HOOFDSTUK III.

Nauwelijks echter lag hij, toen hij de struiken achter zich hoorde

bewegen en dadelijk daarna menschelijke voetstappen vernam. Hij voer

overeind en zag om. Daar opende zich de dennenbosschen voor hem en

eene wonderlijke, avontuurlijke gedaante, in een grauwen pels gehuld,

een rooden doek om het hoofd gebonden, trad er voorzichtig, naar alle

zijden rondziende, uit te voorschijn.

„Heidaar!” riep hij in het fransch Bernard toe. „Leeft gij, of zijt gij

een lijk!”

„Ik leef,” hernam Bernard en richtte zich met moeite overeind.

„Gij ziet er echter uit, alsof het niet lang meer duren zou,” hernam de

soldaat. „Zijt gij flauw van den honger?”

Bernard knikte met het hoofd. „Dan kan ik u helpen,” zeide de ander en

kwam nader; „maar zeg mij, waar gaat de weg naar Smolensko?”

„Daar langs; tweehonderd treden van hier is de groote weg.”

„Geloofd zij Jezus en Maria! En hoe ver is het nog?”

„Vier uren.”

„Zwerven er kozakken op den weg?”

„Neen, zoover ik weet.”

„Barmhartige God! Zoo wilt Gij mij dan toch nog redden?” Met deze

woorden zonk de krijgsman op de knieën, sloeg zijne blikken dankbaar

naar den hemel en groote tranen rolden langs zijne wangen.—„Hier,

vriend, neem,” zeide hij een oogenblik daarna en trad met een stuk

brood in de hand op Bernard toe; „gij hebt mij verkwikt, ik wil u ook

verkwikken. Neem, en hier is ook te drinken!” Tegelijk trok hij eene

flesch brandewijn uit zijn zak en reikte haar Bernard toe.

„Zoo zal het dan toch niet hier ten einde zijn,” sprak deze bewogen.

„Ik dank u vriend, gij zijt mijn redder.”

„En gij de mijne.”

„Doch, vanwaar komt gij daar uit het bosch?”

„Zevenmaal uit de kaken der hel,” hernam de gevraagde en zette zich

naast Bernard neder. „Eergisteren dreef de honger mij met vele andere

kameraden uit de gelederen van het regiment, om in de dorpen naar eten

te zoeken. Daar stortte opeens, midden in het woud, een zwerm boeren op

ons af en sloegen neder en vermoordden al wat zij vonden. Wij stoven

naar alle zijden uiteen; daar kwamen ook kozakken aan en joegen ons met

hunne kleine, vlugge paarden, als een herdershond de verstrooide schapen

voor zich uit, om ons den woedenden boeren in handen te drijven.

„Doch hun eerste moordlust was voldaan, zij dreven ons met knods en

knuppelslagen op een hoop bijeen, koppelden ons aan elkander als

jachthonden en stuwden ons zoo voor zich uit. Wij meenden, dat zij

medelijden met ons hadden en ons als gevangenen wilden medevoeren. Doch

het was eene dwaling. Nadat wij in een twee uur van den weg gelegen

dorp waren aangekomen, schudden zij ons zoo uit, dat wij half naakt

in de grimmige koude stonden en de tanden ons klapperend op elkander

stieten. Zoo sloten zij ons allen te gader in de kerk op. Wij kropen

dicht opeen en zochten ons aldus te verwarmen. Doch het duurde niet

lang, of er werden twee van ons naar buiten gehaald. Spoedig daarop

hoorden wij schieten, doch enkele schoten met lange tusschenpoozen, en

na ieder schot vervulde een wild geschreeuw en gebrul de lucht. Eerst

konden wij niet begrijpen, wat dit beteekende; doch toen ik met behulp

van eenige kameraden tot een klein venster opgeklauterd was, zag ik,

dat—bij den duivel, kameraad, de woede klemt mij nu nog de tanden op

elkander—ik zag, dat zij onze kameraden aan een boom gebonden hadden

en als naar de schijf op hen schoten.”

Bernard verbleekte.

„Ik hield mij goed en verried niets, want te helpen was er toch niet

meer. „Zij schieten naar het wit, dat is alles,” zeide ik eenvoudig

weg, doch binnen in mij kookte het als eene zee.—De deur ging weer

open en nogmaals voerden de bloedhonden twee slachtoffers naar buiten.

Ik zweeg, daar het reeds donker werd, en ik hoopte, ons in den nacht

te zullen redden. Inderdaad waren dit de laatsten van ons, welke

moesten bloeden. In den nacht braken wij de deur die naar den toren

leidde, open en het gelukte ons, ons aan het klokketouw in stilte

naar beneden te laten. De schildwacht voor de kerk was ingeslapen. Ik

stiet hem zijne eigen sabel in het hart, dat de kerel zich niet meer

roerde. Thans wierp ik den pels van den Rus om, nam zijne wapenen en

ging daarmede naar het wachthuis aan het eind van het dorp. Mijne

kameraden liet ik stil volgen. Hier lag alles snorkend en bezopen door

elkander, boeren en kozakken. De mantels en pelzen hadden zij op een

hoop geworpen, want er heerschte eene verstikkende hitte in de kamer.

In den hoek stond ook eene mand met brood, en brandewijnflesschen,

gedeeltelijk vol, gedeeltelijk ledig, lagen overal in het rond. Eerst

was ik slechts van gedachte geweest, uit wraak voor de vermoorden het

gansche gebouw in brand te steken; doch daar de gelegenheid nu gunstig

was, haalde ik nog drie kameraden en toen pakten wij zoovele kleederen

en levensmiddelen bijeen, als wij konden, en droegen ze naar buiten.

Vliegend slopen wij met onzen rijkdom naar het nabijgelegen hout,

hielden eene eerlijke deeling en kleedden ons aan. Nu zochten wij een

goed heenkomen. Doch de boeren moeten onze vlucht ras bemerkt hebben,

want opeens waren zij vlak achter ons. Alles liep, ieder vluchtte,

waarheen het toeval hem leidde. Mij gelukte het, een dicht bosch te

bereiken, waar ik mij verborg, tot alles stil was. Daarop sloop ik

voorzichtig voort, zooveel mogelijk naar den grooten weg toe. Zoolang

het donker was, ging het goed; maar bij dag scheen het bosch te leven

van het russisch roofgebroed, en ik moest schuin en dwars door bosch en

veld, voor- en achterwaarts, om hun te ontgaan. Een uur geleden waren

zij mij nog op de hielen. Zoo was ik geheel verdwaald en ik vreesde

reeds den grooten weg niet te zullen bereiken. Nu echter hoop ik met

God nog dezen nacht te Smolensko te komen. Dan wil ik in het gelid

blijven en liever bezwijken van honger en pijn en eerlijk als een

soldaat sterven, dan nog eens in de handen dezer wilde beesten vallen!

Ik ben geen lafaard; maar geslacht te worden is toch een afgrijselijke

dood, en een soldaat wil toch niet gaarne sterven als een moordenaar.

Denkt gij dat ook niet?”

Bernard, door het voedsel gesterkt, door het verhaal dezer slingeringen

tusschen redding en ondergang opgewakkerd, had in dit oogenblik zijne

hoop weder teruggekregen. „Waarlijk niet, kameraad!” riep hij. „Doch

daarvan behoeft ook nog niets te komen. Gij zult uw doel bereiken en

ik het mijne. In den tegenwoordigen tijd, nu iedere minuut gevaarlijk

is, mag men den moed niet opgeven, al had de dood ook iemand reeds bij

den kraag gepakt. Men laat hem den mantel en scheurt zich toch weder

los.”

„Zoo is het! Leve de moed!—Maar wat zegt gij daar van uw doel? Waar

wilt gij heen? Niet vooruit?”

„Neen!”

„Terug? In dit duivelsland weder terug? Zijt gij bij uw verstand?”

„Mij is de dood hier gewisser dan daar.”

„Hoezoo?”

Bernard bedacht zich een oogenblik; daarop verhaalde hij zijnen vriend

in den nood, in de overtuiging, dat dit eerlijke soldatenhart hem niet

verraden zou, openhartig den samenhang zijner geschiedenis.

„Vervloekt gebroed! Vee van den duivel, dit schrijversgoed!” vloekte de

ruwe, eerlijke soldaat, toen Bernard zijn verhaal geëindigd had. „Maar

dat mag u geen zorg baren. Daarheen dreigt u bij iederen tred gevaar,

want de boeren zijn woedend en liggen als boschnegers achter de zwarte

dennestruiken. Een enkel persoon komt er niet door. Daarom raad ik u,

kom meê naar Smolensko. Wie kent u? Trek mijn pels aan, wanneer wij de

poort binnenmarcheeren en bind u een doek om het gezicht. Wat vraagt

tegenwoordig de een naar den ander? Ieder heeft genoeg met zich zelf te

doen. Hebben wij, God beter 't, niet duizenden van achterblijvers? Kom,

als een man, ga met mij! Ik zal u in lief en leed bijstaan, zoowaar ik

Jean Lacoste heet en uit Normandië ben! Kom, laten wij gaan. Het wordt

donker, wij hebben gerust, en hoe nader aan Frankrijk, hoe beter!”

Bernard overlegde. Hij had het neerdrukkend gewicht van geheele

eenzaamheid en hulpeloosheid nog pas te diep gevoeld, om niet met

onweerstaanbaar geweld tot het besluit gedrongen te worden, nood en

gevaar weder met een kameraad vereenigd te dragen. Eén dag hoopte hij

zich toch wel in Smolensko te kunnen verbergen en den volgenden moest

Rasinski er weder terugkomen. Misschien vernam hij ook iets aangaande

Lodewijks lot.—Kortom, hij besloot, zijn lot aan dat van zijn nieuwen

makker te verbinden.

Zij braken op en wandelden met elkander in gesprek voort. Opeens

hoorden zij den toon eener schelle fluit uit het bosch. Bernard hoorde

verwonderd op; Lacoste echter pakte hem bij den arm, trok hem ras

voorwaarts en riep: „Loop, loop, wat uwe beenen kunnen. Zij zijn ons,

God bewaar ons! al weer op de hielen.”

Onwillekeurig volgde Bernard den haastigen tred van zijn makker,

ofschoon hij aan de nabijheid van het gevaar nog niet gelooven wilde,

daar hij tot hiertoe nog geen sporen van zulk een vijandelijken aanval

ontmoet had.

„Wanneer wij eerst maar ginds dien hoek om zijn,” meende Lacoste onder

het loopen, „dan kunnen wij ons dadelijk links in het bosch werpen,

maar hier is, helaas! op geen drie honderd passen een bosch te zien, en

op de sneeuw ziet men ons, niettegenstaande de invallende duisternis,

veel te ver.”

Het fluiten werd thans herhaald en van de andere zijde van den weg

beantwoord.

„Het is waarachtig, alsof wij in Calabrië waren en een rot bandieten

ons wil overvallen,” zeide Lacoste. „Maar deze kerels zijn erger!

Ik zie liever een dozijn wolven met open kaken achter mij aanjagen,

dan dat ik een kozakkenpaard achter mijn rug hoor.—Maar begint daar

ginds het bosch niet te leven?—Roert het zich daar niet als in een

mierennest?”

„Gij dwaalt vriend,” hernam Bernard, „het blijft alles doodstil.”

„Het is schande, bang te wezen,” bromde Lacoste wrevelig in zich

zelven; „maar ik kan niet loochenen, dat ik het ben. Waar volstrekt

niets, niet eenmaal eer te winnen, maar wel alles te verliezen is, daar

tast het mij toch een beetje koud naar het hart, en ik begin te zien,

wat ik mij inbeeld. Dat komt, doordien ik het vervloekte gebroed heden

reeds zesmaal ten minste zoo uit de struiken heb zien uitkruipen als

dauwpieren uit de aarde, wanneer het geonweerd heeft. Ik verbeeld mij,

achter iederen boomstam een boer te zien. Nu, Goddank, wij zijn om den

hoek. Laat ons hier ter zijde af in het bosch gaan, wij kunnen evenwel

de richting van den weg volgen.”

Toen zij zich veilig rekenden, begonnen zij langzamer te gaan.

„Kameraad, gij hebt daar een gouden ring aan uw vinger; pas op, dat hij

u niet te eng is,” begon Lacoste na eenige minuten; „ik heb gezien, hoe

zij mijn kapitein, die zijn trouwring droeg, koelbloedig den vinger

afsneden, omdat de ring niet dadelijk over den knokkel wilde. Men weet

niet, wat er gebeuren kan; smijt het ding daarom liever weg of verberg

het.”

De gedachte, dat hij den ring, die voor hem eene zoo wonderbare

beteekenis had, verliezen kon, viel Bernard zwaar op het hart.

„Wegwerpen,” zeide hij, „kan ik hem niet, want hij is mij

onuitsprekelijk dierbaar; en waar zou ik hem verbergen, dat de

roofzucht hem niet vinden kan?”

„Daar is misschien nog kans toe. Gij hebt zwaar, lang haar, daar laat

hij zich misschien wegstoppen. Komaan, ik wil u hem er inknoopen; op

eene nette frisuur komt het thans zoo niet aan.”

Bernard trok den ring van den vinger en Lacoste knoopte dien, terwijl

hij een bundeltje haren door de opening stak en toen een knoop om den

ring sloeg in Bernards lange lokken vast.

„Maar is hij wel goed bewaard? Zal hij niet verloren gaan?” vroeg deze

bezorgd.

„Wanneer gij de lok, waaraan hij hangt, niet uittrekt, zekerlijk niet,

en die is zoo diep verborgen, dat een raaf haar niet ontdekken zou. 't

Is waar, de vingers der kozakken zijn.... Duivelsch! St!—In Gods naam

stil! Hoort gij niets?” viel hij, opeens stilstaande en den vinger op

den mond leggende, met bijna onhoorbare stem zich zelf in de rede.

Bernard schudde het hoofd.—Doch spoedig daarop vernam hij inderdaad

een dof gerucht, alsof verscheidene menschen van verre in gesprek

naderden.

„Er komen menschen aan,” fluisterde Lacoste; „geen tred van de plaats!

Misschien gaan zij ons voorbij.”

Met deze woorden kroop hij in de dichte struiken en Bernard volgde zijn

voorbeeld.

Nauwelijks hadden zij hunne schuilplaatsen bereikt, toen reeds een

troep van tien of twaalf, met pieken gewapende boeren zichtbaar werd.

Het hart sloeg den beiden vluchtenden hoorbaar in de borst. Zij hoopten

nochtans, dat de schemering en de struiken hen zouden verbergen. Daar

sloeg plotseling een hond aan; hij kwam snuffelend door de sneeuw en

bleef blaffend voor het boschje staan. De boeren luisterden en zagen om.

„Thans helpt ons niets meer dan de vlucht; gij links, ik rechts!” riep

Lacoste, „om hen te verdeelen,” en in hetzelfde oogenblik deed hij ook

reeds een sprong uit het boschje en liep, wat zijne beenen konden,

dieper het bosch in. De hond volgde zijn spoor met luid blaffen.

Bernard, den raad van zijn vluggen makker volgende, sloeg even snel

een anderen weg in. Zonder om te zien ijlde hij door de diepe sneeuw

en de dichte struiken voorwaarts, tot hem de adem begaf. Thans stond

hij stil en zag vorschend en luisterend rond. Alles was stil als het

graf. Hij hoorde noch menschenstemmen, noch blaffen meer; alleen

het huiveringwekkend ruischen van den nachtwind floot door de hooge

toppen der boomen. Behoedzaam waagde hij zich weder in de richting

van Smolensko, wijl hij daar zijn lotgenoot in het ongeluk hoopte aan

te treffen. Spoedig vond hij zijn eigen spoor in de sneeuw terug. Dit

volgde hij voorzichtig, ieder oogenblik luisterende, of er ook vijanden

in de buurt waren. Doch het bosch was als uitgestorven. Het spoor bracht

hem na een kwartier op de plaats, vanwaar zij gevlucht waren. Tot zijne

vreugde ontdekte hij nu de sporen van Lacoste en durfde hopen, hem te

vinden. Hij volgde ze; spoedig zag hij ze tot zijn leedwezen met vele

anderen vermengd, een teeken, dat men den armen man hevig vervolgd

had. Nog een eindweegs liepen zij in het bosch voort, dan hielden zij

op en namen eene andere richting. Besluiteloos stond Bernard stil en

overlegde, of hij het durfde wagen, hen ook het bosch uit naar den open

weg te volgen. Hij onderzocht, of niet misschien Lacoste's voetstappen

van deze geweldig doorwoelde plaats alleen het bosch verder inleidden.

Doch hij vond er geen teeken van. „Zoo is de ongelukkige dan toch in

handen zijner gruwzame vijanden gevallen?” Eene inwendige stem zeide

Bernard, dat hij hem, die zijn redder was geweest, niet mocht verlaten,

maar hem ten minste nog zooverre moest nasporen, als het, zonder zich

zelf al te veel bloot te geven, geschieden kon. Daarop volgde hij de

voetstappen, die naar den weg voerden, doch met omzichtigheid en ieder

oogenblik scherp luisterende. Daar scheen het hem, alsof hij een zacht

gesteun hoorde. Hij bleef staan en luisterde. Inderdaad, het herhaalde

zich. Hij bedroog zich niet, er moest een levend wezen in de nabijheid

zijn. Met vooruitgestoken hals ging hij op het geluid af; nu vernam

hij het kermen naast zich, doch hij zag niemand op den grond liggen.

De sneeuw was door vele voetstappen vertrapt; een zware den stond

weinige schreden zijwaarts. Van daar kwam het gekreun; Bernard ging om

den boom rond, welke aan de andere zijde vrijer stond; doch met een

onwillekeurigen uitroep van ontzetting deinsde hij terug, toen hij in

het halve licht der sneeuw en der schemering een bloedig, half naakt

menschelijk lichaam zag, dat aan den boom scheen gebonden te zijn.

Huiverend, doch zich zelf beheerschend, trad hij nader. Daar zag hij tot

zijne ontzetting, dat de ongelukkige aan den stam _gespietst_ was, en

toen hij hem in het gezicht zag, herkende hij zijn makker en redder.

„Almachtige God!” riep hij uit en had moeite, om zich op zijne

beenen staande te houden. „Leeft gij nog, vriend? Kan ik u redden?”

De stervende bewoog even het hoofd, ten teeken, dat hij den makker

herkende; doch hij kon niet spreken. Zelf sidderend, doch het moest

zoo zijn, vatte Bernard de afgebroken schacht eener piek, die den

ongelukkige door den schouder geboord was, en trok haar uit. Doch een

tweede ijzer was door de lendenen gepriemd, en wilde eerst voor al

zijne kracht niet wijken; eindelijk gelukte het hem, ook dit er uit te

trekken. Toen zonk de verloste mat ineen. Bernard ving hem op in zijne

armen en liet hem zachtjes, met den rug tegen den boomstam, op den grond

nederglijden. Twee malen nog haalde de ongelukkige diep adem, toen zeeg

zijn hoofd op zijne borst neder en was zijn lijden geëindigd.

Bernard hield hem nog lang aan zijn hart en luisterde of het gevloden

leven niet terugkeerde; te vergeefs. Het was geen droefheid, die hem

vervulde; het was de doffe bedwelming der ontzetting. Het lijk op zijn

knie houdende, zag hij strak voor zich heen; geen traan drong in zijn

oog, hij liet geen zucht hooren. Het was stil als het graf; zelfs de

wind ruischte niet meer door de dennen. Donkere wolken legerden zich

zwart en onbewegelijk aan den hemel. Daar fladderden twee raven nader

en klapwiekten om den top van den hoogen den, als wachtten zij reeds op

hun buit.

„Gij zult ten minste het lijk niet misvormen,” zeide Bernard en stond

op. Met zijn stok en zijne eigene handen en voeten maakte hij eene

breede groeve onder den denneboom in de sneeuw. Daarop schikte hij de

haren en kleederen van het lijk. Toen hij het hemd wilde toeknoopen

schramde hij zich aan eene speld. Hij voelde, wat het was, en ontdekte,

dat de soldaat zijn hoogsten schat, het kruis van het legioen van eer,

van binnen in zijn hemd met eene speld had vastgestoken. „Gij zult het

graf van den dapperen versieren, al zoude ook nooit weer een mensch

hier voorbijgaan.”

Met deze woorden legde hij het lijk in het koude graf en wentelde hooge

sneeuwhoopen daarop, tot zij een witten, vasten heuvel vormden. Met

hetzelfde ijzer der piek, dat den doode de schouders doorboord had,

hechtte hij daarop lint en kruis aan den stam van den denneboom, zoodat

het eereteeken boven het graf schitterde.

Met gekruiste armen stond Bernard voor den sneeuwheuvel. „Rust

zacht onder dit koude kleed, tot de lente het oplicht, en kruit

en bloemen over uw gebeente uitspruiten!—Gij hebt een duurzamer

gedenkteeken verdiend! Neem dit voor lief! Hier wordt het niemand beter

aangeboden!—Vaarwel!”—Hij keerde zich om. Dieper en dieper ging hij

het bosch in, vast besloten, zijne laatste krachten aan zijne redding

te wagen, doch overtuigd, dat het te vergeefs zoude zijn.

1812: Historische roman · 第 105 / 154 题