Bernard sloeg aan Lodewijk eene wandeling in de open lucht voor; hij
nam dit aan. Zij gingen het slotplein over en namen de ligging van het
gebouw nader op.
Het was rondom door dichte, hooge dennenbosschen omgeven, door welke
evenwel vier breede wegen waren uitgehouwen, die elkander rechthoekig
sneden. Deze waren vrijwel gebaand, doch in het overige lag de sneeuw
los en hoog, zoodat het zoowel te voet als met een slede even moeilijk
scheen, wanneer men den grooten weg verliet door het woud te dringen.
„Het gebouw schijnt oud,” zeide Bernard; „Gothische, nieuw-grieksche,
barbaarsche stijl, alles door elkander. Deze beide ronde hoektorens met
hunne lange, dunne spitsen moeten van oude dagteekening zijn.—Hoever
wij hier wel van den grooten weg af zijn?”
„Ik hoorde Willhofen zeggen, omtrent vier of vijf uren,” antwoordde
Lodewijk, „en Smolensko ligt zeven uren van hier.”
„Zoo rekende ik ook,” stemde Bernard hem toe; „in die richting moet het
liggen. Wij zouden den weg door die breede laan moeten nemen.”
„Het is dezelfde, waardoor wij gisteren hierheen gekomen zijn,” meende
Lodewijk.
„Hoort gij niets?” vroeg Bernard opeens en luisterde, terwijl hij zijn
hoofd op zijde boog en de hand, om het geluid op te vangen, aan zijn oor
hield.—„Dat is eene kanonnade, in de richting van den grooten weg, doch
zeer ver.”
„De bosschen houden den klank tegen,” zeide Lodewijk en luisterde ook
naar de enkele doffe schoten, welke men hoorde.
„Het kon het leger van Ney wel zijn, dat daar aan den dans is, en
misschien is Rasinski bij het gevecht,” zeide Bernard.
„Rasinski!” riep Lodewijk; „hoe zal die brave vriend misschien over ons
bezorgd zijn! O, wanneer wij hem eenig bericht konden doen geworden.”
„Zekerlijk zou dat goed zijn,” zeide Bernard en bewoog nadenkend, doch
toestemmend zijn hoofd. „Over het geheel moet ik u zeggen, dat ik mij,
hoe gemakkelijk het hier in het slot voor ons zij, toch liever met
mijne zuster onder zijne bescherming zou bevinden dan hier. Eens moeten
toch die vreeselijke vermoeienissen een einde nemen. Met iederen dag
komen wij het vaderland en de verzorgingstoestellen voor het leger
nader. De weg werd vast, effen—ik geloof dat wij het ergste geleden
hadden.”
„Ach,” zuchtte Lodewijk, „wanneer wij maar eerst den voet weder op
vaderlandschen bodem konden zetten!”
Naar het verwijderde gevecht luisterende, gingen de vrienden nog
eenigen tijd op en neder. Ondertusschen was het reeds laat geworden en
begon het te schemeren. Zij keerden naar huis terug, daar hun dit uur
als dat des middagmaals was aangewezen. De tafel was reeds gedekt, doch
slechts voor hen beiden alleen; zelfs Willhofen wist niets naders te
berichten over het uitblijven der prinses, dan dat zij waarschijnlijk
de zieke gravin gezelschap moest houden.
„Houd u slechts goed voor de bedienden,” fluisterde Bernard Lodewijk
toe; „geen schepsel hier mag gissen, dat wij ongerust zijn.”
Bij deze woorden schonk hij een glas wijn in en klonk met Lodewijk op
de bewoneressen van het huis. Gedurende het eten was hij voortdurend
opgeruimd en schertste veel, zelfs met de bedienden, wie hij eenige
russische woorden afleerde, om zich dan, hoe gebrekkig ook, met hen in
hunne moedertaal te onderhouden.
Het was donker geworden en men bracht licht. Bernard begon, om het
gesprek gaande te houden, van Schotland te vertellen. Lodewijk hoorde
hem verstrooid aan; zijne bezorgdheid wies met iedere minuut.—Het was
thans zeven uur, de burgerlijke beleefdheid jegens gasten zoude reeds
lang gevorderd hebben, dat de vrouw des huizes hen begroet had. Er
moest eene dringende reden zijn, die Bianca weerhouden had.
Gedeeltelijk om zich te verstrooien, gedeeltelijk om hunne onrust
te verbergen, hadden zij ieder uit eene kast een deel van Voltaire
genomen; zij zetten zich aan eene andere tafel en lazen. De bedienden
namen inmiddels de tafel af en verwijderden zich.
Doch nauwelijks waren zij eenige oogenblikken alleen geweest, toen
Willhofen binnentrad, voorzichtig omzag, of er ook iemand in den omtrek
was, en toen Bernard een stukje papier toereikte.
Daarop zag hij met potlood in het engelsch geschreven: „Mijn broeder,
wanneer alles slaapt, kom dan onder het venster van mijne slaapkamer.”
„Weet gij, wat dit papier behelst?” vroeg hij Willhofen, nadat hij het
gelezen had.
„Ik geloof bijna; de kamenier der prinses, Jeannette, heeft het mij
gegeven.”
Bernard ging onrustig op en neder. „Kent gij de ligging van het
slaapvertrek der prinses, Willhofen?” vroeg hij dezen.
Deze knikte.
„Wanneer alles in huis slaapt, moet ik mij onder haar venster
vervoegen; kunt gij mij zonder gevaar daar brengen?”
„Eene kleinigheid! Ik zal wel zorgen, dat het den portier zwaarder zal
vallen, zijne oogen, dan ons de oude, verroeste poort te openen.”
„Wanneer gaat men hier slapen?”
„Vóór middernacht; tegen twaalf uur zijn we zeker, buiten de muizen op
den korenzolder, geen schepsel meer wakker te zullen vinden.”
„Kom dan op dat uur bij ons op onze slaapkamer, vriend; gij kunt ons
daardoor een gewichtigen dienst doen.”
Willhofen ging heen.
Bernard en Lodewijk gingen naar hunne kamer en wachtten in ongeduldige
spanning op het uur van middernacht. Langzaam kroop de tijd voorbij.
Angstig luisterden zij naar ieder geluid in het slot, naar het
geraas van open- en toegaande deuren, het loopen der knechts door de
gangen, en of het roepen en antwoorden niet eindelijk eens een einde
zoude nemen.—Dikwijls was het minuten aaneen doodstil; dan brak het
geluid van een openspringend slot of de lompe, zware, door de lange
gangen dreunende tred van een knecht de diepe stilte opeens weder af.
Eindelijk, na elf uur, scheen alles in slaap gedompeld te zijn.
„Het slot is stil als het graf,” zeide Bernard, terwijl hij zachtjes de
deur opende en naar buiten zag. „Het is nabij middernacht. Ik wenschte,
dat Willhofen kwam, opdat de onzekerheid een einde had.”
Lodewijk was door sombere voorgevoelens en bekommernissen gekweld;
doch hij uitte geen woord, om Bernards zichtbare onrust niet nog te
vermeerderen.
„Wat blaast de wind door het slot!—Het zal weer een heerlijke nacht
buiten zijn!—Mij dunkt ook, dat het weer kouder geworden is. Onze
vensters bevriezen, niettegenstaande de gloeiende kachel.—Maar hoor,
ruischt daar niet iets op de gang? Waarachtig, het komt langzaam nader.
Denkelijk zal het Willhofen zijn; de oude is een vos, hij komt langzaam
op zijne teenen, en is, denk ik, zonder schoenen.” Hij luisterde;
het kwam allengs nader en nader. Bernard opende eventjes de deur en
vroeg door de reet: „Zijt gij het, vriend?”—„Ik ben het,” antwoordde
fluisterend eene vrouwelijke stem; tegelijk opende de aankomende de
deur, en de kamenier der prinses trad in eene bevallige dracht, een
klein mutsje op, doch met een doek om het gelaat, binnen.
Beide vrienden schrikten. Bernard vermoedde een verliefd avontuur en
zeide vrij norsch: „Gij zijt verdwaald, mijn kind.” „Neen, ik heb de
rechte deur niet gemist,” hernam het meisje met eene bekende stem,
terwijl zij tevens den doek afnam, die haar gelaat half bedekte.—Het
was Bianca.
„Gij zelve, lieve zuster! in deze kleeding?” riep Bernard zachtjes,
terwijl hij een schrede terugtrad; „om 's hemels wil, wat beteekent dit?”
„De nood dwong mij tot deze vermomming,” hernam Bianca, „ik ben eene
gevangene en kon slechts in dit kleed naar u toesluipen.”
„Gij eene gevangene?” riep Bernard verwonderd; Lodewijk trad eene
schrede nader.
„Laat ons kort zijn, mijne lieven,” antwoordde Bianca, „want de
oogenblikken zijn kostbaar. Ik vrees, dat ons geheim half en half
verraden is. Wij moeten gisteren beluisterd zijn. Toen ik u verliet en
naar de gravin ging, vond ik haar in groote spanning; zij zat bijna
geheel gekleed op de sofa en schreef. Bij mijn binnenkomen raapte zij
haastig hare papieren bijeen en sprak over onverschillige dingen; doch
de hevigste onrust was op haar gelaat niet te miskennen. Ik vermoedde
wel, wat er kon geschied zijn, doch om hare achterdocht niet nog
meer gaande te maken, vroeg ik niets, doch begaf mij dadelijk door
mijne werkkamer, die aan het woonvertrek der gravin paalt, naar mijne
slaapkamer, waar Jeannette, mijne kamenier op mij wachtte. Ik liet mij
spoedig ontkleeden en zond haar weg; vol ongerustheid bleef ik op. Ik
opende de deur mijner slaapkamer een weinig en hoorde, dat de gravin
nog op was, ja zelfs met iemand sprak. Ik kon niet onderscheiden wat,
doch meende aan de stem een kamerdienaar van den graaf te herkennen.
Eindelijk werd het stil; ik begaf mij te bed. In den nacht echter
hoorde ik duidelijk de poort openen en eene slede wegrijden. Dezen
morgen begaf ik mij al vroeg naar mijne pleegmoeder. Zij had iets
achterdochtigs in hare blikken, zoodat ik niet kon twijfelen, of zij
had ons geheim gedeeltelijk ontdekt; doch zij liet niet het minste
bemerken. Zelf reeds had ik mij voorgenomen, het ontbijt op mijn kamer
te nemen, om geen argwaan te wekken; ik zou evenwel des middags aan
tafel zijn gekomen. Doch de gravin liet zich ontvallen, dat zij hoopte,
dat ik den dag bij haar zou doorbrengen, daar het niet paste, dat
ik, terwijl zij zelve ziek was, met de beide vreemden alleen at, zij
voegde er bij, dat zij het onbehoorlijk zou vinden, wanneer ik u weder
sprak, voor dat de graaf terug was gekomen. Ik voegde mij naar haren
wil, doch het werd mij hoe langer hoe duidelijker, dat er iets moest
zijn voorgevallen. Gedurende den voormiddag ging ik in mijne kamer
en zag bij toeval, dat de deur naar de gang gesloten en de sleutel
er uitgetrokken was. Nu doorzag ik alles; ik was eene gevangene der
gravin; zij moet ons geheim kennen. De kamerdienaar heeft zich den
ganschen dag niet vertoond; ik gis dat hij naar den graaf gezonden
is.—Daarom besloot ik u, mijn broeder, van alles te onderrichten, en
zond Jeannette met het briefje. Het gesprek met u door het venster kon
echter gevaarlijk worden; ik liet dus Jeannette laat op mijne kamer
komen, onder voorwendsel, dat ik verlangde, dat zij bij mij zoude
slapen, daar ik niet recht wel was. Zoodra zij vast sliep, deed ik stil
hare kleeding aan en ging zoo onbemerkt door de kamer der gravin. Thans
echter vraag ik u, mijn broeder, wat zullen wij doen?”
„Snelle vlucht schijnt mij het eenige redmiddel,” hernam hij eindelijk.
„Zou het mogelijk zijn, Smolensko dezen nacht te bereiken?”
„Mogelijk is het. Maar zullen wij het uiterste wagen, vóór het uiterste
ons dringt? O mijn broeder, schoon ook de heiligste band van vrome
kinderlijke liefde en van vertrouwen op hen, welke ik als mijne ouders
eerde, smartelijk vaneengescheurd is, voel ik mij toch nog door duizend
draden van gewoonte en dankbaarheid aan hen gebonden. Als ik mij,
heimelijk vluchtend, in den nacht van hen moest losrukken, zou toch
eene diepe smart mijne ziel doorgrieven en mijne borst zich door de
beschuldiging van ondankbaarheid gekweld voelen.”
„Maar wat wilt gij doen, mijne lieve,” hernam Bernard, „wanneer
gij zelve verklaart, dat gij uw broeder voor uwe ouders niet durft
erkennen? Heeft dan liefde hunne daden jegens u bestuurd? Of hebben zij
u opgevoed, alleen om u op te offeren, om met uwe schoonheid onwaardig
voordeel te zoeken?”
„Gij spreekt de waarheid—doch de liefde en de eerbied, die achttien
jaren in mijn hart gebloeid hebben, zijn daarin vastgeworteld. Eenmaal
beminde ik mijne ouders onuitsprekelijk; want ik had slechts weldaden,
ofschoon ik thans gevoel, koud en streng toegemeten, van hen ontvangen.
Maar heeft mijn hart ook de vrije, schoone, heilige liefde verloren,
het kan zich toch niet vrijspreken van de plichten der dankbaarheid.
Het goede, dat ons gedaan is, boeit ons, ook al is het niet uit de
zuivere bron der liefde gevloten. Broeder, raad mijn twijfelend hart,
leen mij uw vasten mannelijken arm in dezen storm van tegenstrijdige
gevoelens, die mij geheel dreigt te overstelpen.”
Bij deze woorden nam zij zijne hand, als wilde zij hem smeeken, en
richtte haar vochtig oog naar het zijne, dat donker vlamde, omhoog.
„Gij hebt recht, lieve zuster,” hernam hij. „Recht, met uw vrouwelijk,
duldend, alles vergevend hart; ik, met mijn trotsch mannenhart, denk
anders en heb ook gelijk.”—„Wij moeten weg,” sprak hij met hevigheid,
„ik dwing er u toe en neem de zedelijke schuld geheel op mij. Gij
_moet_ mij volgen, mijne zuster, en wel dadelijk; bij God, gij moet!”
„Ja, ik geloof, dat hij gelijk heeft,” zeide Lodewijk bescheiden doch
vast en trad nader bij zijn geliefde. „De rechten des broeders zijn
heiliger.”
„En de uwe sinds gisteren de heiligste!” riep Bernard, hem in de rede
vallende. „Bloos niet, lieve zuster, en mistrouw de waarheid niet
daarom, wijl zij tevens het hoogste geluk uws harten uitmaakt. Ik weet
het wel, edele zielen aarzelen zelfs het goede te doen, wanneer het één
is met hunne wenschen, maar niet altijd is slechts het zich opofferende
hart het meest deugdzame. Vertrouw op mij; ik beslis, doch zonder
hartstocht. Verbreek de boeien, die, half door liefde en half door
dwang gesmeed, de vrije bepaling van uw wil verhinderen.”
„Welnu, het zij dan zoo,” sprak zij na eenige oogenblikken van stillen,
inwendigen strijd; „ik gehoorzaam u, mijn broeder.”
„En dadelijk,” viel Bernard in; „want iedere minuut toevens brengt
gevaar aan.”
„En waarheen wilt gij vluchten?” vroeg Bianca.
„Naar Smolensko.”
„Hoe!” riep zij verschrikt, „en zweeft daar het zwaard des doods niet
boven uwe hoofden?”
„Sinds onze verbitterde aanklagers door hun vreeselijk noodlot
achterhaald zijn,” hernam Lodewijk, „vrees ik van die zijde niets meer
voor ons. Niet onze schuld, maar de wil om ons schuldig te vinden,
bracht ons gevaar aan.”
„Dan volg ik ook u daarheen.—Willhofen zal ons paarden en eene slede
bezorgen.”
„Wij wachten hem ieder oogenblik hier, daar hij mij te middernacht naar
u zoude voeren,” antwoordde Bernard.—„Maar hoort gij niets?—Dat zijn
zweepslagen en bellengerinkel! Zeer duidelijk!”
Bianca verbleekte. „Eene slede, die de slotpoort nadert! Dat is mijn
vader!”
„Hij of een ander,” riep Bernard; „thans is het geen tijd tot vluchten.
IJl naar uwe kamer terug, zuster, eer de aankomst der slede de lieden
in huis wekt. Zoodra het rustig is, ben ik onder uw venster.”
Hij dreef haar voort; zij zweefde met vlugge schreden de lange gang
door. Nauwelijks was zij in de binnenvertrekken verdwenen, of de
naderende slede hield voor de poort van het slot stil en er werd zoo
hevig en luid aangeklopt, dat men niet behoefde te twijfelen, of het
was de eigenaar zelf, die begeerde binnengelaten te worden.
De poort werd geopend; Bernard loerde door de reet der halfgeopende
deur. Twee mannen kwamen de trappen op, doch een verward gedruisch
van stemmen liet gissen dat er nog andere nieuw aangekomenen beneden
waren gebleven. Thans herkende Bernard den kamerdienaar, die, met
een armblaker in de hand, een dicht in een pels gewikkelden heer
voorlichtte. Lodewijk verzekerde, dat het de graaf was; ook richtte
hij zijne schreden terstond naar de vertrekken der gravin. Daarop werd
het stil; men hoorde niets meer. Een kwartier brachten Bernard en
Lodewijk in gespannen verwachting door. Toen werd er zacht aan hunne
deur getikt; het was Willhofen. De goedwillige, slimme oude had bijna
den ganschen samenhang der dingen geraden. Hij was van meening, dat er
voor dezen nacht niets meer te wagen was, zonder den stand der zaken
gevaarlijker te maken. Daarom nam hij op zich, der prinses een briefje
van Bernard in het venster te werpen, dat haar van het genomen besluit
onderrichtte.—Hij voerde dit gelukkig uit, bracht daar bericht van en
beloofde waakzaam te zijn, om, zoodra het minste gebeurde, hun een wenk
te geven.
De nacht verliep voor hen allen in eene onrustige spanning, die
nauwelijks eene meermalen afgebroken sluimering toeliet.