Bianca immers wist reeds, dat en hoe zij verraden was. Jeannette
had namelijk in de kamer der prinses gezeten en gewerkt. Toen het
licht haar begon te begeven, zette zij zich op een leuningstoel in
de, door de dikke muren van het slot ruime vensterholte en werkte,
zoolang zij zien kon. In de schemering hield zij op en zonk, daar
zij eenigen tijd ledig bleef zitten, in slaap. Opeens wordt zij door
een geruisch gewekt, richt zich op en ziet met verbazing den graaf
voor de geopende secretaire der prinses staan. Onwillekeurig getuige
dezer handeling zijnde, vreest zij, zich te verraden; de groote zijden
gordijnen bedekken de vensters zoo, dat zij niet kan bemerkt worden.
Zij besluit daarom zich niet te verroeren en zich slapende te houden.
Doch zij slaat acht op alles, wat Dolgorow doet. Eindelijk gaat hij,
nadat hij eerst de beide vroeger in het slot gedraaide deuren zachtjes
ontsloten heeft. Deze omstandigheid overtuigt het meisje, dat hier iets
geheimzinnigs tegen de prinses ondernomen wordt, daar zij de treurige
verwijdering tusschen deze en hare ouders reeds lang kent. Zij brengt
dit in verband met hetgeen zij gehoord en aan Jacques toevertrouwd
heeft; zij wordt bevreesd, door hare onvoorzichtigheid hare zoo oprecht
beminde meesteres in gevaar gebracht te hebben, haar geweten laat haar
geen rust, zij moet derhalve bekennen, wat zij meent te weten, wat zij
gezien heeft. Met dit voornemen, om door de eerlijkste oprechtheid
zoo mogelijk haar misgreep goed te maken, wil zij naar de prinses
snellen, toen deze zelve onverwacht binnentreedt. Jeannette verhaalt,
wat er gebeurd is. Bianca vermoedt den samenhang; zij doorziet,
dat zij geheel verraden is, dat zij geen tijd te verliezen heeft.
Dadelijk besluit zij, met haren broeder te spreken. Jeannette moet de
kamer sluiten en krijgt bevel, zoodra zich iemand aan de deur laat
hooren, te antwoorden, dat de prinses bezig is zich te verkleeden en
voor het oogenblik niemand kan binnenlaten. Intusschen ijlt Bianca,
door dezelfde muts van Jeannette, welke zij haar gisteren gedurende
hare sluimering heimelijk ontvreemd heeft, voor herkenning bewaard,
naar de kamer van Lodewijk en Bernard en verhaalt hun, wat geschied
is. Er wordt besloten nog dezen nacht te vluchten. Gregorius zal de
hulpeloozen opnemen, wanneer men zijne woning kan bereiken voordat hij
op weg naar het slot is, of wanneer het toeval het zoo gelukkig doet
uitkomen, dat men hem ontmoet. Wordt deze hoop niet vervuld, dan blijft
Smolensko, nog door de Franschen bezet, hun als toevluchtsoord overig.
Willhofen zal hen op de vlucht vergezellen. Hij wordt van alles
onderricht en belooft paarden en een slede gereed te houden. Om de
noodige voorbereidselen daartoe te maken, heeft hij juist de kamer
verlaten, toen Jacques hem ontmoet en bij den graaf ontbiedt. Met een
voorgevoel van hetgeen er geschieden zal, treedt hij bij dezen binnen,
doch bewaart volkomen zijne geruste en gewone houding. Zonder argwaan
geeft Dolgorow hem den brief, dien Willhofen dadelijk naar Bernards
kamer brengt, waar Bianca zich nog bevindt. Men opent hem; Bianca
leest het in 't russisch geschreven bevel; de meening van Dolgorow
is duidelijk. Bernard vermoedt zijn plan, ofschoon niet in de volle
afschuwelijkheid, daar de brave nooit zoo diep in de ziel van de
boosdoeners indringt, dat hij hunne ontwerpen in den geheelen omvang
overziet. Thans is ieder oogenblik kostbaar en er is geen tijd te
verliezen; de vlucht moet nog in dit uur geschieden. Terwijl Willhofen
naar beneden snelt, om, onder voorwendsel van zijn paard te zadelen, de
paarden voor de slede te spannen, voorziet Bianca zich op hare kamer
van de noodwendigste zaken. Zij kan er thans niet buiten, Jeannette
deelgenoote van haar geheim te maken; deze wil van hare gebiedster niet
wijken, maar bidt met tranen, in haar lot te mogen deelen. Bianca moet
inwilligen, haar mede te nemen, te meer daar het meisje van Dolgorows
toorn alles te vreezen heeft, wanneer hij slechts vermoeden kan, dat
zijn geheim door haar kon verraden zijn. Deze pakt derhalve in alle
haast kleedingstukken en wat haar verder onmisbaar schijnt in, terwijl
hare meesteres zich van geld voorziet en hare juweelen, papieren,
brieven en kleinigheden in een kistje bijeen legt. Bernard en Lodewijk
hebben zich inmiddels, op raad van Willhofen, met pistolen, die den
bedienden toebehooren, gewapend. Lodewijk gaat naar beneden naar het
plein, om, zoodra Willhofen te paard stijgt, met de slede te volgen.
Bernard ijlt naar zijne zuster, om haar te geleiden. Een teeken, dat
hij uit het venster aan de benedenstaanden geeft, geeft blijk, dat de
vrouwen gereed zijn.
In angstvolle spanning stond Lodewijk op het plein en hield de oogen
onafgewend op Bianca's venster gericht. Het dringende gevaar, de
mogelijkheid om verraden te worden, de val in de diepste ellende, welke
alsdan op de schoone droomen eener namelooze zaligheid moest volgen,
dit alles veranderde voor de op de pijnbank gespannen verwachting de
seconden in eene eeuwigheid.
Eindelijk trad Bernard met een licht aan het venster en blies het
uit. Dit was het afgesproken teeken. Willhofen sprong te paard en
reed naar de poort toe, welke hij beval te openen. Lodewijk volgde
hem met de slede: onder de poort aan de trap, zoo luidde de afspraak,
zou hij stilhouden, Bernard en Bianca opnemen en dan, zoo snel de
paarden vermochten, den vooruitgaanden Willhofen volgen. Dat zij niet
dadelijk vervolgd konden worden, daarvoor had de voorzichtige Willhofen
gezorgd, doordien hij de tuigen van alle overige paarden, die in het
slot waren, bijeengenomen en over een ingevallen vak van den muur in
de slotgracht geworpen had, die wel toegevroren was, doch waar niemand
deze dingen zoude zoeken. Het was derhalve te verwachten, dat zij vóór
het aanbreken van den dag niet zouden gevonden worden. De duisternis
begunstigde hunne onderneming; zacht, zoodat men de voetstappen der
paarden over de sneeuw nauwelijks hoorde, kwam Lodewijk tot onder de
poort. Willhofen was er reeds buiten en hield aan de brug stil. Bij
den matten schijn der lamp, die het verwulf verlichtte, zag Lodewijk
met een kloppend hart de drie gedaanten op de trappen staan. Hij hield
stil. „Zijt gij het, Bernard?” fluisterde hij. „Wij zijn het,” was het
antwoord en metéén naderde Bianca, om in te stijgen.
Daar klonk op eenmaal Dolgorows vreeselijke stem: „Verraad! Holla! Sluit
de poort, grijpt de verraders!” In hetzelfde oogenblik flikkerde eene
getrokken sabel over Bernards hoofd en, door den houw getroffen, stortte
deze ter aarde.
Bianca gaf een luiden gil, wierp zich over den gevallene heen en
Dolgorow in den weg, die den arm reeds tot een tweeden slag ophief.
„Om Gods wil erbarming, houd op—het is mijn broeder!” riep zij op een
toon, die door de ziel sneed.
Lodewijk stond onbewegelijk. Doch snel bezon hij zich, hij sprong
van de slede, greep een pistool en schoot op Dolgorow. Hij trof hem
licht aan den schouder, zoodat de gewonde een oogenblik wankelde en
terugtrad. „Vlucht, ongelukkige,” riep Lodewijk nu en wilde Bianca
omvatten, doch reeds waren drie bedienden, die in de wachtkamer naast
de poort gezeten hadden, toegesneld en rukten hem achterover op den
grond. „Pakt de schelmen! Bindt hen!” riep Dolgorow woedend, en de
knechts, welker getal spoedig door eenige van het plein komenden
vermeerderde, wierpen zich op de ongelukkigen. Hij zelf greep Bianca
aan, rukte haar omhoog en droeg haar, daar zij zich wilde verzetten,
met geweld de trappen op. Hare kracht ging in hare smart te gronde; zij
kon geen weerstand bieden. Jeannette volgde hare gebiedster. De knechts
rukten, zonder verdere bevelen af te wachten, den bewusteloozen Bernard
en den verstommenden Lodewijk met zich voort en sleepten hen den graaf
na.
Boven op den gang ontmoette hem de gravin, die het geraas en het schot
gehoord had, zonder de reden te weten, en thans uit hare kamer kwam, om
naar deze te vernemen.
„Neem uwe dochter tot u, gravin,” riep Dolgorow, „de eer van ons huis
staat op een gevaarlijk spel.”
„Niet uwe dochter!” riep Feodorowna, die tot haar bewustzijn
terugkeerde, van smart buiten zich zelve: „ik erken uwe rechten niet
meer! Gij hebt mijn broeder vermoord!” Met geweld rukte zij zich thans
uit de armen van den graaf los en snelde de bedienden te gemoet,
welke Bernard en Lodewijk medesleepten. „Gij zijt mijne lijfeigenen!”
riep zij dezen te gemoet met eene kracht, die de vertwijfeling haar
verleende; „ik beveel u, dezen ongelukkige los te laten en den
bloedende ter hulp te komen.”
Dolgorow was haar nagevlogen. „Wie mijne bevelen niet gehoorzaamt,”
dreigde hij met hoog opgeheven sabel, terwijl hij zijne stem vreeselijk
verhief, „dien kloof ik den kop! Wie waagt het, mij te trotseeren?”
De lijfeigenen der vorstin stonden besluiteloos, daar zij tusschen
vrees en plichtgevoel wankelden. Twee van Dolgorows eigen lieden echter
bogen zich slaafs deemoedig en zeiden: „Alleen onze gebieder zal ons
bevelen geven, wat wij te doen hebben.”
„Ik deed dit reeds,” snauwde Dolgorow hun toornig toe; „bindt deze
honden en werpt hen in het diepste gewelf van het kasteel.”
„Neen, het is onmogelijk,” riep Bianca uit en sloeg hare beide armen om
haar broeder en drukte zijn bloedend hoofd aan hare borst: „ik verlaat
u niet mijn broeder, in mijne armen zult gij sterven.”
Door een schuwen eerbied aangegrepen, weken thans de ruwe slaven terug
en schenen een anderen plicht, dan dien der deemoedige gehoorzaamheid
gehoor te geven.
Dolgorow stampte kwaadaardig op den grond. „Werpt haar mede in het hok,
wanneer zij hem niet verlaten wil!” riep hij woedend uit en trad zelf
naar de ongelukkige toe, om haar van het hart haars broeders af te
rukken.
Lodewijks boezem werd op dit oogenblik van namelooze smart doorgriefd.
Daar doordrong hem op eenmaal het gevoel van de alomtegenwoordigheid
van den hoogsten Rechter, en in de zedelijke kracht zijner overtuiging
richtte hij zich trotsch tusschen de slaven, die hem de armen gebonden
hielden, op en riep den graaf met al de meerderheid der deugd toe:
„Houd op! Vrees voor eene vergelding! de Almachtige is getuige van
iedere daad, Zijne gerechtigheid ontkomt geen mensch!”
Dolgorow keerde zich trotsch om. Hij voelde zich inwendig getroffen,
ja, hij ondervond voor de eerste maal in zijn leven de stille, geheime
onrust van het kwaad geweten. Doch juist daarom kantte zich zijn
verhard gemoed daartegen aan, als tegen een schandelijke vlucht, en
zocht hij zijne ontroering achter verdubbelden trots te verbergen. Met
een spottenden lach hernam hij derhalve: „Meent gij? Ik denk u evenwel
te toonen, dat men _mijn_ toorn en _mijne_ gerechtigheid nog minder
ontkomt.”
In dit oogenblik liet zich opeens van beneden een dof geraas en luid
geschreeuw van verwarde stemmen hooren.
Allen stonden verrast en luisterden; het gedruisch kwam nader.
„Wat is daar te doen!” riep Dolgorow. „Gaat een van allen naar beneden
en ziet, wat dit misbaar beteekent.”
Doch toen een der bedienden dit bevel wilde gehoorzamen, hoorde men de
menigte reeds met geschreeuw de trappen opstormen. Een vlammende gloed
toonde aan, dat zij met lantaarnen of fakkels kwamen.
Dolgorow snelde thans, ongerust geworden, zelf naar de trap. Het
geschreeuw der aanstormenden wies met ieder oogenblik. „Hierheen,
hier!” riep eene stem; „volgt mij.”
Lodewijk herkende de stem van Willhofen. Een voorgevoel, dat hij
redding aanbracht, doordrong zijn borst. Doch nauwelijks was deze
gedachte bij hem opgekomen, toen een schot en dadelijk daarop een
tweede, gevolgd van een vreeselijk woedend geschreeuw, zich liet hooren.
Dolgorow, op wien de schoten gemunt waren geweest, keerde haastig
terug; hij hield de hand aan zijne gekwetste zijde, doch moedig zwaaide
hij nog zijne sabel en riep de bedienden te hulp. Deze waren ongewapend
en aarzelden.
„Vecht of ik stoot u neder,” brulde Dolgorow en stampte met den voet,
dat de bodem dreunde. De verschrikte slaven lieten Lodewijk en Bernard
los en snelden naar hun meester. Daar vervulde opeens een helder rood
fakkellicht het geheele gewelf, en Lodewijk zag den trouwen Willhofen,
die, in zijne rechterhand eene sabel, in de linker eene helder
lichtende fakkel zwaaiend, op de bovenste trede van den trap verscheen.
Snel drong hij voorwaarts, eene menigte menschen met knuppels en
stokken achter hem. Woedend stormden zij op Dolgorow en de zijnen aan;
dezen gingen op de vlucht en vloden langs den gang. Dolgorow wilde
standhouden, doch hij werd overweldigd en ter aarde geworpen; de schaar
drong voort en voordat Lodewijk zich bezinnen kon, drukte Willhofen
hem de hand, en schudde haar en riep juichend uit: „Wij zijn gered,
mijnheer!”
Lodewijk viel den trouwen dienaar om den hals en hield hem dronken van
vreugde in zijne armen geklemd.
Bianca knielde op den grond; het hoofd van haar gevallen broeder lag op
haar schoot. Zij vouwde de handen over zijn bleek, bloedig gelaat. Hare
bevende lippen waren niet bij machte eenig geluid voort te brengen,
doch in haar ten hemel gericht oog gloeide de reinste dankbaarheid aan
den Algoede. „Broeder, open gij slechts uwe oogen weder!” stamelde
zij na eenige oogenblikken en trachtte zijn neergezonken hoofd op te
richten. Daar keerde zijn bewustzijn terug. Hij sloeg zijne oogen op en
vroeg: „Waar ben ik?”
„Aan het hart uwer zuster,” riep Bianca met den juichtoon der vreugde
en hare hijgende borst vermocht nauwelijks te ademen.
Lodewijk had zich tot haar nedergebogen en hielp haar den gekwetste
weder oprichten. Hij veegde hem met zijn zakdoek het bloed van het
voorhoofd en vroeg: „Smart de wonde u? Is zij diep?”
„Neen, mijn beste vriend,” zeide Bernard, „ik voel mij zeer verruimd en
wel. Doch wat is er gebeurd?”
„Ik weet het zelf nog nauwelijks,” hernam Lodewijk, „doch eerst moet
gij geholpen worden.” Zijn vriend en zijne zuster voerden hem naar
zijne kamer. Hier wiesch Bianca hem zelve zijne wonde en verbond die
met haren zakdoek. Ondertusschen trad Willhofen binnen. Lodewijk wees
op dezen en zeide: „Zie hier onzen redder; doch hoe hij het geworden
is, heeft hij ons nog niet verklaard.”
„Waarachtig, ik weet het zelf nauwelijks,” hernam Willhofen. „Ik stond
buiten op de brug en wachtte op u, toen ik opeens een luid geschreeuw
en dadelijk daarop een schot hoorde. Daar keerde ik mijn paard om en
zag de bedienden uit de wachtkamer naar de slede loopen. Nu wist ik,
wat er gaande was. Onzeker, of ik vluchten of blijven zoude, zag ik van
buiten het leven mede aan. Toen echter de kerels de trappen opvlogen
en de poort ledig werd, kwam de gedachte bij mij op: de gevangene
Franschen moeten ons helpen! Als de wind vlieg ik het plein op; de
kerel met zijn oud geweer, die voor de deur van het hek, waar zij
opgesloten zaten, op schildwacht stond, dacht om geen aanval; want van
het paard te springen, hem op den grond te werpen, hem zijn geweer te
ontrukken en met een kolfslag het roepen te beletten, was het werk
van een oogenblik. De deur is van buiten alleen gegrendeld; ik ruk de
grendels los; spring er in, in de tweede deur steekt de sleutel, ik
draai ze om en de gevangenen zijn vrij. Snel raap ik het beetje fransch
dat ik nog van mijne jeugd onthouden heb, bij elkander en vraag hun, of
zij den moed hebben, zich te bevrijden? Ik behoefde het voor den duivel
geen tweemaal te vragen. „Zoo komt dan,” riep ik, en zij volgden mij
naar het plein. Toen ik hen hier in de open lucht had, bracht ik hen
bij een hoop hout, die rechts om den hoek lag, beval hun, hier ferme
knuppels te nemen en mij dan naar de poort te volgen. Ondertusschen
loop ik vooruit, sluit de buitenpoort, opdat mij de knapen niet vlak
voor mijn neus in het bosch naar den duivel zouden loopen en ons
hier in den steek laten, pak uit de kachel in de wachtkamer een paar
brandhouten en trommel en wenk hen toen naderbij. Zij vliegen als
de wind toe, mij na, de trappen met gehuil en geschreeuw op en—het
overige weet gij immers. Thans zijn wij meester van het slot. Maar wij
zullen toch weldoen met nog in dit uur af te trekken, want men kan niet
weten wat het volgende zal opleveren.”
„Brave kerel!” riep Bernard, „gij zijt een Duitscher gebleven, midden
in Ruslands woestijnen. Ik voel mij sterk genoeg, mijne vrienden! Laat
ons haast maken, om in het vrije veld te komen.”
„De slede is nog aangespannen,” antwoordde Willhofen, „wij kunnen
oogenblikkelijk voort. Maar hoor, wat is dat?”
Men hoorde aan de poort kloppen en daarbuiten zweepslagen en het
schellengerinkel van een slede.
Allen schrikten.
„Slechts bedaard! Wij zullen zien, wie het is,” zeide Willhofen, „zijn
er velen, dan laten wij hen niet binnen. Tegen weinigen hebben wij de
overmacht, want onze vijanden hier zijn onschadelijk gemaakt.” Met deze
woorden ging hij naar buiten, om uit een der voorste vensters te zien,
wie er was.
Binnen drie minuten keerde hij terug en berichtte: „Er is geen gevaar
bij, uwe hoogheid! Het is vader Gregorius.”
„Dien zendt de hemel zelf mij toe,” riep Bianca. „O, die brave
grijsaard, die nacht noch winter ontziet, om aan mijne bede, zoo snel
hij kan, gehoor te geven.—Doe open, doe open—neen, ik zelve wil hem
ontvangen.”
Zij snelde zoo ras naar beneden, dat Willhofen haar nauwelijks kon
volgen. Na eenige minuten keerde zij aan de zijde des grijsaards, aan
wien zij zich als een liefderijken vader vertrouwelijk aansloot, terug.
„Zie mijn vader—hier is hij—hij is waarlijk mijn broeder.”
Bernard stond eerbiedig op, want het gelaat van Gregorius geleek
dat van een heilige; eene zachte vreugde temperde den ernst zijner
gelaatstrekken, zijne oogen schitterden, eene eerbiedige bewondering
van de schikkingen des Almachtigen straalde uit den vroom omhoog
geheven blik.
„Zoo wonderbaar leidt de Onnaspeurlijke onze schreden,” sprak hij,
onwillekeurig stilstaande, „zoo bestuurt Hij ons lot aan onzichtbare
draden, welke Hij alleen kan aanknoopen en ontbinden! Wees gegroet,
mijn zoon!” voer hij, naderkomend voort en legde zijne hand op Bernards
gebogen hoofd, „de zegen des hemels ruste op u! Zie, de Algoede is
kennelijk met u, hier, waar zijne wraakengelen den overmoed der
misdadigen straffen, hier in de verlaten wouden en sneeuwwoestijnen van
het noorden, waar het akelig verderf alle die duizenden genaakt, die
het heiligdom van onzen haard, ons land en onzen God aantasten—hier
laat Hij voor u de liefelijkste bloem ontspruiten en geeft ze aan uwe
zorg, aan uwe bescherming, aan uwe bewaring over. Gij kwaamt met het
zwaard, doch de engel des Heeren ontneemt het u en biedt u den palmtak
aan.”
„Ik ontvang dien met ontroering en dankbaarheid,” hernam Bernard en
boog zich bewogen over de hand van Gregorius.
„O, mijn vader!” sprak Bianca hem biddend toe, „gij zult de verzoener
zijn, uwe vrome hand zal den bloesemtak des geluks van den haat en het
bloed reinigen, die hem bezoedelden. De heiligste plicht, de machtigste
stem des harten volgende, moest ik andere, oudere banden verbreken;
gaarne had ik ze zacht ontbonden, doch thans heeft het zwaard der
tweedracht ze verscheurd. Wees gij de bemiddelaar tusschen mij en mijne
pleegouders; ik verdien hun haat niet, doch zelfs de onrechtvaardige
vloek zou onheilbrengend aan mijn geluk knagen.—Waar is mijn vader?
waar mijne moeder?”
„Ik laat hen boven op de zaal bewaken,” antwoordde Willhofen.
„Dan willen wij tot hen gaan,” smeekte Bianca dringend. „Mijn
broeder, zoudt gij mij kunnen begeleiden?—Lodewijk, wilt gij mij ook
volgen?—Buigt uwe harde mannenharten tot het werk der verzoening en
der liefde.”
„Welk hart zou deze zachte bede wederstaan?” zeide Lodewijk. „De
verschrikkelijkste ijzeren woede zoude, indien zij mijne borst
vervulde, verdwijnen, gelijk de sneeuw smelt voor het zachte oog der
lente.”
Bernard had haar bij de hand gevat en zeide, terwijl hij die zacht
drukte: „Ik ben driftig, ontoombaar; ach, ik weet het, er is weinig
goeds in mij, wilden man! Maar, mijne zuster, gij—aan een haar uwer
zijden lokken kunt gij mij leiden en gij zult mij daarmede vaster
boeien, dan door tienvoudige ketenen. Door u werd ik misschien nog
goed, mijne beste!—Doch laat ons gaan.” Zij gingen.
In de zaal vonden zij Dolgorow met donkere blikken, bleek van inwendige
woede, op en neder gaan. De gravin zat in een leuningstoel, afgemat en
weenende.
„Wat wilt gij?—Zijt gij ook in de samenzwering, en van uw vaderland en
uwen God afvallig geworden, Gregorius?”—beet Dolgorow den naderenden
grijsaard boosaardig toe.
Deze hernam met eene zachte stem: „Spreek geen woorden van haat in
dit uur, waarin de eeuwige Bestuurder aller dingen u zijn dreigend
aanschijn heeft getoond. Spreek geen woorden van haat, thans, daar wij
in liefde naderen. Gij hebt heilige banden der natuur verbroken, maar
Gods oog waakte en voerde hen te zamen, die elkaar toebehoorden. Wees
niet gramstorig op hen, die geene schuld hebben, verzoen de strenge
daad door zachte liefde. Zij, die u zoo lang vader noemde, zij gaat van
u, want een nieuwe plicht roept haar; laat haar in liefde en verzoening
scheiden.”
Dolgorow zweeg en wendde zich af.
„Mijn vader, mijne moeder!” sprak Bianca met bevende stem en trad
bevreesd nader: „Ik zou deze heilige namen, die ik door u leerde kennen,
niet gaarne vergeten. Ik leed veel, doch ik genoot ook veel goeds.
Daarvoor zal mijn hart steeds dankbaar zijn. Scheiden moet ik, want
ik zou hier eeuwig eene vreemdelinge gebleven zijn. Geen gewoonte,
geen levenswijze heeft de zucht kunnen smoren, welke de natuur in mijn
hart heeft geplant. Andere gevoelens en neigingen zijn mij ten erfdeel
geworden, ik moet uit deze kringen, waarin ik mij nooit te huis bevond,
terugtreden. Mij trekken heilige, dierbare plichten. Niet slechts de
band, die de zuster aan den broeder verbindt, ook eene andere, niet
minder heilige trekt mij met onverbreekbare kracht. Mijn hart heeft
gekozen. Ik voel, dat mijne liefde aan een goddelijk bevel gehoorzaamde,
daarom belijd ik haar vrij en openlijk. Zoo moeten de oude banden worden
losgemaakt. O, mijne ouders, laat het niet met geweld geschieden.
Bespaar u en mij eene smart, welke wij slechts door vrijen wil kunnen
ontgaan! Laat ons in liefde scheiden!”
Biddend was Bianca de gravin genaderd en vatte hare nederhangende hand.
„Heb ik ooit mijn kinderplicht jegens u verzuimd, mijne moeder? Zelfs
het smartelijkste offer heb ik bloedende, doch zwijgende gebracht; een
offer, dat, thans gevoel ik het, zelfs de macht der ouders te boven
ging. Een allesbesturend God heeft mijne banden verbroken, nog eer mij
hun smaad had aangeraakt. Zie daarin den wenk des Almachtigen! Buig u
voor Zijn wil, en zegen met liefde, wat gij niet meer kunt veranderen.
Dat zij mijn loon voor dat uur van onvergetelijken jammer, toen ik mij
naar uwen wil voegde en alle verwachtingen des levens begroef. Zij
zijn weder opgestaan, machtig opgestaan door den wonderbaren raad des
Eeuwigen. O, giet den milden dauw des zegens over de jonge bloesems en
vergiftig ze niet met de koude droppels van den haat!”
De gravin wendde zich wel is waar weenend, doch ongeroerd af. Hare
tranen waren slechts die der verbittering. Dolgorow stond stom en
onbewegelijk.
„Vrome vader Gregorius!” smeekte Bianca met gesmoorde stem, „o laat gij
nog eenmaal uwe zachte woorden hooren. Uw geheiligde stem zal dieper
indruk maken, dan de bede der dochter.”
De grijsaard trad nader tot de gravin, doch sprak tot beiden gekeerd:
„Hebt uwe vijanden lief, doet wel dengenen, die u haten, eischt het
bevel des Heeren van ons. Gij moet slechts den geringeren plicht
vervullen, door liefde met liefde te vergelden, door slechts daar niet
toornig te zijn, waar geene schuld is. Dat gebod oefent de wilde tegen
den wilde uit. Gij zult het niet overtreden. Bij de genade van den
Allergenadigsten, welke gij in uw laatste uur zult behoeven—en weet
gij dan, of niet het volgend uur uw laatste is?—bij de verzoenende
liefde des Heilands vermaan ik u, handelt volgens het goddelijk en
menschelijk gebod en verhardt u niet in uwen toorn!”
„Het is genoeg!” riep Dolgorow, verbitterd opstuivend. „Gij zijt de
afvallige priester der vijanden geworden! Wat wilt gij thans van mij?
Ik ben uw gevangene. De prinses Ochalskoi, een dochter van Rusland,
laat den graaf Dolgorow, haren vader, den verdediger des vaderlands,
door verraders boeien! Het is haar gelukt, zij kan nu verder hare
bevelen geven!”
„O hemel, dat is te veel!” riep Bianca uit en verborg haar hoofd aan
de borst van Gregorius, die zijn arm zacht om haar heen sloeg. „Mijne
zuster, kom, anders breek ik mijne belofte,” sprak Bernard dringend,
van toorn bevend.
Lodewijk trad in eene edele houding vooruit en wendde zich tot
Dolgorow. „Kunt gij het verdragen, aldus voor den rechter van uw eigen
hart te staan? Laat af, het reinste hart met onwaardigen laster te
krenken! Hier vindt gij geen oor, dat door zulke woorden bedrogen
wordt.”
Dolgorow antwoordde niet.
Toen hief Gregorius zijne handen ten hemel en bad met nadruk:
„Hemelsche Vader! schenk Gij aan deze reine Uwe genade. Zij is
onschuldig voor U!” Hierop legde hij zijne hand zegenend op Bianca's
hoofd. „Ontvang hier den zegen des Heeren! Zijne zachte vleugelen
zullen zich over u uitbreiden en u beschermen voor de grimmigheid der
boozen! En al volgde u zelfs de vloek van een waren vader na, hij zoude
onmachtig afglijden bij het schild, hetwelk de Heer door mij over u
uitstrekt. Trek nu in vrede, waarheen de heilige stem des harten u
roept. Rein zijt gij van alle schuld; zoo zal ook het gezegende lot der
goeden u geworden!”
Met deze woorden wendde hij zich af en ging op de deur der kamer toe.
Wankelend volgde hem Bianca; Bernard en Lodewijk ondersteunden en
begeleidden haar.
„Stijgt maar spoedig in de slede, mijne heeren,” bad Willhofen, die hen
buiten wachtte. „Wij moeten waarlijk voort. Doch dekt u goed, want de
nacht is koud. Ik ben dadelijk hier gereed en zet mij dan te paard, om
mij warm te rijden.”
Lodewijk volgde den raad van den eerlijken vriend. Hij hielp Bernard
bij het instijgen zijner zuster, zette zich als voerman op de slede en
nam ten tweedenmale de teugels in handen.
Bianca hield haren broeder, die zich toch door het bloedverlies
zeer afgemat en in de snerpende koude ook de pijnen van zijne wond
voelde, zacht in hare armen. Jeannette plaatste zich, daar Bernard, om
gemakkelijker te zitten, nu meer plaats noodig had, bij Gregorius in de
slede.
Willhofen had intusschen de gevangen Franschen verzameld, die zich
volgens krijgsrecht in allerijl van de kleederen, levensmiddelen en
wapenen voorzien hadden, die in het slot te vinden waren geweest. Hij
nam hun aanvoerder, een jong officier, ter zijde en beduidde hem, wat
hij te doen had.
„Volg het spoor van de sleden maar,” zeide hij, „dan komt gij tot
bij drie groote dennen, nevens welke een wegwijzer staat. Daar gaat
gij rechts, wanneer onze sleden zich links wenden. Dan bereikt gij
Smolensko in twee uren. De nacht is door de starren en de sneeuw vrij
helder, gij zult genoeg zien. De gravin moet gij maar hier op het slot
laten, doch neem den graaf als gijzelaar mede, voor het geval gij
misschien onderweg een troep Russen mocht ontmoeten. Ik sta u borg,
dat zij u geen haar zullen krenken wanneer zijn leven er aan hangt.
En volgt gij mijn raad, laat hem dan aan de poorten der vesting vrij;
want het is niet goed, de wraak zijner vijanden te erg aan te zetten,
en laat gij hem goedschiks naar huis keeren, zoo kan het u misschien
nog eenmaal te pas komen. In alle geval echter, haast u het slot te
verlaten, want hier zijt gij geen uur zeker voor ongenoodigde gasten.
Wilt gij rijden, dan staan er in den stal nog verscheidene paarden,
maar het tuig ligt in de sneeuw van de slotgracht achter den ouden
muur. Nu, vaarwel!”
Thans sprong de oude te paard en vloog de slotpoort uit. De beide
sleden volgden hem. Spoedig na hen verlieten ook de bevrijde gevangenen
met Dolgorow als gijzelaar in hun midden in een kleinen, welgeregelden
troep het slot.
Nog eenmaal wendde Bianca het hoofd om. Naarmate de torens van het slot
verder achter haar verdwenen, haalde zij vrijer adem. Thans, daar het
donkere woud haar omgaf, legde zij het hoofd zacht tegen de borst haars
broeders en vergoot weemoedig zoete tranen.