Men hoorde voetstappen en stemmen op de gang. Geheel in hunne zaligheid
verzonken, had het gelukkige drietal ze niet vernomen; doch Lodewijk,
wien smart en liefde thans den boezem benauwden, wien donkere
voorgevoelens nader waren dan blijde, hoorde ze. Door het duister
gevoel, dat het hoogste geluk zich altijd in den schoot des geheims het
zekerst verbergt, gedreven, trad hij Bernard snel nader, greep hem bij
den arm en zeide: „Vriend, men komt!”
„Wie?” voer deze heftig uit: „wie, wien ik te vreezen of te ontwijken
zoude hebben?”
„Hier iedereen,” riep Feodorowna en scheurde zich verschrikt uit zijne
armen los; „hier is elk een arglistig, gezworen vijand van het reine
geluk der ziel! Laat geen woord uwer lippen ons verraden, mijn broeder,
het is de eerste bede uwer zuster; o wijs haar die niet af!”
„Aan een haar zult gij, engel, mijne ongetemdste kracht teugelen,”
zeide hij weemoedig. „Beveel mij met den blik uwer oogen en ik wil
hem verstaan, en u gehoorzamen, als de schaduw van uw lichaam, die de
minste beweging van uw vinger lijdzaam volgt.”
Willhofen, twee bedienden en Feodorowna's kamenier Jeannette traden
binnen. De laatste sprak hare meesteres aan: „Doorluchtige hoogheid, de
gravin Dolgorow zendt mij met last, u bij haar te ontbieden.”
„Ik wilde juist komen,” hernam Feodorowna. „Vaart ondertusschen wel,”
voer zij voort, zich tot Bernard en Lodewijk wendende, „binnen een half
uur uiterlijk zien wij u weder, want ik hoop toch, dat gij bij den
avonddisch in de zaal zult komen?”
Hare blikken vorderden een ja; Bernard en Lodewijk bogen zich zwijgend;
zij zweefde de kamer uit.
„Wij komen met eene geheele vracht kleedingstukken, mijne heeren,”
zeide Willhofen. „De prinses heeft gelast de garderobe van haar
overleden gemaal hier over te brengen, opdat gij u zoudt kunnen
verkleeden. Gij moet ons vergeven, dat u in den nood dit aanbod gedaan
wordt; maar wat kunnen wij voor het oogenblik anders doen? Wanneer wij
in Petersburg waren, zouden wij binnen vier en twintig uren wel andere
maatregelen nemen. Maar hier is de nood meester.”
„Kom over maar, vriend!” zeide Bernard, „gij ziet, wij hebben juist
geene staatsiekleederen aan, en gescheurde mantels en laarzen houden
de koude wel niet zoo goed buiten als heele.—Vertoon uw winkel eens!
Hm, alles zal zoo slecht nog niet passen! Wanneer wij maar niet trotsch
worden, Lodewijk; wij zijn niet gewoon ons zoo prachtig uitgedost te
zien.—Zie maar eens, ik zie er uit als een russische prins in dezen
pels.”
Bernard sprak met voordacht veel en schertsend, daar Lodewijk stil en
afgetrokken was. Hij wilde daarmede de vermoedens der bedienden, die
deze gasten reeds met vragende oogen aanzagen, afleiden, opdat zij niet
op het denkbeeld zouden komen, dat hier iets vreemds was voorgevallen.
Gewoon, zelfs zijne diepste gewaarwordingen met kracht te beheerschen,
en geoefend, om zijn natuurlijk gelaat met het mom van luim te
bedekken, vooral wanneer het van vreugde of smart weende, gelukte hem
dit bijna zonder moeite.
Willhofen had welgevallen in den vroolijken, krachtigen jongeling.
„Waarlijk,” riep hij, „het was goed mijnheer, dat wij u op de slede
laadden, want nog zoo jong een buit voor de wolven te worden, dat
ware al te hard geweest.—Wilt gij echter hier deze pelslaarzen niet
aantrekken? Gij zijt er misschien niet aan gewoon, maar bij ons zijn
zij goed. De wind blaast hier een weinig scherper dan in Duitschland.”
„Kent gij Duitschland, oude vriend?” vroeg Bernard.
Thans verhaalden Lodewijk en Willhofen gedurende het verkleeden de
geschiedenis van hun wedervinden.
„Hm!” zeide Bernard, terwijl hij nadenkend stilstond, „wonderlijk
genoeg.—En Beaucaire en St. Luces hebben ook hun loon?—Er komen zoo
oogenblikken, dat ik piëtist kon worden, Lodewijk, en gelooven, dat
zich iemand zeer bijzonder om onze voddige aangelegenheden bekommerde
en onzichtbaar nevens ons ging, om ons door alle zich kruisende
dwaalwegen heen te voeren tot aan het punt, waar de draden, waaraan wij
dansen, bijeenkomen. Dan eerst verneemt men, wie met ons aan hetzelfde
draadje geregeerd werd en naar dezelfde wijs met ons moest dansen. Ja,
waarlijk, er gebeuren allerlei wonderlijke fratsen in de wereld!”—„Nu
oude!” wendde hij zich tot Lodewijk, „waarom dan zoo hongerig en stom!
Is uw geloof nog niet vast genoeg? Merkt gij nog niet, dat uw groene
sluier uit het dal van Aosta hier zoo goed op de sneeuw zal schitteren,
als bij het hospitium van den heiligen Bernard?—Het doet mij, in 't
voorbijgaan, vermaak, dat ik zijn naamgenoot ben.”
Hij greep bij deze woorden Lodewijks hand en drukte ze met warmte.
Zijn scherp zielsoog zag diep in het hart zijns vriends en bemerkte
den grond van zijn zwaarmoedig zwijgen. Doch met een even helder oog
zag hij ook dat de verborgen knoppen der liefde thans tot welriekende
bloemen moesten openbarsten, en dat de broeder de hand der zuster in
die des vriends konde leggen.
Beiden waren aangekleed; zij gingen naar de zaal, welke Willhofen
hun als de eetzaal aanwees. Zij was nog slechts door een groot vuur
verlicht, dat, om spoediger warmte te krijgen, was aangelegd. De voor
vier personen gedekte tafel stond dicht bij den schoorsteen.
Willhofen zette den armblaker, dien hij in de hand droeg, om de gasten
voor te lichten, op de tafel. „Weest voor het overige onbezorgd,”
zeide hij, „de zaal zal spoedig warm worden, want de kachels zijn ook
gestookt, doch dit duurt wel iets langer.—Ik zal thans de prinses
melden, dat gij hier wacht.” Hij ging.
Thans waren Lodewijk en Bernard alleen. Zij zagen elkander lang aan;
daarop vielen zij elkander om den hals en hielden elkander zwijgend
omarmd.
„Lodewijk,” riep Bernard eindelijk, „wanneer wij ons herinneren,
waar wij dezen morgen ontwaakten, en waar wij dezen avond zullen
insluimeren—Lodewijk, dan vang ik waarlijk aan, gelijk een vroom kind
aan wonderen en engelen te gelooven.”
„Een liefelijke engel is het, die dit wonder bewerkte,” hernam Lodewijk
bewogen; „hare beschermende vleugelen waren over ons uitgebreid, hare
zorgende hand voerde ons uit het duistere rijk des doods terug. Het
hoogste wonder blijft dit wonderdadige heiligenbeeld zelf.”
De deur naar eene binnenkamer opende zich en Feodorowna trad binnen.
„Ziet gij? Reeds zweeft het weder zegenend nader—o, de glans
verblindt mij, ik moet mijne oogen afwenden.” En hij wendde zijn gelaat
af om zijne tranen te verbergen.
„Zuster!” zeide Bernard zacht en behoedzaam, toen hij zag, dat zij
alleen kwam. „Zuster! nog eenmaal moet ik u met dezen naam begroeten.”
„Broeder!” antwoordde zij en trad hem vertrouwelijk tegemoet en leunde
tegen zijne borst, toen hij den arm om haar heen sloeg en haar op het
voorhoofd kuste.—„Broeder! zuster! Wat klinkt zoeter? De eene naam
streelt mijn oor, gelijk de andere mijne lippen. Broeder, zuster!”
„En vriend!” voegde Bernard uit het innigste zijner ziel er bij,
terwijl hij den afgewenden Lodewijk bij de hand vatte, om hem nader bij
te trekken. „Zie, zuster, hij was de heldere ster van mijn levensnacht,
tot uw helder zonnelicht voor mij opging; maar hij zal niet verdooven,
noch verbleeken, gelijk de trouwelooze starren aan het firmament; want
nooit heeft hem ook eene wolk verborgen en hoe vreeselijker de nacht
was, des te helderder, des te vriendelijker straalde hij mij tegen. O,
ik wenschte dat _hij_ uw broeder was, dan hadt gij een beteren dan mij
gevonden.”
„Bernard!” zeide Lodewijk geroerd, doch zacht berispend.
„O, ik kende onzen vriend vroeger dan u,” hernam Feodorowna. „Mijn hart
is hem nog veel verschuldigd uit oude dankbaarheid, en sinds weinige
oogenblikken is deze schuld oneindig vermeerderd.”
„Hoe zoo, mijne beste?” vroeg Bernard.
„Mag ik het u bekennen, mijn broeder,” vroeg zij en zag hem vriendelijk
aan, „zult gij niet boos op mij zijn?”
„Boos op u zijn? Op u?”
„Zie,” voer zij met eene liefelijke bedeesdheid voort, „de waarde van
den vriend is mij borg voor die des broeders! Waarlijk, ik _geloofde_
aan u,” voegde zij er sneller bij, „doch hem dank ik de zalige
_overtuiging_, daar de edele slechts den edele zoekt en bemint.”
Zij verborg na deze woorden het lieve gelaat schaamrood aan Bernards
borst.
„Dienzelfden dank ben _ik_ _hem_ schuldig, zuster,” hernam Bernard, met
innigen nadruk sprekende.
„Hoe, gij?” vroeg zij met verbazing.
„Is _hij_ mij dan geen borg voor de zuster?”
Zij sloeg hare oogen neder; de liefelijkste rozengloed kleurde hare
wangen; zacht huiverend zweeg zij. Eene aangename beklemdheid vervulde
de harten der drie innig verbonden menschen: eenige oogenblikken
heerschte er eene heilige stilte.
„Ik ben hier gekomen, om u alles te verklaren,” hernam zij.—„Zie hier,
waarom uwe trekken mij dadelijk in het eerste oogenblik met zulk eene
vreemde aandoening vervulden.”
Zij reikte hem de beide portretten, welke zij van Ruschka door
Gregorius ontvangen had, over. Bernard, die ze met een schildersoog
bekeek, herkende dadelijk de gelijkenis van het mansportret met hem en
van dat der vrouw met Feodorowna. Hierdoor drong de zekere gewisheid
in zijn hart, dat zijn nieuw geluk geen droom was, dat het vast rustte
op den bodem der wezenlijkheid. Opeens vroeg hij: „En kent gij ook
den naam onzer ouders, mijne zuster? Want ik ben onder wildvreemden
opgegroeid en heb nauwelijks geleerd eenige waardij aan den naam en het
aanzijn van hen te hechten, die mij onbarmhartig van zich gestooten
hebben.”
„O, bezondig u niet,” hernam Feodorowna met eene vrome huivering;
„het aandenken aan uwe ouders mag u dierbaar zijn. Ik kan u wel geene
uitvoerige berichten van hen geven; doch deze papieren zullen u genoeg
inlichten, om in het vervolg slechts met weemoed en liefde aan hen, die
u het leven gaven, terug te denken.”
„O, gij hebt recht, want reeds daarom moest ik hun eeuwig dankbaar
zijn, dat zij mij _u_ tot zuster hebben gegeven.” Hij nam met deze
woorden den brief aan, waarin Ruschka aan Feodorowna het geheim harer
geboorte ontdekt had, en las hem haastig met stijgende belangstelling.
Ondertusschen spraken Lodewijk en Feodorowna met elkander en begon deze
haar zijn wonderbaar vinden van Willhofen en den samenhang te verhalen,
waarin deze brave man met zijne lotgevallen stond. Bernard, die onder
het lezen half hoorde riep opeens uit: „Lodewijk, hoe heette de vriend
uws vaders, om wiens wil hij vluchten moest?”
„Waldheim,” antwoordde deze.
„Waldheim!” riep Feodorowna verrast en zag Lodewijk en Bernard vragend
aan.
„Dan vertoonen zich hier nog nieuwe draden van den wonderlijksten
samenhang; doch ik weet nog geen middel, om zekerheid te verkrijgen.”
Intusschen trad Willhofen binnen.
„O, ik dwaas,” zeide Bernard en sloeg zich onwillekeurig voor het
voorhoofd; „moest ik dat nog afwachten? Mijne scherpzinnigheid moet
in deze koude verstijfd zijn, anders had ik er wel van zelf op kunnen
komen, dat hier een voldoende ooggetuige leeft.”
Hij nam de beide afbeeldingen, die hij van zijne zuster ontvangen had,
en wendde zich tot Willhofen. „Kom nader, mijn vriend,” sprak hij hem
aan, „nader, heel dicht bij ons, hier aan het licht.”
Willhofen naderde bescheiden.
„Kent gij misschien deze portretten?”
Eene vroolijke verrassing schitterde in de oogen van den ouden
bediende; hij beefde en kon nauwelijks spreken. „Of ik ze ken?” vroeg
hij. „Ach hoe ligt opeens de goede tijd voor mijne oogen! Heb ik ze dan
niet honderdmaal in de kamer van den ritmeester Waldheim te Straatsburg
boven de sofa zien hangen?—Dat is hij immers zelf sprekend gelijkend,
en de genadige vrouw ook.”
Nauw had Willhofen deze woorden gesproken, toen Lodewijk uitriep: „Hoe?
Mijn vader dus....”
„Offerde zich voor den mijnen op,” viel Bernard hem in de rede. „Ziet
gij, vriend,” voer hij aangedaan voort, „zoo heb ik u nog menige oude
schuld af te doen, om nu van de nieuwe, die daar zijn gekomen, niet
eens te spreken.”
„Welk een samenhang!” riep Lodewijk uit. „Welk een dag van gericht en
vergelding!” Hij dacht aan St. Luces en Beaucaire, die in denzelfden
stond door de goddelijke wraak waren ingehaald, dat het lot hem en zijn
vriend den schoonsten krans bood, welke uit het langzaam gerijpte zaad
van lang verloopen jaren was opgebloeid.
Feodorowna had tot hiertoe met stomme verwondering toegeluisterd; thans
deed zij in hare verrassing de snelle vraag: „Gij hebt alzoo mijne
moeder gekend, Solanow?”
De knecht stond verstomd. „De gravin Dolgorow,” begon hij stamelend en
zag Feodorowna met vreemde, verwonderde oogen aan, als zocht hij in
hare gelaatstrekken eene verklaring van hare zonderlinge vraag.
Feodorowna was verschrikt, daar zij haar geheim verraden had. Bernard,
die het zag, sprak haar geruststellend aan: „Vrees niets, mijne beste,
dit hart is trouw; ik sta borg daarvoor; doch nu mag niets meer voor
hem geheim blijven.” Hij onderrichtte daarop Willhofen van alles en
beval hem zwijgen en voorzichtigheid aan. De oude bediende beloofde dit
beide met ontroerde stem en stak Bernard met Duitsche trouwhartigheid
zijne hand tot pand toe. „Nu begrijp ik eerst,” zeide hij, „waarom
de trekken der prinses mij dadelijk, de eerste maal dat ik haar zag,
zoo bekend voorkwamen. Ja, en de uwe waarachtig ook, jongeheer.—Doch
vergeef mijn gebabbel, uwe hoogheid; ik kwam eigenlijk om te vragen, of
het uwe hoogheid gelegen komt, dat men aanrichten zal.”
„De gravin Dolgorow moet eerst gevraagd worden, of zij aan tafel zal
verschijnen,” hernam Feodorowna, en Willhofen verliet, stilzwijgend
zich buigende, geheel op de wijze zijner oude dienstonderdanigheid, het
vertrek.
Na eenige minuten kwam hij met het antwoord terug, dat de gravin zoo
vermoeid was, dat zij zich te bed had begeven.
Men richtte aan. De tegenwoordigheid van onderscheiden bedienden
bedwong thans de warme opwelling der liefde tusschen de drie zoo
nauw verbonden zielen in het ijzeren keurslijf van uiterlijke
plichtplegingen.
Echter wist Feodorowna ook zelfs aan deze betrekking zulk eene
aangenaamheid en vriendelijkheid des harten bij te zetten, dat zelfs
de broeder met gewillige onderwerping den dwang verdroeg, aan welken
zijn trotsche aard en het levendig gevoel zijner rechten zich moesten
onderwerpen. Zoo vloog ook dit uur pijlsnel om.
Feodorowna stond op, de bedienden namen af en verlieten de zaal.
Feodorowna beval, dat Willhofen in de buurt en op zijne hoede zou
blijven. De vertrouwelijke eenzaamheid vereende de harten weder nader.
„Nu ben ik weder uwe zuster,” begon Feodorowna, terwijl zij zich met
beminnenswaardige vertrouwelijkheid aan Bernard aansloot; „nu behoor ik
weder geheel aan u.”
„Gij lieve,” hernam hij en zag haar in het onschuldige, trouwe oog. „O
mijn God, zoo diep hebt gij mij nog nooit in uw hemel laten zien!”
Lodewijk was met zich zelf hevig in strijd: zijn hart verdroeg den
bangen strijd tusschen het hoogste geluk en de diepste smart niet
langer.—Doch hij gevoelde, dat niet de hand des broeders, die zijne
liefde kende, hem de zuster mocht toevoeren, maar dat hij zelf met
vrijen mannelijken wil en kracht moest wagen en handelen. Wie niet,
zelfs met gevaar van het te verliezen, naar het hoogste durft streven,
is het niet waard; dit riep hem zijn hart toe, en hij gehoorzaamde,
ofschoon bevend, het gebod der liefde en der eer.
„Bianca,” zeide hij met ontroerde stem, „want de zuster mijns vriends
vergunt mij gewis den naam, die mij onvergetelijk dierbaar van den
schoonen lentedag onzer eerste ontmoeting toeklinkt,—Bianca—op mijne
lippen zweeft de hoogste wensch mijns harten, hebt gij dien niet
verstaan voor ik hem uitspreek—zoo blijve hij eeuwig in de banden
des zwijgens verborgen.—Doch spreekt uw hart—dan—laat het thans
beslissen.”
Zij werd rood, eene zoete verwarring teekende zich op haar gelaat;
sidderende, met neergeslagen oogen hernam zij: „Mijn hart?—Ik weet het
niet—of ik het gehoor mag geven—het heeft reeds lang beslist!” Hier
verborg zij het hoofd en het van zoete tranen overstroomend oog aan de
borst des broeders. Bernard sloot haar zacht in de armen.
Lodewijk greep bevend hare hand; doch hij waagde het niet de liefelijke
gestalte aan zijne borst te drukken. Zijn oor vernam het woord, dat
voor hem den hemel der zaligheid wijd opende, doch zijn hart werd
door de huivering eener bange twijfeling bewogen, want te schielijk,
te machtig stond het wonder der vervulling voor hem. Hij vreesde,
dat de beeltenissen zijner zalige droomen mochten ontvluchten; de
onmetelijkheid van zijn geluk ontnam hem de kracht, om er aan te
gelooven.
Zij liet hare hand in de zijne rusten en trok die niet terug, toen hij
ze met heete kussen en tranen overdekte; doch hield haar liefelijk
gelaat nog steeds zacht weenend aan de borst haars broeders verborgen.
„Bloos niet, mijne zuster,” zeide Bernard op bewogen toon, „wanneer gij
de schoonste bekentenis moogt doen; schooner dan de liefde versiert
geene roos de vrouwelijke borst. Uw rein hart kon niet dwalen, het
heeft het edelste gevonden en uitgekozen.”
Thans verhief zij het hoofd en het in tranen schitterend oog tot haren
broeder; daarna keerde zij zich met maagdelijke schroomvalligheid naar
haar geliefde, die haar met bevend verlangen tot zich trok.
„O mijn God,” lispelde zij en dankbaar richtte zij haar oog ten hemel.
„Waarmede heb ik deze overmaat van goedheid verdiend?” Woord en blik
stierven in heilige tranen weg; liefelijk boog zij zich tot den vriend
en zonk zwijgend, zalig bedwelmd aan zijne borst.