Het werd bijna volkomen nacht, eer Lodewijk weder iets van Feodorowna
vernam. Hoe gaarne hij zich in het gezelschap van den eerwaardigen
geestelijke bevond, die hem daarenboven nog een warmen pels geschonken
had, en hoeveel hij door de vertellingen van Willhofen vernam, dat
zijne ziel diep ontroerde, toch sloeg zijn hart van onrustig verlangen
naar zijne geliefde en vreesde hij ieder oogenblik, dat de hoop,
van haar weder te zien, hem bedriegen moest. Eindelijk kwam er eene
boodschap van haar: het verzoek, om zich gereed te maken tot het
vertrek. Gregorius en Willhofen begeleidden hem naar de hut, waar de
slede met uitgeruste en afgevoerde paarden gereed stond. Spoedig kwamen
de beide vrouwen buiten, dicht in pelzen en sluiers gewikkeld. De
gravin werd ondersteund; zij was zichtbaar vermoeid. In het voorbijgaan
groette zij Lodewijk door eene lichte beweging met het hoofd,
Feodorowna daarentegen reikte haar vriend de hand en zeide: „In een
paar uren zullen wij de rustplaats bereikt hebben; gij zult u, hoop ik,
daarover verheugen.—Vergeef slechts, dat in onze slede ook geen plaats
voor u is.”
Lodewijk ried, wat het teeder gevoel van Feodorowna verontrustte, de
omstandigheid namelijk, dat hij op de plaats van een bediende moest
zitten. Voorkomend brak hij daarom hare woorden af, terwijl hij haar
bij het instijgen hielp. „Mijn oog zal voor u zien en waken in dezen
nacht; het is eene opdracht, die mij gelukkig maakt.” Met deze woorden
sprong hij op de voorbank, waar Willhofen aan zijne zijde plaats
nam.—De koetsier zette zich achter op en gaf Willhofen de teugels
over; twee knechts reden te paard vooruit.
Gregorius stak, nadat hij afscheid van de vrouwen had genomen, ook
zijn jongen gast, welken hij spoedig lief gekregen had, de hand toe.
Lodewijk drukte die met gevoel van warme dankbaarheid. Toen voer de
slede als de wind heen. Men moest midden door het bosch; het was wel
zeer donker en de lucht betrokken, doch de sneeuw lichtte genoeg, om
den weg te zien. Ondertusschen hield de vaste baan spoedig op en men
moest in de diepe, losse sneeuw langzamer rijden.
Het was alles stil in het rond. Slechts een hol gesuis, dat door de
zwarte toppen der dennen streek, en het snuiven der paarden waren de
geluiden, welke men in deze bevroren woestenij vernam.
Lodewijk had thans den tijd, om een blik op de gebeurtenissen van den
laatsten dag te werpen. Eene wereld van gebeurtenissen lag in dat
korte tijdperk van gisteren tot heden. Zij waren elkander zoo snel
opgevolgd, dat de eene door de andere verdrongen werd. De van alle
zijden bestormde, ontroerde ziel werd opgehouden en gesteund door het
evenwicht der op haar aanstormende machten; ééne alleen had haar zeker
overweldigd, zoo niet geheel en al verpletterd.—Thans had hij het
eerste oogenblik, waarin hij de verwarde gedaanten in orde kon schikken
en ze een voor een voor zijn geest doen voorbijgaan. Het tegenwoordige
en het verledene, het verre en het nabijzijnde lag voor zijn ziel;
smart en vreugde, kommer en hoop grensden aan elkander. Zijn noodlot
gaf hem het beeld van een landschap in den herfst, waar duistere
wolkschaduwen naast helderen zonneschijn rusten en het groene en half
verdorde loof zich op eene wonderlijke wijze vermengen.
De geliefde, de verlorene is u nabij; de adem harer lippen beroert
u, uwe hand kan haar bereiken! Zult gij haar echter ooit aan uw hart
mogen drukken? Zal zich de ijzeren poort van het noodlot niet wederom
met doffen donder voor het geopende paradijs sluiten, zoodat gij
daarbuiten in de koude, eenzame duisternis zult vertwijfelen? En uw
vriend! Uw trouwe, dierbare, onvergelijkelijke vriend! Heeft het donker
lot, dat eene godheid van uw hoofd afwendde, hem getroffen? Of zal
hem de dood hier in deze woestijn te beurt vallen? Moet hij eenzaam,
huiverend, afscheid nemen van de gulden dagen des levens? Strekt zich
geen troostende hand in de laatste bange minuten naar hem uit, om hem
den bitteren kelk door zoete droppels van liefde te verzachten? O
Almachtige! verscheur het hart niet, dat gij wilt zalig maken! Deze
doodwonde heelt zelfs niet aan de borst der geliefde! Neen, neen! moet
het voor dien prijs zijn, dan zinkt mijne door smart verlamde hand
neder en ik kan den beker der zaligheid, welken Gij mij aanbiedt, niet
aan mijne lippen brengen.
„Het wordt recht donker,” zeide Willhofen. „Deze wouden zijn toch
schrikkelijk.—Luister! Hoort gij den wolf? Hij huilt van den honger.
Wanneer de wind hem de lucht van ons brengt, zal hij ons spoedig op het
spoor zijn. Holla, jongens, daar vooruit, rijdt dicht bij ons! Hebt gij
de buksen geladen?—Wij zouden ze noodig kunnen hebben.”
Lodewijk zag met bezorgdheid achterom naar de vrouwen. Doch de nacht
en de dichte sluiers, welke zij droegen, maakten het onmogelijk, hare
trekken te onderscheiden en te zien, of zij zijne bezorgdheid deelden.
„Is er gevaar?” vroeg hij Willhofen zacht.
„Zelden, mijn waarde heer. Wees maar niet bang.”
„Ik ben voor mij niet bezorgd; maar wij hebben vrouwen bij ons,”
antwoordde Lodewijk.
„Och, het is niets; wij hebben drie buksen en u geef ik mijn
hartsvanger.—Hm! Er moet toch een heele troep bijeen zijn; hoor maar
hoe zij huilen!”
Men reed juist door de diepe, ongebaande sneeuw langzaam voort. De wind
zweeg, daardoor kon men in de ademlooze stilte het geluid der hongerige
roofdieren duidelijk vernemen.
„De paarden rieken waarachtig ook hun vijand reeds,” zeide
Willhofen zacht; „zie maar, hoe schuw zij den kop omdraaien en
snuiven.—Paulowitsch en Stephanos,” riep hij den ruiters toe, „gebruikt
uwe sporen, dat wij spoedig den hoek bij den grooten den bereiken. Daar
loopt de weg zoover rechts, dat het vee misschien ons spoor verliest.”
Hij sloeg met de zweep en dreef de paarden aan.—Spoedig daarop draaide
de weg om een hoogen, ouden den, wiens stam den hoek maakte, op eenmaal
rechts om. Toen de ruiters den hoek wilden omslaan, schrikten zij en
hielden hunne paarden in.
„Wat is er?” vroeg Willhofen.
„Hier ligt een mensch op den weg?” hernam de ruiter.
„Waarachtig!” riep Willhofen, die juist tot aan den hoek gekomen was.
„Dood of levend? Holla! antwoord!”
„Hij verroert zich niet; het moet een lijk zijn. Wij willen het
wegruimen, anders komen wij er met de slede niet voorbij.”
Hij hield op en wilde Lodewijk de teugels geven; doch deze zeide: „Ik
zal u helpen. Men moet toch eerst zien, of hij waarlijk dood is.”
De koetsier nam de teugels. Lodewijk en Willhofen stegen af, om het
lijk uit den weg te dragen.
„Almachtige Godheid, het is Bernard!” riep Lodewijk uit, toen hij zich
over het voorhoofd van den liggende voorover boog, om hem op te nemen.
„Bernard, leeft gij? Wanneer er nog een ademtocht in u is, bezweer ik
u, geef mij antwoord.”
Hij knielde weenend bij den verstijfde neder, hief hem het hoofd op,
steunde het tegen zijne borst en drukte vurige kussen op het koude,
bleeke gelaat.
„Wat is er?” vroeg de gravin ongeduldig.
Feodorowna echter had den uitroep van haren vriend gehoord en snelde,
van de lage slede afspringend, zelve naar de plaats. „Vindt gij een
vriend hier?” vroeg zij met bevende stem, toen zij den hevigen angst
van Lodewijk gewaar werd.
„Een vriend! O, den eenigsten, dierbaarsten mijns levens!—En
verstijfd—dood! O, mijn Bernard! Dat overleef ik niet.”
„Misschien is er nog redding,” sprak Feodorowna bewogen; „wij willen
het mogelijke beproeven.”
Met deze woorden naderde zij en legde hare hand op het hart van den
verstijfde. „Mij dunkt hij ademt nog,” zeide zij verheugd.
„Neen, neen! Hij is dood—hij is weg!” riep Lodewijk, bijna buiten zich
zelf. „Deze slag verplettert mijne borst! Neem mij mede met u, mijn
Bernard; ik verlaat u ook zelfs niet in den dood!”
Met krampachtigen angst klemde hij den vriend aan het hart en drukte
zijne lippen op den kouden, bleeken mond van den verstijfde.
„Wij willen den ongelukkige opnemen,” zeide Feodorowna op den toon van
het diepste medelijden; „misschien keert het leven in hem terug, wanneer
wij hem met warme kleederen bedekken. In een uur kunnen wij het slot
bereiken, en dan zal geen middel onbeproefd blijven, om hem tot het
leven terug te roepen.”
Lodewijk was sprakeloos van smart; hij kon niets, dan Feodorowna's hand
vatten en deze aan zijne lippen drukken. Zij trok die zacht terug. Haar
hart bad tot den goeden hemelschen Vader, dat Hij de onuitsprekelijke
smart van haren vriend mocht afwenden.
Willhofen en Lodewijk namen den verstijfde op. Toen zij hem aan de
slede brachten, vroeg de gravin: „Mijn God, wat is dat? Wat moet dat
lijk hier?”
„O mijne moeder,” bad Feodorowna, „het is een ongelukkige, in wiens
boezem nog leven is. Misschien zijn wij in staat, hem te redden.”
„Het kan niet zijn,” hernam de gravin heftig; „hoort gij de wolven
niet? Wij zijn in gevaar, wij kunnen de slede niet meer beladen en
ik zie ook geen plaats—met één woord, het is onmogelijk, het kan
niet!—Maakt dat wij voorwaarts komen, ik beveel het.”
Willhofen stond onzeker, wat te doen. Doch Lodewijk wierp zich voor
Feodorowna's voeten neder en riep uit: „Bij al wat u heilig is, bezweer
ik u, red mijn vriend, neem mijn leven daarvoor in de plaats.”
„Mijne moeder!” riep Feodorowna met nadruk, „de menschelijkheid, het
gebod der liefde....”
„Dwaze! om een lijk mede te sleepen zullen wij, levenden, een buit der
wolven worden? Neen, zeg ik, neen; ik beveel u spoed te maken. Terstond
vooruit!”
„Dan blijf ik hier,” riep Lodewijk buiten zich zelf, „tot de dood ook
aan mijn rampvol leven een einde maakt.” Hij trok den verstijfde aan
zijne borst, wikkelde hem in zijn pels en drukte hem vast aan zijne
borst. „Mijn Bernard, gij, trouwste hart op de gansche aarde,” zeide
hij en zijne tranen vloeiden zonder ophouden. „Thans komt de dag der
vergelding, ik verlaat u niet. Aan mijne borst zult gij—_moet_ gij
weder ontwaken.”
„Solanow, klim op!” beval de gravin met ziekelijke heftigheid. „Het
kost u het leven, wanneer gij nog talmt! Laat hier blijven, wie wil!”
„Moeder, moeder!” riep Feodorowna uit, terwijl zij hare hand vatte,
„het geldt een menschenleven—het geldt dat van onzen redder!”
„Die ons thans in het verderf wil storten,” viel de gravin in. „Kom bij
mij, of ik laat u achter.”
Men hoorde inderdaad het huilen der wolven al nader en nader. De
bedienden waagden niet te gehoorzamen, noch tegen te spreken.
Feodorowna was in een vreeselijke tweestrijd met zich zelve. „Welaan
dan,” begon zij na eenige oogenblikken met fierheid, „dan moet ik
beslissen. Moest ik tot mijn onuitsprekelijk lijden den naam van
prinses Ochalskoi aannemen, dan zal die mij ten minste eenmaal tot heil
verstrekken. Mij behooren deze paarden, deze lijfeigenen, gij kent
uwe vorstin, uwe gebiedster. Bij uw leven gelast ik u thans, dezen
hulpelooze niet achter te laten.”
Zij stond in eene gebiedende, majestueuze houding voor de bedienden;
toorn en verbazing boeiden der gravin de tong.
„Haast u, red u met ons en uw vriend,” zeide Feodorowna thans tot den
half bedwelmden Lodewijk. „Haast u!”
Willhofen sprong toe en hielp Bernard voor op de bank zetten, waar
Lodewijk hem met zijn eigen pels bedekte en met zijne armen vast aan
zich drukte.
„Ik ga hier voor op den dissel zitten,” riep de brave knecht, „dan
hebben wij alle drie plaats.” Op den zadel van den dissel springend,
greep hij snel de teugels aan en riep: „Vooruit knapen!”
De paarden, die, de nabijheid der woedende wolven ruikende, reeds
angstig hadden staan trappelen en met hunne hoeven de sneeuw omwoelden,
vlogen thans, alsof zij wisten, dat hunne redding er van afhing, als de
wind vooruit. Pijlsnel ging de vaart door het donkere bosch; evenwel
vernam men het gehuil der vervolgende roofdieren al nader en nader.
Opeens kraakte en bewoog het zich in de takken en plotseling sprong
een groote wolf met machtige sprongen uit de struiken, om zich voor
de paarden te werpen en deze in den strot te grijpen. Doch de vlugge
Willhofen had dadelijk de buks in de hand en velde het dier neer op
het oogenblik, dat het het schuw op zijde springend paard naar de keel
wilde vliegen.
„Die is betaald! Hij zal ons zijne huid niet schuldig blijven,” riep
de schutter vroolijk, zonder bijzonder veel acht te slaan op het luide
geschreeuw der gravin. „Paulowitsch, hebt gij geladen? Wees op uwe
hoede!”
Er vergingen eenige minuten, zonder dat een nieuwe vijand zich
vertoonde. Het akelige gehuil scheen zwakker te worden.
„Zij zijn schuw geworden,” zeide Willhofen, zich tot Lodewijk wendend,
die echter, zijn vriend aan het hart houdende, nauwelijks bemerkt had,
wat er voorgevallen was.—„Wees onbezorgd, genadige gravin en prinses,”
zeide hij tot deze, „nu kunnen de beesten ons niets meer doen. In vijf
minuten zijn wij uit het dichtste woud en dan is de baan zoo glad als
een spiegel. Dan zal een zwaluw in hare vlucht ons niet inhalen.”
Thans werd het bosch lichter; men kwam op eene, slechts door laag
kreupelhout bedekte vlakte, ongeveer een kwartier breed. De slede
vloog als een pijl uit een boog over de vastgereden baan heen. Aan de
overzijde zwenkte men eene rechte doorgehouwen laan in, en na weinige
minuten lag het jachtslot voor de oogen der reizenden.
„Dat noem ik rijden!” riep Willhofen, toen hij voor de poort stilhield,
waaruit reeds twee oude bedienden, door het klappen der zweep opmerkzaam
gemaakt, met lantaarnen naar buiten waren gekomen. „Zie maar, hoe de
paarden dampen! Van den grooten den tot hier nog geen twintig minuten,
en dat half door de diepe sneeuw! En het zijn toch goed tien wersten.”
Onder deze woorden was hij afgesprongen en had den koetsier de teugels
overgegeven. De bedienden hielpen de vrouwen uit den wagen. Zwijgend,
zonder te groeten, ging de gravin, op den arm van een der bedienden
steunende, in het slot.
Bianca beval dadelijk, voor Lodewijk en zijn vriend de meeste zorg te
dragen. Daarop wendde zij zich met deze worden tot hem: „Hier zijt gij
_mijn_ gast; dit slot behoort _mij_; wil de Hemel die groote smart
van u afwenden, dan hoop ik, dat gij hier onbekommerde uren zult
doorbrengen.”
Lodewijk, die nog was blijven zitten, daar hij Bernard in den arm
hield, wendde zich tot haar, toen zij sprak. Hare zachte stem vond ook
nu nog den weg tot zijne ziel. „Engelachtig wezen,” begon hij—daar
bewoog Bernard zich aan zijne borst en haalde diep adem. „Hij leeft!”
riep Lodewijk, alles vergetend uit. „Algoede Hemel! Hij leeft! hij
leeft!”
Hopend en vreezend tegelijk, sloeg hij zijne armen om zijn vriend en
beefde hevig.
„Waar ben ik?” vroeg Bernard en sloeg de oogen op.
„In mijne armen!” riep Lodewijk en zijn boezem klopte ademloos en
dreigde vaneen te springen door overmaat van vreugde.
Feodorowna hief hare oogen bewogen ten hemel. Ook voor haar vertoonde
zich voor het eerst een schijn van hoop. Willhofen hielp den nog half
bewust- en beweginglooze van de slede heffen en leidde hem, gezamenlijk
met Lodewijk, in het voor dezen bestemde vertrek, waar zij hem op
stoelen nederlegden. Daarop haastte de getrouwe knecht zich, om spoedig
reddings- en versterkingsmiddelen te gaan halen.
Hier kwam de herlevende weder tot zijne volle bewustheid. „Lodewijk,”
riep hij uit, „zie ik u weder! Leeft gij, of zijn wij reeds aan de
overzijde? Of was alles een droom?” En met eene warme omhelzing drukte
hij den vriend aan zijn hart.
„Wij leven! Een genadig besturende God heeft ons behoed.—O, gij zult
nog andere wonderen zien.”
Willhofen trad binnen met een warmen, door Feodorowna gereed gemaakten
drank; een bediende bracht wollen dekens, om er den verstijfde in te
wikkelen. „Dat is Goddank niet meer noodig,” riep Willhofen, toen hij
zag, dat Bernard geheel tot leven en bewustzijn was teruggekeerd. „Doch
hier, mijnheer, drink een weinig.—Dat zal u krachten geven.”
Bernard bracht het glas aan zijne lippen. Weinige druppels gaven hem
een nieuw levensgevoel; de macht der vreugde voleindigde het werk der
genezing spoedig.
„Kom, Ossip,” zeide Willhofen tot den bediende, „wij zijn hier niet
meer noodig en er is nog veel op andere plaatsen te doen.”
Beiden vertrokken.
„Broeder!” begon Bernard, toen zij alleen waren, „aan uwe borst hebt
gij mij weder tot het leven teruggeroepen! Hier bezweer ik het u, bij
de wonderbare wegen der Voorzienigheid, dat er geen droppel bloeds
in mijn aderen is, die u niet behoort! Bij den Almachtige!” Hij hief
zijne hand op; in zijne vermoeide trekken keerde de edele, alles
trotseerende kracht terug, die als een veerkrachtig staal te sterker
opsprong, naarmate de druk des noodlots haar harder dreigde samen te
persen.—„Doch, nu, vertel mij,” sprak hij. „Waar zijn wij? Hoe zijn wij
ontkomen? Wat mij betreft, mij is, buiten eene gruwelijke geschiedenis,
waardoor mij letterlijk het leven van binnen bevroren is, want anders,
dat gevoel ik nu, zoude de koude mij nog niet overweldigd hebben, niets
ontmoet, dan dat ik in het bosch heb rondgedwaald. Maar u?”
Juist wilde Lodewijk spreken, toen de deur geopend werd en Feodorowna
met opgeslagen sluier, in rouwgewaad, binnentrad. Een armblaker, die
op eene tafel naast de deur stond, wierp een helder licht op hare
edele, door de vreugde zacht gekleurde gelaatstrekken. „Zie daar onze
redster,” zeide Lodewijk en wees op de binnentredende.
„Uw vriend leeft? De goede hemel zij gedankt!” sprak zij naderbij
komende, met eene stem, waarin de heilige beweging harer borst bevend
doorklonk.
Bernard hief het oog verwonderd tot haar op. „Die trekken ken ik,”
riep hij plotseling, van onverklaarbare gevoelens van herinnering
doordrongen, „en ik weet van waar. Maar ook deze stem heb ik meer
gehoord.”
Eene gelijke verwondering hield ook Feodorowna's blikken aan het edele
gelaat van Bernard geboeid. Het zien van hem wekte wonderbare, vreemde
en onverklaarbare herinneringen in haar op. Zij reikte hem, door eene
zachte neiging des harten geleid, hare hand toe. Bernard boog zich om
die te kussen, doch in het oogenblik, dat hij er zijne oogen op sloeg,
schrikte hij als zag hij eene geestverschijning, en stond met bevende
lippen, sprakeloos, zijne oogen onafgewend op Feodorowna's gelaat
gevestigd, roerloos stil. Driftig streek hij met zijne hand over zijn
voorhoofd en door zijne haren, alsof hij daar een lastige drukking en
smart gevoelde.
„Wat schort u?” vroeg Lodewijk en trad deelnemend nader.
„Niets, niets!” riep Bernard wild en beefde over het geheele lichaam.
„Een waanzinnige droom—doch wanneer ik daaruit ontwaak, word ik
razend.—Om Gods wil, maak mij toch dezen knoop uit mijne haren los—ik
kan ze immers niet uitrukken!”
Daarbij trok hij krampachtig aan zijn hoofdhaar. Lodewijk voelde den
knoop en maakte dien zachtjes los. Bernards ring viel op den grond;
hij greep er snel naar, nam hem op, reikte hem Feodorowna toe en sprak
met hijgende borst: „Mij dunkt, deze ring gelijkt op den uwen—ik
verruilde hem eens—in Warschau—hij draagt de letters—Waanzinnige!”
riep hij opeens en trok het voorhoofd in diepe plooien, „maak u niet
zelf razend door zulke droomen. Lodewijk, schud mij, opdat ik voel, of
ik waak.”
Feodorowna had den ring van hem aangenomen, zij wilde hem met den
haren vergelijken, doch haar oog werd duister. Bevend zonk zij op de
knieën neder, vouwde hare handen als ten gebede en smeekte zacht,
met hemelwaarts gekeerde blikken: „Algoede! beproef mij niet te
hard—wanneer mijn hart zich bedriegt, zoo breekt het—zooveel vermag
het niet te dragen—neem mij in Uwe bescherming.”
Zij hield de ringen afgewend voor zich uit en hare blikken vlogen ras
op zijde, als beefde zij voor het schrikbarend orakel, dat zij moesten
verkondigen, dan drukte zij ze beide hevig aan haar hart, alsof zij
het kostelijkste waren, dat zij bezat, en zij zich daarvan voor eeuwig
moest afscheuren. Opeens hechtte zij hare blikken onafgewend daarop.
Zij beefde, haar boezem joeg, de rozengloed van den morgen kleurde
hare wangen—toen verbleekte zij tot de sneeuw der lelie—de ringen
ontzonken hare hand—zij strekte hare armen verlangend naar Bernard
uit—hare lippen bewogen zich, doch het jagen harer borst verstikte
ieder geluid—eindelijk riep zij met angstvolle inspanning: „Broeder,
broeder!” en zonk als levenloos met het schoone hoofd aan de borst
van den voor haar knielenden Bernard. Deze hield haar stom, bevend
aan zich geklemd; zijne ijzeren kracht was gebroken, zonder ophouden
vloten er tranen uit zijne oogen en bevochtigden de wangen der schoone
zuster, die bewusteloos aan zijn hart rustte. „Lodewijk, Lodewijk!” bad
hij dezen eindelijk met weeke stem. „Gij zijt beter dan ik—bid gij
tot den eeuwigen Vader, dat zij mij niet ontvalle—uw smeeken zal Hij
hooren!—Lieve, zachte roos, richt uw hoofd op!—Breek thans niet, gij
engelrein hart, klop nog eenmaal levend en beminnend tegen de borst des
broeders!”
In zijne armen hief hij zijne zuster omhoog en liet haar zachtjes op de
rustplaats neder, waarop hij, nog voor weinige minuten, zelf tot een
nieuw leven ontwaakt was. Daar sloeg zij het groote blauwe oog op en
hief den mat neergezonken arm weder omhoog, om hem liefkoozend om den
hals des broeders te slaan. Thans stroomde de milde bron der tranen
over en verloste de borst van het overstelpend geweld der vreugde. Ruim
ademde zij en een volle, eindelooze hemel van zaligheid straalde door
den vochtigen nevel harer oogen.
„Zoo is het dan waar? Zijn het niet de toovergestalten mijner
verbeelding, welke mij bedriegen? Ben ik niet verplaatst in de gewesten
der zaligheid?—Ja, ja, gij zijt mijn broeder! De stem mijns harten
bedriegt mij niet. Zij is waarachtiger dan de duizend teekenen mijner
zintuigen, waaraan ik u herken. Ik heb nu een hart op deze wereld, dat
mij toebehoort; eene borst, die mij niet ruw terugstoot, wanneer ik tot
haar wil vluchten!—Niet waar mijn broeder!—Gij zult mij niet weder
verlaten?”
„Verlaten?” vroeg Bernard, en sidderend drukte hij haar inniger aan
zijne borst. „Gelijk de plant in eene donkere rotskloof naar het licht
zoekt, zoo verlangde mijne borst naar een zusterhart! En gij waant,
dat ik voor de warme gouden straal, die eindelijk in mijn verstorven
hart dringt, den kelk zoude sluiten? Voor het eerst breekt in dezen
heiligen stond het licht door de nevelwolken mijns levens! Voor het
eerst zie ik deze schoone wereld verheerlijkt in zijn gouden rozenglans!
Grauw, woest, akelig lag zij voor mij in donkere nevels gehuld.—Thans
schittert zij van duizend kleuren! Neen, thans zal ons niets meer
scheiden! Zelfs de dood niet, want ik vernietig mij zelf in het
oogenblik, waarin hij u uit mijne liefdearmen wegrukt.”