Bij het groote leger hadden de diepste droefheid en bekommernis
geheerscht, wijl men niet meer hopen durfde, dat de prijs gegeven held
Ney uit de sneeuwvelden van oud-Rusland, welks grenzen door tallooze
vijanden bewaakt werden, een uitweg vinden zou. Wanneer de garde des
keizers, toen zij, om Eugenius en Davoust te redden, onder diens
eigen aanvoering terugkeerden, reeds zulk een vreeselijken kamp moest
doorstaan, wanneer de armee van Italië slechts door een wonder had
kunnen gered worden—wat kon men dan nog van hen verwachten, die, meer
dan twee dagmarschen achter, van alle zijden door den vijand waren
ingesloten? Eene sombere mistroostigheid had zich van allen meester
gemaakt; zelfs in zijne eigene redding mocht niemand zich verheugen,
zoolang de koene, edele leeuw in den kerker des vijands versmachtte of
wellicht onder de knodslagen der overmacht verpletterd werd. De keizer
zelf, schoon hij uiterlijk en waar hij zich voor het oog der soldaten
als mensch of veldheer moest vertoonen, zijne onverzettelijke kalmte en
bedaardheid bleef behouden, kon zijne bezorgdheid en zijn kommer voor
zijn nadere vertrouwden niet langer verbergen. Men zag hem somber, met
gefronst voorhoofd, de handen op den rug gekruist, in de armoedige,
half ingestorte hutten van Krasnoe, Lyadi, Rasasna en Orsza, waar de
beheerscher van Europa thans zijn nachtverblijf moest nemen, op en
neder wandelen. Zijne vertrouwden zaten of stonden zwijgend om hem heen
en hadden den moed niet de diepe stilte af te breken. De smart over
het verlies van zoovele duizenden zijner getrouwen, den smaad zijner
nederlagen, de vernietiging van alle zijne verwachtingen had hij met
onbezweken standvastigheid gedragen; het verlies van zijn koensten
veldheer, van zijn warmsten vriend bedwong zelfs dezen kolos, die
gewoon was, te midden der stormen en vlagen van het noodlot als eene
rots vast te staan en de onweders op zijne kruin te doen afstuiten.
Door gevechten en inspanningen vermoeid, had het leger met een
tragen tred, want de keizer wilde de geopende baan der redding niet
betreden, zoolang hij zijn kostelijkst edelgesteente aan den vijand
verpand had, tegen den laten avond Orsza bereikt. Eugenius, Davoust
en Mortier legerden zich met hunne troepen in de stad en vonden hier,
na eene maand van lijden en ontbering, voor de eerste maal eene
veilige schuilplaats, een dak tegen de snijdende winterkoude en eene
legerstede, waarop zij de vermoeide leden konden uitstrekken. Men
scheen de pijnlijke vermoeienissen te boven te zijn en met den ijzeren
dwang der gebiedende noodzakelijkheid weken ook de krachten, die de
wil alleen niet tot zulk eene vreeselijke gehoorzaamheid vermocht
te dwingen. Uitgeput waren de krijgslieden op hunne legersteden
nedergezonken en vergaten in de armen van den slaap het doorgestane
lijden.
Het was nacht.
Daar hoort de nog in het late uur voor de zijnen wakende Eugenius
de stille straten van het stadje van luiden hoefslag weergalmen.
Luisterend buigt hij zich uit het venster, ziet ruiters naderen en
roept hen aan.
„Werda?”
„Poolsche cavalerie!”
„Van waar?”
„Van het korps van maarschalk Ney!”
Dit antwoord dringt den koning als een gloeiende vuurstraal door het
hart. „Leeft hij? Is hij gered?” vraagt hij driftig.
„Hij komt op den rechteroever des Dniepers aanrukken,” hervat Rasinski,
die door den maarschalk was uitgezonden; „doch de Russen vervolgden hem
en ik kom hulp vorderen.”
„Gij zult ze hebben,” juicht de veldheer en verschijnt na weinige
oogenblikken met zijne officieren op de straat. De tamboers slaan
den generalen marsch, men ijlt van huis tot huis, om de soldaten op
te roepen. Doch welk een eisch! Nauwelijks hebben ze eindelijk de
eerste plaats van rust en zekerheid bereikt, nauw heeft de slaap de
uitgeputte soldaten in zijne zachte armen gesloten en reeds wederom
zouden zij naar buiten in den onmetelijken oceaan van ijs en sneeuw,
zouden zij terugkeeren in de wildernis, aan welke zij zoo even eerst
met doodsgevaar ontworsteld zijn! Wie kan hen daartoe noodzaken!
Liever kiezen zij den dood, dan de vernieuwing van dat lijden. De
roffelende trommen hooren zij niet, met zoo vaste banden houdt de slaap
hen omstrikt; met moeite opgeroepen en opgericht tuimelen zij half
bewusteloos weder op de warme legerstede terug. Laat de vijand, dien zij
wanen, dat de stad overvallen heeft, hen vermoorden; elke tegenstand
is toch vruchteloos; waarom zouden zij de verlamde spieren nog eens op
de pijnlijke folterbank spannen, waarom de martelingen vernieuwen en
verlengen?
Nog één middel is onbeproefd gebleven. „Gij moet den maarschalk Ney
redden,” schreeuwt men den bedwelmden in het oor. „Hij is in de
nabijheid! Op, om hem te redden, hem te beschermen!”
De naam van den vereerden, betreurden, verloren geachten Ney doet het
eergevoel der dapperen ontwaken; zulk een veldheer te verlaten, is
smadelijker dan verraad en vlucht. De oproeping dringt met wegslepend
vermogen in de ziel der krijgslieden door; Ney is de held, die alles
waagt, hij is de redder, waar niemand anders meer redden kan. En hij
keert van de poorten des doods terug! Niets is meer te vreezen, wanneer
hij weder in ons midden verwijlt!
De heugelijke tijding vliegt van mond tot mond, van huis tot huis;
bij gansche scharen stroomen de soldaten toe; elk wil de eerste zijn,
die den vergoden held te hulp snelt. Zelfs de bevelhebbers betwisten
elkander dezen roem; slechts door zijn hoogeren rang vermag de
onderkoning zijn recht daarop te doen gelden.
Door de dichte duisternis, langs ongebaande wegen breekt men op,
Rasinski en zijne ruiters rijden als wegwijzers aan de spits. Doch
de vijandige natuur rust ook nog thans niet; de sneeuw stuift
dwarrelend op; elk spoor wordt onkenbaar. Hoe zal men thans de
juiste richting houden? Hoe in deze onafzienbare wildernissen de
verlorenen opsporen?—Twee uren is men, op het goed geluk vertrouwende,
onophoudelijk verder voortgedrongen; thans echter schijnt elke baan
en daarmede elke hoop verloren; verder gaande moet men vreezen in de
netten des vijands te verwarren en op zijne legers, niet op die der
vrienden, te stooten.
„Wij zijn hier op zee, ofschoon de golven ook al bevroren zijn,” roept
de koning. „Wij moeten de middelen van benarde zeelieden te baat nemen
en seinschoten doen.”
Hij gebiedt halt. Twee stukken worden blind geladen. Met behoorlijke
tusschenpoozen worden drie schoten gelost, welker dof gedonder tot
in de verte voortrolt. In angstige verwachting luistert men, of het
signaal beantwoord wordt. Lang blijft alles stil; reeds begint men te
wanhopen, of het teeken wel verstaan is. Daar doet zich eindelijk een
verwijderd geweervuur hooren.
„Hoe? Wat moet dat beteekenen?” vraagt de onderkoning.
„O, dit teeken is ons gunstig,” valt Rasinski hem haastig in de rede,
„het derde armeekorps heeft geen kanonnen meer en kan slechts op deze
wijze antwoorden.”
„Dan heeft hij ons toch verstaan,” roept Eugenius. „Hoe voorzichtigheid
en koenheid altijd bij hem gepaard gaan! Hij wachtte af, of de drie
schoten niet door andere zouden gevolgd worden, en zoo ried hij de
eenige beteekenis, die zij hebben konden.”
„Het was in des maarschalks toestand buiten twijfel gevaarlijk, op
het sein te antwoorden,” hernam Rasinski; „hij kon zich daardoor even
goed aan den vijand verraden. Doch zijn veldheersblik doorziet alle
omstandigheden met ongeloofelijke snelheid, en waar verderf en redding
nauwelijks te onderscheiden zijn, weet hij toch met vaste hand aan te
grijpen, wat hem heil aanbrengt.”
„En ditmaal zal hij zich niet bedrogen vinden,” sprak de onderkoning,
terwijl hij zijne afdeeling de richting liet aannemen, in welke de
schoten gevallen waren.
Met vernieuwden moed en frissche kracht trekken de getrouwe kameraden
voorwaarts. Eensklaps scheurt het wolkenfloers vanéén en de maan, na
zoo dikwerf hunne gevaarlijke vijandin geweest te zijn, wordt eindelijk
eene vriendin der bekommerden. Zij werpt haar zacht schijnsel over de
sneeuwheuvels, en thans ziet men een zwarten legertroep langs den zoom
van het woud afdalen.
„Dat zijn zij!” roept Rasinski, en de manschappen verdubbelen hunne
schreden. Weldra heeft men elkander wederkeerig herkend; de vreugde
drijft tot spoed aan; de edele aanvoerders kunnen het oogenblik der
ontmoeting niet afwachten, zij snellen hunne benden vooruit, springen
uit den zadel en houden elkander innig omarmd.
Het gansche leger volgt dit roerend voorbeeld na. Als had elk een
broeder, een zoon, een vader gered, ijlen officieren en soldaten met
open armen op elkander toe. Alle gevaren, ontberingen en opofferingen
zijn vergeten. Op de zwarte zee des onheils blinkt eindelijk eene
flonkerende ster des geluks, en Ruslands koude ijsvlakte, tot hiertoe
slechts het akelige tooneel der verschrikking, ziet een treffend
schouwspel van liefde en trouw, waarbij slechts vreugdetranen vlieten.
Met eerbiedige bewondering wordt de held, die zich met leeuwenkoenheid
door alle vijanden en gevaren den weg baande, door de krijgslieden
omringd. Zelfs niet de nijd van hen, die met hem gelijk staan,
bezoedelt zijne lauweren; elk legt gewillig den prijs aan zijne voeten,
doch hij, zóó hebben plicht, eer en roem zijne natuur veredeld, weet
nauwelijks, dat hij dien verdiend heeft.
In zegepraal wordt hij naar Orsza gevoerd; op den weg derwaarts
deelen de soldaten des konings met die van den geredden maarschalk de
levensmiddelen en verkwikkingen, welke zij zoolang ontberen moesten.
Zij verhalen elkander van hun lijden, van hunne gevaren en van hunne
daden; doch zijn lijden vergeet de soldaat, zijne daden blijven vast in
zijn geheugen ingeprent, op deze beroemt hij zich met trotschheid, uit
deze put hij kracht tot nieuwe waagstukken.—Zoo betrekken de dapperen
de legerplaatsen voor dezen nacht. Zij gevoelen zich weder de soldaten
van de groote, onoverwinnelijke armee, nu zij het kostelijkste goed,
den roem, uit de vreeselijke schipbreuk van hun geluk gered hebben.
De vijand toch kan van geen leger spreken, dat voor hem de wapens
heeft nedergelegd; allen zijn zij door de russische legermassa's en
de verschrikkingen eener vijandige natuur stoutmoedig heengeworsteld.
Deze trotsche gedachte doet een edel vuur in de borsten der krijgers
ontvlammen, en in den gloed daarvan wordt het stalen harnas eener
onverzettelijke standvastigheid om de heldenborst nog hechter
vastgesmeed.