HOOFDSTUK VI.

Bij het groote leger hadden de diepste droefheid en bekommernis

geheerscht, wijl men niet meer hopen durfde, dat de prijs gegeven held

Ney uit de sneeuwvelden van oud-Rusland, welks grenzen door tallooze

vijanden bewaakt werden, een uitweg vinden zou. Wanneer de garde des

keizers, toen zij, om Eugenius en Davoust te redden, onder diens

eigen aanvoering terugkeerden, reeds zulk een vreeselijken kamp moest

doorstaan, wanneer de armee van Italië slechts door een wonder had

kunnen gered worden—wat kon men dan nog van hen verwachten, die, meer

dan twee dagmarschen achter, van alle zijden door den vijand waren

ingesloten? Eene sombere mistroostigheid had zich van allen meester

gemaakt; zelfs in zijne eigene redding mocht niemand zich verheugen,

zoolang de koene, edele leeuw in den kerker des vijands versmachtte of

wellicht onder de knodslagen der overmacht verpletterd werd. De keizer

zelf, schoon hij uiterlijk en waar hij zich voor het oog der soldaten

als mensch of veldheer moest vertoonen, zijne onverzettelijke kalmte en

bedaardheid bleef behouden, kon zijne bezorgdheid en zijn kommer voor

zijn nadere vertrouwden niet langer verbergen. Men zag hem somber, met

gefronst voorhoofd, de handen op den rug gekruist, in de armoedige,

half ingestorte hutten van Krasnoe, Lyadi, Rasasna en Orsza, waar de

beheerscher van Europa thans zijn nachtverblijf moest nemen, op en

neder wandelen. Zijne vertrouwden zaten of stonden zwijgend om hem heen

en hadden den moed niet de diepe stilte af te breken. De smart over

het verlies van zoovele duizenden zijner getrouwen, den smaad zijner

nederlagen, de vernietiging van alle zijne verwachtingen had hij met

onbezweken standvastigheid gedragen; het verlies van zijn koensten

veldheer, van zijn warmsten vriend bedwong zelfs dezen kolos, die

gewoon was, te midden der stormen en vlagen van het noodlot als eene

rots vast te staan en de onweders op zijne kruin te doen afstuiten.

Door gevechten en inspanningen vermoeid, had het leger met een

tragen tred, want de keizer wilde de geopende baan der redding niet

betreden, zoolang hij zijn kostelijkst edelgesteente aan den vijand

verpand had, tegen den laten avond Orsza bereikt. Eugenius, Davoust

en Mortier legerden zich met hunne troepen in de stad en vonden hier,

na eene maand van lijden en ontbering, voor de eerste maal eene

veilige schuilplaats, een dak tegen de snijdende winterkoude en eene

legerstede, waarop zij de vermoeide leden konden uitstrekken. Men

scheen de pijnlijke vermoeienissen te boven te zijn en met den ijzeren

dwang der gebiedende noodzakelijkheid weken ook de krachten, die de

wil alleen niet tot zulk eene vreeselijke gehoorzaamheid vermocht

te dwingen. Uitgeput waren de krijgslieden op hunne legersteden

nedergezonken en vergaten in de armen van den slaap het doorgestane

lijden.

Het was nacht.

Daar hoort de nog in het late uur voor de zijnen wakende Eugenius

de stille straten van het stadje van luiden hoefslag weergalmen.

Luisterend buigt hij zich uit het venster, ziet ruiters naderen en

roept hen aan.

„Werda?”

„Poolsche cavalerie!”

„Van waar?”

„Van het korps van maarschalk Ney!”

Dit antwoord dringt den koning als een gloeiende vuurstraal door het

hart. „Leeft hij? Is hij gered?” vraagt hij driftig.

„Hij komt op den rechteroever des Dniepers aanrukken,” hervat Rasinski,

die door den maarschalk was uitgezonden; „doch de Russen vervolgden hem

en ik kom hulp vorderen.”

„Gij zult ze hebben,” juicht de veldheer en verschijnt na weinige

oogenblikken met zijne officieren op de straat. De tamboers slaan

den generalen marsch, men ijlt van huis tot huis, om de soldaten op

te roepen. Doch welk een eisch! Nauwelijks hebben ze eindelijk de

eerste plaats van rust en zekerheid bereikt, nauw heeft de slaap de

uitgeputte soldaten in zijne zachte armen gesloten en reeds wederom

zouden zij naar buiten in den onmetelijken oceaan van ijs en sneeuw,

zouden zij terugkeeren in de wildernis, aan welke zij zoo even eerst

met doodsgevaar ontworsteld zijn! Wie kan hen daartoe noodzaken!

Liever kiezen zij den dood, dan de vernieuwing van dat lijden. De

roffelende trommen hooren zij niet, met zoo vaste banden houdt de slaap

hen omstrikt; met moeite opgeroepen en opgericht tuimelen zij half

bewusteloos weder op de warme legerstede terug. Laat de vijand, dien zij

wanen, dat de stad overvallen heeft, hen vermoorden; elke tegenstand

is toch vruchteloos; waarom zouden zij de verlamde spieren nog eens op

de pijnlijke folterbank spannen, waarom de martelingen vernieuwen en

verlengen?

Nog één middel is onbeproefd gebleven. „Gij moet den maarschalk Ney

redden,” schreeuwt men den bedwelmden in het oor. „Hij is in de

nabijheid! Op, om hem te redden, hem te beschermen!”

De naam van den vereerden, betreurden, verloren geachten Ney doet het

eergevoel der dapperen ontwaken; zulk een veldheer te verlaten, is

smadelijker dan verraad en vlucht. De oproeping dringt met wegslepend

vermogen in de ziel der krijgslieden door; Ney is de held, die alles

waagt, hij is de redder, waar niemand anders meer redden kan. En hij

keert van de poorten des doods terug! Niets is meer te vreezen, wanneer

hij weder in ons midden verwijlt!

De heugelijke tijding vliegt van mond tot mond, van huis tot huis;

bij gansche scharen stroomen de soldaten toe; elk wil de eerste zijn,

die den vergoden held te hulp snelt. Zelfs de bevelhebbers betwisten

elkander dezen roem; slechts door zijn hoogeren rang vermag de

onderkoning zijn recht daarop te doen gelden.

Door de dichte duisternis, langs ongebaande wegen breekt men op,

Rasinski en zijne ruiters rijden als wegwijzers aan de spits. Doch

de vijandige natuur rust ook nog thans niet; de sneeuw stuift

dwarrelend op; elk spoor wordt onkenbaar. Hoe zal men thans de

juiste richting houden? Hoe in deze onafzienbare wildernissen de

verlorenen opsporen?—Twee uren is men, op het goed geluk vertrouwende,

onophoudelijk verder voortgedrongen; thans echter schijnt elke baan

en daarmede elke hoop verloren; verder gaande moet men vreezen in de

netten des vijands te verwarren en op zijne legers, niet op die der

vrienden, te stooten.

„Wij zijn hier op zee, ofschoon de golven ook al bevroren zijn,” roept

de koning. „Wij moeten de middelen van benarde zeelieden te baat nemen

en seinschoten doen.”

Hij gebiedt halt. Twee stukken worden blind geladen. Met behoorlijke

tusschenpoozen worden drie schoten gelost, welker dof gedonder tot

in de verte voortrolt. In angstige verwachting luistert men, of het

signaal beantwoord wordt. Lang blijft alles stil; reeds begint men te

wanhopen, of het teeken wel verstaan is. Daar doet zich eindelijk een

verwijderd geweervuur hooren.

„Hoe? Wat moet dat beteekenen?” vraagt de onderkoning.

„O, dit teeken is ons gunstig,” valt Rasinski hem haastig in de rede,

„het derde armeekorps heeft geen kanonnen meer en kan slechts op deze

wijze antwoorden.”

„Dan heeft hij ons toch verstaan,” roept Eugenius. „Hoe voorzichtigheid

en koenheid altijd bij hem gepaard gaan! Hij wachtte af, of de drie

schoten niet door andere zouden gevolgd worden, en zoo ried hij de

eenige beteekenis, die zij hebben konden.”

„Het was in des maarschalks toestand buiten twijfel gevaarlijk, op

het sein te antwoorden,” hernam Rasinski; „hij kon zich daardoor even

goed aan den vijand verraden. Doch zijn veldheersblik doorziet alle

omstandigheden met ongeloofelijke snelheid, en waar verderf en redding

nauwelijks te onderscheiden zijn, weet hij toch met vaste hand aan te

grijpen, wat hem heil aanbrengt.”

„En ditmaal zal hij zich niet bedrogen vinden,” sprak de onderkoning,

terwijl hij zijne afdeeling de richting liet aannemen, in welke de

schoten gevallen waren.

Met vernieuwden moed en frissche kracht trekken de getrouwe kameraden

voorwaarts. Eensklaps scheurt het wolkenfloers vanéén en de maan, na

zoo dikwerf hunne gevaarlijke vijandin geweest te zijn, wordt eindelijk

eene vriendin der bekommerden. Zij werpt haar zacht schijnsel over de

sneeuwheuvels, en thans ziet men een zwarten legertroep langs den zoom

van het woud afdalen.

„Dat zijn zij!” roept Rasinski, en de manschappen verdubbelen hunne

schreden. Weldra heeft men elkander wederkeerig herkend; de vreugde

drijft tot spoed aan; de edele aanvoerders kunnen het oogenblik der

ontmoeting niet afwachten, zij snellen hunne benden vooruit, springen

uit den zadel en houden elkander innig omarmd.

Het gansche leger volgt dit roerend voorbeeld na. Als had elk een

broeder, een zoon, een vader gered, ijlen officieren en soldaten met

open armen op elkander toe. Alle gevaren, ontberingen en opofferingen

zijn vergeten. Op de zwarte zee des onheils blinkt eindelijk eene

flonkerende ster des geluks, en Ruslands koude ijsvlakte, tot hiertoe

slechts het akelige tooneel der verschrikking, ziet een treffend

schouwspel van liefde en trouw, waarbij slechts vreugdetranen vlieten.

Met eerbiedige bewondering wordt de held, die zich met leeuwenkoenheid

door alle vijanden en gevaren den weg baande, door de krijgslieden

omringd. Zelfs niet de nijd van hen, die met hem gelijk staan,

bezoedelt zijne lauweren; elk legt gewillig den prijs aan zijne voeten,

doch hij, zóó hebben plicht, eer en roem zijne natuur veredeld, weet

nauwelijks, dat hij dien verdiend heeft.

In zegepraal wordt hij naar Orsza gevoerd; op den weg derwaarts

deelen de soldaten des konings met die van den geredden maarschalk de

levensmiddelen en verkwikkingen, welke zij zoolang ontberen moesten.

Zij verhalen elkander van hun lijden, van hunne gevaren en van hunne

daden; doch zijn lijden vergeet de soldaat, zijne daden blijven vast in

zijn geheugen ingeprent, op deze beroemt hij zich met trotschheid, uit

deze put hij kracht tot nieuwe waagstukken.—Zoo betrekken de dapperen

de legerplaatsen voor dezen nacht. Zij gevoelen zich weder de soldaten

van de groote, onoverwinnelijke armee, nu zij het kostelijkste goed,

den roem, uit de vreeselijke schipbreuk van hun geluk gered hebben.

De vijand toch kan van geen leger spreken, dat voor hem de wapens

heeft nedergelegd; allen zijn zij door de russische legermassa's en

de verschrikkingen eener vijandige natuur stoutmoedig heengeworsteld.

Deze trotsche gedachte doet een edel vuur in de borsten der krijgers

ontvlammen, en in den gloed daarvan wordt het stalen harnas eener

onverzettelijke standvastigheid om de heldenborst nog hechter

vastgesmeed.

1812: Historische roman · 第 120 / 154 题