Terwijl Lodewijk en zijne medegevangenen door het bosch gevoerd
werden, zag hij met zorgvolle blikken om zich heen, of hij Bernard
niet ontdekte. Hij wist nauwelijks, of hij hopen of vreezen moest hem
te zien. Het zoude een onbeschrijfelijke troost voor hem geweest zijn,
wanneer hij zijn leed in gezelschap van zijn vriend had mogen dragen,
doch zijne edele ziel verzette zich tegen de geringste opwelling dezer
zelfzucht. Hij koesterde de geheime, ofschoon zwakke hoop, dat Bernard
gelukkiger in zijne onderneming mocht geweest zijn en spoedig Rasinski
en de vrienden mocht bereikt hebben.
Na eene wandeling van een uur bereikte men een open plaats, die echter
rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge nachtvuren,
om welke talrijke zwermen gewapende landlieden lagen. Met verwondering
zag Lodewijk ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand
van hare vreedzame werkzaamheid afgerukt en midden in het krijgsgewoel
der mannen gevoerd had. Eenigen maakten het eten gereed, anderen
poetsten geweren, eene andere zag hij een gewonde verbinden.
Eerst scheen men op de aankomenden niet bijzonder veel acht te slaan.
Toen men echter de gevangenen, die zij medebrachten, in het oog kreeg,
stroomde alles nieuwsgierig toe, om de ongelukkigen op te nemen. De
wanhoop in de gelaatstrekken van dezen stak schrikkelijk af tegen de
uitdrukking van hoon en woeste vreugde bij de overwinnaars. Lodewijk
had al zijne kracht noodig, om zijne mannelijke bedaardheid te bewaren.
De toevallige omstandigheid, dat hij niet van zijne kleederen beroofd
was, gelijk de overigen, maar, nog in een warmen mantel gehuld, ten
minste niet van koude behoefde te beven, kwam hem daarbij zeer te
stade. Hij wekte daardoor nochtans ook de roofzucht der aandringende
vijanden op, wier voornemens hij uit hunne gebaren en hun immer
luider wordend gemompel raden kon. Eindelijk trad een baardig kozak,
waarschijnlijk vermeenende, dat hij boven de anderen iets vooruit had,
op hem toe en wilde hem de muts van het hoofd nemen. Lodewijk trad
onwillekeurig een tred achteruit en weerde den Rus met de hand af.
Daar hief deze toornig zijn knuppel, die wel eene knods geleek, tot
een verschrikkelijken slag omhoog. Zonder twijfel zou hij Lodewijks
hoofd verpletterd hebben; doch opeens klonk de luide kreet eener
vrouwelijke stem en in hetzelfde oogenblik trad eene edele, in kostbaar
pelswerk gehulde gedaante, doch met gesluierd gelaat, door de rijen der
omstanders en hield den opgeheven arm van den Rus tegen.
Toornig wendde deze zich om; doch toen hij zag, wie zijne hand
tegenhield, veranderde zijn toorn in de diepste onderdanigheid en trad
hij met eerbiedige buigingen terug.
Lodewijk was door het wonder dezer nieuwe redding, die met de snelheid
van een oogwenk plaats had, als bedwelmd; hij hechtte zijne blikken op
zijne redster, maar kon geen woord van dank of erkentenis uitbrengen.
Zij stond, zelve geheel van schrik verbijsterd, uit het diepst van
haar boezem met moeite ademhalend, nauwelijks in staat zich staande
te houden, vóór hem en sloeg de handen als ware het tot een dankgebed
samen. Eindelijk sloeg zij den sluier terug, terwijl zij met eene
bevende, onbeschrijfelijk roerende stem zeide: „Kent gij mij?”
Alsof eene hemelsche verschijning, een reddende engel des Almachtigen,
plotseling in stralenglans voor hem was getreden, zonk Lodewijk, zich
zelf niet meer meester, voor de ontsluierde op de knieën. Het was
Bianca.
Bevend vatte hij hare hand; hij boog zijn hoofd, zijne tranen
stroomden—hij meende in deze overmaat van zaligheid zijn leven te
eindigen.
„Zoo kon ik u dan toch dankbaar zijn!” zeide zij en hief het blauwe, in
tranen zwemmende oog ten hemel. „O, almachtige Vader, Uwe hand stuurde
mijne schreden!—Wanneer ik te laat ware gekomen!”
De omstanders staarden de groep met sprakelooze verwondering aan.
„Wat beteekent dat?” vroeg opeens eene ruwe mannenstem. Lodewijk
ontwaakte uit zijne bedwelming en sprong op.
Een ruiter was den kring binnengereden; het fraaie paard en zijne rijke
kleeding verrieden den aanvoerder.
Het was graaf Dolgorow.
„O, mijn vader!” riep Bianca op hartstochtelijken toon, „zie hier onzen
redder!”
„Wie? waar?” vroeg de graaf en wierp een doordringenden blik op
Lodewijk. Doch opeens brak hij zijne verwondering af door den uitroep:
„Gij hier? ellendeling!” en met één sprong was hij van het paard af en
drong in de rijen der gevangenen door, om Beaucaire, wiens knieën van
koude en schrik knikten naar voren te sleuren.
Dolgorow, wiens borst door wraak sneller werd ontgloeid dan door
dankbaarheid, vergat deze om gene te bevredigen! In Engeland en Italië,
waar hij zich in gewichtige, maar gevaarlijke diplomatieke betrekkingen
had bevonden, was Beaucaire zijn secretaris en geheime agent geweest.
Toen de oorlog in het jaar 1812 uitbrak, en Napoleon de engelsche
en russische agenten in alle landen op het ijverigst deed opsporen,
waren ook Dolgorows bemoeiingen bekend geworden. Hij moest uit Rome
overhaast en vermomd vluchten. Beaucaire bekwam een pas als duitsche
graaf Wallersheim. Feodorowna ging, onder den naam van Bianca, voor
zijne zuster door. Dolgorow zelf werd voor eene oude bediende, zijne
vrouw voor de gouvernante der jonge gravin uitgegeven. Zoo aanvaardden
zij gezamenlijk de reis. Te Milaan dacht Beaucaire, die eene zinnelijke
liefde voor de dochter des graven had opgevat, van de moeielijke
omstandigheden alles te kunnen verkrijgen. Hij waagde voorstellen te
doen, die Feodorowna met verstoordheid afwees en welke de woede haars
vaders deden ontvlammen, ofschoon in zijn toorn het grootste gevaar
lag. Hij mishandelde den schelm en stiet hem met smaad van zich; deze
snelde heen om hem te verraden. Doch reeds had de graaf toebereidselen
gemaakt, om zoo snel mogelijk te ontvluchten, terwijl hij zijn reisplan
veranderde, daar hij, in plaats van over Verona naar Inspruck en
Munchen, den weg over den Simplon insloeg. Daar ontmoette Lodewijk
hem.—Redder en verrader waren thans tegelijk in zijne handen gevallen,
en de laatste zou nu zijn loon ontvangen.
„Heilige God! Welke bestiering!” riep Feodorowna uit, toen haar oog op
den ellendeling viel, dien Dolgorow, ondanks zijn tegenstreven, uit de
sidderende menigte bij den strot naar zich toesleurde.
Beaucaire kreeg haar thans ook in het oog, en met wanhopige inspanning
rukte hij zich los en viel voor hare voeten neder. Krampachtig omvatte
hij hare knieën en riep: „Erbarmen, gravin! Bid om genade voor mij!
Slechts mijne razende liefde voor u was mijn verderf!”
Bianca beefde en sloeg een angstvollen, smeekenden blik tot haar vader
op. Doch deze riep in gloeienden toorn:
„Pakt hem aan en werpt hem daar in de vlammen, opdat ieder Rus zie, hoe
een verrader gestraft wordt.”
Bianca werd bleek als een marmeren beeld. Beaucaire gilde luid en
klemde zich in den angst der vertwijfeling aan hare knie vast,
terwijl hij zijn hoofd in haar schoot trachtte te verbergen. Zij zou
nedergestort zijn, zoo niet Lodewijk, ras ter hulp springend, haar had
staande gehouden.
„Volvoert mijn bevel!” riep Dolgorow nog eens. „Scheurt hem van de
vorstin weg!”
Op dit bevel pakten twee mannen, met woest gehuil uit den hoop te
voorschijn springend, den vertwijfelende bij de haren; twee anderen
grepen hem bij de voeten, een kozak trok zijn mes uit den gordel en
gaf hem eene snede over de beide handen, waarmede hij Bianca's knieën
omvat hield. Eerst toen de spieren vaneengereten waren, zonken zijne
armen terug. Onder een gevaarlijk getier en gebrul der in woede
ontvlamde menigte, werd hij half weggedragen, half voortgesleept.
Zijn hartverscheurend jammeren drong door het tieren der barbaarsche
schaar door, die, van wilde begeerte naar het afgrijselijk schouwspel
ontvonkt, in eene zwarte massa hem nastormde.
„Bewaakt de overige gevangenen!” riep Dolgorow en ging met rassche
schreden midden door de menigte, die eerbiedig voor hem week, naar de
plaats toe, alwaar zijn vreeselijk bevel zoude volvoerd worden.
Bianca had haar hoofd tegen Lodewijks schouders geleund. Zijn hart werd
gelijktijdig met schrik en zaligheid vervuld.—Thans klonk een woedend
gebrul met verdubbelde kracht door de lucht. Tegen zijn wil trok het
zijn oog naar de verschrikkelijke plaats heen. Beaucaire werd hoog
opgeheven; zijn gelaat, door verwarde haren omgeven, vertrok zich als
door de pijniging der hel gefolterd. Hij sloeg wild met de bloedige
stompen zijner handen om zich heen. Daar wierpen hem de woedenden
voorover in den gloed; een gruwelijke kreet, die wijd door het bosch
weerklonk, steeg op. Hij drong zelfs met ontzettend geweld tot Bianca's
bedwelmde zinnen door; zij beefde en kromp ineen en drukte haar gelaat,
om het te verbergen, aan Lodewijks borst. Afgrijzen beroofden dezen van
beweging en spraak; nauwelijks kon hij zijn blik van het vreeselijk
schouwspel af en naar de geliefde heen wenden, die aan zijn hart rustte.
Toen na het wild geraas eenige oogenblikken van akelige stilte volgden,
ontwaakte Feodorowna uit hare verbijstering. Zij beefde schuw terug,
toen haar oog op de schouwplaats der schrikkelijke daad viel. Haar
hoofd afwendende, vielen hare blikken op Lodewijks edele, van schrik en
medelijden diep bewogen trekken. Hier toefden ze met onuitsprekelijke
innigheid. Aan hare lippen ontvlood het geheim des harten niet, dat
zich in dit oogenblik voor het eerst aan haar zelve openbaarde; maar
de schittering van haar oog verkondigde het. In Lodewijks borst vlamde
het geloof aan de hooge beschikkingen der Voorzienigheid hoog op en een
heerlijk bewustzijn doorgloeide zijn borst. Zij en geene andere was hem
tot gezellin zijns levens toegedacht! Na den wonderlijksten loop hunner
lotgevallen voerde de Voorzienigheid haar hem te gemoet. Hij waagde het,
hare wenken te verklaren. Juist wilde hij zijne lippen openen. Daar trad
Dolgorow, die van zijn bloedig rechterambt terugkeerde, tusschen hem en
Feodorowna. Hij hechtte donkere, vorschende blikken op het gelaat zijner
dochter; het scheen, alsof hij vermoedde, dat hare hevige ontroering
door iets anders, dan door de zoo even volvoerde ontzettende straf des
ellendelings was teweeggebracht.
„Prinses Ochalskoi!” sprak hij koel en op hoogen toon, „ik heb niet
vergeten, wat wij dezen jongen man schuldig zijn. Mij dunkt echter,
dat onze rekening vereffend is, daar ik hem als Ruslands vijand zie
onder hen, die in het heiligdom van ons vaderland zijn ingebroken. Doch
grootmoedigheid is de deugd der Russen.—Ik zal zorg dragen, jonkman,
dat men u aan de uwen terugzendt; doch valt gij weder in onze handen,
dan treft u het lot van al de overigen: de dood of eeuwige gevangenis
in de mijnen van Siberië.”
Lodewijks trots ontwaakte; doch hij bedwong zich en hernam: „Wanneer
gij mij naar het fransche leger terugzendt, dan is mijn dood zeker, en
gij zelf zijt de oorzaak daarvan.”
„Hoe dat?” vroeg Dolgorow verwonderd.
„Wat ik op de italiaansche grenzen voor u gedaan heb, werd mij door de
fransche bewindhebbers in mijn vaderland als eene des doods waardige
misdaad aangerekend. Iedere weg tot ontvluchten was mij afgesneden;
slechts om het geweld mijner willekeurige rechters te ontgaan, trad ik,
op aanbieding van een edelen vriend, in de rijen van het leger. Dezen
morgen zoude ik, door denzelfden ongelukkige vervolgd en verraden, die
in dit oogenblik de straf zijner misdaad ontvangen heeft, den dood
ondergaan. De overrompeling der uwen redde mij. Doch een dierbare
vriend....”
Dolgorow viel hem in de rede. „Wanneer gij de waarheid spreekt, zijt
gij gerechtvaardigd, en ik geloof u. In dit geval zult gij zorg dragen,
vorstin, dat onze redder naar het slot gebracht worde. Solanow zal
u begeleiden; mij houdt mijn plicht hier terug; maar ik volg u zoo
spoedig mogelijk. Doch ga evenwel eerst de gravin hiervan onderrichten.”
Bianca gehoorzaamde en nam, door twee bedienden vergezeld, haar weg
naar eene soort van hut, die achter de legervuren opgericht was. „Wij
zien elkander spoedig weder,” zeide zij onder het gaan tot Lodewijk,
terwijl zij neigend groette. Haar blik drong diep in zijn hart; zij
lachte smartelijk en vriendelijk tegelijk, en eene zachte verhevenheid,
als van het gelaat eener heilige, straalde uit hare blikken.
Met bevenden eerbied boog hij het hoofd; toen hij het ophief, zag
hij de edele gedaante, als de verschijning eens engels in een kring
van wilden, door de rijen der zich eerbiedig buigende krijgslieden
verdwijnen.
Ook Dolgorow wilde gaan, doch Lodewijk hield hem terug.
„Ik moet u nog om uwe bemiddeling voor een vriend verzoeken, die
misschien even als ik in de handen der uwen gevallen is. Hij wilde mijn
redder worden en laadde aldus den toorn der fransche geweldenaars op
zich; hij wilde mijn noodlot overal met mij deelen en zoo sloeg hij
denzelfden weg der redding in. Heden moest hij aan mijne zijde sterven,
doch hij redde zich door de vlucht.”
„Wanneer hij in onze handen valt, zal hij bij u gebracht worden,” zeide
Dolgorow; „maar hoe heet hij?”
„Graaf Lomond is de naam dien hij aannam, toen hij in dienst trad en
welken hij zekerlijk ook nu nog voeren zal.”
„Ik zal het noodige omtrent hem bevelen.”
Een soldaat met grijze haren, van ongeveer zestig jaren, die een
russisch uniform en zijn baard op de wijze der Russen droeg, maar in den
vorm van zijn gelaat een Duitscher geleek, naderde den graaf vol eerbied
en deed hem diep buigend eene vraag.
„Ga uw gang,” hernam deze; „zoo gij denkt een landsman gevonden te
hebben, Salonow, spreek hem dan aan.”
„O, mijnheer,” zoo wendde de oude zich thans in het duitsch tot
Lodewijk, „vergeef mij eene vraag. Ik ben een Duitscher, maar sinds
langen tijd buiten mijn vaderland. Ik geloof bij u eene gelijkenis op
te merken. Heet gij misschien Sternfels?”
„Hoe?” riep Lodewijk, hevig sidderend, met de uiterste verwondering,
daar de oude den naam uitsprak, dien hij slechts door Maria's brief
kende en nog nauwelijks waagde te voeren; „waarom?”
„Ik heb een duitschen heer van dien naam gediend,” antwoordde de oude
bewogen; „hij is wel is waar lang dood, maar wanneer ik zijn evenbeeld
voor mij zie, hoe....”
„Waar stierf hij?” riep Lodewijk, den grijsaard haastig in de rede
vallende.
„De zee heeft hem verzwolgen. Wij zaten om een ongelukkigen twist in
Parijs gevangen; doch het gelukte ons, naar Havre te ontvluchten en op
een hollandsch schip te komen.”
„Wanneer?” vroeg Lodewijk, zich zelf nauwelijks meer meester.
„Voor achttien jaren.”
„Om een duel?”
„Ja.....”
„Dat was mijn vader!” riep Lodewijk en greep de handen van den
grijsaard, die bevend, sprakeloos voor hem stond. „En wie zijt gij?”
„Een eenvoudig mensch, lieve heer,” zeide de oude, en tranen rolden
over zijne wangen; „ik was slechts zijn rijknecht; Willhofen is mijn
naam.”
„Brave, trouwe knecht!” riep Lodewijk. „En hier moet ik u vinden? En
mijn vader is waarlijk dood?”
„Reeds lang! Wij leden schipbreuk op de Noordzee; de zee verslond de
meesten. Eenigen, en daaronder ik, werden gered; de kapitein van een
russisch schip nam ons op.” Hier zweeg de oude en gaf met een schuwen,
zijdelingschen blik te kennen, dat hij niet durfde spreken. Lodewijk
vermoedde het lot der ongelukkigen.
Dolgorow was intusschen naar de overige gevangenen toegetreden en had
hen gemonsterd. Zij stonden sidderend in eene lange rij voor hem; de
meesten waren jonge soldaten.
„Zijn er Duitschers onder u?” vroeg hij luid.
Lodewijk hoorde het en zag er heen; hij wachtte op het antwoord,
daar hij gevoelde, dat het zijn plicht was, voor de redding zijner
landslieden te pleiten. Het bleef stil.
„Solanow!” riep de graaf, en deze haastte zich te gehoorzamen. „Hier,
deze lieden, welke ik u zal overgeven, moeten mede naar het jachtslot
gevoerd en van daar verder gebracht worden. Zij zijn voor den arbeid
bruikbaar. Voor de overigen heeft Rusland geen ander voedsel dan twee
lood kruit.”
Er waren een en twintig gevangenen. Slechts een bleef er, als te oud om
te arbeiden, achter, om den dood te ontvangen. Het was St. Luces.
Daar hij niet had verstaan, wat de graaf zeide, dacht hij, dat men aan
zijne houding, zijn linnengoed en zijne hem nog overgebleven kleeding
gezien had, dat hij tot een hoogeren stand behoorde. De bleeke schrik,
welke sinds het lot van Beaucaire zijn gelaat overtogen had, week voor
een schijn van hoop. Hij waagde het daarom thans, den graaf aan te
spreken en zeide in het fransch:
„Ik hoop, mijnheer, aanspraak te kunnen maken op de wetten, welke alle
volkeren zelfs in den oorlog eerbiedigen. Ik ben geen soldaat, maar
behoor tot de burgerlijke administratie; mijn rang....”
„Gij zijt een Franschman, een, die het bloed en merg van alle volken
uitzuigt,” hernam Dolgorow met dreigenden blik, „verachtelijker en
afschuwelijker dan de soldaat; want die strijdt met bloote wapens, doch
het uwe is vergif.”
„Men zoude,” trachtte St. Luces nog eenmaal zijne zaak te verdedigen,
„mij zeer gaarne tegen gevangen officieren uitwisselen!”
„Gevangenen? Hebt gij dan ook gevangenen?” riep Dolgorow wild en vol
hoon tegelijk. „In uwe bulletins staan er zekerlijk duizenden, maar
waar kunt gij ze aanwijzen? En waaraan herinnert ge mij? Weten wij
misschien niet, hoe uwe eervergeten rooversbenden met de weinigen,
die haar in handen vielen, hebben omgegaan? Waant gij, dat wij ze
niet gevonden hebben en gezien, hoe zij met verpletterden schedel de
wegen bedekten? Hebben wij ze niet aangetroffen in kerken, stallen en
schuren, waar de honger hen doodgemarteld had?—Weg met u! Wij zullen
er nog genoeg vinden, tegen welke wij diegenen kunnen uitwisselen, die
wij _willen_ uitwisselen.”
Ondertusschen had Solanow of Willhofen den van angst sidderenden St.
Luces nauwkeurig opgenomen. Hij sprak eenige woorden russisch tegen
Dolgorow en vroeg toen den gevangene: „Hoe heet gij?”
„Ik ben de baron Rumigny de St. Luces.”
„Rumigny!” riep Willhofen uit, en zijne trekken namen de uitdrukking
van den woedendsten toorn aan. „Almachtige God, Uwe wraak sluimert
niet!” riep hij met ten hemel geheven handen uit. „Ellendige, kent gij
mij? Hebt gij vergeten, dat gij—doch halt, hier—zie hier heen! Kent
gij dezen?”—Daarop liep hij op Lodewijk toe en trok hem met geweld tot
dicht bij Rumigny voort, „Sternfels is zijn naam! De dooden staan op om
zich te wreken!—Deze is de moordenaar uws vaders, de moordenaar van
den braven Waldheim—doch thans is het uur der vergelding gekomen.”
St. Luces staarde doodsbleek en met onbewegelijke blikken Lodewijk aan;
hij beproefde te spreken, doch de stem begaf hem.
Lodewijk was in het diepst zijner ziel getroffen door alles wat dit
enkele uur hem had ontdekt. Een oogenblik bruiste ook in hem de toorn
op; doch zijn edele aard wees dit gevoel spoedig af. Slechts medelijden
vervulde zijne borst, toen hij den ellendige, van doodsangst en van
gewetenswroeging gefolterde beschouwde. „Willhofen,” zeide hij tot den
ouden bediende, „mij is de wraak, spreekt de Heer! Laat den Almachtige
verder handelen—wij willen vergeven.”
Willhofen had tranen in de oogen; hij boog zich over Lodewijks hand en
kuste die. „Een hart als zijn vader! Hij stierf voor zijn vriend—en
ware ook voor zijn vijand gestorven.”
Lodewijk wilde Dolgorow naderen, om een woord van genade voor St. Luces
te spreken; doch deze wees met strengen blik zijne bede af. „Hier
heerscht de wet,” zeide hij ernstig. „Heeft de gevangene u onrecht
gedaan, dan mag uwe vergiffenis hem daar boven helpen. Hier helpt zij
hem niet.”
Hij wenkte met de hand een kozak in zijne nabijheid en sprak eenige
russische woorden. Dadelijk werd St. Luces, wien de doodsangst alle
krachten scheen ontroofd te hebben, weggeleid. Eenige minuten later
vielen drie schoten. Lodewijk kon niet twijfelen, wien zij gegolden
hadden.