept zij, „zou hier ergens een kind hulpeloos zijn
achtergelaten? Wanneer wij al de anderen niet kunnen redden, dit
onschuldige leven mogen wij toch niet prijsgeven.” Haar blik volgt
het oor, zij luistert, heeft de richting gelukkig gevonden. Het arme
schepsel moet zich tusschen de wagens bevinden. Zij snelt er heen en
vindt werkelijk een in stroo en dekens gewikkeld, verlaten, op een wagen
liggend kind, dat zij met teederheid opheft. „Arme kleine,” spreekt
zij op zachten toon, „kon uwe moeder u zoo vergeten? Ik wil uwe moeder
zijn, tot zij terugkeert.” Zij neemt het in haren arm en duldt niet dat
Lodewijk of Bernard haar van den zoeten last ontheffen. Vriendelijk
stelt zij de angstig weenende kleine gerust, die zich spoedig vol
vertrouwen aan haar vastklemt. Eene zalige vreugde doorgloeit hare
borst bij de gedachte, dat zij ten minste één wezen uit dezen afgrond
des verderfs gered heeft. Zoo keert zij terug en toont aan Jeannette en
de overigen den kostelijken schat, dien zij gevonden heeft. Boleslaw
herkent het kind; het is Alisette's dochter. In de hevige ontroering
ontvalt dit woord dochter aan zijne lippen. Jaromir hoort het, vraagt,
vorscht en blijft, daar zijn vriend een bepaald antwoord tracht te
ontwijken, met verdubbelde hevigheid op eene verklaring aanhouden.
„Zeg mij de waarheid,” roept hij uit, „de volle, zuivere waarheid.
Boleslaw, zoo gij u mijn vriend noemt—bij deze gevaren, die wij
deelen, bij de trouw, die wij elkander altijd bewezen—zeg mij de
waarheid!”
Zoo vernam Jaromir Alisette's ondergang en doorzag tevens het gansche
weefsel van huichelarij en bedrog, waarmede zij hem omsponnen had.—Hij
was hevig geschokt, doch geen traan welde in zijn oog op, geen woord
vloeide van zijne lippen. Hij smoorde de stomme smart, dit bittere
mengsel uit bedrogen liefde, bedriegelijke begoocheling der zinnen,
verachting, medelijden en diep berouw, in de binnenste schuilhoeken
zijner hijgende borst, en leed zwijgend, zag bleek als een marmerbeeld.
Thans had men den stroom bereikt; de gevaarlijke overtocht begon en
de beschermende hand des hemels leidde de schreden der beangsten
gelukkig tot het doel. Van hoe nabij het gevaar hen ook aangrensde, hoe
dikwijls de grond ook onder hen kraakte en de voet bij zwarte afgronden
uitgleed—de waakzame redding was gestadig nader dan het loerende
verderf. Zij betraden den anderen oever en haalden weder vrij adem.
Diep ontroerd drukten de vrienden elkander aan het hart, keerden
zich tot Rasinski, die zij gevoelden dat hun redder geweest was en
overstelpten hem met bewijzen van dankbaarheid en liefde.
„Zoek daar boven den Helper,” sprak deze en hief de hand ten hemel.
„Hem, die boven de sterren woont, wiens oog door nacht en nevel
blinkt, Hem komt de eer toe en niet mij!”
Plotseling drong een man met woeste onstuimigheid door het dichtste
gewoel en wilde Rasinski voorbijsnellen; deze herkende Regnard.
„Waarheen?” riep hij hem toe en hield hem staande.
„Laat mij!” gaf deze driftig ten antwoord en wilde zich losrukken;
„ik moet naar den anderen oever terug. De ongelukkige, die mijn kind
bewaken zou, heeft het achtergelaten. Ik moet het redden.”
„Het is gered!” riep Rasinski.
„Hoe? Waar?” stamelde Regnard en blikte angstig in het rond.
Rasinski wees den van vreugde bevende naar Bianca. Deze had het gesprek
aangehoord en trad hem te gemoet.
„Gij arme kleine!” riep de vader met roerende teederheid en nam het
kind op zijne armen; „zijt gij dan waarlijk ten tweeden male gered?”
Zijne vreugde was zoo groot, dat hij bijna aan geen dankbetuigingen
denken kon; half beschaamd wendde hij zich echter tot Bianca, en zeide:
„Gij waart de beschermengel van dit hulpelooze wezen! Eisch mijn leven,
zoo gij wilt; als man van eer geef ik u mijn woord, dat ik het gaarne
voor u wil opofferen. Maar blijft gij dan ook de moeder van deze
verlatene wees?”
„Vertrouw thans het kind aan mij toe,” sprak Bianca vriendelijk; „het
zal zijne moeder niet missen!”
„Ja, dat wil ik,” hervatte Regnard; „zoo de Almachtige u spaart, is ook
dat jonge wezen behouden. Gij zult het niet vergeten in het uur des
gevaars!”
„Voorzeker niet,” sprak Bianca; „en zij zal eer mij beschermen, dan ik
haar, want Gods engelen waken over dit schuldelooze hoofd.—Ook heeft
zij mij reeds hartelijk lief, niet waar, kleine?”
De koude Regnard, wiens ijzeren voorhoofd bijna nimmer door een
vriendelijk lachje ontrimpeld werd, vertoonde thans in al zijn
gelaatstrekken de hevigste ontroering en heldere tranen rolden langs
zijne wangen. Hij kon niet spreken, of wilde niet, daar hij zijne
aandoening zocht te verbergen.
Bernard beschouwde hem met innige deelneming en fluisterde zijnen vriend
in het oor: „Aan hem ziet men, dat het noodlot ijzer tot was kneedt. Het
moet hem dan ook met reuzenvuisten hebben aangegrepen, dat het tranen
uit zijn stalen hart perst en warme vonken uit zijn koude marmerborst
slaat.”
„Gij bedriegt u, mijn vriend,” antwoordde Lodewijk; „niet de slagen van
het lot hebben hem verpletterd, die blijft hij als altijd het hoofd
bieden, maar de warme zon der liefde doet door hare stralen het ijs
van zijne borst versmelten en ontlokt geurige bloemen aan den grond
van graniet. O, geloof mij, in de diepte van elke borst ligt de gouden
zaadkorrel der liefde verholen en ontkiemt ook, zoodra een zonnestraal
tot haar doordringt.”
„Toch wel niet, voor en aleer het scherpe ploegijzer van het ongeluk
den harden grond van alle zijden heeft losgewoeld.”
„Is dat zoo, dan willen wij den hemel dankbaarder zijn voor de smart
dan voor de vreugde, die hij ons verleent,” sprak Lodewijk met
aandoening.
„Daartoe heeft men ook dikwijls reden,” vervolgde Bernard; „en zijn ook
wij niet in die school geweest? Hoe diep en dikwijls moest de pijn der
smart, het vuur des toorns, het ijs der versmading, ja zelfs het gif
der zonde mij door het hart dringen en daarin branden en invreten, eer
het week en vruchtbaar werd voor de heilige zaden van vriendschap en
liefde!”
„En lagen deze dan niet altijd in u?” antwoordde Lodewijk. „Gij miskent
en misvormt u zelf, mijn vriend!”
„Zoo iets droeg ik er zeker van bij mij,” sprak Bernard, „maar geen
echt, gelouterd metaal; en nog is het niet van alle slakken gezuiverd.
Wellicht duurt het nog lang, eer het zulk een helderen, gouden klank
geeft als bij haar!” Hij wees op Bianca, die nog met Regnard sprak.
„Zij, ja,” hernam Lodewijk, „is als eene vaas van het zuiverste
kristal, die, wanneer men haar aanroert, de welluidendste toonen doet
hooren!”
Gedurende dit gesprek hadden de troepen zich verzameld en weder in
beweging gezet. Willhofen bracht de beide paarden, die hij voor Bianca
en Jeannette met dekens gezadeld had, de vrouwen werden opgetild,
Bianca nam het kind vóór zich en de oude bediende sloeg de teugels om
den arm, ten einde de paarden te geleiden. Spoedig nam een dicht woud
de vluchtenden op, en onder de bescherming der duisternis schenen de
dreigendste gevaren gelukkig afgewend.