„Rasinski!” riep Jaromir en sprong driftig op; „ziet gij het, daarboven
op de hoogte?”
„Kozakken! Waarachtig! Maar mijn hoofd verpand ik, dat zij niet alleen
zijn!”
Op den heuveltop vertoonden zich drie ruiters, die echter slechts om
te verspieden schenen vooruitgezonden. Spoedig werden zij door allen
bemerkt en de troepen geraakten in die onrustige beweging, men hoorde
dat doffe gemompel door de gelederen loopen, waardoor zich het op
handen zijn van een beslissend oogenblik gewoonlijk pleegt aan te
kondigen.
„Werp u te paard, Jaromir,” gelastte Rasinski, „en rijd daar tot den
woudzoom op, dan hebt gij een ruim gezicht over de landstreek.”
De jongeling, die het beste paard van allen bezat, vloog als een pijl
over de sneeuwvlakte, om den last te volvoeren. Bijna nog sneller
keerde hij terug en meldde, dat de gansche hoogte met kozakken bezet
was, terwijl ook infanterie-colonnes uit de diepte van het bosch kwamen
opdagen.
Juist reed ook Regnard voorbij, die op bevel van den maarschalk eveneens
eene verkenning gedaan had. „Wij zullen het warm krijgen, Rasinski,”
riep hij; „het bosch wemelt van Russen.”
De trommen roffelden; de troepen traden onder het geweer. De ongeregelde
massa's der marketentsters, der zieken en der ongewapenden rotteden zich
tot een dichten hoop samen.
„Voor ons kan de slag eene vreugde zijn,” sprak Rasinski; „maar Boleslaw
en de andere gekwetsten hebben een hard lot. Wij moeten het van hen
zoeken af te wenden. Doch wie komt daar?”
Een russisch officier kwam de hoogte afjagen en wuifde reeds in de verte
met een witten doek.
„Wat gij verlangt, mijnheer,” mompelde Rasinski trotsch en verdrietig,
„is vergeefsche moeite. Zoolang wij wapens hebben, onderhandelen wij
niet.”
De maarschalk hield zich met het regelen en in slagorde stellen der
troepen bezig, vloog door de gelederen, was overal zelf tegenwoordig,
ordende, bemoedigde, gaf bevelen. Rasinski zond dadelijk een ruiter
naar hem af, ten einde hem van het naderen van een parlementair te
verwittigen. Doch nog eer de maarschalk terugkeerde, had de Rus de
voorposten reeds bereikt, en daar hij Rasinski's ruiters aan hunne
uniform voor Polen herkende, riep hij hun in het poolsch toe, dat zij
zich aan de overmacht zouden overgeven. Maar als een grimmige leeuw
sprong Rasinski op hem toe en riep: „Gij stookt onze manschappen op,
gij poogt hen tot verraad over te halen! Dat is niet de rol van een
parlementair, mijnheer. Gij zijt mijn gevangene!”
Verschrikt wilde de officier zijn paard omwerpen, doch reeds had
Rasinski de teugels aangegrepen, en zijne toesnellende ruiters hadden
den Rus zoo spoedig van alle zijden omringd, dat aan vlucht of
tegenweer niet te denken was.
„Gij zoudt u aan den onschendbaren persoon eens parlementairs willen
vergrijpen!” riep de Rus.
„Om onschendbaar te zijn, hadt gij op een behoorlijken afstand moeten
afwachten, of het ons goeddunken zou, u als parlementair te ontvangen,”
was het antwoord. „Op deze wijze mag niemand een leger in slagorde
naderen, dat is tegen het krijgsgebruik.”
„Laat mij naar uw bevelhebber geleiden,” sprak de Rus; „hij zal mijne
welgemeende voorslagen op prijs weten te stellen. Het onmogelijke is
zelfs den dappersten onmogelijk; u blijft geen andere weg open, dan die
van onderhandeling.”
„Wij zullen zien, wij zullen zien,” hernam Rasinski, die van de
standvastigheid des maarschalks verzekerd was. „Daar komt de
opperbevelhebber. Gij staat voor den maarschalk Ney; dit zij u genoeg,
om te weten, dat uwe woorden vruchteloos zullen zijn.”
De maarschalk kwam, Rasinski reed hem te gemoet en meldde, wat hij
gedaan had. „Gij hebt als man van eer gehandeld,” ontving hij ten
antwoord; „ik zou mij schamen, minder hooghartig te denken dan
gij.—Doch ik wil den officier spreken.” Hij reed op dezen toe en vroeg
hem wat hij wilde.
„De maarschalk Kutusow zendt mij,” begon de Rus; „hij zou zulk een
beroemden krijgsman en veldheer den voorslag niet doen, de wapens
neer te leggen, wanneer er nog een andere uitweg overbleef. Op deze
omliggende hoogten staan tachtig duizend man en honderd vuurmonden.
Wanneer gij twijfelt, zal het u vrijstaan, een officier te zenden, dien
ik door de gelederen der onzen wil rondleiden.”
„Ik hoop uwe manschappen zelf zoo nabij te komen, dat ik hen tellen
kan,” gaf de maarschalk met flonkerende oogen ten antwoord. „Zeg den
vorst, dat de maarschalk Ney nog nooit de wapens heeft nedergelegd, en
dat de geschiedenis nimmer eene dergelijke handelwijze van hem melden
zal. Daar ligt het doel, mij door plicht en eer aangewezen; ik zal mij
midden door uwe gelederen den weg banen, al werden ook deze bosschen in
legers herschapen!”
„Zij zullen het,” antwoordde de parlementair; maar nog eer hij ten
volle had uitgesproken, deed een vreeselijk gekraak de nabijgelegen
heuvels sidderen en een hagel van kartetsen kletterde op den ijsspiegel
der omliggende velden neder.
„Dat is verraad!” riep de maarschalk driftig, terwijl hij het oog
opsloeg en de hoogten van alle zijden met zwarte troepenmassa's en
veldgeschut bekroond zag. „Onder het vuur onderhandelt men niet! Gij
zijt mijn gevangene!”
De onthutste officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op deze
wijze werd prijsgegeven, gaf zijn degen gewillig over.
„Breng hem naar de achterhoede!” beval de maarschalk.—„Generaal
Ricard, voorwaarts! Gij tast den vijand met de bajonet aan. U zij de
eer gelaten van ons de baan te breken.”
De generaal met ongeveer vijftienhonderd man rukte onverschrokken
voorwaarts. De kleine schaar smolt bijna weg in de onbegrensde ruimte,
die voor haar lag; de onderneming, om tegen de dichte massa's van den
vijand op te rukken, die als dreigende onweerswolken zich gestadig
zwarter en zwarter op de hoogten samenpakten, scheen aan waanzinnigheid
te grenzen. Doch de maarschalk had het bevolen, en het vertrouwen, dat
de krijgslieden in hem stelden, was onbegrensd; op zijn gebod, zoo
waanden zij, kon de overwinning niet achterblijven. Zonder bedenking
stortten zij zich dus langs den steilen weg in de diepte neder, om aan
gene zijde de hoogte te bestormen.
Inmiddels vliegt de veldheer door de gelederen der overigen en ordent
hen tot den kamp. Regnard komt op Rasinski toeijlen en gelast hem met
zijn, tot op zestig man gesmolten regiment, den linkervleugel tegen
de aanvallen der kozakken te dekken. De artillerie maakt front tegen
den vijand en hare kleine kanonnen ondernemen het, zich tegen de
vreeselijke overmacht der russische vuurmonden te verdedigen.
Op de besneeuwde heuvelkruinen, welke de vijand bezet, heerscht sinds
dat eerste salvo, waarmede de aanval begonnen is, eene akelige doodsche
stilte. Maar alsof de scharen, gelijk de geharnaste mannen van Cadmus,
uit de aarde oprezen, werd het zwart gewemel van paarden en menschen op
den witten grond gestadig dichter en dichter.
[Illustratie: „Zeg den Vorst dat maarschalk Ney nog nooit de wapens
heeft nedergelegd.”]
Rasinski had ettelijke honderden schreden links van den weg post gevat,
waar hij door een besneeuwden heuvel tegen het vijandelijke kanonvuur,
althans gedeeltelijk, beschut was en toch het gansche slagveld overzien
kon. Zijn voorkomen was ernstig, gelijk altijd in het gevecht, maar
overigens even bedaard, even moedig, welberaden en vrij, als drie
maanden vroeger, toen hij bij Mosaisk aan de spits van zijn regiment met
leeuwenmoed tot in 's vijands gelederen doordrong. Terwijl hij zijne
vlammende blikken over het slagveld liet gaan, reed Jaromir op hem
toe en fluisterde: „Wij zullen eervol vallen, Rasinski; mocht gij in het
leven blijven en haar wederzien,”—Lodoiska's naam uit te spreken waagde
hij niet—„zeg haar dan, hoe innig mijn berouw was. De vergeving, welke
de levende onwaardig was, zal den doode aan gene zijde de rust schenken.”
„Wat spreekt gij, Jaromir!” hernam Rasinski met merkbare ontroering;
„denk aan het leven. Hier zijn nog vele uitwegen.”
„O, ik vrees den dood niet,” sprak Jaromir met drift, en een edele
blos kleurde zijn bleeke wangen bij het denkbeeld, dat Rasinski hem
van versaagdheid verdacht hield; „doch gij zelf ziet, dat slechts zeer
weinigen zich hier leven en redding mogen voorspellen. Het is anders
eene gruwzame scherts van de geluksgodin, dat zij den dapperste nu zoo
schandelijk verraadt. Evenwel, zij is toch altijd eene Delila, die haar
Simson gebonden overlevert.”
„Laat ons afwachten,” hernam Rasinski met waardigheid, „of hij zijne
banden nog misschien niet verbreken zal.”
Gedurende dit gesprek had Ricard met zijne manschappen den weg door
de diepte afgelegd en rukte aan gene zijde in stormmarsch tegen de
russische batterijen op de hoogte van Katowa op. Thans bliksemde het,
als bij het opkomen van een onweder, langs den geheelen horizon, en
zoover het oog reikte, werden de heuveltoppen in zwarte rookwolken
gehuld. Een oogenblik later scheurde eene donderende ontploffing den
dampkring vaneen, en met suisend huilen en sissen gierde een kogel-
en kartetsenzwerm, als een heir onzichtbare, vliegende draken, door
de lucht. Van rondom kletterden zij op de harde sneeuw- en ijskorst,
waarmede het veld overdekt was, neder, zoodat deze tot stof vergruisd
werd en in duizend glanzige wolken opstoof. Een blik op Ricards
dapperen moest het hart verscheuren, want deze ééne seconde had de
helft van hen op de koude, wintersche doodbaar ter neder gestrekt. De
zooeven nog dicht gesloten gelederen waren dermate gedund, dat zich
de levenden als verspreide boomstammen van een neergehouwen woud aan
het oog voordeden. Doch de aanvoerder is niet gevallen; zijne stem
herzamelt de onverzeerden, hij rukt opnieuw tegen de den dood brakende
hoogten op. Daar maait een tweede ontzettende laag der batterijen vóór
hem zijne gelederen andermaal weg. Slechts weinigen worden door den
vernielenden sikkel des doods gespaard; daar de overwinning onmogelijk
wordt, doen schrik en ontzetting hun allen moed ontzinken en in
ademlooze vlucht stormen zij terug, om in de rijen hunner wapenbroeders
redding te zoeken.
De maarschalk Ney rukt echter zelf reeds aan de spits zijner beste
soldaten tegen den vijand op. Dicht opeengepakt, een ijzeren hart in
den boezem, door den dood hunner makkers in grimmige woede ontbrand,
vast besloten den laatsten bloeddroppel aan eer en wraak ten offer
te brengen, stormt deze onweerswolk van helden, de koensten aan het
hoofd, op den dood en verderf neerslingerende vulkanen der russische
batterijen aan. Thans voelt ook de vijand, die tot hiertoe op zijne
heuvels onbewegelijk had stand gehouden en slechts uit de verte
den dood op zijne tegenpartij had uitgebraakt, zijne eergierigheid
opgewekt. De eerste russische linie, driemaal sterker dan de gansche
legermacht der Franschen, voortreffelijk gewapend, uit krachtvolle,
nog geheel versche troepen samengesteld, trekt de koene aanvallers te
gemoet en meent hen te omvleugelen, te verstikken, te vermorzelen.
Nu is het oogenblik daar, dat Rasinski handelen moet. Hij zet zich
met zijne kleine schaar in beweging, daalt neder in de diepte, rent
links de hoogte op en werpt zich op de rechterflank van den vijand.
Tegelijk brengen ettelijke honderden mannen lichte troepen, het waren
Illyriërs, dezelfde beweging op de linkerflank ten uitvoer. Eene stomme
verbazing maakt zich, bij dit gezicht, van den vijand meester. Daar hij
ziet, dat de Franschen de overwinning zeker achten, begint hij aan de
mogelijkheid daarvan geloof te hechten. De koene onverschrokkenheid der
aanvallers beneemt hem het zelfvertrouwen. Hij wankelt, deinst terug.
Nu breekt Ney met zijne grimmige schaar in de waggelende linie door,
werpt haar neder en jaagt ze voor zich uit, gelijk een bergstroom, die,
boven den oever opbruisende, zijne machtige golven op eene vluchtende
kudde nederstort. Jubelend dringt hij op de zoo vaak betreden baan der
overwinning voorwaarts. Doch ach, thans verlaat hem de trouwelooze
godes! Een tweede leger, als het vernieuwde hoofd der Hydra uit den
grond opgerezen, rekt uit duizend ijzeren monden de roode, bliksemende
tongen naar hem uit. De grond schijnt te bersten, het firmament te
scheuren bij het dreunen der mortieren, die in dit oogenblik een stroom
van lood en ijzer tegen hem uitspuwen. Alles wankelt; slechts Ney
staat vast in dezen orkaan. Doch welk een schouwspel ontwaart hij om
zich heen! Al zijne generaals zijn gesneuveld of gekwetst en verven
de sneeuw met hun bloed; zijne scharen zijn vreeselijk geteisterd, de
grond is met dooden zwart bedekt! Nog eens roept hij: „Voorwaarts!”
en tracht de overblijfsels van zijn leger te verzamelen, maar daar
ontlaadt de vreeselijke donderwolk zich ten tweede male en slingert
den duizendvoudigen dood in de verstrooide rijen. Thans dringt de
onzichtbare godin der verwarring tot de scharen door en de zwerm stuift
angstig naar alle zijden uiteen. Rasinski's dapperen zijn de laatsten
die wijken; hij zelf beveelt de vlucht, daar deze alleen nog de
mogelijkheid van redding aanbiedt. De veldheer erkent den wil van het
noodlot, waartegen de sterveling zich te vergeefs tracht aan te kanten;
met smartelijke verontwaardiging in de borst onderwerpt ook hij zich
aan de harde noodzakelijkheid, die hem thans, daar geen andere uitweg
meer open staat, de smadelijke vlucht tot eene verplichting maakt. Tot
de zijnen teruggekeerd, houdt hij te midden van den grootsten hoop zijn
paard staande.
Kutusow, zich op zijne heuvels veilig achtende, schijnt intusschen
weinig genegen, om zich meer van nabij met krijgslieden in te laten,
van welke de geringste een onverzettelijken heldenmoed ten toon
spreidt; uit de verte echter zendt hij onafgebroken den dood in hunne
rijen. Terwijl de manschappen zich weder ordenen en verzamelen,
overziet de maarschalk het slagveld met een vorschenden blik des
veldheers. Zijn gelaat is ernstig, zijn voorhoofd gefronst, doch
fier en trotsch. Elk soldaat heeft het oog op hem gevestigd, want
slechts van hem neemt men de verzekering aan, dat alle hoop op redding
vervlogen is; zoolang hij ze niet heeft uitgesproken, blijft men
nog aan een minder rampspoedigen uitslag geloof hechten. Uit zijn
ernstig peinzen kan men genoegzaam opmaken, dat hij over een anderen
uitweg nadenkt. Geen oogenblik verliest hij den vijand en zijne
bewegingen uit het oog; slechts nu en dan werpt hij een smartelijken
blik op de plaats, waar hij de vluchtigste zege, maar tevens ook
den onvergankelijksten roem binnen weinige minuten met het leven
van zoovele dierbare kameraden betaald heeft. Intusschen duurt het
moorddadige vuur onafgebroken voort, en de ruimte, die het kleine leger
beslaat, is zóó gering, dat de kogels door zijn gansche diepte en
breedte heendringen. Hetzelfde schot dat in de voorste gelederen eenige
manschappen heeft weggeraapt, brengt nieuwe verwoestingen teweeg onder
de wapens in de achterhoede, waar de gekwetsten, de zieken, de vrouwen
en kinderen in hulpelooze onmacht aan het verderf zijn prijsgegeven.
Welke hand zal thans redden?—Daar laat de heilige duisternis haar
schemerenden sluier allengs dieper op de aarde neerzinken en omhult de
verlorenen met haar beschaduwend weefsel. Thans schijnt de maarschalk
den uitweg uit den doolhof des doods te hebben gevonden. Hij meet met
de oogen den afstand en de stelling van den vijand, zijne blikken
vliegen naar alle zijden in het rond, men ziet, dat hij den grond,
waarop men zich bevindt, met nieuwe inzichten gadeslaat en dat hij
nieuwe voordeelen daaraan denkt te ontwringen. Nu is de gedachte
rijp geworden; hij heeft geen krijgsraad belegd, slechts zijn eigen
moed, zijn eigen doorzicht heeft hij geraadpleegd. Hij wenkt Regnard,
Rasinski, benevens eenige andere hoofdofficieren, en deelt aan elk
hunner de noodige bevelen uit. Deze ijlen naar hunne korpsen terug. Het
bevel tot den afmarsch weergalmt door het geheele leger en van alle
zijden breken de colonnes op. Maar waarheen? Tegen den vijand? Neen.
En toch het vreeselijkste verderf te gemoet, want men keert terug, om
de onmetelijke wildernissen van Rusland weder dieper in te dringen. De
vijand staart van zijne hoogten deze beweging met verbazing aan; hij
schijnt een soortgelijk ontwerp te vermoeden, als twee dagen vroeger
door den onderkoning van Italië is ten uitvoer gebracht. Derhalve
breidt Kutusow de flanken van zijn leger naar beide zijden nog verder
uit en vergroot zoo het net, waarin hij den leeuw hoopt te verstrikken.
Hij had hem kunnen vernietigen, één aanval ware voldoende geweest, om
de weinige dapperen onder de overstelpende menigte hunner bestrijders
te verpletteren, maar den koelbloedigen grijsaard scheen er meer aan
gelegen te zijn, hen als gevangenen in zijne legerplaats te zien, nadat
honger, koude en uitputting hen tot het nederleggen der wapenen zouden
genoodzaakt hebben. Dat er andermaal eene mogelijkheid bestaan zou, om
dezen tiendubbelen ringmuur van gevaren te boven te komen, dit scheen
den ouden Rus geheel ondenkbaar. Het stond dus thans in zijne macht,
den beroemdsten veldheer van het Fransche leger te vernietigen; doch
dat was voor zijne wraak en trotschheid niet genoeg. Hij wilde hem
vernederen en niet zijn hoofd, maar zijn degen aan keizer Alexander
overleveren.
De bevelen des maarschalks werden door de fransche soldaten met
verbazing ontvangen. Hoe, sprak elk bij zich zelf, op nieuw zullen
wij omdolen in die koude, akelige wildernissen, waaraan wij nog zoo
onlangs niet dan met doodsgevaar ontworsteld zijn? Opnieuw keeren
wij het vaderland den rug toe en wagen ons in dat vreeselijke land,
waar de mensch nog ruwer en barbaarscher is dan de natuur zelve?—Met
heimelijken afkeer deden zij elke schrede achterwaarts; intusschen, zij
gehoorzaamden, want hun veldheer had het bevolen, en het vertrouwen op
hem was het eenige steunsel van hun kracht.
De duisternis scheen de vale vlucht heurer wieken te bespoedigen en
daalde lager en lager naar het koude sneeuwleger af. Reeds waren de
door den vijand bezette hoogten in eene twijfelachtige schemering
weggezonken en nog slechts nu en dan sloeg een zware kogel in de
gelederen der aftrekkenden neder, als tot een teeken, dat de opmerkzame
vijand zijn buit niet uit het oog verloor.
Zwijgend, met slependen tred en de borst met bange zorgen vervuld,
waadden de krijgers langs ongebaande wegen door de diepe sneeuw voort.
De maat van hun lijden was echter nog niet gevuld. Van lieverlede,
aanvankelijk met een hol gesuis, vervolgens met gestadig heviger
rukken verhief zich de orkaan; ditmaal niet de gewone, ijzige adem
van het noorden, maar een vochtige stormwind uit het zuidwesten, die
de zwangere wolken aan het gewelf des hemels opeenpakte en tegelijk
dwarrelende sneeuwzuilen van de aarde opjoeg. Alsof een vijandelijke
demon dezen draaistroom van storm en sneeuw in beweging bracht, om de
ongelukkigen daarin, als in de golvende kolken eener Charybdis, te
versmoren, wervelden de gierende luchthoozen in het rond en maakten
het ademhalen onmogelijk. Paarden en menschen hijgden naar lucht, de
laatste kracht dreigde te bezwijken. De wind streek met dof gebulder
over de vlakte; nu eens sloeg hij om in kloven en krochten, dan brak
hij op den zoom der wouden en keerde afstuitend, zich zelf kruisend
terug, zoodat hij, de vermoeiden mochten hunne schreden wenden, waar
zij wilden, hun steeds het aangezicht rauw zweepte. De marsch werd
onzeker, week links, week rechtsaf. Hier versperden diepe sneeuwkuilen
den weg en men moest op zijne schreden terugkeeren, onzeker, of men
den vijand naderde, dan zich van hem verwijderde; daar dwongen steile,
met ijzel bedekte heuvelhellingen tot eene veranderde richting. De
nacht werd duister als het graf; zwarte, dichte wolken, uit wier schoot
de sneeuwvloeden dwarrelend nederstortten, bedekten den hemel. Niets
bleef voor het oog zichtbaar, dan het spookachtig schemerende, witte
lijkkleed, dat over de onmetelijke doodbaar der aarde lag uitgespreid.
Eindelijk waren de uitgeputte krachten bezweken; de verstijfde voet
vermocht geen stap meer te doen; aan de verkleumde hand ontzonk het
wapen. Zelfs de veldheer scheen alle hoop op te geven en het edele
hoofd onder den verpletterenden slag der vernietiging te willen
buigen. Er moest ten laatste midden op de sneeuw en het ijs gerust
worden, opdat de ongelukkigen althans adem tot nieuwe inspanningen
scheppen mochten. De maarschalk bevond zich, te midden van Rasinski's
ruiterbende, aan de spits van het korps. Regnard was bij hem.
„Weet gij nog, Rasinski,” fluisterde hij dezen in het oor, „waar zuid
of noord is, of de vijand voor of achter ons staat, of wij ons rechts,
dan links van den grooten weg bevinden?—Een kompas ware hier eene
provincie waard!”
„Als het sneeuwgestuif ophoudt, laten zich wellicht eenige sterren
zien,” antwoordde Rasinski; „het duurt zoo reeds drie uren, het moet
toch eens minder worden.”
„Ik geloof niet, dat er voor ons nog starren blinken,” sprak Regnard en
schudde mismoedig het hoofd.
Rasinski pijnigde zich af, om een middel te verzinnen, geschikt, om den
marsch met eenige zekerheid voort te zetten. Juist was hem een gelukkig
denkbeeld ingevallen, toen de maarschalk hem driftig toevoegde: „Hebben
uwe manschappen en paarden nog eenige krachten behouden, volg mij dan
terstond; ik hoop een middel te hebben uitgedacht, om de richting naar
den Dnieper zelfs door deze sneeuwwoestijn te ontdekken.”
„Ook mij is iets ingevallen,” riep Rasinski; „kon men slechts den loop
van de beek ontdekken, die door de bedding heenstroomt, aan welke wij
voor een half uur genoodzaakt waren, om te keeren.”
„Wij verstaan elkander,” hervatte de maarschalk met merkbare vreugde;
„juist dat is ook mijne gedachte. Wij zullen zien, of wij de plaats
kunnen wedervinden; gij met uwe ruiters en eenige sappeurs zult mij
vergezellen.”
Men begaf zich terstond op weg. De nog niet geheel verwaaide en onder
nieuwe sneeuw bedolven sporen der kanonnen wezen den weg aan, dien het
leger genomen had, en binnen een half uur had men de bedding bereikt.
De sneeuw was door den storm tot meer dan manshoogte daarin opgehoopt;
echter raapten de sappeurs hunne laatste krachten bijeen, om ze weg te
ruimen, en stuitten werkelijk op een vasten ijsspiegel.
„Zoo de vorst bij dit ondiepe water maar niet tot den bodem is
doorgedrongen,” sprak de maarschalk, terwijl de sappeurs reeds bezig
waren het ijs door te hakken.
„Dat vrees ik niet,” antwoordde Rasinski; „al deze beken hebben een
warmen, drassigen grond en vriezen alleen bij de strengste koude geheel
toe. Wij vinden buiten allen twijfel nog water, te meer, daar het sinds
gisteren reeds gedooid heeft.”
Hij had zich niet bedrogen, want juist drong de bijl door de ijskorst
en er trad water in de opening. Met eenige slagen was de bijt verbreed,
en men kon den loop van het water duidelijk onderkennen.
„Nu zijn wij gered,” riep de maarschalk. „Deze beek moet ons naar den
Dnieper geleiden, die niet ver meer zijn kan. Hebben wij dien achter
den rug, dan, denk ik, zijn wij het zwaarste te boven en zullen wij
onze kameraden voor ons uit spoedig inhalen.”
Zonder verwijl zond hij thans de marschbevelen aan het korps af, dat
zich inmiddels eenigermate van de doorgestane vermoeienis hersteld had.
Gestadig den loop der beek volgende, bereikte men nog binnen het uur
een dicht woud en was nu meer tegen den storm beschut, terwijl ook het
stuiven der sneeuwvlokken allengs minder werd. De geringste gunstige
wending der omstandigheden doet in dergelijke gevallen den verloren
moed ongelooflijk spoedig terugkeeren. Vandaar ging de marsch schielijk
voorwaarts. Het vertrouwen der soldaten wies nog door het gelukkige
toeval, dat Rasinski in de half ingestorte hutten van een verwoest dorp
een oude, kreupele boer opspoorde, die met de landstreek nauwkeurig
bekend was. Deze berichtte, dat de rivier in de nabijheid was, doch dat
men ze bezwaarlijk zou kunnen overtrekken, daar het ijs nog niet sterk
genoeg geweest was, om tegen het dooiweder bestand te zijn. Was de
overgang nog mogelijk, dan zou ze slechts op eene enkele plaats kunnen
geschieden, waar de sterke kromming van den stroom de ijsschollen
gewoonlijk deed opeenkruinen en dus nog eene tamelijk vaste oppervlakte
aanbood, wanneer andere gedeelten reeds geheel van ijs bevrijd waren.
Rasinski beloofde den grijsaard eene rijke belooning, wanneer hij
hem die plaats wilde aanwijzen; terwijl hij hem tevens met den
vreeselijksten dood bedreigde, zoo hij verraad pleegde.
„Wees onbezorgd,” was het antwoord; „ik ben niet uit oud-Rusland, maar
van den anderen oever, waar men niet zoo erg op u verbitterd is als
hier. Volgt mij slechts; gij zult spoedig zien, dat ik u niet bedrieg.”
Hij werd dus de gids van het leger en bracht het gelukkig aan den oever
van den stroom, die de redder of de verderver van deze dappere schaar
zoude worden.