HOOFDSTUK IV.

„Rasinski!” riep Jaromir en sprong driftig op; „ziet gij het, daarboven

op de hoogte?”

„Kozakken! Waarachtig! Maar mijn hoofd verpand ik, dat zij niet alleen

zijn!”

Op den heuveltop vertoonden zich drie ruiters, die echter slechts om

te verspieden schenen vooruitgezonden. Spoedig werden zij door allen

bemerkt en de troepen geraakten in die onrustige beweging, men hoorde

dat doffe gemompel door de gelederen loopen, waardoor zich het op

handen zijn van een beslissend oogenblik gewoonlijk pleegt aan te

kondigen.

„Werp u te paard, Jaromir,” gelastte Rasinski, „en rijd daar tot den

woudzoom op, dan hebt gij een ruim gezicht over de landstreek.”

De jongeling, die het beste paard van allen bezat, vloog als een pijl

over de sneeuwvlakte, om den last te volvoeren. Bijna nog sneller

keerde hij terug en meldde, dat de gansche hoogte met kozakken bezet

was, terwijl ook infanterie-colonnes uit de diepte van het bosch kwamen

opdagen.

Juist reed ook Regnard voorbij, die op bevel van den maarschalk eveneens

eene verkenning gedaan had. „Wij zullen het warm krijgen, Rasinski,”

riep hij; „het bosch wemelt van Russen.”

De trommen roffelden; de troepen traden onder het geweer. De ongeregelde

massa's der marketentsters, der zieken en der ongewapenden rotteden zich

tot een dichten hoop samen.

„Voor ons kan de slag eene vreugde zijn,” sprak Rasinski; „maar Boleslaw

en de andere gekwetsten hebben een hard lot. Wij moeten het van hen

zoeken af te wenden. Doch wie komt daar?”

Een russisch officier kwam de hoogte afjagen en wuifde reeds in de verte

met een witten doek.

„Wat gij verlangt, mijnheer,” mompelde Rasinski trotsch en verdrietig,

„is vergeefsche moeite. Zoolang wij wapens hebben, onderhandelen wij

niet.”

De maarschalk hield zich met het regelen en in slagorde stellen der

troepen bezig, vloog door de gelederen, was overal zelf tegenwoordig,

ordende, bemoedigde, gaf bevelen. Rasinski zond dadelijk een ruiter

naar hem af, ten einde hem van het naderen van een parlementair te

verwittigen. Doch nog eer de maarschalk terugkeerde, had de Rus de

voorposten reeds bereikt, en daar hij Rasinski's ruiters aan hunne

uniform voor Polen herkende, riep hij hun in het poolsch toe, dat zij

zich aan de overmacht zouden overgeven. Maar als een grimmige leeuw

sprong Rasinski op hem toe en riep: „Gij stookt onze manschappen op,

gij poogt hen tot verraad over te halen! Dat is niet de rol van een

parlementair, mijnheer. Gij zijt mijn gevangene!”

Verschrikt wilde de officier zijn paard omwerpen, doch reeds had

Rasinski de teugels aangegrepen, en zijne toesnellende ruiters hadden

den Rus zoo spoedig van alle zijden omringd, dat aan vlucht of

tegenweer niet te denken was.

„Gij zoudt u aan den onschendbaren persoon eens parlementairs willen

vergrijpen!” riep de Rus.

„Om onschendbaar te zijn, hadt gij op een behoorlijken afstand moeten

afwachten, of het ons goeddunken zou, u als parlementair te ontvangen,”

was het antwoord. „Op deze wijze mag niemand een leger in slagorde

naderen, dat is tegen het krijgsgebruik.”

„Laat mij naar uw bevelhebber geleiden,” sprak de Rus; „hij zal mijne

welgemeende voorslagen op prijs weten te stellen. Het onmogelijke is

zelfs den dappersten onmogelijk; u blijft geen andere weg open, dan die

van onderhandeling.”

„Wij zullen zien, wij zullen zien,” hernam Rasinski, die van de

standvastigheid des maarschalks verzekerd was. „Daar komt de

opperbevelhebber. Gij staat voor den maarschalk Ney; dit zij u genoeg,

om te weten, dat uwe woorden vruchteloos zullen zijn.”

De maarschalk kwam, Rasinski reed hem te gemoet en meldde, wat hij

gedaan had. „Gij hebt als man van eer gehandeld,” ontving hij ten

antwoord; „ik zou mij schamen, minder hooghartig te denken dan

gij.—Doch ik wil den officier spreken.” Hij reed op dezen toe en vroeg

hem wat hij wilde.

„De maarschalk Kutusow zendt mij,” begon de Rus; „hij zou zulk een

beroemden krijgsman en veldheer den voorslag niet doen, de wapens

neer te leggen, wanneer er nog een andere uitweg overbleef. Op deze

omliggende hoogten staan tachtig duizend man en honderd vuurmonden.

Wanneer gij twijfelt, zal het u vrijstaan, een officier te zenden, dien

ik door de gelederen der onzen wil rondleiden.”

„Ik hoop uwe manschappen zelf zoo nabij te komen, dat ik hen tellen

kan,” gaf de maarschalk met flonkerende oogen ten antwoord. „Zeg den

vorst, dat de maarschalk Ney nog nooit de wapens heeft nedergelegd, en

dat de geschiedenis nimmer eene dergelijke handelwijze van hem melden

zal. Daar ligt het doel, mij door plicht en eer aangewezen; ik zal mij

midden door uwe gelederen den weg banen, al werden ook deze bosschen in

legers herschapen!”

„Zij zullen het,” antwoordde de parlementair; maar nog eer hij ten

volle had uitgesproken, deed een vreeselijk gekraak de nabijgelegen

heuvels sidderen en een hagel van kartetsen kletterde op den ijsspiegel

der omliggende velden neder.

„Dat is verraad!” riep de maarschalk driftig, terwijl hij het oog

opsloeg en de hoogten van alle zijden met zwarte troepenmassa's en

veldgeschut bekroond zag. „Onder het vuur onderhandelt men niet! Gij

zijt mijn gevangene!”

De onthutste officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op deze

wijze werd prijsgegeven, gaf zijn degen gewillig over.

„Breng hem naar de achterhoede!” beval de maarschalk.—„Generaal

Ricard, voorwaarts! Gij tast den vijand met de bajonet aan. U zij de

eer gelaten van ons de baan te breken.”

De generaal met ongeveer vijftienhonderd man rukte onverschrokken

voorwaarts. De kleine schaar smolt bijna weg in de onbegrensde ruimte,

die voor haar lag; de onderneming, om tegen de dichte massa's van den

vijand op te rukken, die als dreigende onweerswolken zich gestadig

zwarter en zwarter op de hoogten samenpakten, scheen aan waanzinnigheid

te grenzen. Doch de maarschalk had het bevolen, en het vertrouwen, dat

de krijgslieden in hem stelden, was onbegrensd; op zijn gebod, zoo

waanden zij, kon de overwinning niet achterblijven. Zonder bedenking

stortten zij zich dus langs den steilen weg in de diepte neder, om aan

gene zijde de hoogte te bestormen.

Inmiddels vliegt de veldheer door de gelederen der overigen en ordent

hen tot den kamp. Regnard komt op Rasinski toeijlen en gelast hem met

zijn, tot op zestig man gesmolten regiment, den linkervleugel tegen

de aanvallen der kozakken te dekken. De artillerie maakt front tegen

den vijand en hare kleine kanonnen ondernemen het, zich tegen de

vreeselijke overmacht der russische vuurmonden te verdedigen.

Op de besneeuwde heuvelkruinen, welke de vijand bezet, heerscht sinds

dat eerste salvo, waarmede de aanval begonnen is, eene akelige doodsche

stilte. Maar alsof de scharen, gelijk de geharnaste mannen van Cadmus,

uit de aarde oprezen, werd het zwart gewemel van paarden en menschen op

den witten grond gestadig dichter en dichter.

[Illustratie: „Zeg den Vorst dat maarschalk Ney nog nooit de wapens

heeft nedergelegd.”]

Rasinski had ettelijke honderden schreden links van den weg post gevat,

waar hij door een besneeuwden heuvel tegen het vijandelijke kanonvuur,

althans gedeeltelijk, beschut was en toch het gansche slagveld overzien

kon. Zijn voorkomen was ernstig, gelijk altijd in het gevecht, maar

overigens even bedaard, even moedig, welberaden en vrij, als drie

maanden vroeger, toen hij bij Mosaisk aan de spits van zijn regiment met

leeuwenmoed tot in 's vijands gelederen doordrong. Terwijl hij zijne

vlammende blikken over het slagveld liet gaan, reed Jaromir op hem

toe en fluisterde: „Wij zullen eervol vallen, Rasinski; mocht gij in het

leven blijven en haar wederzien,”—Lodoiska's naam uit te spreken waagde

hij niet—„zeg haar dan, hoe innig mijn berouw was. De vergeving, welke

de levende onwaardig was, zal den doode aan gene zijde de rust schenken.”

„Wat spreekt gij, Jaromir!” hernam Rasinski met merkbare ontroering;

„denk aan het leven. Hier zijn nog vele uitwegen.”

„O, ik vrees den dood niet,” sprak Jaromir met drift, en een edele

blos kleurde zijn bleeke wangen bij het denkbeeld, dat Rasinski hem

van versaagdheid verdacht hield; „doch gij zelf ziet, dat slechts zeer

weinigen zich hier leven en redding mogen voorspellen. Het is anders

eene gruwzame scherts van de geluksgodin, dat zij den dapperste nu zoo

schandelijk verraadt. Evenwel, zij is toch altijd eene Delila, die haar

Simson gebonden overlevert.”

„Laat ons afwachten,” hernam Rasinski met waardigheid, „of hij zijne

banden nog misschien niet verbreken zal.”

Gedurende dit gesprek had Ricard met zijne manschappen den weg door

de diepte afgelegd en rukte aan gene zijde in stormmarsch tegen de

russische batterijen op de hoogte van Katowa op. Thans bliksemde het,

als bij het opkomen van een onweder, langs den geheelen horizon, en

zoover het oog reikte, werden de heuveltoppen in zwarte rookwolken

gehuld. Een oogenblik later scheurde eene donderende ontploffing den

dampkring vaneen, en met suisend huilen en sissen gierde een kogel-

en kartetsenzwerm, als een heir onzichtbare, vliegende draken, door

de lucht. Van rondom kletterden zij op de harde sneeuw- en ijskorst,

waarmede het veld overdekt was, neder, zoodat deze tot stof vergruisd

werd en in duizend glanzige wolken opstoof. Een blik op Ricards

dapperen moest het hart verscheuren, want deze ééne seconde had de

helft van hen op de koude, wintersche doodbaar ter neder gestrekt. De

zooeven nog dicht gesloten gelederen waren dermate gedund, dat zich

de levenden als verspreide boomstammen van een neergehouwen woud aan

het oog voordeden. Doch de aanvoerder is niet gevallen; zijne stem

herzamelt de onverzeerden, hij rukt opnieuw tegen de den dood brakende

hoogten op. Daar maait een tweede ontzettende laag der batterijen vóór

hem zijne gelederen andermaal weg. Slechts weinigen worden door den

vernielenden sikkel des doods gespaard; daar de overwinning onmogelijk

wordt, doen schrik en ontzetting hun allen moed ontzinken en in

ademlooze vlucht stormen zij terug, om in de rijen hunner wapenbroeders

redding te zoeken.

De maarschalk Ney rukt echter zelf reeds aan de spits zijner beste

soldaten tegen den vijand op. Dicht opeengepakt, een ijzeren hart in

den boezem, door den dood hunner makkers in grimmige woede ontbrand,

vast besloten den laatsten bloeddroppel aan eer en wraak ten offer

te brengen, stormt deze onweerswolk van helden, de koensten aan het

hoofd, op den dood en verderf neerslingerende vulkanen der russische

batterijen aan. Thans voelt ook de vijand, die tot hiertoe op zijne

heuvels onbewegelijk had stand gehouden en slechts uit de verte

den dood op zijne tegenpartij had uitgebraakt, zijne eergierigheid

opgewekt. De eerste russische linie, driemaal sterker dan de gansche

legermacht der Franschen, voortreffelijk gewapend, uit krachtvolle,

nog geheel versche troepen samengesteld, trekt de koene aanvallers te

gemoet en meent hen te omvleugelen, te verstikken, te vermorzelen.

Nu is het oogenblik daar, dat Rasinski handelen moet. Hij zet zich

met zijne kleine schaar in beweging, daalt neder in de diepte, rent

links de hoogte op en werpt zich op de rechterflank van den vijand.

Tegelijk brengen ettelijke honderden mannen lichte troepen, het waren

Illyriërs, dezelfde beweging op de linkerflank ten uitvoer. Eene stomme

verbazing maakt zich, bij dit gezicht, van den vijand meester. Daar hij

ziet, dat de Franschen de overwinning zeker achten, begint hij aan de

mogelijkheid daarvan geloof te hechten. De koene onverschrokkenheid der

aanvallers beneemt hem het zelfvertrouwen. Hij wankelt, deinst terug.

Nu breekt Ney met zijne grimmige schaar in de waggelende linie door,

werpt haar neder en jaagt ze voor zich uit, gelijk een bergstroom, die,

boven den oever opbruisende, zijne machtige golven op eene vluchtende

kudde nederstort. Jubelend dringt hij op de zoo vaak betreden baan der

overwinning voorwaarts. Doch ach, thans verlaat hem de trouwelooze

godes! Een tweede leger, als het vernieuwde hoofd der Hydra uit den

grond opgerezen, rekt uit duizend ijzeren monden de roode, bliksemende

tongen naar hem uit. De grond schijnt te bersten, het firmament te

scheuren bij het dreunen der mortieren, die in dit oogenblik een stroom

van lood en ijzer tegen hem uitspuwen. Alles wankelt; slechts Ney

staat vast in dezen orkaan. Doch welk een schouwspel ontwaart hij om

zich heen! Al zijne generaals zijn gesneuveld of gekwetst en verven

de sneeuw met hun bloed; zijne scharen zijn vreeselijk geteisterd, de

grond is met dooden zwart bedekt! Nog eens roept hij: „Voorwaarts!”

en tracht de overblijfsels van zijn leger te verzamelen, maar daar

ontlaadt de vreeselijke donderwolk zich ten tweede male en slingert

den duizendvoudigen dood in de verstrooide rijen. Thans dringt de

onzichtbare godin der verwarring tot de scharen door en de zwerm stuift

angstig naar alle zijden uiteen. Rasinski's dapperen zijn de laatsten

die wijken; hij zelf beveelt de vlucht, daar deze alleen nog de

mogelijkheid van redding aanbiedt. De veldheer erkent den wil van het

noodlot, waartegen de sterveling zich te vergeefs tracht aan te kanten;

met smartelijke verontwaardiging in de borst onderwerpt ook hij zich

aan de harde noodzakelijkheid, die hem thans, daar geen andere uitweg

meer open staat, de smadelijke vlucht tot eene verplichting maakt. Tot

de zijnen teruggekeerd, houdt hij te midden van den grootsten hoop zijn

paard staande.

Kutusow, zich op zijne heuvels veilig achtende, schijnt intusschen

weinig genegen, om zich meer van nabij met krijgslieden in te laten,

van welke de geringste een onverzettelijken heldenmoed ten toon

spreidt; uit de verte echter zendt hij onafgebroken den dood in hunne

rijen. Terwijl de manschappen zich weder ordenen en verzamelen,

overziet de maarschalk het slagveld met een vorschenden blik des

veldheers. Zijn gelaat is ernstig, zijn voorhoofd gefronst, doch

fier en trotsch. Elk soldaat heeft het oog op hem gevestigd, want

slechts van hem neemt men de verzekering aan, dat alle hoop op redding

vervlogen is; zoolang hij ze niet heeft uitgesproken, blijft men

nog aan een minder rampspoedigen uitslag geloof hechten. Uit zijn

ernstig peinzen kan men genoegzaam opmaken, dat hij over een anderen

uitweg nadenkt. Geen oogenblik verliest hij den vijand en zijne

bewegingen uit het oog; slechts nu en dan werpt hij een smartelijken

blik op de plaats, waar hij de vluchtigste zege, maar tevens ook

den onvergankelijksten roem binnen weinige minuten met het leven

van zoovele dierbare kameraden betaald heeft. Intusschen duurt het

moorddadige vuur onafgebroken voort, en de ruimte, die het kleine leger

beslaat, is zóó gering, dat de kogels door zijn gansche diepte en

breedte heendringen. Hetzelfde schot dat in de voorste gelederen eenige

manschappen heeft weggeraapt, brengt nieuwe verwoestingen teweeg onder

de wapens in de achterhoede, waar de gekwetsten, de zieken, de vrouwen

en kinderen in hulpelooze onmacht aan het verderf zijn prijsgegeven.

Welke hand zal thans redden?—Daar laat de heilige duisternis haar

schemerenden sluier allengs dieper op de aarde neerzinken en omhult de

verlorenen met haar beschaduwend weefsel. Thans schijnt de maarschalk

den uitweg uit den doolhof des doods te hebben gevonden. Hij meet met

de oogen den afstand en de stelling van den vijand, zijne blikken

vliegen naar alle zijden in het rond, men ziet, dat hij den grond,

waarop men zich bevindt, met nieuwe inzichten gadeslaat en dat hij

nieuwe voordeelen daaraan denkt te ontwringen. Nu is de gedachte

rijp geworden; hij heeft geen krijgsraad belegd, slechts zijn eigen

moed, zijn eigen doorzicht heeft hij geraadpleegd. Hij wenkt Regnard,

Rasinski, benevens eenige andere hoofdofficieren, en deelt aan elk

hunner de noodige bevelen uit. Deze ijlen naar hunne korpsen terug. Het

bevel tot den afmarsch weergalmt door het geheele leger en van alle

zijden breken de colonnes op. Maar waarheen? Tegen den vijand? Neen.

En toch het vreeselijkste verderf te gemoet, want men keert terug, om

de onmetelijke wildernissen van Rusland weder dieper in te dringen. De

vijand staart van zijne hoogten deze beweging met verbazing aan; hij

schijnt een soortgelijk ontwerp te vermoeden, als twee dagen vroeger

door den onderkoning van Italië is ten uitvoer gebracht. Derhalve

breidt Kutusow de flanken van zijn leger naar beide zijden nog verder

uit en vergroot zoo het net, waarin hij den leeuw hoopt te verstrikken.

Hij had hem kunnen vernietigen, één aanval ware voldoende geweest, om

de weinige dapperen onder de overstelpende menigte hunner bestrijders

te verpletteren, maar den koelbloedigen grijsaard scheen er meer aan

gelegen te zijn, hen als gevangenen in zijne legerplaats te zien, nadat

honger, koude en uitputting hen tot het nederleggen der wapenen zouden

genoodzaakt hebben. Dat er andermaal eene mogelijkheid bestaan zou, om

dezen tiendubbelen ringmuur van gevaren te boven te komen, dit scheen

den ouden Rus geheel ondenkbaar. Het stond dus thans in zijne macht,

den beroemdsten veldheer van het Fransche leger te vernietigen; doch

dat was voor zijne wraak en trotschheid niet genoeg. Hij wilde hem

vernederen en niet zijn hoofd, maar zijn degen aan keizer Alexander

overleveren.

De bevelen des maarschalks werden door de fransche soldaten met

verbazing ontvangen. Hoe, sprak elk bij zich zelf, op nieuw zullen

wij omdolen in die koude, akelige wildernissen, waaraan wij nog zoo

onlangs niet dan met doodsgevaar ontworsteld zijn? Opnieuw keeren

wij het vaderland den rug toe en wagen ons in dat vreeselijke land,

waar de mensch nog ruwer en barbaarscher is dan de natuur zelve?—Met

heimelijken afkeer deden zij elke schrede achterwaarts; intusschen, zij

gehoorzaamden, want hun veldheer had het bevolen, en het vertrouwen op

hem was het eenige steunsel van hun kracht.

De duisternis scheen de vale vlucht heurer wieken te bespoedigen en

daalde lager en lager naar het koude sneeuwleger af. Reeds waren de

door den vijand bezette hoogten in eene twijfelachtige schemering

weggezonken en nog slechts nu en dan sloeg een zware kogel in de

gelederen der aftrekkenden neder, als tot een teeken, dat de opmerkzame

vijand zijn buit niet uit het oog verloor.

Zwijgend, met slependen tred en de borst met bange zorgen vervuld,

waadden de krijgers langs ongebaande wegen door de diepe sneeuw voort.

De maat van hun lijden was echter nog niet gevuld. Van lieverlede,

aanvankelijk met een hol gesuis, vervolgens met gestadig heviger

rukken verhief zich de orkaan; ditmaal niet de gewone, ijzige adem

van het noorden, maar een vochtige stormwind uit het zuidwesten, die

de zwangere wolken aan het gewelf des hemels opeenpakte en tegelijk

dwarrelende sneeuwzuilen van de aarde opjoeg. Alsof een vijandelijke

demon dezen draaistroom van storm en sneeuw in beweging bracht, om de

ongelukkigen daarin, als in de golvende kolken eener Charybdis, te

versmoren, wervelden de gierende luchthoozen in het rond en maakten

het ademhalen onmogelijk. Paarden en menschen hijgden naar lucht, de

laatste kracht dreigde te bezwijken. De wind streek met dof gebulder

over de vlakte; nu eens sloeg hij om in kloven en krochten, dan brak

hij op den zoom der wouden en keerde afstuitend, zich zelf kruisend

terug, zoodat hij, de vermoeiden mochten hunne schreden wenden, waar

zij wilden, hun steeds het aangezicht rauw zweepte. De marsch werd

onzeker, week links, week rechtsaf. Hier versperden diepe sneeuwkuilen

den weg en men moest op zijne schreden terugkeeren, onzeker, of men

den vijand naderde, dan zich van hem verwijderde; daar dwongen steile,

met ijzel bedekte heuvelhellingen tot eene veranderde richting. De

nacht werd duister als het graf; zwarte, dichte wolken, uit wier schoot

de sneeuwvloeden dwarrelend nederstortten, bedekten den hemel. Niets

bleef voor het oog zichtbaar, dan het spookachtig schemerende, witte

lijkkleed, dat over de onmetelijke doodbaar der aarde lag uitgespreid.

Eindelijk waren de uitgeputte krachten bezweken; de verstijfde voet

vermocht geen stap meer te doen; aan de verkleumde hand ontzonk het

wapen. Zelfs de veldheer scheen alle hoop op te geven en het edele

hoofd onder den verpletterenden slag der vernietiging te willen

buigen. Er moest ten laatste midden op de sneeuw en het ijs gerust

worden, opdat de ongelukkigen althans adem tot nieuwe inspanningen

scheppen mochten. De maarschalk bevond zich, te midden van Rasinski's

ruiterbende, aan de spits van het korps. Regnard was bij hem.

„Weet gij nog, Rasinski,” fluisterde hij dezen in het oor, „waar zuid

of noord is, of de vijand voor of achter ons staat, of wij ons rechts,

dan links van den grooten weg bevinden?—Een kompas ware hier eene

provincie waard!”

„Als het sneeuwgestuif ophoudt, laten zich wellicht eenige sterren

zien,” antwoordde Rasinski; „het duurt zoo reeds drie uren, het moet

toch eens minder worden.”

„Ik geloof niet, dat er voor ons nog starren blinken,” sprak Regnard en

schudde mismoedig het hoofd.

Rasinski pijnigde zich af, om een middel te verzinnen, geschikt, om den

marsch met eenige zekerheid voort te zetten. Juist was hem een gelukkig

denkbeeld ingevallen, toen de maarschalk hem driftig toevoegde: „Hebben

uwe manschappen en paarden nog eenige krachten behouden, volg mij dan

terstond; ik hoop een middel te hebben uitgedacht, om de richting naar

den Dnieper zelfs door deze sneeuwwoestijn te ontdekken.”

„Ook mij is iets ingevallen,” riep Rasinski; „kon men slechts den loop

van de beek ontdekken, die door de bedding heenstroomt, aan welke wij

voor een half uur genoodzaakt waren, om te keeren.”

„Wij verstaan elkander,” hervatte de maarschalk met merkbare vreugde;

„juist dat is ook mijne gedachte. Wij zullen zien, of wij de plaats

kunnen wedervinden; gij met uwe ruiters en eenige sappeurs zult mij

vergezellen.”

Men begaf zich terstond op weg. De nog niet geheel verwaaide en onder

nieuwe sneeuw bedolven sporen der kanonnen wezen den weg aan, dien het

leger genomen had, en binnen een half uur had men de bedding bereikt.

De sneeuw was door den storm tot meer dan manshoogte daarin opgehoopt;

echter raapten de sappeurs hunne laatste krachten bijeen, om ze weg te

ruimen, en stuitten werkelijk op een vasten ijsspiegel.

„Zoo de vorst bij dit ondiepe water maar niet tot den bodem is

doorgedrongen,” sprak de maarschalk, terwijl de sappeurs reeds bezig

waren het ijs door te hakken.

„Dat vrees ik niet,” antwoordde Rasinski; „al deze beken hebben een

warmen, drassigen grond en vriezen alleen bij de strengste koude geheel

toe. Wij vinden buiten allen twijfel nog water, te meer, daar het sinds

gisteren reeds gedooid heeft.”

Hij had zich niet bedrogen, want juist drong de bijl door de ijskorst

en er trad water in de opening. Met eenige slagen was de bijt verbreed,

en men kon den loop van het water duidelijk onderkennen.

„Nu zijn wij gered,” riep de maarschalk. „Deze beek moet ons naar den

Dnieper geleiden, die niet ver meer zijn kan. Hebben wij dien achter

den rug, dan, denk ik, zijn wij het zwaarste te boven en zullen wij

onze kameraden voor ons uit spoedig inhalen.”

Zonder verwijl zond hij thans de marschbevelen aan het korps af, dat

zich inmiddels eenigermate van de doorgestane vermoeienis hersteld had.

Gestadig den loop der beek volgende, bereikte men nog binnen het uur

een dicht woud en was nu meer tegen den storm beschut, terwijl ook het

stuiven der sneeuwvlokken allengs minder werd. De geringste gunstige

wending der omstandigheden doet in dergelijke gevallen den verloren

moed ongelooflijk spoedig terugkeeren. Vandaar ging de marsch schielijk

voorwaarts. Het vertrouwen der soldaten wies nog door het gelukkige

toeval, dat Rasinski in de half ingestorte hutten van een verwoest dorp

een oude, kreupele boer opspoorde, die met de landstreek nauwkeurig

bekend was. Deze berichtte, dat de rivier in de nabijheid was, doch dat

men ze bezwaarlijk zou kunnen overtrekken, daar het ijs nog niet sterk

genoeg geweest was, om tegen het dooiweder bestand te zijn. Was de

overgang nog mogelijk, dan zou ze slechts op eene enkele plaats kunnen

geschieden, waar de sterke kromming van den stroom de ijsschollen

gewoonlijk deed opeenkruinen en dus nog eene tamelijk vaste oppervlakte

aanbood, wanneer andere gedeelten reeds geheel van ijs bevrijd waren.

Rasinski beloofde den grijsaard eene rijke belooning, wanneer hij

hem die plaats wilde aanwijzen; terwijl hij hem tevens met den

vreeselijksten dood bedreigde, zoo hij verraad pleegde.

„Wees onbezorgd,” was het antwoord; „ik ben niet uit oud-Rusland, maar

van den anderen oever, waar men niet zoo erg op u verbitterd is als

hier. Volgt mij slechts; gij zult spoedig zien, dat ik u niet bedrieg.”

Hij werd dus de gids van het leger en bracht het gelukkig aan den oever

van den stroom, die de redder of de verderver van deze dappere schaar

zoude worden.

1812: Historische roman · 第 118 / 154 题