HOOFDSTUK X.

De gravin Dolgorow had de betrekking van Bianca tot de gasten meer

vermoed, dan geweten. Door een toeval was Jeannette de verraderes

geweest; want deze was het, die dadelijk na het oogenblik, dat Bianca

haar braven broeder het eerst herkend had, de gezelschapskamer

naderde. Zij hoorde luid en heftig spreken en vernam de woorden:

Broeder, Zuster! Verwonderd stond zij stil en luisterde onwillekeurig,

ten minste zonder erg. Toen naderden Willhofen en eenige bedienden,

en de klank hunner voetstappen werd door Lodewijk vernomen, die de

zachtere schreden van het meisje niet had bemerkt. Hunne nadering

brak de eerste zoete vertrouwelijkheid van broeder en zuster af; doch

Jeannette bemerkte dadelijk bij het binnenkomen, dat er iets ongewoons

was voorgevallen. De kamerdienaar van den graaf, Jacques, was haar

minnaar; haar eerste werk was dus, dezen geslepen mensch haar vermoeden

mede te deelen, waarbij zij zekerlijk niet begreep, hoezeer zij het

geluk harer beminde meesteres in de waagschaal stelde. Doch Jacques

had een scherpen blik voor zulke intrigues. „Hoor, Jeannette,” zeide

hij, „wanneer de prinses zich over niets uitlaat, doe dan ook, als

vermoeddet of wist gij niets. Voor bedienden is niets gevaarlijker,

dan de geheimen hunner meesters tegen den wil van deze te weten.

Wanneer het ook in het begin voordeel schijnt, bekomt het ons later nog

altijd slecht. Somtijds wordt men op geheel vreemde wijze tot zwijgen

gebracht.” Het meisje was door deze waarschuwing zoo bevreesd gemaakt,

dat zij zich inderdaad niet het geringste tegen hare meesteres liet

ontvallen, maar, zoo eerlijk was zij, ook niet tegen iemand anders.

Jacques daarentegen legde zich op den loer en wist dit zoo behendig te

doen, dat hij, eer het een uur verder was, ten minste met zekerheid

wist, dat Bianca haar geheim voor de gravin verborg. Thans achtte

hij de omstandigheden geschikt, om ze tot zijn eigen voordeel aan te

wenden. Hij ging naar de gravin en ontdekte aan deze, eerst slechts

uit de verte, doch, daar de uitgestrooide vonk met een onverwachten

spoed tot eene heldere vlam opsloeg, toen in zijn geheelen omvang

alles wat hij wist. Zij beloofde hem eene rijke belooning, wanneer

hij tegen iedereen zweeg en slechts hare bevelen in deze zaak geheel

wilde opvolgen. Jacques, hebzuchtig, loos, ondernemend, beloofde alles,

zonder evenwel aan Jeannette, wier trouw aan hare meesteres hij kende,

een woord te zeggen.

Zoo reisde hij dan nog in dienzelfden nacht met brieven van de gravin

aan haren gemaal af, en was ook thans met hem teruggekeerd. Het

ontvangen bericht moest voor den graaf van een allerverontrustend

gewicht zijn; hij had zelfs zijn ijver tegen de vijanden zijns

vaderlands voor een oogenblik ter zijde gesteld, om zijne eigene

aangelegenheden te behartigen.

Hij vond de gravin, wier ongesteldheid hoofdzakelijk in te groote

lichamelijke vermoeienis bestaan had, nog gekleed; de beweging, in

welke haar geest zich sinds gisteren bevond, had haar hare volle

krachten teruggegeven.

„Welnu, wat zegt gij van mijne ontdekking?” vroeg zij hem, zoodra zij

zich met hem alleen bevond; „wat zijt gij voornemens te doen?”

„Vóór alle dingen,” hernam Dolgorow, „moet ik weten, in hoeverre gij

zeker van uwe zaak zijt, en in hoeverre Feodorowna van uw weten bewust

is?”

De gravin verhaalde, en vergat ook de maatregelen van voorzichtigheid

niet, die zij genomen had, om eene samenkomst tusschen broeder en

zuster te verhinderen. Dolgorow ging gedurende het geheele verhaal

met over elkander geslagen armen op en neder en schudde menigwerf zijn

hoofd, ten teeken van afkeuring.

„En wie van de beide vreemdelingen moet dan nu de broeder zijn?” vroeg

hij, toen de gravin ophield.

Met eene soort van schaamte bekende de gravin, dat zij dit niet wist.

Zij had onvoorwaardelijk aangenomen, dat het Lodewijk was, waartoe de

door haar met zooveel ergernis opgemerkte neiging van Bianca tot dezen

haar vrij natuurlijk verleid had. Thans eerst, nu de graaf haar de

vraag ook met betrekking tot Bernard voorlegde, zag zij in, dat zij

volstrekt geen bepaalden grond voor haar vermoeden bezat.

„Hadt gij slechts dien ongelukkigen maatregel met dat halve gevangen

houden niet genomen!” zeide Dolgorow met nauw onderdrukten toorn. „Ik

begrijp niet, wat u dit helpen kan. Het was niets, dan een overblijfsel

der gewoonten uwer moederlijke gestrengheid en willekeur, die evenwel

na Feodorowna's huwelijk in geen geval meer te pas komen. Hoe nam zij

het op?”

„Zij heeft er zich volstrekt niet over uitgelaten,” hernam de gravin

bedeesd.

„Dan hebben wij misschien nog hoop, dat zij het niet bemerkt heeft?”

viel de graaf haar haastig in de reden.

De gravin wist het tegendeel zeer goed, daar zij het daaruit kon

opmaken, dat hare kamer de doorgang voor Jeannette was geworden, doch

zij bevestigde Dolgorows vermoeden om zijne verdere, juist niet zeer

beleefde verwijtingen te ontgaan.

„Dat redt ons,” zeide hij geruster; „en heeft de prinses ook al iets

bemerkt, dan moet het geheel als eene vergissing worden voorgesteld,

welke men aan den kamerdienaar kan wijten.—Voorloopig willen wij dus

niets meer beginnen; morgen zal ik zelf zien en opmerken. Om 's hemels

wil geene gewelddadige maatregelen in deze zaak, tot wij ze geheel niet

meer kunnen vermijden of ten minste juist weten, in hoever ons geheim

verraden is. Ook dat die Jacques er iets van vernomen heeft, is hoogst

onaangenaam. Wel is hem de waarheid geheel en al onbekend en, zooverre

ik bemerken kan, twijfelt hij er niet aan, dat Feodorowna onze dochter

is; doch hij houdt den onverwacht teruggekeerden broeder voor een zoon,

welken wij, wie weet waarom, verwijderd moeten hebben. Ja, ik geloof,

dat hij eigenlijk van meening was, uwe jaloezie door deze ontdekking op

te wekken. Ondertusschen, dat is hetzelfde; zeer onaangenaam blijft het

voor ons, dat een zoo vreemd niet te vertrouwen mensch ook maar eenig

vermoeden van zoodanige betrekkingen heeft.—Misschien,” vervolgde

Dolgorow na eenige oogenblikken, gedurende welke hij zwijgend en

nadenkend op en neder was gegaan, „misschien is het geheel een loos

alarm. Wie zegt ons, dat Jacques goed gehoord heeft? Evenwel, des te

voorzichtiger moeten wij te werk gaan, want men kan niet weten, of

Feodorowna en haar vermoedelijke broeder elkaar niet reeds sinds langen

tijd kennen en zorg gedragen hebben, hunne bewijzen op plaatsen neder

te leggen, die voor ons ontoegankelijk zijn. In dit geval kunnen wij in

den moeilijksten toestand geraken.—Ja, ik ben besloten! Morgen zal ik

het geheele geval kennen. Wel kwam ik hier met het besluit, om dadelijk

de meest beslissende stappen te doen, en ik meen, gravin, dat gij mij

genoeg kent, om te weten, dat ik voor de noodzakelijkheid niet als een

kind terugbeef,—wij zijn in Rusland nog zoo angstig of weekhartig

niet; ik weet zoo goed als anderen in dit rijk, dat men een rotsblok,

dat ons in den weg ligt, moet doen springen;—doch zonder overijling!

Misschien gelukt het mij, een betere en zekerder weg te vinden, die er

omheen leidt.—Goeden nacht! Ik zal geruster slapen, dan ik geloofde.

Nog iets, opdat wij ons zelve niet tegenspreken. Mijne aankomst hier

was geheel toevallig, hoort gij, gravin, toevallig! Voor het overige

zal ik morgen de eerste zijn, die Feodorowna goeden dag zegt en zich

over de geslotene deur verwondert.”

Met deze woorden nam hij afscheid en ging met Jacques, die hem in de

voorzaal wachtte, naar zijne kamer.

Doch de onrust van zijn gemoed liet hem niet toe te slapen; het lang

sluimerende geweten was machtig ontwaakt. Er mocht thans bedrog of

waarheid in het spel zijn, hij leerde, dat het zaad der schuld, mocht

het nog zoo diep begraven, nog zoover door den storm des tijds verwaaid

zijn, voortkiemt, tot zijne bittere vruchten rijp zijn.

„Dwaas,” sprak hij tot zich zelf, „wat maakt gij u voor zorgen? Uw doel

is bereikt, gij zijt in het bezit, wie wil u verjagen?—Hm! wanneer

echter de Ochalskoi's vernamen, dat er een bedrog had plaats gehad?

Slechts als vader van Feodorowna zijn uwe rechten geldig!—Doch wie zal

ze u betwisten? Den eenigen, die spreken kon, zijn de lippen verzegeld.

Ruschka slaapt. Schrikgestalten van een dwazen waan! Herschenschimmen!”

Zijne plannen waren echter nu rijp geworden, en hij bezat behendigheid

en kracht, om ze uit te voeren. Zijn eerste gang was naar Bernard

en Lodewijk, die hij als gasten des huizes welkom heette. Met de

geslepenheid eens hovelings speelde hij den voorkomenden gastheer,

vroeg naar hun welstand, naar den aard hunner ontvangst, zonder ook

slechts met een woord iets kwaads te laten blijken. Lodewijk, die de

wereld minder kende en wiens rechtschapen hart ook den argwaan niet zoo

licht toeliet of, wanneer hij zich vertoonde, met gemoedelijken weerzin

verwierp, had zich door dit gedrag laten bedriegen. Bernard daarentegen

werd te bezorgder, naarmate de graaf zich minder achterhoudend

aanstelde; hij vermomde zich dus met hetzelfde masker tegen hem en nam

den schijn aan van een zorgeloos, lichtzinnig vertrouwen, terwijl hij

zijne geheime gedachte zorgvuldig verborg. Het gelukte hem volkomen,

den geruste te spelen; hij ging hierin zoover, dat hij den graaf zijn

Londensch avontuur met Bianca openhartig bekende. „Ik ben schilder,”

zeide hij met de losheid van een luchthartigen kunstenaar, „en wij

beschouwen een schoon gelaat in zeker opzicht als een eigendom, dat ons

niemand mag betwisten. Daarmede, heer graaf, moet gij die daad, die

zekerlijk de gewone regels der welvoegelijkheid niet tot rechter mag

hebben, verontschuldigen.”

„Wij zijn zulke barbaren hier in Rusland niet,” hernam Dolgorow

glimlachend, „om den kunstenaar niet zoodanige vrijheid willig toe te

staan. Maar bezit gij het portret?”

„Ik heb het gehad tot voor twee dagen, of veeleer mijn vriend, dien

ik het, daar het bij hem zulke aangename en tegelijk raadselachtige

herinneringen opwekte, geschonken had. Zijne portefeuille, waarin het

lag, werd hem door den ellendeling afgenomen, dien, zoo ik hoor, eene

vreeselijke vergelding heeft getroffen; in wiens handen het gekomen is,

weet ik niet.”

„Gisteren,” zeide Dolgorow, „zijn mij twee portefeuilles, die men bij

de gevangenen had gevonden, ter hand gesteld, doch ik beken, dat ik nog

geen tijd gehad heb om ze te openen. Ik ben toch inderdaad nieuwsgierig

om te zien, of de uwe daarbij is.”

Met deze woorden snelde hij naar zijne kamer en keerde spoedig daarop

met twee brieventasschen terug, waarvan hij er eene open in de hand

hield. Het was die van Lodewijk. De graaf hield Bernard het portret

voor en zeide: „Herkent gij dit voor uw werk?”

„Hoe zoude ik niet?”

„Dan is het billijk, dat gij uw eigendom terugneemt.”

„Het is, zooals ik zeide, niet meer het mijne, maar dat van mijn

vriend.”

De graaf overhandigde Lodewijk de portefeuille, waaruit echter alle

papieren verdwenen waren. Dolgorow had ze er eerst uitgenomen, wijl hij

er naricht in hoopte te vinden; hij verontschuldigde zich daarmede, dat

hem de portefeuille ledig ter hand was gesteld en Beaucaire haar dus

waarschijnlijk reeds geledigd zou hebben. De tweede was noch Bernards

noch Lodewijks eigendom; de graaf behield haar alzoo en verwijderde

zich daarmede, om Feodorowna zijn morgenbezoek te brengen.

„Het is mij oneindig veel waard, dat dit portret weder in mijn bezit is

gekomen,” zeide Lodewijk. „Ik ben nu veel geruster; alle gevaar schijnt

voorbij en de graaf is een man, die toch wel vertrouwen verdient.”

„Waarlijk, men zou er om lachen,” zeide Bernard, „dat een zoo

verstandig mensch als gij, zoo blind en dwaas kan zijn. O, Lodewijk!

gij zijt te goed voor deze wereld—en ik vrees, dat mijne zuster het

ook is en zich laat bedriegen. Zult gij dan eeuwig zulke kinderen in

het leven blijven, dat gij u eene slang aan den boezem laat leggen,

omdat zij eene glinsterende huid heeft? Wilt gij dan nooit leeren, dat

de bontgevlekte tijger zich slapend houdt, wanneer hij het scherpst

loert? Wie overdekt dan een wolvenkuil met adders? Rozen strooit men er

over! Rattenkruid moet er als suiker uitzien, anders vreten de ratten

het niet.—Lodewijk, Lodewijk! Deze lachende vriendelijkheid is mij

bedenkelijker, dan wanneer hij met getrokken zwaard voor mij stond!”

„Gij ziet alles te donker in, mijn waardste,” hernam Lodewijk.

„Meent gij?” vroeg Bernard spottend. „Het beteekent wel niets, dat

Bianca eene gevangene is?—En deze onverwachte aankomst, midden in den

nacht? Lodewijk, zoo de deur openstond, ik ging er liever uit, zooals ik

hier voor u sta, dan nog een uur hier te blijven. Ja, was het niet om

mijne zuster, gij moest op stel en sprong mede.”

Willhofen trad binnen en brak hun gesprek af met de vraag, of zij

wilden komen ontbijten.—Zij gingen.

Eenige minuten bleven zij alleen in de zaal. Hierop trad Dolgorow

binnen. Hij was zoo beleefd als te voren, verzocht hun plaats te nemen,

en schonk zelf de chocolade.

„Onze dames,” zeide hij, „staan wat laat op. Wij zullen haar wel voor

het eten niet te zien krijgen. De gravin was gisteren ongesteld, dat

heeft ook de vorstin van het genoegen beroofd, de plichten van gastvrouw

jegens u te vervullen. Ik denk, dat de dames het verzuimde heden zullen

inhalen.”

Bernard vroeg naar den staat der politieke omstandigheden.

„Daarover doen wij het best liever niet te spreken,” hernam Dolgorow

beleefd; „ik als Rus zou misschien geheel anders moeten denken, dan

gijlieden, die ten minste uwe oude kameraden bij het leger hebt.—Het

heeft voor mij een bijzonder belang, dat ik u reeds te voren ontmoet

heb,” voer hij na eenige oogenblikken voort, zich tot Lodewijk

wendende. „Toen wij aan den voet van den Simplon, dien wij door uwe

hulp zoo gelukkig overgekomen zijn, door toeval gescheiden werden,

wendde ik mij door het gebergte naar Bern, ging van daar naar Tyrol en

kwam op den grooten weg naar Munchen. In Duitschland hadden wij verder

geen avontuur, doch wel in Warschau, waar wij bijna verraden waren

geworden en het ons eerst, na ons verscheiden dagen bij goede vrienden

verborgen te hebben, in den nacht gelukte te ontvluchten.”

„Wij zijn ook in Warschau geweest,” zeide Lodewijk.

Bernard gaf hem een verholen wenk, om voorzichtig te zijn, en nam

snel zelf het woord op, om geheel onbepaald en algemeen van hun

verblijf aldaar te spreken. De graaf vroeg naar het een en ander; hij

sprak van Engeland, vernam naar Bernards reizen, naar zijne vroegere

woonplaats; kortom, hij zocht op eene geschikte wijze den levensloop

en de betrekkingen van beiden zoo nauwkeurig mogelijk uit te vorschen.

Bernard antwoordde met groote omzichtigheid; doch alles liet zich niet

verzwijgen, en voornamelijk waren Lodewijks betrekkingen spoedig voor

Dolgorow in zoover duidelijk, dat hij niet meer twijfelen kon, of

Bernard moest Feodorowna's broeder zijn, indien het een van deze twee

was. Met opmerkzaamheid beschouwde hij zijne gelaatstrekken, om uit de

gelijkenis zijne vermoedens te bevestigen; doch hier was het toeval

hem niet gunstig, daar Bernard sprekend op zijn vader, Bianca op hare

moeder geleek, en tusschen hen veeleer een merkwaardig verschil in

gelaatstrekken dan eene overeenkomst bestond, ofschoon zich al eenige

gelijkende trekken lieten vinden. Doch wanneer men ze zoeken wilde, dan

bood het gelaat van Lodewijk oneindig meer waarschijnlijkheid voor de

bloedverwantschap aan. Bernard had daarenboven met behendigheid in zijn

gesprek weten in te vlechten, dat hij uit Dresden geboortig en de zoon

van een armen voorzanger aan de kruiskerk was, die hem, gelijk hij er

lachend bijvoegde, toen hij voor drie jaren stierf, bij zijn _laatsten_

wil niets had nagelaten, dan den _vrijen_ wil, om te gaan waar hij

wilde.

Zoo bleef Dolgorow natuurlijk in de kwellende onzekerheid, of zijn

geheim inderdaad ontdekt was, dan of slechts toevallige omstandigheden

of half begrepen woorden of uitdrukkingen den schijn eener ontdekking

hadden voortgebracht.

Om niet door al te veelvuldig, angstig vragen verdenking te wekken,

sloeg hij zijnen gasten eene partij op het schaakbord voor. Lodewijk,

die van het spel maar zeer weinig verstond, verontschuldigde zich,

Bernard nam den voorslag schijnbaar zeer gaarne aan. De kamerdienaar

bracht een schaakbord; zij zetten zich tot spelen; Lodewijk bleef in

het vertrek en zag toe.

„Ik heb een gevaarlijke partij,” merkte de graaf na de eerste zetten

aan; „ik zal moeite hebben, mij te verdedigen.”

„Uw oordeel na zoo weinige zetten, heer graaf, bewijst uwe meerdere

sterkte,” antwoordde Bernard.

Zij speelden ondertusschen voort, en schenen, ofschoon beiden

hunne gedachten inwendig op geheel iets anders gevestigd hadden,

toch met de grootste aandacht op hun spel te letten. Bernard bezat

geestkracht genoeg, om zich tot opmerkzaamheid te dwingen en niet door

verstrooidheid te verraden, dat de overwinning in het spel hem op dit

oogenblik de onverschilligste zaak ter wereld was.

Zoo verliep de voormiddag; het etensuur naderde. De gravin

zoowel als Bianca zouden aan tafel verschijnen. Toen de graaf des

morgens bij zijne dochter was geweest, had hij daarvan als van een

onvermijdelijken huiselijken plicht gesproken, die gisteren alleen om

de gezondheidstoestand der gravin had mogen verzuimd worden. Bianca

echter die de geslepenheid van Dolgorow, om zich te beheerschen en

zijn wezen in allerlei gedaanten te plooien, reeds uit zijn vroeger

diplomatisch leven kende, liet zich door zijn gedrag niet misleiden.

Toen hij echter door de deur, die de bijzondere uitgang van hare kamer

was, trachtte te gaan en zich verwonderd hield dat deze gesloten was,

bekwam zij de volkomen zekerheid, dat hij veinsde, te meer daar hij

dadelijk en met zekeren ijver, dien eene onverschillige zaak niet had

kunnen teweegbrengen, aan Jeannette bevolen had, den kamerdienaar te

vragen, of hij den sleutel had, en hem te gelasten, zorg te dragen,

dat de deur geopend werd. Ondertusschen ging hij, en spoedig daarop

werd de deur inderdaad geopend. Bianca wist echter te goed, dat zij

daardoor niet hare wezenlijke vrijheid, maar slechts den schijn daarvan

had teruggekregen, en dat men nu hare schreden des te zorgvuldiger

zoude bewaken. Evenwel scheen de vlucht haar niet onmogelijk, en

daarenboven was deze het eenige middel, dat haar overbleef. Haar hart

zocht derhalve meer naar raad dan naar verstand. Zij moest oude, heilige

verplichtingen verbreken—nieuwe, oneindig dierbaarder, op zich nemen;

van hare ouders, haar vaderland, zelfs van haar naam plotseling afstand

doen en in eene gansch andere wereld treden. Hoezeer haar hart haar

ook daarheen trok, ondervond hare edele ziel echter nu eerst, in het

oogenblik der beslissing, met hoeveel onzichtbare draden het leven ons

omzweeft, welke dan eerst houden en binden, wanneer wij ze voor altijd

willen losscheuren. In deze spanning schreef zij aan Gregorius, haren

vaderlijken vriend en raadgever, die met haar geheim bekend was en bad

hem dringend, zoo spoedig het hem eenigszins mogelijk was, naar het

jachtslot te komen. Doch zij was voorzichtig genoeg, hem den grond

voor hare bede niet te melden. Zij wist, dat hij eene zoo dringende

uitnoodiging toch zoude volgen. Willhofen beloofde den brief door een

vertrouwden bode te zullen doen bezorgen, en meldde een uur daarna, dat

het hem gelukt was.

Thans voelde haar hart zich wonderbaar verlicht; haar vertrouwen op den

dierbaren leeraar was onbegrensd; zij hield zich verzekerd, dat zijne

tegenwoordigheid haar bescherming en redding zoude aanbrengen, want het

was zijn plicht, haar beide aan te bieden, en zij wist, dat, waar deze

hem riep, zijn moed onverzettelijk was.

Zij ging met hare moeder naar de eetzaal. Hier zag zij Lodewijk en

Bernard na de haar zoo lang en smartelijk gevallen scheiding weder.

Haar hart klopte, doch zij beheerschte hare gewaarwordingen met geweld,

om zich niet te verraden. Vriendelijk, welwillend kon zij immers

zijn, want zij was dit steeds, en thans konden dankbare gevoelens

haar bovendien het gunstige voorwendsel daartoe zijn. De oefening der

groote wereld hielp daar de uren aan tafel te boven komen, zonder door

iets hare stemming te verraden. De bedrevenheid haars broeders, die

zich van het gesprek meester maakte, het op Schotland en Engeland, op

zijne reizen aldaar en op de kunst in het algemeen leidde en alzoo ook

Lodewijk, die over ernstige en belangrijke zaken altijd met verstand

wist te spreken, in het gesprek trok, kwam haar heerlijk te stade.

Dolgorow zelf liet zijne achterdocht reeds half en half varen en gaf

zich aan de hoop over, dat alle bekommeringen slechts op toevallige

omstandigheden berustten. Eindelijk stond men van tafel op, en de

vrouwen wilden zich verwijderen. Daar vond Bianca een, naar zij

geloofde, onbewaakt oogenblik en fluisterde Bernard de woorden toe:

„Houd goeden moed, ik heb hoop, op eene gelukkige wending van ons lot.”

Doch Dolgorow, die juist eenige door Jacques gebrachte brieven geopend

had en las, wierp toevallig een blik over het papier op een spiegel,

waarin hij Bernard en Bianca's gestalten geheel en al zag. Hij zag

hunne vertrouwelijkheid, bemerkte hun fluisteren en den indruk, welke

de woorden op Bernards gelaat teweeg brachten. Wel is waar had hij

geen woord verstaan, doch in beider trekken lag eene uitdrukking

van vertrouwelijkheid, die slechts door eene zeer nauwe betrekking

kon ontstaan zijn en te meer verwondering baarde, daar beiden, toen

de deur onverwachts openging, opeens de uitdrukking hunner trekken

veranderden en de stijve houding der beleefdheid weder aannamen. Wat

hier gebeurd was, kon geen plaats vinden tusschen de prinses Ochalskoi

en een vreemdeling zonder rang of naam. Derhalve had Dolgorow opeens de

ontegensprekelijkste bewijzen voor de gegrondheid van zijne achterdocht.

Het verraste hem nu hij er bijna van terug gekomen was, zóó sterk,

dat hij, die onder de moeielijkste omstandigheden bezonnen en koel

bleef, voor een oogenblik zijne bedaardheid verloor en zich een half

onderdrukten uitroep van verbazing liet ontvallen. Doch even spoedig

als hij zijne bedaardheid verloren had, had hij die teruggekregen,

terwijl hij voorbedachtelijk dien uitroep herhaalde en hevig op den

grond stampte, doch den schijn aannam, alsof het de berichten, die

hij in zijne brieven vond, waren, welke hem zoozeer aandeden. „Het is

ongehoord! onvergeeflijk!” riep hij uit en kneep den brief hevig in

elkander; „men zou dol worden over zulk eene handelwijs!”

Zelfs Bernard liet zich door dit mom bedriegen en vermoedde niet, dat

zijn geheim in dit oogenblik ontdekt en verraden was. Behendig met

den graaf instemmend, zeide hij half vragend, half deelnemend: „Gij

ontvangt zulke onaangename tijdingen heer graaf?”

De Gravin deed dezelfde vraag, doch meer bepaald.

„Wat zou het zijn,” antwoordde Dolgorow, „dan nieuwe redenen tot oude

klachten. Geheel verkeerd handelen, onzinnig veranderen, tegenstrijdige

bevelen, welke alles in de war brengen, wat men met eigen krachten der

liefde van het vaderland onderneemt!—Vergeef mij, maar ik moet eenige

oogenblikken alleen zijn, om mijne drift te doen uitwoeden.”

Met deze woorden boog hij zich en ging naar zijne kamer, terwijl de

vrouwen tegelijk de haren opzochten. Bianca nam ondertusschen afscheid

met de vriendelijke vertroostende woorden: „Ik hoop, dat wij elkander

bij de thee wederzien.”

Zoodra Dolgorow op zijne kamer was gekomen, schelde hij den

kamerdienaar, om hem nogmaals nauwkeurig omtrent alles te ondervragen,

waarop hij zijn vermoeden gegrond had. Jacques die lang gemerkt had,

hoe gewichtig deze zaak voor den graaf was, verzweeg, gedeeltelijk

omdat hij niet gaarne de verdienste der ontdekking met iemand wenschte

te deelen, gedeeltelijk om in de gunst van Jeannette te blijven, niet

alleen wat deze hem gezegd had, maar zelfs, dat zij hem inderdaad

het gewichtigste ontdekt had. Daarom waren zijne verklaringen voor

den graaf geheel onvoldoende. Hij gebood hem te vertrekken en bleef

peinzend in zijne kamer, terwijl hij zich kwelde, een middel te vinden,

om de waarheid te ontdekken. Opeens werd het hem helder. „Dwaas!”

riep hij, „hoe kunt gij zoo dom zijn en niet dadelijk daarop komen?

Hij of zij moeten hier een of andere brieven, documenten, of andere

herkenningsteekenen hebben; het was anders onmogelijk, dat zij elkander

gevonden hadden!—Dat moet mij licht geven. Vooreerst willen wij het

gemakkelijkste beproeven en Feodorowna's kamer in stilte doorzoeken.”

Hij schelde. Jacques trad binnen.

„Is de prinses op hare kamer?”

„Neen: hare hoogheid werkt bij de genadige gravin.”

„Het is goed!—Gij kunt vertrekken.”

Zoodra de kamerdienaar vertrokken was, stak Dolgorow eene kleine

dievenlantaarn aan, nam die onder zijn mantel en ging naar Bianca's

kamer. Het gelukte hem, er onbemerkt binnen te sluipen.—Dadelijk

sloot hij de deuren naar beide kanten dicht en begon zijn onderzoek.

Hij had eenige loopers bij zich gestoken, waaraan geen slot

gemakkelijk weerstand bood en die hij nog uit den tijd van zijne

gevaarvolle diplomatieke betrekkingen bezat, toen hij de papieren

zijner ondergeschikten steeds in het geheim zorgvuldig nazag, om zich

van hunne trouw te overtuigen. Met behulp dezer werktuigen gelukte

het hem spoedig, Bianca's gesloten secretaire te openen. Na eene

poos gezocht te hebben, vond hij onder hare brieven dien van Ruschka

boven op liggen, daar zij hem eergisteren eerst weder geborgen had.

Deze nam allen twijfel weg; en toen hij nu de portefeuille ontdekte

en opende, waarin de portretten der beide ouders zich bevonden, wier

gelijkenis met de kinderen niet te miskennen was, had hij verder geene

de minste verklaring of navorsching noodig, om te weten dat Bernard de

teruggevonden broeder was. Zorgvuldig legde hij alles weder op zijne

plaats, ontsloot de deur en snelde naar zijne kamer terug.

Thans hielden hem de plannen, hoe hij het naderend onheil het best

zoude afweren, bezig. Spoedig was hij besloten. Hij moest Feodorowna's

lippen evenzoo verzegelen, als die van Ruschka, door bedreigingen tegen

wat haar het dierbaarst op aarde was. Die taak viel den gewetenlooze

licht, doch hij had de middelen niet dadelijk bij de hand. Bernard en

Lodewijk moesten het lot der gevangen Franschen deelen. Dan zoude hun

lot daarvan afhankelijk gemaakt worden, of Feodorowna op de hostie

wilde zweren, nimmer het geheim harer geboorte te verraden. Doch

daartoe had men meer manschappen noodig, dan men in het slot had.

Buiten de bedienden, van welke de meesten lijfeigenen van Feodorowna

waren, op wie Dolgorow zich in een beslissend oogenblik niet durfde

verlaten, was er niemand op het slot. Bernard en Lodewijk alleen konden

een zoo dapperen tegenweer bieden, dat men ten minste genoodzaakt zoude

zijn hen te dooden, en dan was de borgtocht voor het geheim verloren.

Feodorowna's leven echter zelf durfde Dolgorow niet aantasten;

gedeeltelijk wijl hare lijfeigenen in zulk eene daad eene vreeselijke,

onverzoenlijke misdaad zouden gezien hebben, gedeeltelijk omdat hij

vooruit zag, dat de gravin hare toestemming zoude weigeren, eindelijk

ook wel, omdat hij hier de inwendige maat van zijn misdadig pogen

gevuld gevoelde. Want ieder, zelfs de slechtste, heeft eene grens van

zijn misdadig willen in zich, welke hij niet kan overschrijden. Zelfs

de diepste afgrond der misdaden wordt eenmaal gevuld, en er is een

punt, waar het heilige gebod der zedelijkheid zich zoo onverwinnelijk

doet gelden, dat de meest ontaarde, al moest hij daardoor de vrucht

van al zijne vorige misdaden verliezen, al moest hij zelf der aardsche

vergelding ten buit worden, evenwel zijne wilskracht tot het booze

verlamd gevoelt en den laatsten slag, welke hem aan het doel zoude

voeren, niet waagt toe te brengen. Zoo grijpt de onzichtbare arm

des Almachtigen zelfs in het raderwerk der boosheid en beveelt een

onherroepelijken stilstand.

Dolgorows besluit stond vast. Hij wilde genoegzame manschap in de

nabijheid van het slot doen komen, om iederen wederstand onmogelijk te

maken. Dan zouden Lodewijk en Bernard naar buiten gelokt, onverwachts

overvallen, gegrepen, gekneveld en zoo stil mogelijk weggevoerd worden,

zoodat niemand in het slot het gewaar werd. Wanneer men aldus het

binnenste van het bosch bereikt had, wilde Dolgorow hun verklaren, dat

hun lot en dat van Feodorowna van de bewaring van hun geheim afhing,

en hen dan met de overige gevangenen binnenslands wegvoeren. Eerst

nadat alles volbracht was, zou Feodorowna den afloop der zaak vernemen,

en dan zou het zeker gemakkelijk zijn, haar de belofte eener eeuwige

geheimhouding door bedreiging tegen de gevangenen af te persen.

Willhofen was een verdacht getuige voor Dolgorow. Hij besloot

derhalve, zich van hem te ontdoen en tevens door hem zijn doel te

bereiken, daar hij hem als bode uitkoos, om het bevel over te brengen,

dat de manschap op het slot zoude komen, maar tevens den houtvester,

die het bevel over dit gedeelte der als landstorm verzamelde boeren

had, verzocht Willhofen niet mede terug te zenden, maar hem tot nader

order met iets anders bezig te houden.

De snelle daad volgde op het weldoordachte besluit. Hij schreef het

bevel, verzegelde het, schelde en liet, toen Jacques binnen kwam,

Willhofen roepen.

„Hier is een brief van gewicht te bestellen, Solanow,” dus sprak

hij hem toe; „gij moet dadelijk zadelen en rijden. Ik stel er u

verantwoordelijk voor, dat het bevel uiterlijk binnen drie uren

overhandigd is.”

De oude boog zich zwijgend, nam den brief en vertrok.

Thans schepte Dolgorow lucht. Het gevaar scheen afgewend, de dreigende

wolk verdeeld. Hij vermoedde niet, dat zijn plan verongelukt was, nog

eer het tot de uitvoering kwam.

1812: Historische roman · 第 112 / 154 题