Een bleek maanlicht viel door grijze wolken, de wind streek met dof
gesuis over de woudtoppen en sneeuwsteppen heen, toen de krijgslieden
opnieuw opbraken. Geen trom of horen verried den afmarsch. In diepe
stilte, zoo luidde het bevel, maakte men zich tot den moeielijken
tocht gereed. Regnard had van den maarschalk een paard ontvangen en
bleef als adjudant in zijne nabijheid. Daar men een aanval te gemoet
zag, marcheerde Rasinski met de zijnen aan de spits en nam de grootste
behoedzaamheid in acht.
De maarschalk was in den beginne overal tegenwoordig, waar het
oogenblik zijn bijzijn vereischte; nadat de trein door zijn ontzag
zooveel mogelijk geordend was, geloofde hij zich naar die plaats te
moeten begeven, waar men den aanval des vijands het eerst verwachten
moest.
Intusschen legde men verscheiden uren door de diepe sneeuw af, zonder
op eenige wijze verontrust te worden. De koude was in de laatste dagen
eenigszins minder geworden, zoodat men door haar niet meer zooveel te
lijden had; het scheen zelfs, dat men dooiweder verwachten kon.—De
hemel, hier en daar met dunne wolken bezet, voorspelde voor het
oogenblik geen nieuwe sneeuwvlagen.—Thans begon de zon in den rug van
het leger de lucht te kleuren en eene matte schemering breidde zich
over het doode landschap uit. Men was er reeds aan gewoon geworden, in
elke diepte, in elke maar eenigszins steile kloof weggeworpen wapens,
ransels, helmen, geweren, dikwijls ook kanonnen en proviandwagens
te vinden, en niet zelden lagen enkele, door verzwakking of honger
ontzielde soldaten daarnaast uitgestrekt. Hier echter hoopten zich deze
teekenen eener vreeselijke vernieling en verstrooiing der geregelde
legermassa's op eene ontzettende wijze opeen. Hoe akelig de nacht met
zijn alles omhullenden sluier ook mocht geweest zijn, de dag, die
aanbrak, dreigde nog schrikverwekkender te zullen worden.
Eensklaps werd de oostelijke hemel geheel ontwolkt en de juist boven
den gezichteinder oprijzende zon stond donkerrood achter het leger en
wierp hare stralen als een langen bloedigen stroom over de besneeuwde
vlakte. De schaduwen van menschen en paarden rekten zich als zwarte
reuzenbeelden tot eene onmetelijke lengte uit en kruisten elkander
in duizendvoudige verwarring. Zonderling verrast wierp elk een blik
terug. Sedert langer dan een week had men het gelaat der zon niet
gezien, heden vertoonde het zich weder voor het eerst; maar het
liefelijk beeld, dat anders veerkracht en vreugde zelfs in de borst der
versaagdsten uitstort, verwekte thans slechts schrik en huivering.
Als een gloeiend oog toch stond het daar, onder de wenkbrauw van
dreigend saamgepakte wolken, en het scheen zijn zwarten sluier slechts
te hebben weggeschoven, om met een vreeselijker blik op het tooneel van
dood en verderf, hetwelk de aarde aanbood, neder te zien.
„Zoo ging de zon bij Mosaisk op,” fluisterde Jaromir Rasinski in het
oor; „de keizer noemde haar die van Austerlitz.”
Rasinski wilde deze toespeling opzettelijk niet opmerken. „Ik geloof,
dat wij een helderen dag zullen hebben,” hervatte hij daarom; „zoo de
wind niet omslaat...”
Een doffe kreet van angst en verbazing, die zich voor en om hem
verhief, deed hem in het midden zijner rede afbreken. Verwonderd sloeg
hij het oog op en overzag nu met een enkelen blik de oorzaak der
ontzetting, die de soldaten had aangegrepen. Men had juist een kleinen
heuvel bestegen en zag thans de gansche vlakte voor zich uitgebreid.
Daar lagen, zoover het oog reikte, de lijken van menschen en paarden,
de overblijfsels van verbrijzelde veldstukken, wagens en wapenen in een
zwarten mengelklomp op het witte sneeuwveld uitgestrekt.
Het was het slagveld, waar de onderkoning twee dagen vroeger van alle
zijden was aangegrepen en zich zoo moedig verdedigd had.
Eene diepe stilte heerschte in de gelederen der soldaten; het
vreeselijk gezicht had zich geheel onverhoeds als een reusachtig
spooksel aan hunne blikken vertoond en drong, alle warme levenskracht
versteenend, tot diep in hun boezem door. Zelfs geen ademtocht liet
zich hooren; het was alsof niemand het wagen durfde, het plechtige
zwijgen van dit lijkenveld, waar de dood zelf in de armen des winters
verstijfd was, door een menschelijk geluid af te breken. Ook de
maarschalk toonde eene hevige ontroering; doch slechts een oogenblik.
In het volgende liet hij reeds de arendsblikken des veldheers over het
landschap rondzweven en zocht den vijand in de stelling, waar hij hem
met het meeste voordeel kon afwachten.
„Soldaten,” dus sprak hij de scharen aan, die dichter en dichter de
hoogte opdrongen, „soldaten, hier hebben onze kameraden een dag des
roems gevierd en zich midden door den vijand den weg gebaand. Hun
voorbeeld strekke u ter navolging! Wellicht doet het geluk ons heden
denzelfden roem verwerven.”
Ook Rasinski bleef in zijne gelaatstrekken de mannelijke vastheid
behouden, die hem, uiterlijk ten minste, nimmer verliet. „Vrienden,”
sprak hij tot de zijnen, „die hier neerliggen stierven een roemrijken
dood. Deze sneeuw is met edel bloed gekleurd. Het moet uwe woede
ontvlammen, u tot wraak aansporen. Denkt daaraan, wanneer ik u den
vijand toonen kan.” Terwijl hij sprak flikkerde de heldenmoed uit zijne
donkere oogen. Fier verhief hij het hoofd en onwillekeurig sloeg hij
de hand aan het gevest van zijne sabel. Als een bliksemstraal schoot
het vuur uit zijne oogen in het hart der krijgslieden; onder zulk een
aanvoerder kon de moed niet bezwijken. De koude keten van den schrik,
die een blik op dat zwijgend veld des doods om het hart had geslagen,
was door dien eenen heldenblik als versmolten, en met nieuwe veerkracht
repten zich de wieken van den moed.
De trein zette zich in beweging. Den zacht hellenden heuvel langzaam
afdalende, kwam men het slagveld, dat men van de hoogte slechts in zijn
geheel had kunnen overzien, allengs nader en bevond zich eindelijk
te midden van de teekenen der verwoesting. De maarschalk reed aan de
spits en overzag ernstig, maar kalm het veld des roems en des doods.
Het begon thans kenbaarder te worden en liet de stellingen, welke de
troepen gedurende den slag hadden ingenomen, duidelijk onderscheiden.
Regnard reed naast Rasinski en wees hier en daar de dooden aan,
uit welke men kon opmaken, welke regimenten hier gevochten hadden.
„Daar stond de veertiende divisie,” riep hij en wees op eene plaats
aan den weg, waar de blinkende platen van verbrijzelde chakots het
regimentsnommer lieten onderkennen.
„Daar moet de garde van Italië hebben gevochten,” hervatte Rasinski,
„want daar liggen vele dooden. Waar mogen de levenden zich thans wel
bevinden?”
Deze laatste woorden sprak hij met eene gesmoorde stem, daar hij zijne
bekommering niet verraden wilde; maar een blik, dien hij op Regnard
wierp, gaf duidelijk genoeg te kennen, wat hij dacht.
„Hm!” mompelde deze; „Krasnoe hebben zij zekerlijk gelukkig bereikt;
wat echter tusschen de morgenzon van gisteren en die van heden ligt,
kan ik evenmin weten, als ik verzekeren durf, dat _wij_ morgen nog op
russische sneeuw zullen wandelen. Evenwel, zoo wij binnen het uur niet
aangegrepen worden, zou ik het bijna gelooven. Maar zie eens, bid ik u,
hier links van den weg.”
„Daar hebben mannen gevochten!” riep Rasinski uit; „een ellendeling,
die het durft loochenen.”
Zij hadden thans, naar het scheen, dat gedeelte van het slagveld
bereikt, waar het vijandelijk vuur de grootste verwoesting had
aangericht. Lange rijen van dooden lagen op de sneeuw neergestrekt
en tot in de verte bespeurde men roode schemering der bloedstroomen,
die hier tot ijs gestold waren. Nimmer leverde eenig slagveld zulk
een afgrijselijk schouwspel des doods op; de gesneuvelden schenen in
de houding, waarin hun de laatste adem ontvloden was, tot roerlooze
beelden versteend, om zoo, tot eene herinnering voor den versten
nakomeling, als koude gedenkzuilen van den slag bewaard te blijven.
Wie hunne gelaatstrekken gekend had, zou zijn vrienden spoedig hebben
wedergevonden, zoo geheel onveranderd waren zij gebleven. Op bijna elk
gelaat echter bespeurde men de krampachtige sporen van den doodstrijd,
en de verstijvende adem des winters had wezenstrekken verhinderd, weder
den stillen, vriendelijken glimlach aan te nemen, dien de scheidende
ziel gewoonlijk op het aangezicht achterlaat, nadat zij den kamp met de
machtige boeien des levens volstreden heeft en zich nu omhoog heft naar
de gewesten des lichts. Hier was het niet zoo; het scheen of de ruwe
hand des winters nog vroeger dan die des doods op de warme vormen des
levens haar kouden, onuitwisbaren stempel had ingedrukt. Daarom zag men
op geen verhelderd voorhoofd, op geen vriendelijk glimlachenden mond de
uitdrukking der bevrijding van kwalen des levens; alle trekken waren in
de diep ingesneden vouwen van de smart, van den angst der vertwijfeling
en der woede blijven staan. Hoewel hij zijne aandoening uiterlijk wist
te verbergen, moest de maarschalk toch waarschijnlijk aan zich zelf
gevoelen, dat deze stomme wandeling door de woestenijen des doods
weinig geschikt was, om den moed zijner dapperen te doen ontvonken. Elk
toch zag in deze onbegraven, op het koude ijs achtergelaten krijgers,
als in een profetischen spiegel, het beeld zijner eigen toekomst.
Wel is waar hadden de met wonden bedekte helden den dood op honderd
slagvelden in menigerlei vreeselijke gestalte onder de oogen gezien,
en niet als nieuwelingen ontvingen zij den ernstigen groet, welken
hij hun ook hier weder aanbood, maar vroeger rustten de gevallenen op
velden der overwinning, groenden lauweren om hunne slapen, reikte de
godin des roems aan levenden en dooden den krans toe en was de val ook
tevens een triomf. Doch hier?—Wat valt den overblijvenden ten deel,
anders dan nieuwe kwalen en worstelingen? En wat den dooden, die op
den vijandelijken grond achterblijven, die geen vriendenhand met aarde
bedekt, wier graf geen gedenkteeken voor de nakomelingschap versiert,
die spoorloos wegzinken in het diepe rijk der vergetelheid, in het
onmetelijke niets? De koele aarde neemt hunne lijken niet eenmaal in
haren schoot op, maar de roofvogels des hemels, de hongerige wolven der
vlakte verslinden den aanzienlijkste met den geringste, en de lentezon,
die de sneeuw doet smelten, zal slechts afgeknaagde beenderen te
voorschijn brengen.
Het korps was in gestadig versnelden marsch een diep dal genaderd,
waarin de weg afdaalt, om van daar weder tot aan de breede vlakte van
Katowa op te stijgen.
„Herkent gij dit terrein?” dus wendde Rasinski zich tot Jaromir.
Deze zag opmerkzaam in het rond en antwoordde: „Wanneer de sneeuw mij
niet bedriegt, is dit de plaats, waar wij voor drie maanden Newerowskoi
sloegen en den keizer op zijn geboortedag met de veroverde kanonnen een
eeresalvo brachten.”
„Zeer juist,” hernam Regnard, die vraag en antwoord gehoord had; „gij
hebt een goeden militairen blik, jonge vriend. Wat dunkt u, zullen wij
ook nu nog victorie roepen?”
Jaromir wilde juist antwoorden, toen een dof, schoon niet ver
verwijderd kanonschot de diepe stilte afbrak. Dit teeken, dat de vijand
in de nabijheid was, drong als een electrieke schok in de gemoederen.
Het geoefende oor der soldaten schatte dadelijk den afstand, waarop het
schot gevallen was, terwijl het oog zich naar de richting wendde, in
welke men het gehoord had. De gespannen verwachting, of het herhaald
zoude worden, of het een aanstaand gevecht, dan slechts enkel een
signaal aanduidde, was op aller gelaat te lezen. De maarschalk liet
halt houden en achtte het niet raadzaam zijne manschappen juist in dit
oogenblik in de diepte te doen afdalen, daar het beklimmen der steile
hoogten aan de overzijde bij de uitgeputte krachten van paarden en
menschen, vooral voor de artillerie, de grootste inspanning vereischen
zou. Rasinski alleen kreeg bevel, met zijn weinige ruiters vooruit
te rukken, ten einde op de hoogten van Katowa uit te vorschen, of
de vijand zich werkelijk in de nabijheid bevond; de overige troepen
legerden zich intusschen, om hunne krachten voor het op handen zijnde
gevecht te verzamelen.
Rasinski had de vlakte van Katowa spoedig bereikt, maar te vergeefs
zocht zijn oog den vijand. Hij ontdekte niets dan de lange, eenvormige
liniën van donkere pijnbosschen, die zich in eene onafzienbare reeks
langs den gezichteinder uitstrekten. Met de uiterste behoedzaamheid
reed hij den grooten weg een half uur op, verdeelde vervolgens zijne
manschappen en beval Jaromir de rechterzijde van den weg tot op een
kanonschot te verkennen, terwijl hij zelf de linker doorzoeken wilde.
Op dezen rit naderde hij den zoom van het woud. Hier bespeurde hij
sporen van paarden op de sneeuw, die, hoe verder hij voortreed, gedurig
talrijker werden. Dit bewees hem, dat de vijand zich in den omtrek
moest ophouden, want ten deele was de hoefslag nog geheel versch.
In de uiterste spanning hield hij het oog op den zoom van het woud
gevestigd, dat het verderf met een diep zwijgen scheen te omhullen.
Van tijd tot tijd liet hij halt houden en luisterde, of zich nergens
eenig gedruisch liet vernemen; maar alles bleef stil als in de woning
des doods. Plotseling fladderde een troep raven met heesch gekrijsch
uit het hout op en verspreidde zich naar alle windstreken. „Die vogels
zijn opgejaagd,” sprak Rasinski tot de naast hem rijdenden; „ik ben
verzekerd, dat hier troepen verborgen zijn.”
„Zie, zie, overste!” riep de vlugge Bliski, terwijl hij zich bukte, om
onder de takken der boomen door te zien; „waarachtig hier marcheert een
troep.”
Inderdaad was men juist aan eene plaats gekomen, die een vrij uitzicht
tot in het binnenste des wouds vergunde, en toen Rasinski zich tot
onder den zadel nederboog, zag hij eene zwarte colonne, die zich
vermoedelijk op een breeden weg midden in het bosch bevond, in de verte
voorbijtrekken. In allerijl sprong hij van het paard en liet zijne
geleiders vooruitrijden, opdat deze niet uit de woudopening zouden
bemerkt worden. Hij zelf, op de sneeuw neergebukt, bespiedde de colonne.
Haar marsch hield een geruimen tijd aan; het was infanterie. Daar hij
de diepte niet kon overzien, was het hem onmogelijk hare sterkte te
schatten. Thans echter kwam ook de artillerie, en Rasinski kon zonder
eenige moeite de stukken tellen. Toen hij tot dertig gekomen was,
wist hij genoegzaam, dat de strijdkrachten van den vijand die des
maarschalks verre overtroffen. Hij wierp zich dus weder in den zadel en
haastte zich, den veldheer van het een en ander te verwittigen.
Jaromir was reeds weder bij het korps teruggekeerd, zonder een spoor
van den vijand ontdekt te hebben. Daar zich een mastbosch in de
nabijheid bevond, hadden de soldaten inmiddels hout gekapt en vuren
ontstoken, en de maarschalk gebood hun, zich te verwarmen en te
verkwikken, opdat zij te beter in staat zouden zijn den aanval des
vijands te weerstaan.
Toen Rasinski thans zijne berichten overbracht, liet zich de wanhopige
toestand, waarin zich het korps bevond, geen oogenblik langer
betwijfelen. „Voorzeker,” sprak de maarschalk, „houden de Russen de
bosschen op de hoogte van Katowa bezet en wachten slechts, dat wij ons
daarboven vertoonen, om ons van alle zijden aan te tasten en, door het
bezetten van dat dal hier voor ons, elken uitweg af te snijden. Doch ik
hoop, dat wij er ons gelukkig zullen doorslaan. Echter moeten wij het
gevecht nog eenige uren trachten te verschuiven, totdat de duisternis
ons te hulp komt. Hoe laat is het?”
„Half twee,” antwoordde Rasinski.
„Goed; te vier uren is het volkomen donker. Dan willen wij opbreken.
Tot zoolang kunnen wij nog uitrusten.”
Rasinski keerde tot de zijnen terug. Daar men nog een kleinen voorraad
hooi en haver bezat, had Jaromir de paarden reeds laten voederen, en
ook de manschappen waren bezig hun armoedigen maaltijd gereed te maken.
Zoo ging een uur in bange verwachting voorbij.