HOOFDSTUK VIII.

Thans eerst vereenigde de innigste band de drie beminnende zielen.

Zij waren zóó overgelukkig, dat alle zorg, alle schrik voor de

toekomst verbannen scheen. Slechts in het verledene verwijlden zij,

zich vermeiende in het aangenaam herdenken van de oogenblikken hunner

eerste ontmoeting, toen de kiem ontsproot van den heerlijken boom,

die hen thans met zijne bloesemkroon beschaduwde. Lodewijk verhaalde

van dien dag, waarop hij voor het eerst den groenen sluier op eene

uitgebreide sneeuwvlakte had gezien en, door een onwederstaanbaar

voorgevoel gedreven, hem dat vooruitzwevende doel was nageijld. „O,

Bianca,” zeide hij geroerd, „toen reeds bouwde ik in hoogvliegende

droomen luchtkasteelen, waaraan ik zelf niet durfde gelooven. En thans

heeft eene wonderhand ons midden in die zalige gewesten gevoerd!—Maar

ook thans waag ik niet te gelooven, dat alles werkelijk is, wat ik om

mij zie. Spreek, mijne beminde, zullen deze liefelijke gestalten niet

verzinken? Reik mij de hand ten onderpand, dat gij leeft, dat gij mij

inderdaad nabij zijt en niet verdwijnen zult, wanneer ik u aanraak!”

Zij gaf hem vriendelijk glimlachend hare hand.

„Ja, ja, gij zijt het,” begon hij weder; „zoo glimlachtet gij,

toen ik voor de eerste maal uw gelaat zag. Weet gij het nog? In

het dal van Aosta, bij die hut, welke de wijnranken vertrouwelijk

omslingerden, waar de kastanjeboom zijne takken beschaduwend over het

grasperk uitbreidde. O, dat tafereel zal nimmer uit mijne herinnering

verdwijnen!”

Zij zag hem aan met de uitdrukking der innigste liefde; een traan glom

in haar helder blauw oog.—„O, het was schoon daar,” zeide zij bewogen.

„En weet gij, lieve zuster,” sprak Bernard, „waar ik u het eerst gezien

heb?”

„Uwe eerste ontmoeting was eene gezegende,” hernam zij; „gij reddet de

zuster uit den dringenden nood, waarin zij met hen, aan wie zij haar

hart geheel gewijd had, verkeerde.”

„Neen! Ik kende u reeds veel vroeger,” zeide hij lachend. „Niet in eene

romanesk gelegen hut, maar midden in den glans der rijke, bedorven

wereld heb ik u het eerst gezien. Maar ik ontdekte den reinen diamant

uwer ziel midden onder de menigte van valsche steenen, daar ik ze aan

een anderen diamant zag toetsen. Het was te Londen in de _Romeo en

Julia_, dat ik in uwe tranen spoedig echte parelen zag. Ik wilde de

schoone schelp rooven—herinnert gij het u niet meer, mijne zuster?”

„Hoe?” vroeg zij verwonderd en zocht door het levend beeld haars

broeders dat harer herinnering te verjongen; „hoe waart _gij_ die jonge

schilder?”

„Niemand anders dan ik,” hernam Bernard. „En gisteren nog zou ik u het

bewijs hebben kunnen leveren, want Lodewijk had uw portret sinds lang.

De schelm Beaucaire heeft het ons ontroofd.—Doch wie was die trotsche,

engelsche gek, die mij uitdaagde en zich naderhand niet vinden liet?”

„O, mijn broeder,” antwoordde Bianca met levendigheid, „dan dank ik u

reeds eene onmetelijke weldaad. Die Engelschman, lord Glower, was de

voor mij bestemde bruidegom. Dit voorval verwekte een twist tusschen

hem en mijn vader, wijl deze afkeurde, dat de lord zich aan het

tweegevecht onttrokken had. Zoo werd door den beleedigden trots van den

Engelsman eene betrekking verbroken, welke mijne gebeden en tranen te

vergeefs getracht hadden af te wenden.”

„Men wilde u alzoo dwingen?” vroeg Bernard.

„De dochter,” antwoordde Bianca zacht en bepaald, „meende te moeten

gehoorzamen; haar hart kende toen de liefde nog niet. Maar zij alleen

werpt een zuiver licht op de verwarde paden der plichten en voert,

gelijk de morgenster, den dwalenden voet aan het doel.”

„Doch gij waart gehuwd, lieve zuster?” vroeg Bernard.

Lodewijk beefde inwendig bij deze vraag.

Bianca bloosde sterk en sloeg beschaamd hare oogen neder. „Het was door

dwang, dat ik den naam eener prinses Ochalskoi draag,” zeide zij zacht;

„doch gij zult uwe zuster voorzeker vrijspreken.”

Zij verhaalde thans met weinige woorden de geschiedenis van haar

huwelijk. Lodewijk werd daardoor hevig ontroerd, doch het trotsche hart

van Bernard zwol van toorn. Hij stond op en ging met onrustige schreden

door het vertrek op en neder.

„Lieve zuster,” sprak hij na eenige minuten, „uit alles, wat gij

verhaalt, zie ik, dat ons heil hier aan een haar over een afgrond

hangt. Wij hebben een uur in de zoetste rust ons geluk genoten; doch

de nood dwingt ons te handelen. Zeg mij, weet graaf Dolgorow, dat het

geheim uwer geboorte u bekend is?”

„Hij weet het niet; ik zweeg, om Ruschka's broeder niet in het ongeluk

te storten, en om ongehinderd naar u te kunnen vernemen.”

„En zoudt gij nog schroomen, u aan hem te ontdekken?”

„Voorzeker,” riep zij snel.

„Zoudt gij dan vreezen....”

„Alles, mijn broeder, voor u, voor mij—voor uw vriend,” voegde zij er

zachter bij.

„Dan moeten wij ons zelven den weg banen. Strenge bewaring van het

geheim is ten eerste noodig.—Mijne zuster, ik heb u slechts eene vraag

te doen; wilt gij met ons naar Duitschland gaan? Kunt gij rang, macht

en rijkdom verzaken, om een broeder en een vriend te volgen, die u niets

aanbieden dan hun hart, hun hoofd en in het ergste geval hunne werkzame

handen?”

„O mijn broeder!” riep Bianca en sloeg haren arm om hem heen, „vraagt

gij mij waarlijk, of ik de vurigste wenschen mijns harten wil

vervullen?”

„Goed dan,” zeide Bernard bedaard; „zoo is de weg, dien wij in te

slaan hebben, te zwijgen en te vluchten, wanneer zich eene gunstige

gelegenheid voordoet, maar vooral om thans te scheiden, opdat ons laat

bijeenblijven geen argwaan wekke. Morgen zal de zon ons immers wel

weder beschijnen.”

In Bernards toon lag iets gebiedends, dat bijna onwillekeurige

gehoorzaamheid vond. Zoo gehoorzaamde Bianca hem dan ook en scheidde,

na eene innige omarming, met liefdevollen blik, terwijl zij door de

deur naar de vertrekken der gravin verdween. Bernard en Lodewijk

begaven zich naar hunne slaapkamer.

In de voorzaal wachtte Willhofen, die hun bijzonder als bediende was

toegevoegd, en lichtte hen door de gang naar hun vertrek.

Toen zij binnengetreden waren, sprak Lodewijk hem aan: „Vriend, trouwe,

eerlijke knecht mijns vaders, zult gij zijn zoon evenzoo aanhangen als

hem?”

„Ach, mijnheer,” riep Willhofen vroolijk, „reeds omdat gij een

Duitscher zijt en mijne taal spreekt, zoude ik alles voor u doen. Maar

mag ik een openhartig woord spreken?—Lieve heeren, uwe zaken staan

hier gevaarlijk—de graaf en de gravin denken anders dan de prinses;

zij is eene engelachtige vrouw.”

„Willhofen,” zeide Lodewijk, „wij zijn niet blind voor ons gevaar, maar

juist gij moet ons raad geven, hoe wij het ontkomen. Gij weet te veel

om niet alles te weten; de prinses is de zuster mijns vriends en mijne

verloofde. Zij is bereid, ons naar Duitschland te volgen. Is dat nu of

spoedig uit te voeren?”

„Mogelijk is het zeker, doch zeer moeielijk,” hernam Willhofen. „Meent

gij dan, dat, wanneer het zoo gemakkelijk was, ik niet reeds voor

lang zou gevlucht zijn? Slechts daarom heb ik in mijne oude dagen de

wapenen weder opgenomen, om den duitschen grond nader bij te zijn;

want ik hoopte gelegenheid te vinden om te vluchten. Tot nu toe is het

echter onmogelijk geweest, vooral nu, daar de landstorm, de boeren, de

kozakken en de fransche legers rondom alles bedekken. Wien wij ook in

handen vallen, wij zijn altijd verloren! Ik zeg _wij_, lieve heeren;

want gij zult mij toch toestaan, met u te vluchten?”

„Wij hopen dit, mijn vriend,” hernam Lodewijk.

„Maakt gij onze vlucht mogelijk, oude,” zeide Bernard, „dan zult gij in

Duitschland een zorgeloozen ouderdom hebben.”

„O God,” riep de oude man, „wanneer de zon mijns levens toch nog

vroolijk onderging! Ik zal beproeven, wat mogelijk is. Ik sta nog al

goed bij de gravin, ik wil zien, of zij mij haar vertrouwen schenkt;

want vooral moeten wij te weten komen, of zij kwaad vermoedt. Is haar

argwaan reeds opgewekt, dan hebben wij geen tijd te verliezen; anders

kunnen wij met iederen dag uitstel slechts winnen.”

„Doe wat gij kunt, beste vriend,” zeide Lodewijk, „en breng ons zoo

spoedig mogelijk bericht.”

Willhofen vertrok.

„Zal onze nacht zoet of onrustig bewogen zijn?” vroeg Lodewijk, toen

hij zich met Bernard alleen zag. „Vriend, welk een dag was dit!”

„Op aarde ben ik niet veel geweest,” hernam Bernard, „maar eene

reis of twee, drie in den hemel en in de hel. Thans echter moet ik

bekennen, dat al de zenuwen mijner ziel zoo afgemat en moe zijn, als

mijn lichaam, waarin ik langzamerhand de vermoeidheid des doods voel

binnensluipen. Het noodlot met zijn donder en bliksem heeft mij elk

kwartier uit den slaap opgejaagd. Maar gij weet, er komt een tijd,

wanneer de afgematte zelfs door het verdoovende kraken van een nevens

hem neerstortenden sneeuwval noch verschrikt, noch gewekt wordt.

Thans ben ik zoo ver; ik kon, zooals eenige manschappen, die in

doodsvermoeidheid op marsch nedergestort waren, een twaalfponder tegen

mijne voeten zien rijden en het der moeite niet waard rekenen, ze op

zij te trekken.”

Lodewijk, die slechts door geweldige gemoedsaandoeningen geslingerd was

geworden, maar bijna geen lichamelijke vermoeienissen had ondervonden,

voelde zich minder uitgeput. Met schrik zag hij derhalve Bernard onder

het spreken al bleeker en bleeker worden, en bemerkte aan zijne dof

slepende stem, dat het bewustzijn hem begaf. Snel sprong hij op hem

toe, greep hem bij den arm en riep: „Bernard, wat scheelt u? Zijt gij

ziek?”

„Neen, beste—maar—geheel—dood af—,” antwoordde hij in afgebroken

woorden en zonk in de armen zijns vriends ineen.—Zoo was dan ook

eindelijk de uitgeputte kracht van dezen sterke, die tot nu toe door de

uiterste inspanning van zijn geest de natuur getrotseerd had, gebroken.

Lodewijk droeg hem zacht op een rustbed en liet aan den slaap over,

hem met zijne versterkende kracht opnieuw te doen opleven.—Spoedig

verzonk hij ook zelf in zoete verdooving, welke nauwelijks door zwakke

droombeelden werd afgebroken.

Toen hij ontwaakte, was het klaar dag en een schitterende lichtstroom

drong hem in de oogen. Willhofen stond voor hem en zeide glimlachend:

„Gij hebt een gezonden slaap, mijnheer, dat moet ik zeggen. Ik heb

reeds driemaal te vergeefs aan de deur geklopt en moest eindelijk

binnentreden.—Maar de heer dáár slaapt nog vaster.”

Lodewijk had eenige oogenblikken noodig, om de hem omringende

voorwerpen in samenhang te brengen met zijne morgendroomen, die hem,

gelijk zoo dikwijls in zijn vaderland hadden overgebracht. Hij richtte

zich op. Als een wonder kwam hem de frissche kracht zijner leden voor;

hij voelde den vollen levenslust, den jeugdigen levensmoed zoo goed als

ooit te voren in zijne beste dagen. „Ja, alles is wezenlijk,” zeide hij

en zag den oude vroolijk in het brave gelaat.

„O, welk een geluk is zulk ontwaken!”

Hij sprong op en beschouwde Bernard; ook in hem was de levenskracht

teruggekeerd; hij ademde vol, maar licht: een toonbeeld van mannelijke

gezondheid.

„Bernard!” zeide hij en nam zijne hand. „Bernard!” Hij ontwaakte

niet, voordat zijn vriend hem de hand op het voorhoofd legde. Toen

sloeg hij zijne oogen op en zeide: „Lodewijk, zijt gij het, die mij

zoo vriendelijk wekt? Gij hebt een schoonen droom verjaagd; doch hij

ontvliedt voor eene nog schoonere waarheid.”

„De prinses is reeds voor lang opgestaan,” zeide Willhofen; „doch zij

heeft uitdrukkelijk bevolen, dat ik u niet zoude wekken. Eindelijk

scheen het mij echter toch tijd toe daar het bijna middag is.”

„Middag?” vroeg Bernard en een soort van schaamte kleurde zijne wangen.

„Foei, dat wij ons hier dadelijk als een paar slaapkoppen moesten

tentoonstellen!”

„O, de gravin ligt ook nog te bed,” antwoordde Willhofen, „en zelfs de

gevangenen zijn nog niet afgemarcheerd; de dag van gisteren was voor

ons allen hard.”

„Welke gevangenen?” vroeg Bernard.

„De Franschen, die wij gisteren in onze macht kregen,” hernam de

oude man. „Zie daar, juist worden zij gemonsterd, om verder in het

binnenland gevoerd te worden.”

Bernard trad aan het venster. Het gezicht der twintig ongelukkigen, die

met bleeke gezichten, slecht gekleed, half verhongerd voor hem stonden

en van koude of vrees voor hun lot beefden, sneed hem door het hart.

„Waar brengt men hen heen?” vroeg hij.

„Denkelijk daarheen,” antwoordde Willhofen, „waar ik zoovele jaren

versmacht heb, naar Siberië; de weg daarheen is gemakkelijk gevonden,

maar terug is hij moeielijk.”

„En waarom kwaamt gij daar?” zeide Lodewijk. „Wie had het recht, een

ongelukkigen schipbreukeling in balling te zenden?”

„Het geschiedde volkomen naar de wet,” zeide Willhofen met bitterheid;

„ik was naakt en bloot aan de kust geworpen. Een russisch herbergier

borgde mij vijf roebels, weergeven kon ik ze niet. Toen werd ik met het

gebruik van mijn dienst zijn eigendom en hij verkocht mij aan prins

Ochalskoi, die juist eene fabriek op zijne goederen bij Bern oprichtte.”

„Dus voor vijf roebels!”

„Zuchtte ik achttien jaren lang naar mijn vaderland en al de mijnen.”

„Wees getroost, oude,” klopte Bernard hem op de schouders, „van nu af

zal het beter gaan. Het is altijd een mooie dag geweest, wanneer de

avond helder is.—Doch wat beteekent dat? De gevangenen schijnen immers

weer uiteen te gaan?”

Willhofen zag uit. Een kozak was het plein opgereden en sprak met de

boeren, die het transport begeleidden. „Ik wil dadelijk zien, wat er

gaande is,” zeide hij en ijlde naar buiten.

Na eenige minuten keerde hij met de tijding terug, dat Dolgorow bevolen

had, de lieden hier nog op te houden, daar hij morgen en overmorgen

door gelukkige aanvallen op de fransche achterhoede het getal der

gevangenen hoopte te vermeerderen. Dan konden zij allen tegelijk worden

vervoerd.

„Zoo doe mij den dienst, vriend,” zeide Bernard, „en zorg, dat die

ongelukkigen, die reeds half dood zijn, zoo goed mogelijk verzorgd

worden.”

Willhofen beloofde het en vertrok.

Beide vrienden hadden zich intusschen aangekleed en begaven zich naar

de zaal, waar, zooals hun bericht was, Bianca met het ontbijt op hen

wachtte. Doch toen zij binnen kwamen, vonden zij het vertrek ledig,

ofschoon de tafel voor het ontbijt was gedekt. Een bediende, die

spoedig daarna binnentrad, meldde hun vanwege de gravin Dolgorow, dat

de prinses niet zou verschijnen.

Lodewijk was ontsteld, doch Bernard scheen er niet bijzonder op te

letten en zette zich aan tafel. Toen de knecht zich verwijderd had,

vroeg Lodewijk: „Wat mag er gebeurd zijn? Zou de ziekte der gravin

eene gevaarlijke wending hebben genomen?—Ik had mij zeer op dezen

vriendelijken morgengroet verheugd; want de heldere, klare dag kan ons,

dunkt mij, eerst de volle zekerheid van ons geluk geven. En nu....”

„Als hier maar niets ergers achter verborgen ligt,” bromde Bernard

en stond op. „Ik vermoed niets goeds. Mijne zuster zou het zonder

dringende reden niet van zich hebben kunnen verkrijgen, haren broeder,

eerst gisteren gevonden, heden niet opnieuw te begroeten. Laat ons

daarom voorzichtig zijn en toch niet door te veel vragen ons zelven

verraden.”

„Gelooft gij dan, dat er zich iets gevaarlijks voor ons heeft

opgedaan?” vroeg Lodewijk verwonderd.

„Ik geloof evengoed niets als alles; want beide is even mogelijk,”

antwoordde Bernard ras.—„Hm! misschien is het ook maar voorzichtigheid

van mijne zuster; zij houdt zich met voordacht van ons verwijderd, om

zich niet te verraden.—Ik ken de gewoonten van Rusland niet genoeg,

om te weten, wat voor eene gastvrouw vreemd zoude staan of niet. Men

moet haar vertrouwen, want zij heeft evenveel verstand als liefde

getoond.—Geduld slechts, en alles zal zich ophelderen.”

Lodewijk, ongerust geworden, ging zonder spreken op en neder.

Spoedig daarop kwam Willhofen terug en verhaalde, dat de gevangenen op

bevel der prinses goed verzorgd werden, zoodat het meer bezorgdheid

voor hun toekomstig lot was, dat hen kwelde, dan wel de tegenwoordige

ongemakken.

Intusschen verliepen er een, twee, drie uren en Bianca liet zich niet

zien.

1812: Historische roman · 第 110 / 154 题