HOOFDSTUK V.

Dolgorow steeg weder te paard, verzamelde bijna alle weerbare mannen en

zette zich aan hun hoofd naar den grooten weg in beweging. Willhofen

en vier landlieden met pieken bleven ter bewaking der gevangenen

achter, welken men vergunde, zich aan de groote vuren te warmen; ook

werd er eenig brood en brandewijn onder hen uitgedeeld. Lodewijks hart

smachtte naar Bianca. Hij vroeg daarom aan Willhofen: „Wat zullen wij

nu beginnen, lieve vriend? Welke zal mijne, welke uwe naaste bestemming

wezen?”

„Ik moet hier de bevelen der prinses afwachten, die daar bij de kranke

gravin in de hut is,” antwoordde hij. „Zij zullen den terugkeer wel

afwachten van hare slede, die gewonden naar het dorp gebracht heeft.”

De benaming _prinses_ had Lodewijk getroffen. Hij vroeg: „Is dan de

prinses niet de dochter van den graaf?”

„Jawel,” hernam Willhofen, „en aan prins Ochalskoi, wiens lijfeigene ik

ben, gehuwd.”

„Gehuwd?” riep Lodewijk verbleekend.

„Of liever gehuwd geweest,” voer Willhofen voort; „want de prins is

dood. Ik geloof, onder ons gezegd, dat het zelfs tot geen huwelijk

gekomen is, want op den bruiloftsavond werd het slot door de Franschen

overvallen en bestormd, en de prins ontving eene zware wonde, waaraan

hij eindelijk te Moskou overleden is.”

Lodewijk luisterde met gespannen aandacht toe.

„Hier op deze plaats in het bosch heb ik hem een geruimen tijd in de

struiken moeten verbergen, tot wij hem, met zijne jonge vrouw, in een

wagen naar het jachtslot konden brengen.”

„Hier, hier?” viel Lodewijk den sprekende in de rede, en een treffend

gevoel bewoog zijne borst.

„Juist hier; want het slot ligt nauwelijks een uur van hier; men kan

het door het hooge hout niet zien. Daar over...”

„Wanneer is de bestorming geschied?”

„Den zeventienden Augustus; ik weet het nog, alsof het gisteren was.”

„God van genade!” riep Lodewijk en wierp zich op de knieën. „Almachtige

Bestuurder onzer dagen! Wie zal tegen U morren! Aan welke draden

bestuurt Gij ons lot! Eeuwige, Oneindige! Neem mijn warmen dank en

mijne tranen. Beproef mij nu, zoo hard en zwaar Gij wilt, ik zal

nimmer vertwijfelen; geene ontmoediging zal mijne borst bewegen.

Want wonderbaarlijk hebt Gij geheerscht en gewaakt.—Gij zult in Uwe

heerlijke wijsheid alles voleindigen!”

Willhofen beschouwde den biddende met verwondering. Hij vermoedde

geheime betrekkingen, doch waagde het niet, om er naar te vorschen.

Toen Lodewijk opstond en in de hevigste gemoedsbeweging op en neder

ging, trad Willhofen tot hem en zeide, terwijl hij zijne hand vatte:

„Dat is braaf, lieve heer; vroomheid is eene hooge deugd. Ook ik heb

menigmaal innig tot den Heer gebeden en ik hoop ook, dat Hij mij zal

verhooren. Hij heeft mij immers nu reeds uit het verre Azië, waar ik,

vergeten door mijn vaderland, leefde, weder tot hier gevoerd, bij den

zoon mijns dierbaren meesters. O, ik bid u, het schijnt, dat gij veel

op graaf Dolgorow vermoogt, ik bid u dringend, verzoek mijne vrijheid

van hem.”

„Zekerlijk!” beloofde Lodewijk met een handslag. „Maar zeidet gij niet,

dat gij een lijfeigene van den prins waart?”

„Dat wel; doch de goederen zijn door het huwelijkscontrakt aan den

graaf gekomen. O, wanneer het van de prinses afhing om mij de vrijheid

te geven—dan had ik ze reeds lang. Maar den graaf Dolgorow heb ik er

nog niet om durven vragen.”

Een bediende kwam en sprak met Willhofen. „De gravin Dolgorow doet u

tot zich roepen, lieve heer,” zeide Willhofen. „Volg dezen man slechts,

hij zal u geleiden.”

Lodewijk ging met een kloppend hart. De bediende geleidde hem naar de

luchtig van dennetakken gebouwde hut. Bianca kwam hem halverwege te

gemoet; zij was vriendelijk, doch eene stille zwaarmoedigheid lag over

hare trekken verspreid.

„Ik zal u bij mijne moeder brengen,” zeide zij met eene zachte stem.

„Gij hebt haar reeds op onze vlucht uit Italië leeren kennen. Voel u

slechts niet beleedigd door de misschien te koude, stijve ontvangst,

welke gij lichtelijk bij haar vinden zult. In dit land kent men de

zachtere zeden van Duitschland nog slechts weinig; hier geldt de rang

alles; en de nationale hoogmoed en de haat tegen vreemden zijn in deze

oogenblikken beide zoo hevig, dat de stem der warmste dankbaarheid zich

nauwelijks kan verheffen.”

„Dankbaarheid?” hernam Lodewijk. „Wie moet hier dankbaar zijn? Gij, wie

ik, nauwelijks wetende wat ik deed, een geringen dienst bewees, die het

hoogste geluk mijns levens uitmaakte, of ik, die u alles te danken heb?”

„Gij wildet de toevallige wederdiensten in rekening brengen?” zeide

Feodorowna. „Misschien ook wel, dat gij thans, nu gij in onze handen

zijt, niet op eene barbaarsche wijze vermoord zijt geworden, gelijk die

andere rampzaligen?”

„Zoude ik ook de waarschuwing moeten vergeten, welke ik in Moskou

ontvangen heb?” antwoordde Lodewijk na eenig dralen.

„Zoo hebt gij mij aan mijn teeken herkend?” vroeg Feodorowna met

onuitsprekelijk liefdevollen blik.

„Wat kon ik ooit vergeten, dat ik door u heb leeren kennen!”

antwoordde hij koen.

Een licht rood vloog over de bleeke wangen van het schoone gelaat; zij

sloeg hare oogen neder en zeide zacht: „Ook mij zijn de uren, welke wij

tezamen doorgebracht hebben, onvergetelijk gebleven. O, dat gij u zoo

spoedig van ons losruktet!”

„Meent gij, dat het mijn wil was?” riep Lodewijk uit. „O neen! dat

kunt gij niet gelooven! Een vijandige demon voerde ons vaneen. Ik

verdwaalde; te laat moet ik den oever der Rhône bereikt hebben.”

„Mijn vader drong ons, om ons te haasten,” viel hem Feodorowna in de

rede. „Ik beproefde door een teeken...”

„O, ik heb het gevonden,” sprak Lodewijk schielijk met eene stem,

waaruit zijne ontroering sprak, nam hare hand en drukte ze aan zijne

lippen. „Doch eerst den anderen morgen, na een met ronddwalen verloren

nacht, schitterde het mij als eene star der hoop te gemoet. Nooit

vergeet ik het oogenblik, toen ik dit lint rozenkleurig door het hout

zag schemeren! Nog in dit uur draag ik het op mijn hart. Hier is het.”

Tranen welden in hare schoone oogen op, toen zij dit liefdeteeken in de

hand des beminden zag.

„Wij sloegen dadelijk aan de andere zijde der rivier een gevaarlijk pad

naar het hooge gebergte in,” zeide zij, terwijl ze te vergeefs hare

aandoening zocht te beheerschen.

„En ik meende u in het dal, over den St. Gotthard, het zekerste te

zullen achterhalen. Zonder ophouden vorschte ik naar uw spoor, tot in

Duitschland een ongelukkig blad mij...”

„Heeft mijn afscheidswoord u aldus toch bereikt?” viel Feodorowna

vroolijk in.

„Het was de bitterste kelk, die mij ooit door eene aanminnige hand is

toegereikt.”

„Het lot heeft hem verzoet, wij willen dankbaar zijn,” hernam

Feodorowna en eene vrome aandoening bewoog hare stem. „Ik geloofde

niet, dat het ons ooit weder bijeen zou brengen; doch een hoogere hand

bestuurt de draden, waaraan ons leven hangt.”

„Waarlijk, eene wonderbaar bestierende macht!” riep Lodewijk door zijn

gevoel overmeesterd uit. „O, zoo gij wist, hoe nabij ik u intusschen

reeds geweest ben!”

Bianca zag hem verwonderd aan. „In Moskou meent gij?”

„Neen, niet verre van hier—ik was bij het bestormen van dat slot

ginds.”

„Gij zelf!” riep zij en zag hem met weifelende blikken aan. Toen hief

zij oogen en handen ten hemel en sprak uit de volheid harer ziel: „O,

Almachtige Vader in den hemel! Hoe kon ik ook slechts een oogenblik

aan Uwe goedertierenheid twijfelen! O, gij weet niet,” keerde zij zich

bewogen weder tot Lodewijk, „gij vermoedt niet, van welk rampzalig lot

gij mij verlost hebt! Doch,” voer zij snel en zacht voort, „verzwijg om

's hemels wil, dat gij aandeel in den strijd van dien nacht hebt gehad;

men zoude het u nimmer vergeven!”

Onder deze gesprekken waren zij tot aan de hut gekomen.

Feodorowna trad eerst binnen, Lodewijk volgde. Op een rustbed, in een

pels gehuld, zag hij de gravin Dolgorow liggen, wier trekken, ofschoon

de uitdrukking van ziekte en lijden ze veranderd had, hij dadelijk

herkende. Zij zag hem niet met vriendelijkheid, doch met een gevoel

van meerderheid aan. „Het verheugt mij,” zeide zij afgemeten, „dat wij

u den dienst, dien gij ons in Italië gedaan hebt, thans hebben kunnen

vergelden, ofschoon het mij leed doet, u onder hen aan te treffen, die

den oorlog in ons vaderland hebben gebracht.”

„Ik geloof, genadige gravin, mij desaangaande reeds gerechtvaardigd te

hebben,” hernam Lodewijk met eenige fierheid.

„Gij kunt thans gelegenheid vinden, de schuld van het lot te

vereffenen. God heeft de legers der vijanden verslagen; het verderf

komt op hen neder; de rechtvaardige zaak zegepraalt. Het hangt thans

slechts van u af, deel aan den strijd te nemen.”

Lodewijk zweeg eenige oogenblikken; toen antwoordde hij rustig en

bedaard: „Gij zult mij vergunnen, u op dit voorstel een antwoord te

geven, dat mijn besluit mag rechtvaardigen. Ik zelf houd de zaak

van Rusland voor eene rechtvaardige; met inwendigen tegenzin heb ik

aan den strijd deelgenomen. Ik deed niets meer, dan de eer van den

man, den soldaat die zich eenmaal onder eene vaan geschaard heeft,

van mij eischte. Als een enkel persoon konde ik den stroom der

wereldgebeurtenissen niet beheerschen, noch dien wederstand bieden;

dit spreekt mij van persoonlijke verantwoordelijkheid jegens dit land

vrij. Misschien wenschte niemand in het geheele leger den oorlog;

daarom zal ook het individu het algemeene onrecht noch ontgelden, noch

behoeven te verdedigen, daar hij het niet kon verhoeden. Voor den

edelen aanvoerder onder wiens bescherming ik mij begeven had, voor

mijne trouwe, dierbare kameraden was mijne meening geen geheim. Doch

zij eerden die en behandelden mij met zooveel bescheidenheid, dat zij

mij van elken plicht zochten te verschoonen, die mijn hart had kunnen

bezwaren. Ik moest er mij zelf tegen verzetten, om geene schandelijke

verdenking op mijne eer, mijn mannenmoed te laden. Wat vriendschap en

broederlijke liefde uit welwillendheid kunnen uitdenken, dat gewerd mij

van mijne wapenbroeders. Thans zult gij, daarvan ben ik overtuigd, niet

meer verlangen, dat ik hen trouweloos verraden en zelfs de wapenen tot

hunne bestrijding opnemen zou. Dwong eene heilige verplichting jegens

mijn eigen vaderland mij daartoe, dan moest ik zekerlijk gehoorzamen;

en evenwel zou ik met nog zwaarder hart in zulk een strijd gaan, dan in

dien tegen Rusland. Want, hoe de groote massa's ook tegenover elkander

mogen staan, de enkele persoon treft slechts zijn eenen man, en ik zou

het zwaard liever tegen mij zelf trekken, dan tegen die edele, getrouwe

vrienden, met wie ik tot hiertoe gevaar en ongemak gedeeld heb.”

De gravin scheen verstoord over Lodewijks vrije, standvastige

weigering; doch in Feodorowna's oog gloeide eene heilige vreugde en

aandoening over het edele gevoel van hem, tot wien haar hart haar met

overweldigende macht heentrok.

„De zaak van Rusland is ook die van uw vaderland. Zij is die van geheel

Europa,” hernam de gravin na eenig nadenken; „doch ik voel mij te zwak,

u dit thans overtuigend te bewijzen.—Gij zult ons naar een jachtslot,

twee uren van hier, vergezellen; het ligt zoo diep in het bosch, dat

het tegen elken vijandelijken aanval beveiligd is. Doch wij kunnen

eerst tegen den avond opbreken, daar onze slede eenige zwaar gewonden

naar een tamelijk ver van hier gelegen dorp brengt. Ondertusschen

zullen onze bedienden zorg dragen, dat u niets ontbreke.”

Bij deze woorden wenkte zij met de hand, als wilde zij Lodewijk

beduiden, dat hij zich verwijderen kon. Doch Feodorowna viel, zichtbaar

geërgerd over de koude, trotsche ontvangst, de gravin in de rede: „Die

zorg zal ik zelve op mij nemen, dierbaarste moeder; de redder van ons

leven mag ons niet ondankbaar vinden.”

„Ik hoop, hij zal russische grootmoedigheid leeren kennen en

waardeeren,” antwoordde de gravin trotsch en verdrietig. „Doch ik moet

u bidden, mijne dochter, mij niet te veel alleen te laten, daar gij

weet, dat ik uw bijstand in mijn toestand hier, waar wij ons ieder

levensgenot moeten ontzeggen, noodzakelijk behoef.”

Lodewijk boog zich en ging; doch Feodorowna volgde hem dadelijk.

„Ik bezweer u, doe niets, wat u onaangenaamheden kan berokkenen,”

zeide Lodewijk dringend, toen zij buiten de hut waren. „Het schoonst

geluk heb ik immers verworven; wat kan men hoogers wenschen?”

„O, gij verontschuldigt mij zoo goedaardig,” hernam Feodorowna; „maar

ik moet ook mijne moeder verdedigen. Zij is met hare gansche ziel aan

haar vaderland gehecht, en dit is ook de reden, waarom gij ons hier in

dezen zonderlingen toestand aantreft. Zij wilde volstrekt—en hierin

volgde zij niet alleen den wil mijns vaders—door hare tegenwoordigheid,

door toespraak en hulp voor ongelukkigen en door den veel vermogenden

invloed, welke aan hoogere standen zoo licht wordt, wanneer zij dien

op deemoedige onderdanen willen uitoefenen, den moed en ijver der

verzamelde volksmenigte aanvuren. Dezen plicht heeft zij met zulke, alle

vrouwelijke krachten te boven gaande inspanning uitgeoefend, dat zij

thans ziek en afgemat ter neder ligt en gedwongen is zich naar dat slot

te begeven, waarheen wij, zoo ik hoop, spoedig zullen afrijden.”

Hun gesprek werd daardoor gestoord, dat de grijsaard, die Lodewijks

redder uit de handen zijner verbitterde vijanden geweest was, toen

hij voor twee uren, aan den doodspaal gebonden, als een offer der

volkswraak zoude gevallen zijn, uit het bosch trad. Het was Gregorius.

„Wees gegroet, mijne dochter,” sprak hij Feodorowna in het russisch

aan; „erbarmt gij u over dezen ongelukkige?”

„Dezen eerwaardigen grijsaard,” riep Lodewijk, en vatte met een warm

gevoel van dankbaarheid zijne hand, „heb ik eerst mijn leven en thans

het grootste geluk te danken.”

„Dus gij, vader Gregorius”, zeide Feodorowna bewogen, „hebt gij dezen

getrouwen vriend, die eens de redder mijns vaders, mijner moeder en

van mij zelve was—ach! hij is het tweemaal geweest—gij dus hebt hem

behouden? Deze nieuwe schuld moet mijn hart u betalen?”

„Lieve dochter,” hernam Gregorius vriendelijk, „het gebod des Heeren

eischte slechts zijne redding. Hij was hulpeloos, onmachtig, gebonden,

onze vijanden waren ook de zijne, en zoo behoorde hij tot ons.

Mocht hij thans geheel een der onzen worden en het zwaard tegen de

heiligschenners keeren, die door Gods wrekenden bliksem getroffen zijn.”

Lodewijk zweeg, want hij verstond de in het russisch gesproken woorden

niet; doch Feodorowna antwoordde snel: „Neen, mijn vader, laat ons dit

niet vragen en niet van hem vorderen. Hoe zwaar zich de zijnen ook aan

hem vergrepen hebben, hij mag geene wraak aan hen uitoefenen, noch

verrader worden van hen, die in één vaderland met hem wonen, ééne taal

met hem spreken. Laat Ruslands heilige zaak aan zijne eigene zonen

worden overgelaten! Zij zijn sterk genoeg om zich zelven genoegdoening

en wraak te verschaffen. Het moet hun roem, hun naijverig streven

zijn, geene vreemden deel te laten nemen aan een werk, dat zij zelven

kunnen volbrengen. Daarom laat ons, mijn vader, de gevoelens van onzen

gast jegens de zijnen eeren. U voert eene mij welkome bestiering mij

te gemoet. U zij de vreemdeling ter verzorging aanbevolen; gij zult

vaderlijk voor hem zorgen, tot ik om u zend. Deel uw maal, uw leger met

hem, want gij ziet, hij is door harde rampen uitgeput. U geef ik hem

over; en weet, dat uwe dochter hem als een broeder bemint—daarom zij

hij u als een zoon.”

Feodorowna sprak met warmen ijver. Gregorius reikte zijn gast de

rechterhand, ten teeken, dat hij hem gaarne opnam, en sprak hem in het

latijn aan.

„_Salve! Sis felix, quomodo mihi es exoptatus!_”

Lodewijk bemerkte nu eerst, dat hij een dienaar des Heeren voor zich

had. Verheugd, een middel te vinden, om zich met hem te onderhouden,

antwoordde hij hem:

„_Salve, mi pater! Gratias tibi ago ex intimo pectore, salvatori vitae

meae! Sis felix, quomodo benignas es._”

Feodorowna nam afscheid van Lodewijk en ging terug naar hare moeder.

Hij volgde den eerwaardigen Gregorius, die hem naar eene andere hut

geleidde, voor welke een groot vuur brandde. Met dank nam hij het maal

aan, dat de grijsaard hem aanbood. Terwijl hij den eenvoudigen, maar

versterkenden kost nuttigde, trad ook Willhofen nader en zette zich

op de welwillende uitnoodiging van Gregorius bij hen neder. Thans

eerst had Lodewijk gelegenheid, naar zijn vader en de bediende, om

naar Lodewijks moeder en hare lotgevallen te vernemen. Ach, zij konden

beiden slechts van het verlorene spreken; maar evenwel vervulden deze

herinneringen hunne zielen met een zoeten weemoed.

Eéne zorg, één kommer slechts lag op Lodewijks hart: het lot van

Bernard. Wel was de hoop in al hare bezielende kracht in hem ontwaakt,

doch hij behoefde slechts een blik te slaan op hetgeen hem omringde, om

zijne vrees weder even sterk te doen aangroeien.

1812: Historische roman · 第 107 / 154 题