Bij Korithnia werd het leger door den nacht overvallen; men betrok het
bivak of zocht tusschen de bouwvallen van het ellendige dorpje eene
plaats te vinden. Rasinski had, als gewoonlijk, door zijne onvermoeide
zorg, door zijn aanzien en zijne behendigheid nog zooveel voor de
zijnen gewonnen, dat zij in vergelijking met anderen een gelukkig lot
troffen. Maar nauwelijks hadden zij de vermoeide leden om de legervuren
uitgestrekt, of een donderend gekraak deed zich in de nabijheid hooren
en eene hagelbui van kogels suisde boven hunne hoofden door de lucht.
„Wij worden aangevallen,” riep Rasinski en sprong haastig op; „te
wapen, spoedig te paard!”
In hetzelfde oogenblik zat hij zelf in den zadel en begon zijne
manschappen reeds te ordenen, toen de maarschalk Ney in vollen galop
kwam aanrennen en hem toeriep:
„Overste, verken met uw volk de linkerflank des legers en breng mij
dadelijk bericht, wanneer gij op den vijand stoot.”
De maarschalk rende verder de legerplaats op en ordende en regelde
de verschrikte soldaten. Rasinski, aan de spits zijner kleine, doch
moedige schaar, trok in de duisternis voort, ten einde den vijand op
te zoeken, die zich zoo vreeselijk had aangekondigd. Het bevreemdde
hem wel eenigszins, dat diens artillerie slechts één salvo had gegeven
en nu zoo plotseling zweeg, doch de gevechten op dezen terugtocht, die
meestal bij nacht, in bosschen en op ongebaande sneeuwvelden geleverd
werden, waren zoo rijk aan zeldzame voorvallen en ontmoetingen, dat men
bijna elken dag iets zag gebeuren, dat tot hiertoe in de geschiedenis
der krijgvoering ongehoord was.
Eene dicht aan de legerplaats grenzende hoogte bereikende, meende
Rasinski op den witten sneeuwgrond eenige zwarte massa's gewaar te
worden. „Is dat struikgewas of zijn het troepen?” vroeg hij Jaromir.
„Nog laat zich niets onderscheiden,” antwoordde deze.
„Er op los dan, in Gods naam,” beval Rasinski en reed vooruit. Spoedig
echter helde de grond naar eene diepte af, langs welker steilen rand
men niet kon afdalen; men moest dus den loop van dezen volgen. Daar
stoven plotseling vijftien tot twintig kozakken als opgejaagde vogels
uit eene kromming der kloof te voorschijn en beklauterden met hunne
kleine vlugge paarden de minder steile hoogte aan de overzijde. Meer
om hen te verschrikken, dan wijl men hun schade kon toebrengen, liet
Rasinski vuur geven; vliegend renden zij over de vlakte voort en
verdwenen in het duister. Eenige minuten later geraakten ook de zwarte
massa's op het sneeuwveld in beweging en men vermoedde hieruit, dat
het eene grootere afdeeling der kozakken was, die op het bericht, dat
de kleine verstrooide bende van de aannadering des vijands overbracht,
terugtrok.
Met behoedzaamheid deed Rasinski de zijnen thans op eene minder steile
plaats afdalen. Hier ontdekte men spoedig de oorzaak van het gedruisch,
dat men voor een aanval der artillerie had gehouden. Men vond namelijk
een aantal kanonnen en veldstukken, die vernageld en bij gebrek van
middelen tot vervoer hier achtergelaten waren. Een weinig verder werd
men de overblijfsels van verbrijzelde proviandwagens en kruitkarren
gewaar. Waarschijnlijk hadden de zoo even gevluchte kozakken
verscheidene dezer voertuigen in de lucht doen springen en waren ze in
hun voornemen, om ook de overige te vernielen, slechts door Rasinski's
komst gestoord geworden.
Deze laatste was verheugd, de ware oorzaak van het alarm te hebben
opgespoord, en wilde derhalve in allerijl met zijne manschappen
terugkeeren, ten einde den maarschalk hiervan bericht te brengen.
Toen hij echter door den hollen weg voortreed, zag hij boven op de
hoogte, ongeveer dertig schreden voor zich uit, een man in vollen loop
voortijlen. Vermoedende, dat het een Rus zijn zou, riep hij hem in de
volkstaal aan en beval hem, te staan. De vluchteling scheen eene poos
besluiteloos, doch vervolgde weldra zijn loop met verdubbelde snelheid.
Daar echter de hoogte hier niet steil was, hadden Rasinski en Jaromir
die spoedig beklauterd, en twee ruiters volgden hen, ten einde den
Rus, die wellicht van de nabijheid des vijands belangrijke narichten
kon geven, het ontkomen onmogelijk te maken. Deze liep wat hij kon,
doch na weinige schreden zonk hij uitgeput in de diepe sneeuw neder
en werd door zijne vervolgers gegrepen. Tot Rasinski's niet geringe
verwondering riep de gevangene, terwijl hij zich overgaf, in het
fransch uit: „Is er iemand onder u, die fransch spreekt?”
„Bij den hemel, die stem heb ik meer gehoord,” antwoordde Rasinski in
dezelfde taal; „wie zijt gij?”
„Rasinski, gij zelf? Is het mogelijk?” riep de gevangene en strekte
jubelend de armen naar hem uit. „Ik ben Regnard, herkent gij mij niet?”
„Regnard! In 's hemels naam, hoe komt gij hier?” vroeg Rasinski met
verbazing.
„De historie is kort en bondig, maar stichtelijk is zij niet,” hervatte
Regnard; „gij zult ze uitvoeriger vernemen, dan u lief is; doch ik raad
u, hier niet te vertoeven, maar eene veiliger plaats op te zoeken. In
vertrouwen gezegd, er zijn meer Russen hier in de nabijheid, dan boomen
in deze dennenbosschen. Maar hoe komt gij hier?”
„Met Maarschalk Ney uit Smolensko; ons nachtkwartier is nauwelijks
vijfhonderd schreden van hier.”
„Laten wij het dan zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken. Onder het
gaan zal ik u alles vertellen.”
Jaromir bood den overste zijn paard aan, doch deze wees het van de hand
en stapte tusschen hem en Rasinski driftig voort.
„Gij weet,” dus begon hij, „dat ik met den onderkoning van Italië
Smolensko uittrok. Gisteren werden wij drie uren van hier door de
Russen aangegrepen en ik geraakte gevangen. De kozakken zweepten mij
met den knoet voor zich uit, tot ik een russischen generaal aantrof,
dien ik in het Fransch toeriep, dat hij mij van deze schandelijke
mishandeling bevrijden zoude. De hond lachte mij in mijn gezicht uit en
was van oordeel, dat de knoet der kozakken naar stand of rang van een
soldaat niet behoefde te vragen; ik moest mij maar geduldig in mijn lot
schikken.”
Rasinski knarste van woede op de tanden. „Die beulshonden!” riep hij
grimmig uit; „doch ja, zij, die zelven met zweepslagen en voetschoppen
moeten geregeerd worden, kunnen ook de eer van een dapper vijand niet
ontzien. Verder, verder!”
„Men zou mij wel gaarne uit den weg geruimd hebben, naar Tobolsk of
Irkutsk, maar gelukkig of ongelukkig had men te weinig gevangenen
gemaakt, om een transport aan te vullen, en ik werd dus door de
kozakken meê rondgesleept. Voor tien minuten heeft een dozijn dier
kerels hier eene, door ons in den steek gelaten batterij in de lucht
doen springen; zij moeten echter door u of anderen zijn gestoord
geworden, althans de helden kwamen, wat hunne kleine katten door de
sneeuw loopen konden, bij de pulk, dat daar in het bosch gelegerd is,
terug, en meldden, dat de vijand in vollen aantocht was. De kozak is
echter slechts dapper tegen een vluchtenden, vermoeiden, weerloozen
vijand. Laat men hem de tanden zien, dan zet hij het op een loopen. Dat
deden ook de schurken daarboven, en zoo maakte ik van het oogenblik
van verwarring gebruik, om een heenkomen te zoeken. Daar viel ik in
uwe handen! Nu, uw gevangene blijf ik, Rasinski; gij behoeft niet te
vreezen, dat ik u ontsnappen zal.”
„Maar gij spreekt daar van een gevecht, dat de onderkoning heeft moeten
leveren. Hoe is het daarmede toegegaan?” vroeg Rasinski bekommerd.
„Ik reed,” vervolgde Regnard meer ernstig, „aan de zijde van den prins;
wij gaven ons aan onze sombere gedachten over, die door de akelige
wildernis om ons heen gedurig nieuw voedsel bekwamen. Ongeveer twee
uren van Krasnoe kwam er eensklaps eene ongewone beweging onder de
verstrooide, maar talrijke soldaten, die buiten rij en gelid, aan hunne
eigene willekeur overgelaten, om ons heen marcheerden. Zij pakten zich
opeen, vormden een klomp. Thans werden wij opmerkzaam. Daar zijn de
hoogten voor ons plotseling met zwarte massa's gekroond en met schrik
zien wij overmachtige strijdkrachten tusschen ons en het vaderland
oprijzen, die ons den uitweg uit de sneeuwwoestijnen van Rusland met
ijzeren deuren dreigen te versperren. Doch wat elk soldatenhart nog
heviger ontroeren moest, deze onbeklimbare muur stapelt zich tusschen
ons en onzen grooten keizer, voor den vice-koning tusschen vader en
zoon op. Thans eerst ontwaren wij, dat de sneller tred onzer paarden
ons korps wel omstreeks een uur achter ons heeft doen blijven, dat de
weg slechts van uitgeteerde, krachtelooze, ongewapende vluchtelingen
wemelt. Op hetzelfde oogenblik komt een russisch officier aanrennen en
eischt, dat wij ons overgeven. Twintig duizend Russen sluiten u den weg,
roept hij, vijftig kanonnen staan gereed u te verpletteren; de keizer
met zijne garde is volkomen geslagen en wellicht op dit oogenblik reeds
in onze handen.—Ik bespeur, dat gramschap en woede den onderkoning in
zijne spraak belemmeren en hem beletten, dadelijk te antwoorden. Driftig
neem ik voor hem het woord op: „Weg met u! Hebt gij twintig duizend man,
wij hebben er tachtig duizend. Een fransch veldheer geeft zich niet
vóór den slag over.” De Rus rijdt terug. Binnen twee minuten zijn de
heuvels voor en ter zijde met batterijen beplant. Het bliksemt en eene
dichte rookwolk stijgt boven de witte sneeuw op, alsof de muilen van
den ijzigen Hekla om ons gaapten; een hagel van kartetsen en granaten
klettert op ons neder. De ongewapende vluchtelingen pakten zich opeen,
als eene schuwe kudde, die door den wolf bedreigd wordt. De onderkoning
is buiten zich zelf over de verwijdering van zijn korps; hij beseft, dat
hij zich aan de spits moet stellen, en toch kan hij niet besluiten, de
hulpelooze schaar aan haar lot over te laten.
„De chef van zijn staf, generaal Guilleminot, drong er echter op
aan dat hij zou terugkeeren, terwijl wij de onthutste manschappen
bijeenverzamelden en tot tegenstand aanmoedigden. Onder de verstrooiden
waren eene menigte officieren, oversten, ja zelfs generaals, die allen
te voet gingen. Dezen nemen het commando over de in een oogenblik tijds
gevormde compagnieën op zich. De generaal wordt kapitein, de overste
luitenant, deze laatste treedt als soldaat in het gelid. Ieder behelpt
zich met het wapen, dat hij bewaard heeft; slechts weinigen hebben
geweren, de meesten alleen de sabel, die zij op het bivak tot houtkloven
gebruikten, velen enkel den knuppel, waarop zij nog voor eenige minuten
hun afgemarteld lichaam moesten voortsleepen. Maar de moed en het
ontvlamde gevoel van eer vergoedden alles. Zoo rukten wij, terwijl de
onderkoning terugsnelt, onverschrokken tegen den vijand op.
„Een uur lang staan wij het vuur zijner kartetsen kloekmoedig door; te
vergeefs wachten wij op den onderkoning, die zich tot ons doorslaan en
tot Krasnoe baan breken zoude. Hij moest eveneens door een machtigen
vijand zijn aangegrepen, want wij hoorden achter en in de verte vóór
ons het gedonder der kanonnen. Van Smolensko tot Krasnoe scheen de weg
één slagveld te zijn. Eindelijk, daar wij voor ons uit geen redding
meer zien, besluiten wij, om te keeren en tot den onderkoning door te
breken, van wien dichte colonnes ons reeds begonnen af te snijden.
Wij rotten in massa samen en dringen terug, weder dieper de wildernis
van oud-Rusland in. De tot dicht aan den grooten weg opgerukte vijand
schijnt aanvankelijk onze bedoeling niet te begrijpen; hij deinst en
laat ons een eindweegs voortrukken; daar wij zijne linie voorbijsnellen,
eischt hij, dat wij ons aan hem overgeven. Wij hooren niet; zij, die ons
naderen, ontvangen slechts geweerschoten en sabelhouwen ten antwoord. Nu
breekt zijne woede in dolle onstuimigheid los. Op hetzelfde oogenblik
geven tienduizend geweren en dertig mortieren vuur op ons, en de helft
onzer dapperen ligt verpletterd op de bloedige sneeuw neergestrekt. De
overigen echter rukken onophoudelijk, gesloten voorwaarts; geen blik
wenkt den gevallenen kameraden vaarwel toe. De vuurmonden des vijands
spelen rusteloos achter ons voort; zijne kogels maaien gansche gelederen
weg. Echter is een kleine schaar eindelijk gelukkig genoeg de vrienden
te bereiken, die hen met open armen ontvangen. Ook ik meende het gevaar
reeds ontworsteld te zijn, toen de duivel ons een pak kozakken op het
lijf zendt, die thans eerst wagen nader te komen, om de verstrooide
achterblijvers gevangen te nemen. Zoo geraakte ook ik in hunne
klauwen—het overige weet gij.”
„Wij verheugen ons, het van u zelf gehoord te hebben,” sprak Rasinski en
reikte hem de hand. „Maar de onderkoning? Weet gij iets van zijn lot?”
„Zeker, zeker, Rasinski; ware hij verongelukt, ik zou niet van mij
zelf het eerst gesproken hebben. Hij vocht den ganschen dag als een
leeuw—nu, gij zult er wellicht de sporen van zien. Eindelijk nam hem de
duisternis in hare bescherming. Hetzij dat de Russen hem heden ontzien
wilden, want, bij God! wij verkochten ons leven duur genoeg, hetzij
dat zij hunne overwinning volkomen zeker achtten, althans zij deden
geen beslissenden aanval, om de zaak ten einde te brengen, maar zorgden
slechts, alle stellingen en uitgangen bezet te houden. Maar tegen den
morgen was het nest toch ledig en de zon ging juist tijdig genoeg
op, om den Russen te toonen, hoe de dappere schaar, reeds buiten de
mogelijkheid van achterhaald te worden, op Krasnoe aantrok. Ik zelf zag
hunne bajonetten in de morgenzon flikkeren en—spot er mede, zooveel gij
wilt—maar waarachtig, ik deed een dankgebed, zooals ik er sinds mijne
kinderjaren geen gedaan heb.”
„Doch hoe was die marsch mogelijk?” vroegen Rasinski en Jaromir als uit
één mond.
„Ditmaal zijn wij aan u, brave Polen, onze redding verschuldigd,”
antwoordde Regnard met aandoening; „en als Frankrijk een goed geheugen
heeft, dan zal het zich zoolang er Franschen en Polen bestaan, met
dankbaarheid herinneren, dat het aan u het behoud van een gansch
armeekorps te danken heeft en bovendien het leven van den dappersten en
menschelijksten veldheer, die immer fransche soldaten heeft aangevoerd.”
Rasinski was tot het uiterste gespannen.
„Zoo luistert! En het is de waarheid, want een stervende landsman, die
helaas slechts den halven weg ter redding kon afleggen, heeft het mij
verhaald. Het was nacht geworden. De onderkoning achtte zich verloren.
Echter wilde hij nog eene wanhopige poging wagen, om aan den vijand te
ontsnappen. Daar deze, door des prinsen bewegingen daartoe genoopt,
zijn grootste macht op de linkerzijde van den weg had bijeengetrokken,
besloot de veldheer hem op zijn linkervleugel, rechts van den weg
namelijk, voorbij te sluipen. Met de grootste behoedzaamheid breekt hij
midden in den nacht op, doch laat zijne vuren branden. Met ingehouden
adem en bedachtzamen tred trekt hij midden over de sneeuwvelden langs
de lange russische linie voort. Daar komt de maan, alsof alle krachten
der natuur ons in dit land vijandig gezind waren, geheel onverhoeds van
achter dichte, zwarte wolken te voorschijn en werpt een helder licht
op de breede vlakte. De onzen zien de Russen zoo duidelijk voor zich,
dat ook deze hen zoo klaar als op helder lichten dag bemerken moeten.
Den dappersten zelfs ontzinkt hier den moed. Een russische schildwacht
bespeurt onraad en roept aan. En thans was Frankrijks edelste veldheer,
thans waren de dapperste soldaten onherroepelijk verloren geweest,
wanneer niet een Pool hen gered had. Overste Kliski....”
„Ha, wakkere landsman!” viel Rasinski, die den samenhang reeds
vermoedde, den verhaler met fonkelende oogen in de rede.
„Overste Kliski springt, zonder zich een oogenblik te bezinnen, uit de
gelederen te voorschijn en roept den rus met eene gesmoorde stem toe:
„Waanzinnige! Zult gij zwijgen! Ziet gij dan niet, dat wij van Ouwarows
korps zijn en den vijand in den rug willen vallen?”
„De soldaat, in zijne volkstaal aangesproken, staat aan den grond
genageld. Verscheidenen zijner kameraden, ook eenige officieren, die
deze woorden mede hadden aangehoord, treden nader en wenschen een
goeden avond. Kliski houdt stil, spreekt hen vriendschappelijk toe,
verzoekt hun de kozakken tegen te houden, wijl hij vreest, dat deze
voorbarigheid nadeelig zou kunnen worden, en wacht zoo, midden onder
zijne vijanden, tot hij ziet, dat de onzen op den goeden weg zijn.
Thans rent hij zijne makkers na, en binnen het uur zijn allen in
veiligheid.”
In Rasinski's oogen parelden mannelijke vreugdetranen, toen hem de
daad van zijn landsman verhaald werd. „Brave Kliski,” herhaalde hij
nogmaals, „Polen moge altijd trotsch op u zijn. Uw naam zal onder ons
in gezegend aandenken blijven!”
„Ja, Frankrijk is u oneindig veel verschuldigd, u Polen,” vervolgde
Regnard; „~en het ware diep verachtelijk, indien het zulks niet eeuwig
erkennen en u vergelden wilde, wanneer zich de gelegenheid daartoe
aanbiedt~.”
„Van wien hebt gij uw bericht?” vroeg Rasinski.
„Van kapitein Lebrun van het veertigste regiment; een brave jongen,
wien ik een beter lot had toegewenscht.”
„Ik ken hem,” sprak Jaromir niet zonder aandoening, „in Moskou hadden
wij hetzelfde kwartier en deden den eersten avond nog te zamen eene
wandeling.—En hij is gevallen?”
„Des morgens reeds had hij eene wonde bekomen,” hernam Regnard met
merkbare ontroering; „maar hij spande nog alle krachten in, om het op
den reddingsmarsch uit te houden. Het leger was reeds in zekerheid,
toen zijne krachten hem begaven; hij bleef achter en werd door de
rondzwervende kozakken gevangen genomen. Het toeval deed ons elkander
ontmoeten; hij verhaalde mij, wat er gebeurd was. De beestachtige
behandeling, die hij ondergaan moest—want te eten gegeven heeft men
ons ook niet—het bloedverlies—kortom, het werd hem te zwaar. Nu
ligt hij gerust op de koude sneeuw, en duizenden met hem. Eén meer of
minder—wien raakt dat! Maar—het was toch een brave jongen!”
Hoezeer Regnard ook moeite deed, den drogen, korten toon zijner gewone
wijze van spreken te behouden, zoo konden toch zij, die hem meer van
nabij kenden, uit het beven zijner stem de ontroering opmaken, door
welke hij tot diep in zijn binnenste geschokt werd. De laatste dagen
trouwens waren dan ook bij uitnemendheid geschikt, om den ruwsten man
het hart week te maken, den ongevoeligsten soldaat het vocht in de
oogen te drijven.
Inmiddels had men het bivak weder bereikt; Jaromir was in somber
gepeins verdiept, want de herinnering aan Lebrun riep hem alle
voorvallen van den dag, die zoo noodlottig voor hem werd, met
vernieuwde levendigheid voor den geest terug. Zelfs de afgrijselijke
tooneelen van jammer en ellende, door welke hij zich dagelijks omringd
zag, hadden slechts bleeke verven tegen die beelden der gloeiende
herinnering. Zoo is elk lijden en elk geluk van den mensch in het
diepste zijner ziel gegrond, en geen uiterlijk voorval prent zich zoo
diep in zijne borst, als de smart en vreugde, waarvan hij zelf de
oorzaak is.—Van Alisette's lot was hem intusschen nog niets bekend,
daar Boleslaw, die vermoeden kon, hoe hevig het bericht daarvan hem
schokken moest, het gebeurde zorgvuldig had verzwegen.
Rasinski en Regnard begaven zich naar den maarschalk Ney, die met de
uiterste belangstelling de berichten aanhoorde, welke de laatste hem
aangaande de gebeurtenissen van den vorigen dag kon mededeelen. Hij
deed nauwkeurig onderzoek naar de sterkte en het vermoedelijk opzet van
den vijand; de antwoorden konden niet geruststellend uitvallen.
„Ik zie een heeten dag tegemoet, maar hij zal een dag der eere zijn,”
sprak hij op een bedaarden, vasten toon; „doch laat ons den soldaat
heden nog rust gunnen; morgen zal hij tijdig genoeg gewaar worden,
dat wij niet slechts alle verschrikkingen der natuur, maar ook een
overmachtigen vijand te bestrijden hebben. Ik hoop, dat wij over beide
zullen zegepralen. Twee uren na middernacht breken wij op.”
De beide oversten verwijderden zich; aan het wachtvuur vonden zij
Boleslaw en Jaromir, de eenige officieren, die van het regiment nog
in leven waren. Regnard vroeg naar Lodewijk en Bernard. Een sombere
blik van Rasinski liet hem niet aan hun lot twijfelen. „Dus ook dood!”
zuchtte hij en schudde het hoofd. „Deze met ijs ompantserde grond is
bloeddorstiger dan een vampyr!”
Den overste berichtende, wat van het lot der beide verlorenen was
bekend geworden, trachtte Jaromir hun behoud nog als niet geheel
onmogelijk te doen voorkomen; doch Rasinski, vroeger nog altijd vol
moed en vertrouwen, waar anderen ze reeds lang verloren hadden, schudde
ongeloovig het hoofd. „Hier hoop ik niets meer,” sprak hij; „daarom
vrees ik ook dáár,”—hij wees met de hand de richting aan, welke het
leger nemen moest,—„wat mij zelf betreft, het ergste niet. Zoo komt
alles weder te recht.”
„Mij ligt nog eene andere zorg op het hart,” dus nam Regnard na eenig
zwijgen het woord op. „Mijn jonge vriend dáár zal mij vergeven, zoo ik
hierdoor wellicht oude, verdrietelijke herinneringen bij hem opwek;
maar de ijzeren tijd dien wij thans beleven, heeft immers de lichte
sporen van vorige, achteloos doorleefde dagen genoegzaam uitgewischt,
om alles, wat vandaar komt, in de zee der vergetelheid te doen
verzinken. Weet niemand uwer, wat van Alisette geworden is?”
Jaromir staarde somber voor zich uit en wikkelde zich dieper in zijn
mantel. Boleslaw scheen in tweestrijd, wat te antwoorden.
„Ik had mij,” vervolgde Regnard, die in dit opzicht met de, den meeste
mannen eigene lichtzinnigheid over het onzedelijke zijner betrekking
tot het meisje dacht en dus niet schroomde, rondborstig voor alles uit
te komen, „ik had mij sinds dat voorval te Moskou van haar gescheiden.
Dat zij lichtzinnig was, wist ik vroeger reeds, doch op zulk eene
wijze kon ik niet vermoeden. Het ontbinden van onze betrekking zal
waarschijnlijk ook haar zelve niet onaangenaam geweest zijn. Thans
echter stel ik toch belang in haar lot en nog meer in dat van ons kind.
Immers, waarom zou ik ontkennen, dat ik de vader ben? Ik zal het nimmer
loochenen. Nu reeds zou ik Alisette van de zorg voor dat kind ontheven
hebben—want het arme wicht moet eene andere opvoeding ontvangen, dan
de moeder het geven kan—wanneer het niet, zoolang de veldtocht duurt,
bij haar het veiligst geweest was. Een vrouwelijke verzorgster had het
toch noodig, en zoo was de moeder immers de naaste. Ik voorzag haar dus
in Moskou van wagen en paarden en gaf haar overvloedig reisgeld. Thans
echter wordt dit alles geheel ontoereikend; sedert de eerste dagen van
onzen afmarsch heb ik niet het geringste van haar vernomen; hoe licht
kan haar eenig ongeluk zijn overkomen. In mijne gevangenschap daar
ginder had ik zoo mijne eigene gedachten, die men, helaas! vóór het mes
op de keel staat, vooraf hier in dit krijgsgewoel, maar al te licht
van zich afzet. Thans zal het mijne eerste zorg zijn, naar haar en het
kind onderzoek te doen; want ik ben daarvoor verantwoordelijk, daar
het op mijn aanhouden was, dat zij mij naar Rusland volgde; gij, mijne
vrienden, zult mij voorzeker daarin behulpzaam zijn.”
Boleslaw zweeg in pijnlijke verlegenheid, want hij gevoelde diep, hoe
hevig het vernemen der waarheid Jaromir ontroeren moest; doch het kind
leefde, was zelfs in de nabijheid, en dit mocht voor den vader, die de
zorg voor het schepseltje op zich wilde nemen, geen oogenblik verzwegen
worden. Het was hem derhalve hoogst welkom, dat Jaromir, dien het
gehoorde en de daardoor opgewekte herinneringen de tranen in de oogen
joegen, opstond en met haastige schreden de plaats verliet.
„Hm! dat doet mij leed,” sprak Regnard, die de oorzaak giste; „ik kan
evenwel niet begrijpen, hoe een man zoo weekhartig kan zijn.”
„Laten wij ons verheugen, overste,” hiermeê nam Boleslaw het woord op,
„dat wij alleen zijn. Ik kan u helaas! met het lot der ongelukkige
bekend maken.”
Hij verhaalde hierop het voorval, waarvan hij dezen morgen getuige
geweest was, en dat hem thans eerst, nu hij vernomen had, dat Alisette
werkelijk de moeder van het schuldelooze wezen was, met het diepste
afgrijzen van deze aan waanzin grenzende ontaarding vervulde. Slechts
de bedwelming, waarin de vreeselijkste ellende een gemoed moest doen
wegzinken, dat nooit gewoon was, zich tot iets hoogers dan het aardsche
te verheffen, gaf hem eenige verklaring en verontschuldiging van deze
wandaad.
„Het monster!” riep Regnard met gloeiende verontwaardiging. „Maar waar
is het kind; is het gered? Zeg mij alles!”
„Wij zullen het weinige schreden van hier in een gerusten slaap
vinden,” antwoordde Boleslaw; „ik wil u derwaarts brengen.”
Hij geleidde hem naar het bivak, waar de gewonde jager, die de zorg
voor het kind met de zieke weduwe eens tamboers deelde, gelegerd was.
De oude soldaat stond eerbiedig op, toen hij de overste zag naderen.
„Kameraad,” stamelde deze in de hevigste gemoedsbeweging, „meer dan
mijn leven ben ik u schuldig, want gij hebt mijn kind gered.”
„Zooveel had de moeder er niet voor gegeven!” antwoordde de jager.
„Maar nu is het kostelijk verzorgd, heer overste! Zie hier slechts, het
ligt daar en slaapt als eene kleine prinses.”
Zorgvuldig in hooi en mos gepakt, lag het in eene soort van mand,
die met een lichten doek overdekt was; de weduwe van den bij Wiasma
gesneuvelden tamboer zat er naast. Met diepe ontroering staarde Regnard
de kleine aan en kuste haar behoedzaam op het heldere voorhoofd. Hierop
wendde hij zich tot de vrouw en den jager. „Vrienden, voert God ons
naar Frankrijk terug, dan kunt gij op mijne warmste dankbaarheid staat
maken; ik zal vergelden, wat in mijn vermogen is. Thans ben ik arm en
bloot als gij, want de Russen hebben mij uitgeplunderd. Maar houdt u
aan mij; gezamenlijk zullen wij de zorg voor den kleinen engel op ons
nemen. Voor het oogenblik kan ik u echter niets anders aanbieden, dan
dezen dankbaren handslag.”
„Waarachtig, dat is ook het beste, heer overste,” riep de jager en
sloeg duchtig toe. „Zulk eene hand, waarop men zich verlaten kan, is
thans meer waard dan bergen gouds. Niet waar, gij trekt mij toch uit
de sneeuw, als ik ergens blijf steken? In de laatste dagen heb ik
menigeen gekend, die nog leven zou, zoo zijn kameraad niet te moe en te
vertwijfeld geweest ware, om drie minuten bij hem achter te blijven en
hem uit een sneeuwkuil te trekken, waarin men zich als kind honderdmaal
op een dag zou hebben laten neertuimelen, om er even spoedig weer
uit te springen. Op zulk eene hand, heer overste, daar rekenen wij
op.—Maar goud? dat is hier niet bijster in trek. Toen wij voor vier
dagen Smolensko binnentrokken, zat een kanonnier voor de poort met een
klomp klinkklaar zilver, zoo groot als een kinderhoofd, en denkt gij,
dat iemand er hem een brood en een flesch brandewijn voor geven wilde?
Hij was blij genoeg, toen een Italiaan er hem een brokje brood zoo
groot als mijne hand, en een kleinen slok uit zijne veldflesch voor
aanbood, dingen met elkaar nog geen _sou_ waard. Ja, zoo veranderen de
tijden, mijn kolonel; maar een fransch soldatenhart verandert nooit.
Zoo denk ik er over, heer overste! Top ik sla toe! Hand tegen hand!
Met mijne wonden, hoop ik, zal het dra beter gaan, en dan kunnen wij
elkander wellicht nog uit den nood helpen.”
De oude zou misschien nog een uur hebben voortgesnapt, ware Regnard
hem niet in de rede gevallen met de vraag, hoe hij heette en bij welk
regiment hij stond; iets dat zich onmogelijk liet gissen, daar de
uniformteekens bijna geheel onkenbaar waren geworden en menig vreemd
kleedingstuk de soldatendracht avontuurlijk genoeg veranderd had.
„En gij blijft met de goede vrouw daar op één wagen?” vroeg Regnard
verder.
„Ja zeker; zoo lang onze paarden loopen willen. Is echter het voeder
nergens beter dan hier, zoo zal dat niet lang meer wezen.”
„En gij heet?”
„Jacques Desiré Pallier, heer overste! en zij is de weduwe René.”
„Goed, Pallier! Goed, madame René! Wij vinden elkander weder.—Voor
heden goeden nacht, en zorgt toch, dat onze kleine warm blijft.”
Zij keerden naar het bivak terug, waar hunne vermoeidheid hen spoedig
den slaap deed vinden.