HOOFDSTUK IV.

Terwijl Lodewijk en zijne medegevangenen door het bosch gevoerd

werden, zag hij met zorgvolle blikken om zich heen, of hij Bernard

niet ontdekte. Hij wist nauwelijks, of hij hopen of vreezen moest hem

te zien. Het zoude een onbeschrijfelijke troost voor hem geweest zijn,

wanneer hij zijn leed in gezelschap van zijn vriend had mogen dragen,

doch zijne edele ziel verzette zich tegen de geringste opwelling dezer

zelfzucht. Hij koesterde de geheime, ofschoon zwakke hoop, dat Bernard

gelukkiger in zijne onderneming mocht geweest zijn en spoedig Rasinski

en de vrienden mocht bereikt hebben.

Na eene wandeling van een uur bereikte men een open plaats, die echter

rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge nachtvuren,

om welke talrijke zwermen gewapende landlieden lagen. Met verwondering

zag Lodewijk ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand

van hare vreedzame werkzaamheid afgerukt en midden in het krijgsgewoel

der mannen gevoerd had. Eenigen maakten het eten gereed, anderen

poetsten geweren, eene andere zag hij een gewonde verbinden.

Eerst scheen men op de aankomenden niet bijzonder veel acht te slaan.

Toen men echter de gevangenen, die zij medebrachten, in het oog kreeg,

stroomde alles nieuwsgierig toe, om de ongelukkigen op te nemen. De

wanhoop in de gelaatstrekken van dezen stak schrikkelijk af tegen de

uitdrukking van hoon en woeste vreugde bij de overwinnaars. Lodewijk

had al zijne kracht noodig, om zijne mannelijke bedaardheid te bewaren.

De toevallige omstandigheid, dat hij niet van zijne kleederen beroofd

was, gelijk de overigen, maar, nog in een warmen mantel gehuld, ten

minste niet van koude behoefde te beven, kwam hem daarbij zeer te

stade. Hij wekte daardoor nochtans ook de roofzucht der aandringende

vijanden op, wier voornemens hij uit hunne gebaren en hun immer

luider wordend gemompel raden kon. Eindelijk trad een baardig kozak,

waarschijnlijk vermeenende, dat hij boven de anderen iets vooruit had,

op hem toe en wilde hem de muts van het hoofd nemen. Lodewijk trad

onwillekeurig een tred achteruit en weerde den Rus met de hand af.

Daar hief deze toornig zijn knuppel, die wel eene knods geleek, tot

een verschrikkelijken slag omhoog. Zonder twijfel zou hij Lodewijks

hoofd verpletterd hebben; doch opeens klonk de luide kreet eener

vrouwelijke stem en in hetzelfde oogenblik trad eene edele, in kostbaar

pelswerk gehulde gedaante, doch met gesluierd gelaat, door de rijen der

omstanders en hield den opgeheven arm van den Rus tegen.

Toornig wendde deze zich om; doch toen hij zag, wie zijne hand

tegenhield, veranderde zijn toorn in de diepste onderdanigheid en trad

hij met eerbiedige buigingen terug.

Lodewijk was door het wonder dezer nieuwe redding, die met de snelheid

van een oogwenk plaats had, als bedwelmd; hij hechtte zijne blikken op

zijne redster, maar kon geen woord van dank of erkentenis uitbrengen.

Zij stond, zelve geheel van schrik verbijsterd, uit het diepst van

haar boezem met moeite ademhalend, nauwelijks in staat zich staande

te houden, vóór hem en sloeg de handen als ware het tot een dankgebed

samen. Eindelijk sloeg zij den sluier terug, terwijl zij met eene

bevende, onbeschrijfelijk roerende stem zeide: „Kent gij mij?”

Alsof eene hemelsche verschijning, een reddende engel des Almachtigen,

plotseling in stralenglans voor hem was getreden, zonk Lodewijk, zich

zelf niet meer meester, voor de ontsluierde op de knieën. Het was

Bianca.

Bevend vatte hij hare hand; hij boog zijn hoofd, zijne tranen

stroomden—hij meende in deze overmaat van zaligheid zijn leven te

eindigen.

„Zoo kon ik u dan toch dankbaar zijn!” zeide zij en hief het blauwe, in

tranen zwemmende oog ten hemel. „O, almachtige Vader, Uwe hand stuurde

mijne schreden!—Wanneer ik te laat ware gekomen!”

De omstanders staarden de groep met sprakelooze verwondering aan.

„Wat beteekent dat?” vroeg opeens eene ruwe mannenstem. Lodewijk

ontwaakte uit zijne bedwelming en sprong op.

Een ruiter was den kring binnengereden; het fraaie paard en zijne rijke

kleeding verrieden den aanvoerder.

Het was graaf Dolgorow.

„O, mijn vader!” riep Bianca op hartstochtelijken toon, „zie hier onzen

redder!”

„Wie? waar?” vroeg de graaf en wierp een doordringenden blik op

Lodewijk. Doch opeens brak hij zijne verwondering af door den uitroep:

„Gij hier? ellendeling!” en met één sprong was hij van het paard af en

drong in de rijen der gevangenen door, om Beaucaire, wiens knieën van

koude en schrik knikten naar voren te sleuren.

Dolgorow, wiens borst door wraak sneller werd ontgloeid dan door

dankbaarheid, vergat deze om gene te bevredigen! In Engeland en Italië,

waar hij zich in gewichtige, maar gevaarlijke diplomatieke betrekkingen

had bevonden, was Beaucaire zijn secretaris en geheime agent geweest.

Toen de oorlog in het jaar 1812 uitbrak, en Napoleon de engelsche

en russische agenten in alle landen op het ijverigst deed opsporen,

waren ook Dolgorows bemoeiingen bekend geworden. Hij moest uit Rome

overhaast en vermomd vluchten. Beaucaire bekwam een pas als duitsche

graaf Wallersheim. Feodorowna ging, onder den naam van Bianca, voor

zijne zuster door. Dolgorow zelf werd voor eene oude bediende, zijne

vrouw voor de gouvernante der jonge gravin uitgegeven. Zoo aanvaardden

zij gezamenlijk de reis. Te Milaan dacht Beaucaire, die eene zinnelijke

liefde voor de dochter des graven had opgevat, van de moeielijke

omstandigheden alles te kunnen verkrijgen. Hij waagde voorstellen te

doen, die Feodorowna met verstoordheid afwees en welke de woede haars

vaders deden ontvlammen, ofschoon in zijn toorn het grootste gevaar

lag. Hij mishandelde den schelm en stiet hem met smaad van zich; deze

snelde heen om hem te verraden. Doch reeds had de graaf toebereidselen

gemaakt, om zoo snel mogelijk te ontvluchten, terwijl hij zijn reisplan

veranderde, daar hij, in plaats van over Verona naar Inspruck en

Munchen, den weg over den Simplon insloeg. Daar ontmoette Lodewijk

hem.—Redder en verrader waren thans tegelijk in zijne handen gevallen,

en de laatste zou nu zijn loon ontvangen.

„Heilige God! Welke bestiering!” riep Feodorowna uit, toen haar oog op

den ellendeling viel, dien Dolgorow, ondanks zijn tegenstreven, uit de

sidderende menigte bij den strot naar zich toesleurde.

Beaucaire kreeg haar thans ook in het oog, en met wanhopige inspanning

rukte hij zich los en viel voor hare voeten neder. Krampachtig omvatte

hij hare knieën en riep: „Erbarmen, gravin! Bid om genade voor mij!

Slechts mijne razende liefde voor u was mijn verderf!”

Bianca beefde en sloeg een angstvollen, smeekenden blik tot haar vader

op. Doch deze riep in gloeienden toorn:

„Pakt hem aan en werpt hem daar in de vlammen, opdat ieder Rus zie, hoe

een verrader gestraft wordt.”

Bianca werd bleek als een marmeren beeld. Beaucaire gilde luid en

klemde zich in den angst der vertwijfeling aan hare knie vast,

terwijl hij zijn hoofd in haar schoot trachtte te verbergen. Zij zou

nedergestort zijn, zoo niet Lodewijk, ras ter hulp springend, haar had

staande gehouden.

„Volvoert mijn bevel!” riep Dolgorow nog eens. „Scheurt hem van de

vorstin weg!”

Op dit bevel pakten twee mannen, met woest gehuil uit den hoop te

voorschijn springend, den vertwijfelende bij de haren; twee anderen

grepen hem bij de voeten, een kozak trok zijn mes uit den gordel en

gaf hem eene snede over de beide handen, waarmede hij Bianca's knieën

omvat hield. Eerst toen de spieren vaneengereten waren, zonken zijne

armen terug. Onder een gevaarlijk getier en gebrul der in woede

ontvlamde menigte, werd hij half weggedragen, half voortgesleept.

Zijn hartverscheurend jammeren drong door het tieren der barbaarsche

schaar door, die, van wilde begeerte naar het afgrijselijk schouwspel

ontvonkt, in eene zwarte massa hem nastormde.

„Bewaakt de overige gevangenen!” riep Dolgorow en ging met rassche

schreden midden door de menigte, die eerbiedig voor hem week, naar de

plaats toe, alwaar zijn vreeselijk bevel zoude volvoerd worden.

Bianca had haar hoofd tegen Lodewijks schouders geleund. Zijn hart werd

gelijktijdig met schrik en zaligheid vervuld.—Thans klonk een woedend

gebrul met verdubbelde kracht door de lucht. Tegen zijn wil trok het

zijn oog naar de verschrikkelijke plaats heen. Beaucaire werd hoog

opgeheven; zijn gelaat, door verwarde haren omgeven, vertrok zich als

door de pijniging der hel gefolterd. Hij sloeg wild met de bloedige

stompen zijner handen om zich heen. Daar wierpen hem de woedenden

voorover in den gloed; een gruwelijke kreet, die wijd door het bosch

weerklonk, steeg op. Hij drong zelfs met ontzettend geweld tot Bianca's

bedwelmde zinnen door; zij beefde en kromp ineen en drukte haar gelaat,

om het te verbergen, aan Lodewijks borst. Afgrijzen beroofden dezen van

beweging en spraak; nauwelijks kon hij zijn blik van het vreeselijk

schouwspel af en naar de geliefde heen wenden, die aan zijn hart rustte.

Toen na het wild geraas eenige oogenblikken van akelige stilte volgden,

ontwaakte Feodorowna uit hare verbijstering. Zij beefde schuw terug,

toen haar oog op de schouwplaats der schrikkelijke daad viel. Haar

hoofd afwendende, vielen hare blikken op Lodewijks edele, van schrik en

medelijden diep bewogen trekken. Hier toefden ze met onuitsprekelijke

innigheid. Aan hare lippen ontvlood het geheim des harten niet, dat

zich in dit oogenblik voor het eerst aan haar zelve openbaarde; maar

de schittering van haar oog verkondigde het. In Lodewijks borst vlamde

het geloof aan de hooge beschikkingen der Voorzienigheid hoog op en een

heerlijk bewustzijn doorgloeide zijn borst. Zij en geene andere was hem

tot gezellin zijns levens toegedacht! Na den wonderlijksten loop hunner

lotgevallen voerde de Voorzienigheid haar hem te gemoet. Hij waagde het,

hare wenken te verklaren. Juist wilde hij zijne lippen openen. Daar trad

Dolgorow, die van zijn bloedig rechterambt terugkeerde, tusschen hem en

Feodorowna. Hij hechtte donkere, vorschende blikken op het gelaat zijner

dochter; het scheen, alsof hij vermoedde, dat hare hevige ontroering

door iets anders, dan door de zoo even volvoerde ontzettende straf des

ellendelings was teweeggebracht.

„Prinses Ochalskoi!” sprak hij koel en op hoogen toon, „ik heb niet

vergeten, wat wij dezen jongen man schuldig zijn. Mij dunkt echter,

dat onze rekening vereffend is, daar ik hem als Ruslands vijand zie

onder hen, die in het heiligdom van ons vaderland zijn ingebroken. Doch

grootmoedigheid is de deugd der Russen.—Ik zal zorg dragen, jonkman,

dat men u aan de uwen terugzendt; doch valt gij weder in onze handen,

dan treft u het lot van al de overigen: de dood of eeuwige gevangenis

in de mijnen van Siberië.”

Lodewijks trots ontwaakte; doch hij bedwong zich en hernam: „Wanneer

gij mij naar het fransche leger terugzendt, dan is mijn dood zeker, en

gij zelf zijt de oorzaak daarvan.”

„Hoe dat?” vroeg Dolgorow verwonderd.

„Wat ik op de italiaansche grenzen voor u gedaan heb, werd mij door de

fransche bewindhebbers in mijn vaderland als eene des doods waardige

misdaad aangerekend. Iedere weg tot ontvluchten was mij afgesneden;

slechts om het geweld mijner willekeurige rechters te ontgaan, trad ik,

op aanbieding van een edelen vriend, in de rijen van het leger. Dezen

morgen zoude ik, door denzelfden ongelukkige vervolgd en verraden, die

in dit oogenblik de straf zijner misdaad ontvangen heeft, den dood

ondergaan. De overrompeling der uwen redde mij. Doch een dierbare

vriend....”

Dolgorow viel hem in de rede. „Wanneer gij de waarheid spreekt, zijt

gij gerechtvaardigd, en ik geloof u. In dit geval zult gij zorg dragen,

vorstin, dat onze redder naar het slot gebracht worde. Solanow zal

u begeleiden; mij houdt mijn plicht hier terug; maar ik volg u zoo

spoedig mogelijk. Doch ga evenwel eerst de gravin hiervan onderrichten.”

Bianca gehoorzaamde en nam, door twee bedienden vergezeld, haar weg

naar eene soort van hut, die achter de legervuren opgericht was. „Wij

zien elkander spoedig weder,” zeide zij onder het gaan tot Lodewijk,

terwijl zij neigend groette. Haar blik drong diep in zijn hart; zij

lachte smartelijk en vriendelijk tegelijk, en eene zachte verhevenheid,

als van het gelaat eener heilige, straalde uit hare blikken.

Met bevenden eerbied boog hij het hoofd; toen hij het ophief, zag

hij de edele gedaante, als de verschijning eens engels in een kring

van wilden, door de rijen der zich eerbiedig buigende krijgslieden

verdwijnen.

Ook Dolgorow wilde gaan, doch Lodewijk hield hem terug.

„Ik moet u nog om uwe bemiddeling voor een vriend verzoeken, die

misschien even als ik in de handen der uwen gevallen is. Hij wilde mijn

redder worden en laadde aldus den toorn der fransche geweldenaars op

zich; hij wilde mijn noodlot overal met mij deelen en zoo sloeg hij

denzelfden weg der redding in. Heden moest hij aan mijne zijde sterven,

doch hij redde zich door de vlucht.”

„Wanneer hij in onze handen valt, zal hij bij u gebracht worden,” zeide

Dolgorow; „maar hoe heet hij?”

„Graaf Lomond is de naam dien hij aannam, toen hij in dienst trad en

welken hij zekerlijk ook nu nog voeren zal.”

„Ik zal het noodige omtrent hem bevelen.”

Een soldaat met grijze haren, van ongeveer zestig jaren, die een

russisch uniform en zijn baard op de wijze der Russen droeg, maar in den

vorm van zijn gelaat een Duitscher geleek, naderde den graaf vol eerbied

en deed hem diep buigend eene vraag.

„Ga uw gang,” hernam deze; „zoo gij denkt een landsman gevonden te

hebben, Salonow, spreek hem dan aan.”

„O, mijnheer,” zoo wendde de oude zich thans in het duitsch tot

Lodewijk, „vergeef mij eene vraag. Ik ben een Duitscher, maar sinds

langen tijd buiten mijn vaderland. Ik geloof bij u eene gelijkenis op

te merken. Heet gij misschien Sternfels?”

„Hoe?” riep Lodewijk, hevig sidderend, met de uiterste verwondering,

daar de oude den naam uitsprak, dien hij slechts door Maria's brief

kende en nog nauwelijks waagde te voeren; „waarom?”

„Ik heb een duitschen heer van dien naam gediend,” antwoordde de oude

bewogen; „hij is wel is waar lang dood, maar wanneer ik zijn evenbeeld

voor mij zie, hoe....”

„Waar stierf hij?” riep Lodewijk, den grijsaard haastig in de rede

vallende.

„De zee heeft hem verzwolgen. Wij zaten om een ongelukkigen twist in

Parijs gevangen; doch het gelukte ons, naar Havre te ontvluchten en op

een hollandsch schip te komen.”

„Wanneer?” vroeg Lodewijk, zich zelf nauwelijks meer meester.

„Voor achttien jaren.”

„Om een duel?”

„Ja.....”

„Dat was mijn vader!” riep Lodewijk en greep de handen van den

grijsaard, die bevend, sprakeloos voor hem stond. „En wie zijt gij?”

„Een eenvoudig mensch, lieve heer,” zeide de oude, en tranen rolden

over zijne wangen; „ik was slechts zijn rijknecht; Willhofen is mijn

naam.”

„Brave, trouwe knecht!” riep Lodewijk. „En hier moet ik u vinden? En

mijn vader is waarlijk dood?”

„Reeds lang! Wij leden schipbreuk op de Noordzee; de zee verslond de

meesten. Eenigen, en daaronder ik, werden gered; de kapitein van een

russisch schip nam ons op.” Hier zweeg de oude en gaf met een schuwen,

zijdelingschen blik te kennen, dat hij niet durfde spreken. Lodewijk

vermoedde het lot der ongelukkigen.

Dolgorow was intusschen naar de overige gevangenen toegetreden en had

hen gemonsterd. Zij stonden sidderend in eene lange rij voor hem; de

meesten waren jonge soldaten.

„Zijn er Duitschers onder u?” vroeg hij luid.

Lodewijk hoorde het en zag er heen; hij wachtte op het antwoord,

daar hij gevoelde, dat het zijn plicht was, voor de redding zijner

landslieden te pleiten. Het bleef stil.

„Solanow!” riep de graaf, en deze haastte zich te gehoorzamen. „Hier,

deze lieden, welke ik u zal overgeven, moeten mede naar het jachtslot

gevoerd en van daar verder gebracht worden. Zij zijn voor den arbeid

bruikbaar. Voor de overigen heeft Rusland geen ander voedsel dan twee

lood kruit.”

Er waren een en twintig gevangenen. Slechts een bleef er, als te oud om

te arbeiden, achter, om den dood te ontvangen. Het was St. Luces.

Daar hij niet had verstaan, wat de graaf zeide, dacht hij, dat men aan

zijne houding, zijn linnengoed en zijne hem nog overgebleven kleeding

gezien had, dat hij tot een hoogeren stand behoorde. De bleeke schrik,

welke sinds het lot van Beaucaire zijn gelaat overtogen had, week voor

een schijn van hoop. Hij waagde het daarom thans, den graaf aan te

spreken en zeide in het fransch:

„Ik hoop, mijnheer, aanspraak te kunnen maken op de wetten, welke alle

volkeren zelfs in den oorlog eerbiedigen. Ik ben geen soldaat, maar

behoor tot de burgerlijke administratie; mijn rang....”

„Gij zijt een Franschman, een, die het bloed en merg van alle volken

uitzuigt,” hernam Dolgorow met dreigenden blik, „verachtelijker en

afschuwelijker dan de soldaat; want die strijdt met bloote wapens, doch

het uwe is vergif.”

„Men zoude,” trachtte St. Luces nog eenmaal zijne zaak te verdedigen,

„mij zeer gaarne tegen gevangen officieren uitwisselen!”

„Gevangenen? Hebt gij dan ook gevangenen?” riep Dolgorow wild en vol

hoon tegelijk. „In uwe bulletins staan er zekerlijk duizenden, maar

waar kunt gij ze aanwijzen? En waaraan herinnert ge mij? Weten wij

misschien niet, hoe uwe eervergeten rooversbenden met de weinigen,

die haar in handen vielen, hebben omgegaan? Waant gij, dat wij ze

niet gevonden hebben en gezien, hoe zij met verpletterden schedel de

wegen bedekten? Hebben wij ze niet aangetroffen in kerken, stallen en

schuren, waar de honger hen doodgemarteld had?—Weg met u! Wij zullen

er nog genoeg vinden, tegen welke wij diegenen kunnen uitwisselen, die

wij _willen_ uitwisselen.”

Ondertusschen had Solanow of Willhofen den van angst sidderenden St.

Luces nauwkeurig opgenomen. Hij sprak eenige woorden russisch tegen

Dolgorow en vroeg toen den gevangene: „Hoe heet gij?”

„Ik ben de baron Rumigny de St. Luces.”

„Rumigny!” riep Willhofen uit, en zijne trekken namen de uitdrukking

van den woedendsten toorn aan. „Almachtige God, Uwe wraak sluimert

niet!” riep hij met ten hemel geheven handen uit. „Ellendige, kent gij

mij? Hebt gij vergeten, dat gij—doch halt, hier—zie hier heen! Kent

gij dezen?”—Daarop liep hij op Lodewijk toe en trok hem met geweld tot

dicht bij Rumigny voort, „Sternfels is zijn naam! De dooden staan op om

zich te wreken!—Deze is de moordenaar uws vaders, de moordenaar van

den braven Waldheim—doch thans is het uur der vergelding gekomen.”

St. Luces staarde doodsbleek en met onbewegelijke blikken Lodewijk aan;

hij beproefde te spreken, doch de stem begaf hem.

Lodewijk was in het diepst zijner ziel getroffen door alles wat dit

enkele uur hem had ontdekt. Een oogenblik bruiste ook in hem de toorn

op; doch zijn edele aard wees dit gevoel spoedig af. Slechts medelijden

vervulde zijne borst, toen hij den ellendige, van doodsangst en van

gewetenswroeging gefolterde beschouwde. „Willhofen,” zeide hij tot den

ouden bediende, „mij is de wraak, spreekt de Heer! Laat den Almachtige

verder handelen—wij willen vergeven.”

Willhofen had tranen in de oogen; hij boog zich over Lodewijks hand en

kuste die. „Een hart als zijn vader! Hij stierf voor zijn vriend—en

ware ook voor zijn vijand gestorven.”

Lodewijk wilde Dolgorow naderen, om een woord van genade voor St. Luces

te spreken; doch deze wees met strengen blik zijne bede af. „Hier

heerscht de wet,” zeide hij ernstig. „Heeft de gevangene u onrecht

gedaan, dan mag uwe vergiffenis hem daar boven helpen. Hier helpt zij

hem niet.”

Hij wenkte met de hand een kozak in zijne nabijheid en sprak eenige

russische woorden. Dadelijk werd St. Luces, wien de doodsangst alle

krachten scheen ontroofd te hebben, weggeleid. Eenige minuten later

vielen drie schoten. Lodewijk kon niet twijfelen, wien zij gegolden

hadden.

1812: Historische roman · 第 106 / 154 题