HOOFDSTUK III.

Een bleek maanlicht viel door grijze wolken, de wind streek met dof

gesuis over de woudtoppen en sneeuwsteppen heen, toen de krijgslieden

opnieuw opbraken. Geen trom of horen verried den afmarsch. In diepe

stilte, zoo luidde het bevel, maakte men zich tot den moeielijken

tocht gereed. Regnard had van den maarschalk een paard ontvangen en

bleef als adjudant in zijne nabijheid. Daar men een aanval te gemoet

zag, marcheerde Rasinski met de zijnen aan de spits en nam de grootste

behoedzaamheid in acht.

De maarschalk was in den beginne overal tegenwoordig, waar het

oogenblik zijn bijzijn vereischte; nadat de trein door zijn ontzag

zooveel mogelijk geordend was, geloofde hij zich naar die plaats te

moeten begeven, waar men den aanval des vijands het eerst verwachten

moest.

Intusschen legde men verscheiden uren door de diepe sneeuw af, zonder

op eenige wijze verontrust te worden. De koude was in de laatste dagen

eenigszins minder geworden, zoodat men door haar niet meer zooveel te

lijden had; het scheen zelfs, dat men dooiweder verwachten kon.—De

hemel, hier en daar met dunne wolken bezet, voorspelde voor het

oogenblik geen nieuwe sneeuwvlagen.—Thans begon de zon in den rug van

het leger de lucht te kleuren en eene matte schemering breidde zich

over het doode landschap uit. Men was er reeds aan gewoon geworden, in

elke diepte, in elke maar eenigszins steile kloof weggeworpen wapens,

ransels, helmen, geweren, dikwijls ook kanonnen en proviandwagens

te vinden, en niet zelden lagen enkele, door verzwakking of honger

ontzielde soldaten daarnaast uitgestrekt. Hier echter hoopten zich deze

teekenen eener vreeselijke vernieling en verstrooiing der geregelde

legermassa's op eene ontzettende wijze opeen. Hoe akelig de nacht met

zijn alles omhullenden sluier ook mocht geweest zijn, de dag, die

aanbrak, dreigde nog schrikverwekkender te zullen worden.

Eensklaps werd de oostelijke hemel geheel ontwolkt en de juist boven

den gezichteinder oprijzende zon stond donkerrood achter het leger en

wierp hare stralen als een langen bloedigen stroom over de besneeuwde

vlakte. De schaduwen van menschen en paarden rekten zich als zwarte

reuzenbeelden tot eene onmetelijke lengte uit en kruisten elkander

in duizendvoudige verwarring. Zonderling verrast wierp elk een blik

terug. Sedert langer dan een week had men het gelaat der zon niet

gezien, heden vertoonde het zich weder voor het eerst; maar het

liefelijk beeld, dat anders veerkracht en vreugde zelfs in de borst der

versaagdsten uitstort, verwekte thans slechts schrik en huivering.

Als een gloeiend oog toch stond het daar, onder de wenkbrauw van

dreigend saamgepakte wolken, en het scheen zijn zwarten sluier slechts

te hebben weggeschoven, om met een vreeselijker blik op het tooneel van

dood en verderf, hetwelk de aarde aanbood, neder te zien.

„Zoo ging de zon bij Mosaisk op,” fluisterde Jaromir Rasinski in het

oor; „de keizer noemde haar die van Austerlitz.”

Rasinski wilde deze toespeling opzettelijk niet opmerken. „Ik geloof,

dat wij een helderen dag zullen hebben,” hervatte hij daarom; „zoo de

wind niet omslaat...”

Een doffe kreet van angst en verbazing, die zich voor en om hem

verhief, deed hem in het midden zijner rede afbreken. Verwonderd sloeg

hij het oog op en overzag nu met een enkelen blik de oorzaak der

ontzetting, die de soldaten had aangegrepen. Men had juist een kleinen

heuvel bestegen en zag thans de gansche vlakte voor zich uitgebreid.

Daar lagen, zoover het oog reikte, de lijken van menschen en paarden,

de overblijfsels van verbrijzelde veldstukken, wagens en wapenen in een

zwarten mengelklomp op het witte sneeuwveld uitgestrekt.

Het was het slagveld, waar de onderkoning twee dagen vroeger van alle

zijden was aangegrepen en zich zoo moedig verdedigd had.

Eene diepe stilte heerschte in de gelederen der soldaten; het

vreeselijk gezicht had zich geheel onverhoeds als een reusachtig

spooksel aan hunne blikken vertoond en drong, alle warme levenskracht

versteenend, tot diep in hun boezem door. Zelfs geen ademtocht liet

zich hooren; het was alsof niemand het wagen durfde, het plechtige

zwijgen van dit lijkenveld, waar de dood zelf in de armen des winters

verstijfd was, door een menschelijk geluid af te breken. Ook de

maarschalk toonde eene hevige ontroering; doch slechts een oogenblik.

In het volgende liet hij reeds de arendsblikken des veldheers over het

landschap rondzweven en zocht den vijand in de stelling, waar hij hem

met het meeste voordeel kon afwachten.

„Soldaten,” dus sprak hij de scharen aan, die dichter en dichter de

hoogte opdrongen, „soldaten, hier hebben onze kameraden een dag des

roems gevierd en zich midden door den vijand den weg gebaand. Hun

voorbeeld strekke u ter navolging! Wellicht doet het geluk ons heden

denzelfden roem verwerven.”

Ook Rasinski bleef in zijne gelaatstrekken de mannelijke vastheid

behouden, die hem, uiterlijk ten minste, nimmer verliet. „Vrienden,”

sprak hij tot de zijnen, „die hier neerliggen stierven een roemrijken

dood. Deze sneeuw is met edel bloed gekleurd. Het moet uwe woede

ontvlammen, u tot wraak aansporen. Denkt daaraan, wanneer ik u den

vijand toonen kan.” Terwijl hij sprak flikkerde de heldenmoed uit zijne

donkere oogen. Fier verhief hij het hoofd en onwillekeurig sloeg hij

de hand aan het gevest van zijne sabel. Als een bliksemstraal schoot

het vuur uit zijne oogen in het hart der krijgslieden; onder zulk een

aanvoerder kon de moed niet bezwijken. De koude keten van den schrik,

die een blik op dat zwijgend veld des doods om het hart had geslagen,

was door dien eenen heldenblik als versmolten, en met nieuwe veerkracht

repten zich de wieken van den moed.

De trein zette zich in beweging. Den zacht hellenden heuvel langzaam

afdalende, kwam men het slagveld, dat men van de hoogte slechts in zijn

geheel had kunnen overzien, allengs nader en bevond zich eindelijk

te midden van de teekenen der verwoesting. De maarschalk reed aan de

spits en overzag ernstig, maar kalm het veld des roems en des doods.

Het begon thans kenbaarder te worden en liet de stellingen, welke de

troepen gedurende den slag hadden ingenomen, duidelijk onderscheiden.

Regnard reed naast Rasinski en wees hier en daar de dooden aan,

uit welke men kon opmaken, welke regimenten hier gevochten hadden.

„Daar stond de veertiende divisie,” riep hij en wees op eene plaats

aan den weg, waar de blinkende platen van verbrijzelde chakots het

regimentsnommer lieten onderkennen.

„Daar moet de garde van Italië hebben gevochten,” hervatte Rasinski,

„want daar liggen vele dooden. Waar mogen de levenden zich thans wel

bevinden?”

Deze laatste woorden sprak hij met eene gesmoorde stem, daar hij zijne

bekommering niet verraden wilde; maar een blik, dien hij op Regnard

wierp, gaf duidelijk genoeg te kennen, wat hij dacht.

„Hm!” mompelde deze; „Krasnoe hebben zij zekerlijk gelukkig bereikt;

wat echter tusschen de morgenzon van gisteren en die van heden ligt,

kan ik evenmin weten, als ik verzekeren durf, dat _wij_ morgen nog op

russische sneeuw zullen wandelen. Evenwel, zoo wij binnen het uur niet

aangegrepen worden, zou ik het bijna gelooven. Maar zie eens, bid ik u,

hier links van den weg.”

„Daar hebben mannen gevochten!” riep Rasinski uit; „een ellendeling,

die het durft loochenen.”

Zij hadden thans, naar het scheen, dat gedeelte van het slagveld

bereikt, waar het vijandelijk vuur de grootste verwoesting had

aangericht. Lange rijen van dooden lagen op de sneeuw neergestrekt

en tot in de verte bespeurde men roode schemering der bloedstroomen,

die hier tot ijs gestold waren. Nimmer leverde eenig slagveld zulk

een afgrijselijk schouwspel des doods op; de gesneuvelden schenen in

de houding, waarin hun de laatste adem ontvloden was, tot roerlooze

beelden versteend, om zoo, tot eene herinnering voor den versten

nakomeling, als koude gedenkzuilen van den slag bewaard te blijven.

Wie hunne gelaatstrekken gekend had, zou zijn vrienden spoedig hebben

wedergevonden, zoo geheel onveranderd waren zij gebleven. Op bijna elk

gelaat echter bespeurde men de krampachtige sporen van den doodstrijd,

en de verstijvende adem des winters had wezenstrekken verhinderd, weder

den stillen, vriendelijken glimlach aan te nemen, dien de scheidende

ziel gewoonlijk op het aangezicht achterlaat, nadat zij den kamp met de

machtige boeien des levens volstreden heeft en zich nu omhoog heft naar

de gewesten des lichts. Hier was het niet zoo; het scheen of de ruwe

hand des winters nog vroeger dan die des doods op de warme vormen des

levens haar kouden, onuitwisbaren stempel had ingedrukt. Daarom zag men

op geen verhelderd voorhoofd, op geen vriendelijk glimlachenden mond de

uitdrukking der bevrijding van kwalen des levens; alle trekken waren in

de diep ingesneden vouwen van de smart, van den angst der vertwijfeling

en der woede blijven staan. Hoewel hij zijne aandoening uiterlijk wist

te verbergen, moest de maarschalk toch waarschijnlijk aan zich zelf

gevoelen, dat deze stomme wandeling door de woestenijen des doods

weinig geschikt was, om den moed zijner dapperen te doen ontvonken. Elk

toch zag in deze onbegraven, op het koude ijs achtergelaten krijgers,

als in een profetischen spiegel, het beeld zijner eigen toekomst.

Wel is waar hadden de met wonden bedekte helden den dood op honderd

slagvelden in menigerlei vreeselijke gestalte onder de oogen gezien,

en niet als nieuwelingen ontvingen zij den ernstigen groet, welken

hij hun ook hier weder aanbood, maar vroeger rustten de gevallenen op

velden der overwinning, groenden lauweren om hunne slapen, reikte de

godin des roems aan levenden en dooden den krans toe en was de val ook

tevens een triomf. Doch hier?—Wat valt den overblijvenden ten deel,

anders dan nieuwe kwalen en worstelingen? En wat den dooden, die op

den vijandelijken grond achterblijven, die geen vriendenhand met aarde

bedekt, wier graf geen gedenkteeken voor de nakomelingschap versiert,

die spoorloos wegzinken in het diepe rijk der vergetelheid, in het

onmetelijke niets? De koele aarde neemt hunne lijken niet eenmaal in

haren schoot op, maar de roofvogels des hemels, de hongerige wolven der

vlakte verslinden den aanzienlijkste met den geringste, en de lentezon,

die de sneeuw doet smelten, zal slechts afgeknaagde beenderen te

voorschijn brengen.

Het korps was in gestadig versnelden marsch een diep dal genaderd,

waarin de weg afdaalt, om van daar weder tot aan de breede vlakte van

Katowa op te stijgen.

„Herkent gij dit terrein?” dus wendde Rasinski zich tot Jaromir.

Deze zag opmerkzaam in het rond en antwoordde: „Wanneer de sneeuw mij

niet bedriegt, is dit de plaats, waar wij voor drie maanden Newerowskoi

sloegen en den keizer op zijn geboortedag met de veroverde kanonnen een

eeresalvo brachten.”

„Zeer juist,” hernam Regnard, die vraag en antwoord gehoord had; „gij

hebt een goeden militairen blik, jonge vriend. Wat dunkt u, zullen wij

ook nu nog victorie roepen?”

Jaromir wilde juist antwoorden, toen een dof, schoon niet ver

verwijderd kanonschot de diepe stilte afbrak. Dit teeken, dat de vijand

in de nabijheid was, drong als een electrieke schok in de gemoederen.

Het geoefende oor der soldaten schatte dadelijk den afstand, waarop het

schot gevallen was, terwijl het oog zich naar de richting wendde, in

welke men het gehoord had. De gespannen verwachting, of het herhaald

zoude worden, of het een aanstaand gevecht, dan slechts enkel een

signaal aanduidde, was op aller gelaat te lezen. De maarschalk liet

halt houden en achtte het niet raadzaam zijne manschappen juist in dit

oogenblik in de diepte te doen afdalen, daar het beklimmen der steile

hoogten aan de overzijde bij de uitgeputte krachten van paarden en

menschen, vooral voor de artillerie, de grootste inspanning vereischen

zou. Rasinski alleen kreeg bevel, met zijn weinige ruiters vooruit

te rukken, ten einde op de hoogten van Katowa uit te vorschen, of

de vijand zich werkelijk in de nabijheid bevond; de overige troepen

legerden zich intusschen, om hunne krachten voor het op handen zijnde

gevecht te verzamelen.

Rasinski had de vlakte van Katowa spoedig bereikt, maar te vergeefs

zocht zijn oog den vijand. Hij ontdekte niets dan de lange, eenvormige

liniën van donkere pijnbosschen, die zich in eene onafzienbare reeks

langs den gezichteinder uitstrekten. Met de uiterste behoedzaamheid

reed hij den grooten weg een half uur op, verdeelde vervolgens zijne

manschappen en beval Jaromir de rechterzijde van den weg tot op een

kanonschot te verkennen, terwijl hij zelf de linker doorzoeken wilde.

Op dezen rit naderde hij den zoom van het woud. Hier bespeurde hij

sporen van paarden op de sneeuw, die, hoe verder hij voortreed, gedurig

talrijker werden. Dit bewees hem, dat de vijand zich in den omtrek

moest ophouden, want ten deele was de hoefslag nog geheel versch.

In de uiterste spanning hield hij het oog op den zoom van het woud

gevestigd, dat het verderf met een diep zwijgen scheen te omhullen.

Van tijd tot tijd liet hij halt houden en luisterde, of zich nergens

eenig gedruisch liet vernemen; maar alles bleef stil als in de woning

des doods. Plotseling fladderde een troep raven met heesch gekrijsch

uit het hout op en verspreidde zich naar alle windstreken. „Die vogels

zijn opgejaagd,” sprak Rasinski tot de naast hem rijdenden; „ik ben

verzekerd, dat hier troepen verborgen zijn.”

„Zie, zie, overste!” riep de vlugge Bliski, terwijl hij zich bukte, om

onder de takken der boomen door te zien; „waarachtig hier marcheert een

troep.”

Inderdaad was men juist aan eene plaats gekomen, die een vrij uitzicht

tot in het binnenste des wouds vergunde, en toen Rasinski zich tot

onder den zadel nederboog, zag hij eene zwarte colonne, die zich

vermoedelijk op een breeden weg midden in het bosch bevond, in de verte

voorbijtrekken. In allerijl sprong hij van het paard en liet zijne

geleiders vooruitrijden, opdat deze niet uit de woudopening zouden

bemerkt worden. Hij zelf, op de sneeuw neergebukt, bespiedde de colonne.

Haar marsch hield een geruimen tijd aan; het was infanterie. Daar hij

de diepte niet kon overzien, was het hem onmogelijk hare sterkte te

schatten. Thans echter kwam ook de artillerie, en Rasinski kon zonder

eenige moeite de stukken tellen. Toen hij tot dertig gekomen was,

wist hij genoegzaam, dat de strijdkrachten van den vijand die des

maarschalks verre overtroffen. Hij wierp zich dus weder in den zadel en

haastte zich, den veldheer van het een en ander te verwittigen.

Jaromir was reeds weder bij het korps teruggekeerd, zonder een spoor

van den vijand ontdekt te hebben. Daar zich een mastbosch in de

nabijheid bevond, hadden de soldaten inmiddels hout gekapt en vuren

ontstoken, en de maarschalk gebood hun, zich te verwarmen en te

verkwikken, opdat zij te beter in staat zouden zijn den aanval des

vijands te weerstaan.

Toen Rasinski thans zijne berichten overbracht, liet zich de wanhopige

toestand, waarin zich het korps bevond, geen oogenblik langer

betwijfelen. „Voorzeker,” sprak de maarschalk, „houden de Russen de

bosschen op de hoogte van Katowa bezet en wachten slechts, dat wij ons

daarboven vertoonen, om ons van alle zijden aan te tasten en, door het

bezetten van dat dal hier voor ons, elken uitweg af te snijden. Doch ik

hoop, dat wij er ons gelukkig zullen doorslaan. Echter moeten wij het

gevecht nog eenige uren trachten te verschuiven, totdat de duisternis

ons te hulp komt. Hoe laat is het?”

„Half twee,” antwoordde Rasinski.

„Goed; te vier uren is het volkomen donker. Dan willen wij opbreken.

Tot zoolang kunnen wij nog uitrusten.”

Rasinski keerde tot de zijnen terug. Daar men nog een kleinen voorraad

hooi en haver bezat, had Jaromir de paarden reeds laten voederen, en

ook de manschappen waren bezig hun armoedigen maaltijd gereed te maken.

Zoo ging een uur in bange verwachting voorbij.

1812: Historische roman · 第 117 / 154 题