HOOFDSTUK I.

De dag was nog niet aangebroken, toen Rasinski aan de spits zijner

weinige getrouwen en te midden der kleine, door het aftrekkende korps

van Ney gevormde legerafdeeling de ringmuren van Smolensko verliet.

De hemel was somber betrokken, geen star drong door den donkeren

wolkensluier; slechts de matte schemering van het sneeuwdek, dat zich

over de velden uitbreidde, wierp eenig licht in het diepe duister.

In het rond alles stom en zwijgend; alleen het ratelen der weinige

kanonnen, die nog te vervoeren waren, en het kletteren der wapenen

deden zich door de akelige stilte hooren; de soldaat zelf gaf taal noch

teeken van zich, maar waadde stom en in sombere mijmeringen verdiept

door de sneeuwwoestijn voort.

Na verloop van een uur had de schaar dezer krijgers, de laatste troepen,

die uit het onherbergzame Rusland terugtrokken, een dicht mastbosch

bereikt. Plotseling deed zich een dof gekraak uit de verte hooren en

tegelijk flikkerde een lichtschijnsel op de toppen der steile dennen.

Alles luisterde, want in het eerste oogenblik waande men het gedonder

van vijandelijke kanonnen te vernemen.

„Het is niets,” sprak Rasinski tot Jaromir, die naast hem reed; „men

laat de torens en muren der vesting in de lucht springen. Het is het

oude krijgsrecht, ook den vijand niet te gunnen, wat men zelf niet

behouden kan.”

Het akelig dof gedreun hield een tijdlang aan. Thans begon ook de

dag aan te breken en de lange trein van krijgers en voertuigen werd

langzamerhand zichtbaar. „Houd gij een oog op de manschappen, Jaromir,”

sprak Rasinski; „ik ga zien, hoe het met onze arme gekwetsten gesteld

is.” Met deze woorden reed hij, de gelederen door, op de wagens toe,

waarop men de gewonden, die nog hoop op leven en herstel gaven,

medevoerde; de overigen had men aan de menschelijkheid van den vijand

moeten overlaten.

Boleslaw, die door een niet gevaarlijk schot in de zijde getroffen was,

bevond zich, benevens eenige andere kameraden van het regiment, op een

wagen, dien Rasinski's onvermoeide voorzorg hem had weten te verschaffen.

„Nu, hoe gaat het, vrienden?” sprak deze de zijnen aan en drukte

Boleslaw de hand.

„Zoo goed het kan,” antwoordde de jongeling, zich met een bleek gelaat

en het hoofd tegen de snerpende koude met een zwarten doek omwonden,

van zijne plaats oprichtende.—„Hebt gij nog niets van hen vernomen?”

„Alle moeite was vruchteloos,” luidde het somber antwoord; „het

onverzadelijke oorlogsmonster, dat reeds zooveel goeden en dapperen

verslonden heeft, verlangde ook dezen buit. Waren zij van de onzen

geweest, ik zou niet klagen! Zij zijn voor de schoone zaak van het

vaderland gevallen, zou ik mij troosten; de krijg was hunne roeping,

zij moesten goed en bloed daarbij op het spel zetten, even goed als wij

overigen zulks doen. De een valt het donkere lot des doods, den andere

het lichte des levens ten deel—wij zijn op beide voorbereid, weten

wat ons te wachten staat en mogen niet klagen. Maar onze vrienden!

Niet hun hart voerde hen derwaarts. De oorlog, die boven elk ander

hoofd een vernielend zwaard zwaait, zou boven het hunne een schild

tegen vijandelijke pijlen houden. Ik was het, die hun de gevaarlijke

schuilplaats heb aangeboden; doch deze alles verzwelgende draaikolk

van ellende en verschrikking heeft nu ook hen naar den afgrond

gesleept.—Wij moeten het dragen, Boleslaw; daartoe zijn wij mannen. Al

breekt ons het hart, ons stervend oog mag geen versagend hart verraden!”

„Wie weet,” hernam Boleslaw zwaarmoedig, „hoe spoedig wij weder met hen

vereenigd zijn.”

„Ik hoop niets meer!” antwoordde Rasinski, die zijne bedoeling niet

vatte.

„De dood scheidt vrienden hier niet langen tijd vaneen, wil ik zeggen,”

sprak de jongeling en schudde langzaam het hoofd, terwijl hij uit de

groote, zwarte oogen een blik, eerst op de jammergestalten om hem

heen en vervolgens op den verren gezichteinder wierp, als wilde hij

de bezwijkende krachten dezer lijdenden met de onmetelijke afstanden

vergelijken, welke zij, eer men de vaderlandsche haardsteden bereikte,

nog hadden af te leggen.

„Bedoelt gij het zoo? Ja, dan hebt gij gelijk;—maar zijt gij zoodanig

door uwe wonden verzwakt, dat zij u reeds aan den dood doen denken?”

„Neen dat niet; ik voel mij beter. Misschien kan ik binnen eenige dagen

wel weder te paard zitten. Nu reeds zou ik in staat zijn, een eindweegs

te rijden of te wandelen.”

„Nu, houdt u verder goed!” riep Rasinski, bevreesd dat zijn gevoel

hem overmeesteren zoude, en wendde driftig den teugel. „Kinderen, ik

zal verder het oog op u houden,” sprak hij, terwijl hij zich tot de

overigen wendde, gaf zijn paard de sporen en keerde naar Jaromir terug.

Boleslaw, die bij zijn ernstig, weinig mededeelzaam karakter alles

dieper gevoelde, dan hij het uiterlijk placht te kennen te geven, was

ook door het verlies van Bernard en Lodewijk ten diepste getroffen

geworden. En het was bijna onmogelijk, iets anders dan hun dood

te vermoeden; want daar zij moesten vernomen hebben, dat Rasinski

eensklaps bevel had ontvangen, om met zijn regiment naar het korps van

Ney terug te trekken, hadden zij hem voorzeker òf zoeken in te halen,

òf hem ten minste in Smolensko opgewacht. Velen waren nog in die stad

aanwezig, die hen op het spoor hadden kunnen brengen, onder anderen de

overste Regnard, die met den onderkoning van Italië de vesting eerst

verliet, toen Rasinski ze met de zijnen reeds weder was ingerukt. Doch

tot niemand hadden zij zich gewend, niemand had het geringste spoor

van hen kunnen ontdekken. Waren zij daarentegen voorwaarts getrokken,

hadden zij eene gelegenheid gevonden, om langs veiliger wegen hun

vaderland te bereiken, dan voorzeker zouden zij gezorgd hebben, dat

Regnard en door hem Rasinski daarvan naricht bekomen had. Met zekerheid

echter wist niemand iets van hun lot op te geven, en zij werden dus

onder het gestadig toenemende getal van dezulken gerangschikt, die

dagelijks, zonder eenig spoor na te laten, uit de gelederen hunner

kameraden verdwenen.

Rasinski droeg dit verlies met die mannelijke kracht, waardoor hij

steeds gewoon was, zich boven de gevoeligste slagen van het lot te

verheffen; Jaromir benijdde in zijne innerlijke verbrijzeling hen, die

van den last des levens bevrijd waren; Boleslaw gevoelde de diepste

smart van broederlijke vriendschap, maar was aan het knagen van

verborgen wonden reeds gewoon geworden; zijn kalm gelaat verried weinig.

Zoo gaf hij zich dan ook thans aan stille mijmeringen over en liet

zijne blikken over den trein zweven, die zich voor hem in den grauwen

morgennevel verloor; de wagens der gekwetsten vormden de achterhoede.

Een bijna onmerkbaar opstijgende bergrug doorsneed den weg, maar was

op zijne helling met sneeuwijs bedekt, zoodat de vermoeide paarden,

niettegenstaande de vloeken en zweepslagen der voerlieden, de

onbeduidende hoogte niet konden beklimmen. Zoo moesten de wagens en

kanonnen halt houden, en terwijl ruiters en voetvolk voorbijtrokken,

bleven zij terug. Intusschen waren de meeste voertuigen toch gelukkig

genoeg, dezen hinderpaal te boven te komen en, daar het ijs brak,

kostte dit ook minder moeite aan de later nakomenden. Reeds waren de

laatste wagens, waartoe Boleslaw mede behoorde, aan de beurt gekomen,

toen een van deze, die met vrouwen en pakgoederen beladen was, trots

alle inspanning van paarden en geleider in zijn voortgang gestuit werd.

De wachtenden vloekten en tierden en drongen er op aan, dat men dit

voertuig, dat alle andere ophield, zoude achterlaten. Men zoude het

van ter zijde zijn voorbijgereden, doch reeds had men de minst steile

punten van den weg uitgezocht, en uit dien hoofde zoude elke poging, om

de hoogte op eene andere plaats te bestijgen, oneindig bezwaarlijker

geweest zijn. Zoo martelden de twee ellendige paarden zich dan te

vergeefs af, om de gladde helling te beklimmen; menschenhanden konden

hier ook niet van dienst zijn, want op de wagens bevonden zich slechts

krachtelooze zieken en gekwetsten en zelfs de voerlieden behoorden

onder dit getal. Eindelijk, ter halver hoogte van den heuvel, zonken de

gekwelde rossen uitgeput neder, en daar zij den wagen niet meer konden

houden, rolde deze terug en sleepte de paarden mede naar beneden. Een

luide angstkreet werd aangeheven, zoowel door hen, die zich op de

wagen zelve bevonden, als door de personen, die volgden en door het

omlaag rollend voertuig vreesden verpletterd te worden. Echter werden

slechts de eersten in gevaar gebracht; want hun span gleed zijdelings

af, geraakte met het eene wiel in eene diepe groeve, stiet met het

andere op een ijsblok en sloeg krakend om.

Reeds hadden eigen nood en zucht naar zelfbehoud het menschelijk

gevoel zoo verstompt, dat de overigen meer vreugde over het uit den

weg ruimen van dien hinderpaal voor hun verder voortkomen gevoelden,

dan zij medelijden met het lot hunner kameraden en der hulpelooze

vrouwen, die op den verbrijzelden wagen gezeten hadden, aan den dag

legden. Deze echter hadden zich spoedig van den eersten schrik hersteld

en ijlden, hun eigen voertuig onbruikbaar ziende, op de naaste wagens

toe, ten einde daarop eene plaats te vinden. Doch zij werden met geweld

teruggewezen, daar er werkelijk geen mogelijkheid bestond om hen op te

nemen.

Toen Boleslaw gewonde krijgers met verbittering afgewezen en

kermende vrouwen met zweepslagen verdreven zag, ging hem die jammer

met gloeiende priemen door het hart. „Vrienden,” riep hij, zich

oprichtende, „laat uwe kameraden niet in den steek! Oude, kom hier,

wij willen u opnemen,” dus wendde hij zich tot een grijzen, zwaar

gekwetsten grenadier; „een van ons allen kan van tijd tot tijd te voet

gaan.—Ik wil de eerste zijn, die het beproeft.” Met deze woorden

reikte hij den ouden krijgsman de hand en hielp hem, terwijl hij zelf

afklom, op den wagen.

Dit voorstel werkte; men besloot op elken wagen één gekwetste op te

nemen. Echter was het getal der hulpbehoevenden grooter dan dat der

wagens, en eene jonge, zorgvuldig in een pelsmantel gewikkelde vrouw,

met een ongeveer driejarig kind op den arm, werd overal teruggewezen,

terwijl haar beide gezellinnen reeds plaats gevonden hadden.

Zal de moeder om haar kindswil in deze wildernis versmachten? dacht

Boleslaw en een koude rilling liep hem over de leden. Doch nog grooter

afgrijzen beving hem, toen hij zag, hoe de rampzalige haar kind in

de sneeuw slingerde en, van dien last bevrijd, alléén op den wagen

vóór hem toesnelde. „Zoo neemt dan mij alleen op,” riep zij op een

doordringenden toon van angst; „dan redt gij ten minste nog één leven!”

Deze onnatuurlijke daad eener moeder vervulde echter zelfs de harten der

ruwste mannen met schrik en afgrijzen. Boleslaw sprong op het weenende

kind toe, dat reeds half in de sneeuw verzonken was, en hief het driftig

omhoog. Doch welk een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel verscheurde hem

de borst, toen hij in het kleine wezen Alisette's pleegdochter en in de

in radelooze vertwijfeling om redding smeekende deze zelve herkende.

„Almachtige God!” riep hij geheel verpletterd; „dat is Uwe straffende

vergelding!”

Door deze daad der ongelukkige was het gevoel des medelijdens in de

borst der krijgslieden geheel uitgedoofd. In plaats daarvan verstrekte

het hun tot een gruwzame voldoening, deze hemeltergende wandaad op

staanden voet te kunnen wreken.

„Breng ons het kind, het arme kind, dat zullen wij redden!” riep een

jager van den wagen, dien Alisette vruchteloos trachtte te beklimmen,

terwijl hij de rampzalige moeder met harde vuistslagen terug dreef.

Boleslaw gaf aan deze uitnoodiging gehoor, bijna zonder te weten,

wat hij deed. De jager strekte de armen naar hem uit, hij reikte het

kleine wezen over, en de ruwe baardige soldaat nam het op zijn schoot

en kuste en troetelde het vriendelijk. Alisette was inmiddels in

waanzinnigen angst op den volgenden wagen toegevlogen en zocht daar

door kermen en handenwringen het medelijden op te wekken. Maar een

diep afgrijzen had zich van alle harten meester gemaakt en een oude

grenadier duwde haar ook hier met een donderende stem de woorden toe:

„Weg, ravenaas! Loop te voet door de sneeuw!”

„O, heb medelijden met mijne jeugd!” jammerde de verstootene en wierp

zich op de knieën in de sneeuw neder.

Thans trad Boleslaw op haar toe, legde de hand op haar schouder en

sprak ernstig, maar vriendelijk: „Bedaar, Alisette, draag uw lot met

geduld en onderwerping. Gij zijt niet verloren; ik zal u leiden en

ondersteunen, zooveel ik kan.”

De ongelukkige, die nog immer op de knieën lag, had hem gedurende deze

woorden sprakeloos en met smeekende blikken aangestaard; eerst toen hij

uitgesproken had, scheen zij hem te herkennen.

„Hoe?” riep zij met verwrongen wezenstrekken. „O, gij kondt zoo

deemoedig om een lied smeeken in mijne goede dagen! En nu wilt gij mij

aan een nameloos lijden prijsgeven! Ik zou in deze wildernis omkomen!”

Driftig sprong zij op, stortte wederom op den wagen toe, waar het

kind zich sidderend aan de borst des jagers vastklemde, en eer men

haar voornemen nog zelfs vermoeden kon, had zij het onschuldige wezen

opnieuw aangegrepen, slingerde het andermaal op den grond en riep:

„Laat het hier, het weet nog niet hoe schoon het leven, hoe vreeselijk

de dood is; redt mij, mij moet gij redden, ik weet, hoe schoon de

wereld is, ik heb betere dagen gekend!” Met krampachtige inspanning

wilde zij zich nu aan den wagen vastklemmen en scheen zelfs de stooten

en slagen niet te achten, waardoor de ruwe vuist des jagers haar

trachtte terug te houden. „Weg, weg, giftige adder!” riep deze, in

woede ontbrand; „weg slang! wie u opneemt, laadt zich Gods toorn op

den hals. De wolven mogen u hier vaneenscheuren, gij, erger dan eene

wolvin.”

Tegelijk brak hij met alle inspanning van krachten en door zijne

buurman ondersteund de vastgeklemde handen met geweld open en wierp

haar van zich, zoodat zij bedwelmd op den harden grond nedertuimelde.

Boleslaw had intusschen het weenende, thans ook door den ruwen val

bloedende kind ten tweede male in de armen genomen en gaf het opnieuw

aan den ouden soldaat over. Toen hij Alisette als verpletterd, met

loshangende haren, ruggelings op den grond zag uitgestrekt, kwam hem

hare ellende toch nog grooter voor dan hare waanzinnige misdaad.

Hij naderde haar en richtte haar op. Toen zij van hare bedwelming

bijkwam en gewaar werd, dat het andermaal Boleslaw was, die haar met

mannelijken ernst moed insprak, wierp zij zich buiten zich zelve van

angst voor hem neder, omklemde zijn knieën en kermde: „Gij _moet_ mij

redden! Gij kunt mij niet aan mijn lot overlaten! Ik laat u niet los,

eer gij zweert, mij te redden!”

Zij hield zijne voeten zoo vast omstrikt, dat hij, door zijne

wonden verzwakt, niet bij machte was zich los te rukken. Vergeefs

riep hij haar toe, dat zij bedaard blijven en opstaan zou: in hare

verbijstering hoorde zij niets meer. Intusschen waren de wagens

langzamerhand vooruit geraakt; twee hadden de hoogte reeds bestegen,

die, waarop Boleslaw zijn plaats had, was alle zwarigheden ook reeds

te boven; vier slechts waren nog achter en hielden eenige oogenblikken

rust. Het werd hoog tijd, dat zij, die zich uit medelijden hadden

aangeboden, om beurtelings een eindweegs te voet te gaan, hun weg

voortzetten. Deels om zich bij den officier aan te sluiten, wiens

hoogere rang hun onwillekeurig vertrouwen inboezemde, deels ook om van

het schrikwekkende tooneel getuigen te zijn, waren vijf of zes dezer

krijgslieden Boleslaw genaderd. Daar deze thans door de wanhopige zoo

vast omklemd werd, dat hij niet in staat was zich los te scheuren,

grepen zij toe, trokken de ongelukkige met geweld van hem af en

slingerden haar in de sneeuw terug. „Voorwaarts, heer officier,” riep

een jong soldaat, „voorwaarts, anders halen wij de wagens niet meer in.

Het vrouwspersoon heeft immers gezonde voeten, zij kan beter voortkomen

dan wij; kom, kom!” Dit zeggende greep de jongeling hem bij den arm,

terwijl een dragonder hem van achteren voortduwde en zoo sleepte

men hem mede. Bij zijne verzwakte krachten had dit akelige tooneel

hem zoo hevig geschokt, dat hij zich nauwelijks kon staande houden.

Echter wendde hij zich nog eenmaal om en riep aan de radelooze, die in

vertwijfeling op de aarde rondkroop, de woorden toe: „Verlies den moed

niet, ongelukkige, en draag, wat het lot over u beschikt heeft.”

Doch zij was doof voor deze bemoedigende woorden, die van hare,

slechts voor zinnelijke aandoeningen vatbare ziel matigden, geduld

en beradenheid vorderden. Wel is waar met innerlijk afgrijzen, maar

toch in de waanzinnige verblinding, die de oogen met geweld voor de

mogelijkheid van een dreigend onheil toesluit, had zij de jammeren

van dezen oorlog van dag tot dag om zich heen zien aangroeien. Dat

ze eindelijk ook haar zouden bereiken, deze akelige gedachte had

zij altijd zoo verre van zich verwijderd gehouden, dat zij thans nu

dat oogenblik daar was, alle kracht miste, om wederstand te bieden.

Niets ware nog verloren geweest, wanneer zij in de wezenlijk harde

noodzakelijkheid, om zich aan drukkende bezwaren te onderwerpen, niet

reeds een onvermijdelijken ondergang gezien had. Zoo richtte zij zich

zelve te gronde; de vreeselijke Nemesis eener onzedelijke gezindheid,

die van het leven slechts genot verlangde en ook dat alleen met alle

krachten en alle middelen had nagejaagd, trof thans haar hoofd met

verpletterende zwaarte. Op dagen van lijden en tegenspoed was zij niet

voorbereid; hier ontzonken haar de krachten, zij had slechts tranen

en klaagtonen, die door het hart sneden. „Hulp, erbarmen, redding!”

kermde zij en wrong de handen, doch zij miste de kracht, om tot het

besluit te komen zelve iets tot die redding bij te dragen. Eerst toen

de laatste wagen zich nu ook in beweging zette, de paarden onder wild

geroep en klemmende zweepslagen de hoogte naderden en het denkbeeld,

dat zij nu geheel verlaten was, haar met helschen angst vervulde, toen

eerst richtte zij zich op en ijlde radeloos, met loshangende haren

de van daar trekkenden na. In hare razernij wilde zij zich aan den

laatsten wagen vastklemmen; maar de soldaten, die reeds vreesden, dat

hunne paarden bezwijken zouden, dreven haar met sabels en bajonetten

terug en brachten haar diepe, bloedige wonden toe. Door doodsangst

gedreven, omvatte zij thans een der, door de koude en op de gladde

ijsbaan vastgeraakte achterraderen en liet zich mede voortslepen; doch

daar deze last de reeds uitgeputte dieren nog meer vermoeide, kreeg

een kurassier zijn pistool te voorschijn en dreigde vuur te geven,

wanneer zij niet losliet. Door den onverhoedschen schrik verlamd,

zonken hare handen machteloos neder en kermende en krimpende bleef zij

op de plaats liggen. Zoo zag haar Boleslaw, toen hij den laatsten blik

terugwierp; hij was met zich in tweestrijd, of hij nog eenmaal zoude

omkeeren, doch zijne kameraden trokken hem met geweld voort en zijn

jonge geleider riep uit: „Laat haar, laat haar! De moeder die haar kind

wilde ombrengen, mag men niet aanraken, anders laadt men den vloek

des hemels op zich. Laat haar, het is de welverdiende straf, die haar

treft.”

Weldra vernam Boleslaw nog slechts eenige hartverscheurende

jammerkreten; doch ook deze werden allengs flauwer en flauwer en

stierven eindelijk geheel weg in het gebulder van den storm, die zich

met onstuimige woede over de vlakte verhief en de glinsterende sneeuw

in dichte dwarrelingen deed opstuiven.

1812: Historische roman · 第 115 / 154 题