HOOFDSTUK VII.

Men hoorde voetstappen en stemmen op de gang. Geheel in hunne zaligheid

verzonken, had het gelukkige drietal ze niet vernomen; doch Lodewijk,

wien smart en liefde thans den boezem benauwden, wien donkere

voorgevoelens nader waren dan blijde, hoorde ze. Door het duister

gevoel, dat het hoogste geluk zich altijd in den schoot des geheims het

zekerst verbergt, gedreven, trad hij Bernard snel nader, greep hem bij

den arm en zeide: „Vriend, men komt!”

„Wie?” voer deze heftig uit: „wie, wien ik te vreezen of te ontwijken

zoude hebben?”

„Hier iedereen,” riep Feodorowna en scheurde zich verschrikt uit zijne

armen los; „hier is elk een arglistig, gezworen vijand van het reine

geluk der ziel! Laat geen woord uwer lippen ons verraden, mijn broeder,

het is de eerste bede uwer zuster; o wijs haar die niet af!”

„Aan een haar zult gij, engel, mijne ongetemdste kracht teugelen,”

zeide hij weemoedig. „Beveel mij met den blik uwer oogen en ik wil

hem verstaan, en u gehoorzamen, als de schaduw van uw lichaam, die de

minste beweging van uw vinger lijdzaam volgt.”

Willhofen, twee bedienden en Feodorowna's kamenier Jeannette traden

binnen. De laatste sprak hare meesteres aan: „Doorluchtige hoogheid, de

gravin Dolgorow zendt mij met last, u bij haar te ontbieden.”

„Ik wilde juist komen,” hernam Feodorowna. „Vaart ondertusschen wel,”

voer zij voort, zich tot Bernard en Lodewijk wendende, „binnen een half

uur uiterlijk zien wij u weder, want ik hoop toch, dat gij bij den

avonddisch in de zaal zult komen?”

Hare blikken vorderden een ja; Bernard en Lodewijk bogen zich zwijgend;

zij zweefde de kamer uit.

„Wij komen met eene geheele vracht kleedingstukken, mijne heeren,”

zeide Willhofen. „De prinses heeft gelast de garderobe van haar

overleden gemaal hier over te brengen, opdat gij u zoudt kunnen

verkleeden. Gij moet ons vergeven, dat u in den nood dit aanbod gedaan

wordt; maar wat kunnen wij voor het oogenblik anders doen? Wanneer wij

in Petersburg waren, zouden wij binnen vier en twintig uren wel andere

maatregelen nemen. Maar hier is de nood meester.”

„Kom over maar, vriend!” zeide Bernard, „gij ziet, wij hebben juist

geene staatsiekleederen aan, en gescheurde mantels en laarzen houden

de koude wel niet zoo goed buiten als heele.—Vertoon uw winkel eens!

Hm, alles zal zoo slecht nog niet passen! Wanneer wij maar niet trotsch

worden, Lodewijk; wij zijn niet gewoon ons zoo prachtig uitgedost te

zien.—Zie maar eens, ik zie er uit als een russische prins in dezen

pels.”

Bernard sprak met voordacht veel en schertsend, daar Lodewijk stil en

afgetrokken was. Hij wilde daarmede de vermoedens der bedienden, die

deze gasten reeds met vragende oogen aanzagen, afleiden, opdat zij niet

op het denkbeeld zouden komen, dat hier iets vreemds was voorgevallen.

Gewoon, zelfs zijne diepste gewaarwordingen met kracht te beheerschen,

en geoefend, om zijn natuurlijk gelaat met het mom van luim te

bedekken, vooral wanneer het van vreugde of smart weende, gelukte hem

dit bijna zonder moeite.

Willhofen had welgevallen in den vroolijken, krachtigen jongeling.

„Waarlijk,” riep hij, „het was goed mijnheer, dat wij u op de slede

laadden, want nog zoo jong een buit voor de wolven te worden, dat

ware al te hard geweest.—Wilt gij echter hier deze pelslaarzen niet

aantrekken? Gij zijt er misschien niet aan gewoon, maar bij ons zijn

zij goed. De wind blaast hier een weinig scherper dan in Duitschland.”

„Kent gij Duitschland, oude vriend?” vroeg Bernard.

Thans verhaalden Lodewijk en Willhofen gedurende het verkleeden de

geschiedenis van hun wedervinden.

„Hm!” zeide Bernard, terwijl hij nadenkend stilstond, „wonderlijk

genoeg.—En Beaucaire en St. Luces hebben ook hun loon?—Er komen zoo

oogenblikken, dat ik piëtist kon worden, Lodewijk, en gelooven, dat

zich iemand zeer bijzonder om onze voddige aangelegenheden bekommerde

en onzichtbaar nevens ons ging, om ons door alle zich kruisende

dwaalwegen heen te voeren tot aan het punt, waar de draden, waaraan wij

dansen, bijeenkomen. Dan eerst verneemt men, wie met ons aan hetzelfde

draadje geregeerd werd en naar dezelfde wijs met ons moest dansen. Ja,

waarlijk, er gebeuren allerlei wonderlijke fratsen in de wereld!”—„Nu

oude!” wendde hij zich tot Lodewijk, „waarom dan zoo hongerig en stom!

Is uw geloof nog niet vast genoeg? Merkt gij nog niet, dat uw groene

sluier uit het dal van Aosta hier zoo goed op de sneeuw zal schitteren,

als bij het hospitium van den heiligen Bernard?—Het doet mij, in 't

voorbijgaan, vermaak, dat ik zijn naamgenoot ben.”

Hij greep bij deze woorden Lodewijks hand en drukte ze met warmte.

Zijn scherp zielsoog zag diep in het hart zijns vriends en bemerkte

den grond van zijn zwaarmoedig zwijgen. Doch met een even helder oog

zag hij ook dat de verborgen knoppen der liefde thans tot welriekende

bloemen moesten openbarsten, en dat de broeder de hand der zuster in

die des vriends konde leggen.

Beiden waren aangekleed; zij gingen naar de zaal, welke Willhofen

hun als de eetzaal aanwees. Zij was nog slechts door een groot vuur

verlicht, dat, om spoediger warmte te krijgen, was aangelegd. De voor

vier personen gedekte tafel stond dicht bij den schoorsteen.

Willhofen zette den armblaker, dien hij in de hand droeg, om de gasten

voor te lichten, op de tafel. „Weest voor het overige onbezorgd,”

zeide hij, „de zaal zal spoedig warm worden, want de kachels zijn ook

gestookt, doch dit duurt wel iets langer.—Ik zal thans de prinses

melden, dat gij hier wacht.” Hij ging.

Thans waren Lodewijk en Bernard alleen. Zij zagen elkander lang aan;

daarop vielen zij elkander om den hals en hielden elkander zwijgend

omarmd.

„Lodewijk,” riep Bernard eindelijk, „wanneer wij ons herinneren,

waar wij dezen morgen ontwaakten, en waar wij dezen avond zullen

insluimeren—Lodewijk, dan vang ik waarlijk aan, gelijk een vroom kind

aan wonderen en engelen te gelooven.”

„Een liefelijke engel is het, die dit wonder bewerkte,” hernam Lodewijk

bewogen; „hare beschermende vleugelen waren over ons uitgebreid, hare

zorgende hand voerde ons uit het duistere rijk des doods terug. Het

hoogste wonder blijft dit wonderdadige heiligenbeeld zelf.”

De deur naar eene binnenkamer opende zich en Feodorowna trad binnen.

„Ziet gij? Reeds zweeft het weder zegenend nader—o, de glans

verblindt mij, ik moet mijne oogen afwenden.” En hij wendde zijn gelaat

af om zijne tranen te verbergen.

„Zuster!” zeide Bernard zacht en behoedzaam, toen hij zag, dat zij

alleen kwam. „Zuster! nog eenmaal moet ik u met dezen naam begroeten.”

„Broeder!” antwoordde zij en trad hem vertrouwelijk tegemoet en leunde

tegen zijne borst, toen hij den arm om haar heen sloeg en haar op het

voorhoofd kuste.—„Broeder! zuster! Wat klinkt zoeter? De eene naam

streelt mijn oor, gelijk de andere mijne lippen. Broeder, zuster!”

„En vriend!” voegde Bernard uit het innigste zijner ziel er bij,

terwijl hij den afgewenden Lodewijk bij de hand vatte, om hem nader bij

te trekken. „Zie, zuster, hij was de heldere ster van mijn levensnacht,

tot uw helder zonnelicht voor mij opging; maar hij zal niet verdooven,

noch verbleeken, gelijk de trouwelooze starren aan het firmament; want

nooit heeft hem ook eene wolk verborgen en hoe vreeselijker de nacht

was, des te helderder, des te vriendelijker straalde hij mij tegen. O,

ik wenschte dat _hij_ uw broeder was, dan hadt gij een beteren dan mij

gevonden.”

„Bernard!” zeide Lodewijk geroerd, doch zacht berispend.

„O, ik kende onzen vriend vroeger dan u,” hernam Feodorowna. „Mijn hart

is hem nog veel verschuldigd uit oude dankbaarheid, en sinds weinige

oogenblikken is deze schuld oneindig vermeerderd.”

„Hoe zoo, mijne beste?” vroeg Bernard.

„Mag ik het u bekennen, mijn broeder,” vroeg zij en zag hem vriendelijk

aan, „zult gij niet boos op mij zijn?”

„Boos op u zijn? Op u?”

„Zie,” voer zij met eene liefelijke bedeesdheid voort, „de waarde van

den vriend is mij borg voor die des broeders! Waarlijk, ik _geloofde_

aan u,” voegde zij er sneller bij, „doch hem dank ik de zalige

_overtuiging_, daar de edele slechts den edele zoekt en bemint.”

Zij verborg na deze woorden het lieve gelaat schaamrood aan Bernards

borst.

„Dienzelfden dank ben _ik_ _hem_ schuldig, zuster,” hernam Bernard, met

innigen nadruk sprekende.

„Hoe, gij?” vroeg zij met verbazing.

„Is _hij_ mij dan geen borg voor de zuster?”

Zij sloeg hare oogen neder; de liefelijkste rozengloed kleurde hare

wangen; zacht huiverend zweeg zij. Eene aangename beklemdheid vervulde

de harten der drie innig verbonden menschen: eenige oogenblikken

heerschte er eene heilige stilte.

„Ik ben hier gekomen, om u alles te verklaren,” hernam zij.—„Zie hier,

waarom uwe trekken mij dadelijk in het eerste oogenblik met zulk eene

vreemde aandoening vervulden.”

Zij reikte hem de beide portretten, welke zij van Ruschka door

Gregorius ontvangen had, over. Bernard, die ze met een schildersoog

bekeek, herkende dadelijk de gelijkenis van het mansportret met hem en

van dat der vrouw met Feodorowna. Hierdoor drong de zekere gewisheid

in zijn hart, dat zijn nieuw geluk geen droom was, dat het vast rustte

op den bodem der wezenlijkheid. Opeens vroeg hij: „En kent gij ook

den naam onzer ouders, mijne zuster? Want ik ben onder wildvreemden

opgegroeid en heb nauwelijks geleerd eenige waardij aan den naam en het

aanzijn van hen te hechten, die mij onbarmhartig van zich gestooten

hebben.”

„O, bezondig u niet,” hernam Feodorowna met eene vrome huivering;

„het aandenken aan uwe ouders mag u dierbaar zijn. Ik kan u wel geene

uitvoerige berichten van hen geven; doch deze papieren zullen u genoeg

inlichten, om in het vervolg slechts met weemoed en liefde aan hen, die

u het leven gaven, terug te denken.”

„O, gij hebt recht, want reeds daarom moest ik hun eeuwig dankbaar

zijn, dat zij mij _u_ tot zuster hebben gegeven.” Hij nam met deze

woorden den brief aan, waarin Ruschka aan Feodorowna het geheim harer

geboorte ontdekt had, en las hem haastig met stijgende belangstelling.

Ondertusschen spraken Lodewijk en Feodorowna met elkander en begon deze

haar zijn wonderbaar vinden van Willhofen en den samenhang te verhalen,

waarin deze brave man met zijne lotgevallen stond. Bernard, die onder

het lezen half hoorde riep opeens uit: „Lodewijk, hoe heette de vriend

uws vaders, om wiens wil hij vluchten moest?”

„Waldheim,” antwoordde deze.

„Waldheim!” riep Feodorowna verrast en zag Lodewijk en Bernard vragend

aan.

„Dan vertoonen zich hier nog nieuwe draden van den wonderlijksten

samenhang; doch ik weet nog geen middel, om zekerheid te verkrijgen.”

Intusschen trad Willhofen binnen.

„O, ik dwaas,” zeide Bernard en sloeg zich onwillekeurig voor het

voorhoofd; „moest ik dat nog afwachten? Mijne scherpzinnigheid moet

in deze koude verstijfd zijn, anders had ik er wel van zelf op kunnen

komen, dat hier een voldoende ooggetuige leeft.”

Hij nam de beide afbeeldingen, die hij van zijne zuster ontvangen had,

en wendde zich tot Willhofen. „Kom nader, mijn vriend,” sprak hij hem

aan, „nader, heel dicht bij ons, hier aan het licht.”

Willhofen naderde bescheiden.

„Kent gij misschien deze portretten?”

Eene vroolijke verrassing schitterde in de oogen van den ouden

bediende; hij beefde en kon nauwelijks spreken. „Of ik ze ken?” vroeg

hij. „Ach hoe ligt opeens de goede tijd voor mijne oogen! Heb ik ze dan

niet honderdmaal in de kamer van den ritmeester Waldheim te Straatsburg

boven de sofa zien hangen?—Dat is hij immers zelf sprekend gelijkend,

en de genadige vrouw ook.”

Nauw had Willhofen deze woorden gesproken, toen Lodewijk uitriep: „Hoe?

Mijn vader dus....”

„Offerde zich voor den mijnen op,” viel Bernard hem in de rede. „Ziet

gij, vriend,” voer hij aangedaan voort, „zoo heb ik u nog menige oude

schuld af te doen, om nu van de nieuwe, die daar zijn gekomen, niet

eens te spreken.”

„Welk een samenhang!” riep Lodewijk uit. „Welk een dag van gericht en

vergelding!” Hij dacht aan St. Luces en Beaucaire, die in denzelfden

stond door de goddelijke wraak waren ingehaald, dat het lot hem en zijn

vriend den schoonsten krans bood, welke uit het langzaam gerijpte zaad

van lang verloopen jaren was opgebloeid.

Feodorowna had tot hiertoe met stomme verwondering toegeluisterd; thans

deed zij in hare verrassing de snelle vraag: „Gij hebt alzoo mijne

moeder gekend, Solanow?”

De knecht stond verstomd. „De gravin Dolgorow,” begon hij stamelend en

zag Feodorowna met vreemde, verwonderde oogen aan, als zocht hij in

hare gelaatstrekken eene verklaring van hare zonderlinge vraag.

Feodorowna was verschrikt, daar zij haar geheim verraden had. Bernard,

die het zag, sprak haar geruststellend aan: „Vrees niets, mijne beste,

dit hart is trouw; ik sta borg daarvoor; doch nu mag niets meer voor

hem geheim blijven.” Hij onderrichtte daarop Willhofen van alles en

beval hem zwijgen en voorzichtigheid aan. De oude bediende beloofde dit

beide met ontroerde stem en stak Bernard met Duitsche trouwhartigheid

zijne hand tot pand toe. „Nu begrijp ik eerst,” zeide hij, „waarom

de trekken der prinses mij dadelijk, de eerste maal dat ik haar zag,

zoo bekend voorkwamen. Ja, en de uwe waarachtig ook, jongeheer.—Doch

vergeef mijn gebabbel, uwe hoogheid; ik kwam eigenlijk om te vragen, of

het uwe hoogheid gelegen komt, dat men aanrichten zal.”

„De gravin Dolgorow moet eerst gevraagd worden, of zij aan tafel zal

verschijnen,” hernam Feodorowna, en Willhofen verliet, stilzwijgend

zich buigende, geheel op de wijze zijner oude dienstonderdanigheid, het

vertrek.

Na eenige minuten kwam hij met het antwoord terug, dat de gravin zoo

vermoeid was, dat zij zich te bed had begeven.

Men richtte aan. De tegenwoordigheid van onderscheiden bedienden

bedwong thans de warme opwelling der liefde tusschen de drie zoo

nauw verbonden zielen in het ijzeren keurslijf van uiterlijke

plichtplegingen.

Echter wist Feodorowna ook zelfs aan deze betrekking zulk eene

aangenaamheid en vriendelijkheid des harten bij te zetten, dat zelfs

de broeder met gewillige onderwerping den dwang verdroeg, aan welken

zijn trotsche aard en het levendig gevoel zijner rechten zich moesten

onderwerpen. Zoo vloog ook dit uur pijlsnel om.

Feodorowna stond op, de bedienden namen af en verlieten de zaal.

Feodorowna beval, dat Willhofen in de buurt en op zijne hoede zou

blijven. De vertrouwelijke eenzaamheid vereende de harten weder nader.

„Nu ben ik weder uwe zuster,” begon Feodorowna, terwijl zij zich met

beminnenswaardige vertrouwelijkheid aan Bernard aansloot; „nu behoor ik

weder geheel aan u.”

„Gij lieve,” hernam hij en zag haar in het onschuldige, trouwe oog. „O

mijn God, zoo diep hebt gij mij nog nooit in uw hemel laten zien!”

Lodewijk was met zich zelf hevig in strijd: zijn hart verdroeg den

bangen strijd tusschen het hoogste geluk en de diepste smart niet

langer.—Doch hij gevoelde, dat niet de hand des broeders, die zijne

liefde kende, hem de zuster mocht toevoeren, maar dat hij zelf met

vrijen mannelijken wil en kracht moest wagen en handelen. Wie niet,

zelfs met gevaar van het te verliezen, naar het hoogste durft streven,

is het niet waard; dit riep hem zijn hart toe, en hij gehoorzaamde,

ofschoon bevend, het gebod der liefde en der eer.

„Bianca,” zeide hij met ontroerde stem, „want de zuster mijns vriends

vergunt mij gewis den naam, die mij onvergetelijk dierbaar van den

schoonen lentedag onzer eerste ontmoeting toeklinkt,—Bianca—op mijne

lippen zweeft de hoogste wensch mijns harten, hebt gij dien niet

verstaan voor ik hem uitspreek—zoo blijve hij eeuwig in de banden

des zwijgens verborgen.—Doch spreekt uw hart—dan—laat het thans

beslissen.”

Zij werd rood, eene zoete verwarring teekende zich op haar gelaat;

sidderende, met neergeslagen oogen hernam zij: „Mijn hart?—Ik weet het

niet—of ik het gehoor mag geven—het heeft reeds lang beslist!” Hier

verborg zij het hoofd en het van zoete tranen overstroomend oog aan de

borst des broeders. Bernard sloot haar zacht in de armen.

Lodewijk greep bevend hare hand; doch hij waagde het niet de liefelijke

gestalte aan zijne borst te drukken. Zijn oor vernam het woord, dat

voor hem den hemel der zaligheid wijd opende, doch zijn hart werd

door de huivering eener bange twijfeling bewogen, want te schielijk,

te machtig stond het wonder der vervulling voor hem. Hij vreesde,

dat de beeltenissen zijner zalige droomen mochten ontvluchten; de

onmetelijkheid van zijn geluk ontnam hem de kracht, om er aan te

gelooven.

Zij liet hare hand in de zijne rusten en trok die niet terug, toen hij

ze met heete kussen en tranen overdekte; doch hield haar liefelijk

gelaat nog steeds zacht weenend aan de borst haars broeders verborgen.

„Bloos niet, mijne zuster,” zeide Bernard op bewogen toon, „wanneer gij

de schoonste bekentenis moogt doen; schooner dan de liefde versiert

geene roos de vrouwelijke borst. Uw rein hart kon niet dwalen, het

heeft het edelste gevonden en uitgekozen.”

Thans verhief zij het hoofd en het in tranen schitterend oog tot haren

broeder; daarna keerde zij zich met maagdelijke schroomvalligheid naar

haar geliefde, die haar met bevend verlangen tot zich trok.

„O mijn God,” lispelde zij en dankbaar richtte zij haar oog ten hemel.

„Waarmede heb ik deze overmaat van goedheid verdiend?” Woord en blik

stierven in heilige tranen weg; liefelijk boog zij zich tot den vriend

en zonk zwijgend, zalig bedwelmd aan zijne borst.

1812: Historische roman · 第 109 / 154 题