Nauwelijks echter lag hij, toen hij de struiken achter zich hoorde
bewegen en dadelijk daarna menschelijke voetstappen vernam. Hij voer
overeind en zag om. Daar opende zich de dennenbosschen voor hem en
eene wonderlijke, avontuurlijke gedaante, in een grauwen pels gehuld,
een rooden doek om het hoofd gebonden, trad er voorzichtig, naar alle
zijden rondziende, uit te voorschijn.
„Heidaar!” riep hij in het fransch Bernard toe. „Leeft gij, of zijt gij
een lijk!”
„Ik leef,” hernam Bernard en richtte zich met moeite overeind.
„Gij ziet er echter uit, alsof het niet lang meer duren zou,” hernam de
soldaat. „Zijt gij flauw van den honger?”
Bernard knikte met het hoofd. „Dan kan ik u helpen,” zeide de ander en
kwam nader; „maar zeg mij, waar gaat de weg naar Smolensko?”
„Daar langs; tweehonderd treden van hier is de groote weg.”
„Geloofd zij Jezus en Maria! En hoe ver is het nog?”
„Vier uren.”
„Zwerven er kozakken op den weg?”
„Neen, zoover ik weet.”
„Barmhartige God! Zoo wilt Gij mij dan toch nog redden?” Met deze
woorden zonk de krijgsman op de knieën, sloeg zijne blikken dankbaar
naar den hemel en groote tranen rolden langs zijne wangen.—„Hier,
vriend, neem,” zeide hij een oogenblik daarna en trad met een stuk
brood in de hand op Bernard toe; „gij hebt mij verkwikt, ik wil u ook
verkwikken. Neem, en hier is ook te drinken!” Tegelijk trok hij eene
flesch brandewijn uit zijn zak en reikte haar Bernard toe.
„Zoo zal het dan toch niet hier ten einde zijn,” sprak deze bewogen.
„Ik dank u vriend, gij zijt mijn redder.”
„En gij de mijne.”
„Doch, vanwaar komt gij daar uit het bosch?”
„Zevenmaal uit de kaken der hel,” hernam de gevraagde en zette zich
naast Bernard neder. „Eergisteren dreef de honger mij met vele andere
kameraden uit de gelederen van het regiment, om in de dorpen naar eten
te zoeken. Daar stortte opeens, midden in het woud, een zwerm boeren op
ons af en sloegen neder en vermoordden al wat zij vonden. Wij stoven
naar alle zijden uiteen; daar kwamen ook kozakken aan en joegen ons met
hunne kleine, vlugge paarden, als een herdershond de verstrooide schapen
voor zich uit, om ons den woedenden boeren in handen te drijven.
„Doch hun eerste moordlust was voldaan, zij dreven ons met knods en
knuppelslagen op een hoop bijeen, koppelden ons aan elkander als
jachthonden en stuwden ons zoo voor zich uit. Wij meenden, dat zij
medelijden met ons hadden en ons als gevangenen wilden medevoeren. Doch
het was eene dwaling. Nadat wij in een twee uur van den weg gelegen
dorp waren aangekomen, schudden zij ons zoo uit, dat wij half naakt
in de grimmige koude stonden en de tanden ons klapperend op elkander
stieten. Zoo sloten zij ons allen te gader in de kerk op. Wij kropen
dicht opeen en zochten ons aldus te verwarmen. Doch het duurde niet
lang, of er werden twee van ons naar buiten gehaald. Spoedig daarop
hoorden wij schieten, doch enkele schoten met lange tusschenpoozen, en
na ieder schot vervulde een wild geschreeuw en gebrul de lucht. Eerst
konden wij niet begrijpen, wat dit beteekende; doch toen ik met behulp
van eenige kameraden tot een klein venster opgeklauterd was, zag ik,
dat—bij den duivel, kameraad, de woede klemt mij nu nog de tanden op
elkander—ik zag, dat zij onze kameraden aan een boom gebonden hadden
en als naar de schijf op hen schoten.”
Bernard verbleekte.
„Ik hield mij goed en verried niets, want te helpen was er toch niet
meer. „Zij schieten naar het wit, dat is alles,” zeide ik eenvoudig
weg, doch binnen in mij kookte het als eene zee.—De deur ging weer
open en nogmaals voerden de bloedhonden twee slachtoffers naar buiten.
Ik zweeg, daar het reeds donker werd, en ik hoopte, ons in den nacht
te zullen redden. Inderdaad waren dit de laatsten van ons, welke
moesten bloeden. In den nacht braken wij de deur die naar den toren
leidde, open en het gelukte ons, ons aan het klokketouw in stilte
naar beneden te laten. De schildwacht voor de kerk was ingeslapen. Ik
stiet hem zijne eigen sabel in het hart, dat de kerel zich niet meer
roerde. Thans wierp ik den pels van den Rus om, nam zijne wapenen en
ging daarmede naar het wachthuis aan het eind van het dorp. Mijne
kameraden liet ik stil volgen. Hier lag alles snorkend en bezopen door
elkander, boeren en kozakken. De mantels en pelzen hadden zij op een
hoop geworpen, want er heerschte eene verstikkende hitte in de kamer.
In den hoek stond ook eene mand met brood, en brandewijnflesschen,
gedeeltelijk vol, gedeeltelijk ledig, lagen overal in het rond. Eerst
was ik slechts van gedachte geweest, uit wraak voor de vermoorden het
gansche gebouw in brand te steken; doch daar de gelegenheid nu gunstig
was, haalde ik nog drie kameraden en toen pakten wij zoovele kleederen
en levensmiddelen bijeen, als wij konden, en droegen ze naar buiten.
Vliegend slopen wij met onzen rijkdom naar het nabijgelegen hout,
hielden eene eerlijke deeling en kleedden ons aan. Nu zochten wij een
goed heenkomen. Doch de boeren moeten onze vlucht ras bemerkt hebben,
want opeens waren zij vlak achter ons. Alles liep, ieder vluchtte,
waarheen het toeval hem leidde. Mij gelukte het, een dicht bosch te
bereiken, waar ik mij verborg, tot alles stil was. Daarop sloop ik
voorzichtig voort, zooveel mogelijk naar den grooten weg toe. Zoolang
het donker was, ging het goed; maar bij dag scheen het bosch te leven
van het russisch roofgebroed, en ik moest schuin en dwars door bosch en
veld, voor- en achterwaarts, om hun te ontgaan. Een uur geleden waren
zij mij nog op de hielen. Zoo was ik geheel verdwaald en ik vreesde
reeds den grooten weg niet te zullen bereiken. Nu echter hoop ik met
God nog dezen nacht te Smolensko te komen. Dan wil ik in het gelid
blijven en liever bezwijken van honger en pijn en eerlijk als een
soldaat sterven, dan nog eens in de handen dezer wilde beesten vallen!
Ik ben geen lafaard; maar geslacht te worden is toch een afgrijselijke
dood, en een soldaat wil toch niet gaarne sterven als een moordenaar.
Denkt gij dat ook niet?”
Bernard, door het voedsel gesterkt, door het verhaal dezer slingeringen
tusschen redding en ondergang opgewakkerd, had in dit oogenblik zijne
hoop weder teruggekregen. „Waarlijk niet, kameraad!” riep hij. „Doch
daarvan behoeft ook nog niets te komen. Gij zult uw doel bereiken en
ik het mijne. In den tegenwoordigen tijd, nu iedere minuut gevaarlijk
is, mag men den moed niet opgeven, al had de dood ook iemand reeds bij
den kraag gepakt. Men laat hem den mantel en scheurt zich toch weder
los.”
„Zoo is het! Leve de moed!—Maar wat zegt gij daar van uw doel? Waar
wilt gij heen? Niet vooruit?”
„Neen!”
„Terug? In dit duivelsland weder terug? Zijt gij bij uw verstand?”
„Mij is de dood hier gewisser dan daar.”
„Hoezoo?”
Bernard bedacht zich een oogenblik; daarop verhaalde hij zijnen vriend
in den nood, in de overtuiging, dat dit eerlijke soldatenhart hem niet
verraden zou, openhartig den samenhang zijner geschiedenis.
„Vervloekt gebroed! Vee van den duivel, dit schrijversgoed!” vloekte de
ruwe, eerlijke soldaat, toen Bernard zijn verhaal geëindigd had. „Maar
dat mag u geen zorg baren. Daarheen dreigt u bij iederen tred gevaar,
want de boeren zijn woedend en liggen als boschnegers achter de zwarte
dennestruiken. Een enkel persoon komt er niet door. Daarom raad ik u,
kom meê naar Smolensko. Wie kent u? Trek mijn pels aan, wanneer wij de
poort binnenmarcheeren en bind u een doek om het gezicht. Wat vraagt
tegenwoordig de een naar den ander? Ieder heeft genoeg met zich zelf te
doen. Hebben wij, God beter 't, niet duizenden van achterblijvers? Kom,
als een man, ga met mij! Ik zal u in lief en leed bijstaan, zoowaar ik
Jean Lacoste heet en uit Normandië ben! Kom, laten wij gaan. Het wordt
donker, wij hebben gerust, en hoe nader aan Frankrijk, hoe beter!”
Bernard overlegde. Hij had het neerdrukkend gewicht van geheele
eenzaamheid en hulpeloosheid nog pas te diep gevoeld, om niet met
onweerstaanbaar geweld tot het besluit gedrongen te worden, nood en
gevaar weder met een kameraad vereenigd te dragen. Eén dag hoopte hij
zich toch wel in Smolensko te kunnen verbergen en den volgenden moest
Rasinski er weder terugkomen. Misschien vernam hij ook iets aangaande
Lodewijks lot.—Kortom, hij besloot, zijn lot aan dat van zijn nieuwen
makker te verbinden.
Zij braken op en wandelden met elkander in gesprek voort. Opeens
hoorden zij den toon eener schelle fluit uit het bosch. Bernard hoorde
verwonderd op; Lacoste echter pakte hem bij den arm, trok hem ras
voorwaarts en riep: „Loop, loop, wat uwe beenen kunnen. Zij zijn ons,
God bewaar ons! al weer op de hielen.”
Onwillekeurig volgde Bernard den haastigen tred van zijn makker,
ofschoon hij aan de nabijheid van het gevaar nog niet gelooven wilde,
daar hij tot hiertoe nog geen sporen van zulk een vijandelijken aanval
ontmoet had.
„Wanneer wij eerst maar ginds dien hoek om zijn,” meende Lacoste onder
het loopen, „dan kunnen wij ons dadelijk links in het bosch werpen,
maar hier is, helaas! op geen drie honderd passen een bosch te zien, en
op de sneeuw ziet men ons, niettegenstaande de invallende duisternis,
veel te ver.”
Het fluiten werd thans herhaald en van de andere zijde van den weg
beantwoord.
„Het is waarachtig, alsof wij in Calabrië waren en een rot bandieten
ons wil overvallen,” zeide Lacoste. „Maar deze kerels zijn erger!
Ik zie liever een dozijn wolven met open kaken achter mij aanjagen,
dan dat ik een kozakkenpaard achter mijn rug hoor.—Maar begint daar
ginds het bosch niet te leven?—Roert het zich daar niet als in een
mierennest?”
„Gij dwaalt vriend,” hernam Bernard, „het blijft alles doodstil.”
„Het is schande, bang te wezen,” bromde Lacoste wrevelig in zich
zelven; „maar ik kan niet loochenen, dat ik het ben. Waar volstrekt
niets, niet eenmaal eer te winnen, maar wel alles te verliezen is, daar
tast het mij toch een beetje koud naar het hart, en ik begin te zien,
wat ik mij inbeeld. Dat komt, doordien ik het vervloekte gebroed heden
reeds zesmaal ten minste zoo uit de struiken heb zien uitkruipen als
dauwpieren uit de aarde, wanneer het geonweerd heeft. Ik verbeeld mij,
achter iederen boomstam een boer te zien. Nu, Goddank, wij zijn om den
hoek. Laat ons hier ter zijde af in het bosch gaan, wij kunnen evenwel
de richting van den weg volgen.”
Toen zij zich veilig rekenden, begonnen zij langzamer te gaan.
„Kameraad, gij hebt daar een gouden ring aan uw vinger; pas op, dat hij
u niet te eng is,” begon Lacoste na eenige minuten; „ik heb gezien, hoe
zij mijn kapitein, die zijn trouwring droeg, koelbloedig den vinger
afsneden, omdat de ring niet dadelijk over den knokkel wilde. Men weet
niet, wat er gebeuren kan; smijt het ding daarom liever weg of verberg
het.”
De gedachte, dat hij den ring, die voor hem eene zoo wonderbare
beteekenis had, verliezen kon, viel Bernard zwaar op het hart.
„Wegwerpen,” zeide hij, „kan ik hem niet, want hij is mij
onuitsprekelijk dierbaar; en waar zou ik hem verbergen, dat de
roofzucht hem niet vinden kan?”
„Daar is misschien nog kans toe. Gij hebt zwaar, lang haar, daar laat
hij zich misschien wegstoppen. Komaan, ik wil u hem er inknoopen; op
eene nette frisuur komt het thans zoo niet aan.”
Bernard trok den ring van den vinger en Lacoste knoopte dien, terwijl
hij een bundeltje haren door de opening stak en toen een knoop om den
ring sloeg in Bernards lange lokken vast.
„Maar is hij wel goed bewaard? Zal hij niet verloren gaan?” vroeg deze
bezorgd.
„Wanneer gij de lok, waaraan hij hangt, niet uittrekt, zekerlijk niet,
en die is zoo diep verborgen, dat een raaf haar niet ontdekken zou. 't
Is waar, de vingers der kozakken zijn.... Duivelsch! St!—In Gods naam
stil! Hoort gij niets?” viel hij, opeens stilstaande en den vinger op
den mond leggende, met bijna onhoorbare stem zich zelf in de rede.
Bernard schudde het hoofd.—Doch spoedig daarop vernam hij inderdaad
een dof gerucht, alsof verscheidene menschen van verre in gesprek
naderden.
„Er komen menschen aan,” fluisterde Lacoste; „geen tred van de plaats!
Misschien gaan zij ons voorbij.”
Met deze woorden kroop hij in de dichte struiken en Bernard volgde zijn
voorbeeld.
Nauwelijks hadden zij hunne schuilplaatsen bereikt, toen reeds een
troep van tien of twaalf, met pieken gewapende boeren zichtbaar werd.
Het hart sloeg den beiden vluchtenden hoorbaar in de borst. Zij hoopten
nochtans, dat de schemering en de struiken hen zouden verbergen. Daar
sloeg plotseling een hond aan; hij kwam snuffelend door de sneeuw en
bleef blaffend voor het boschje staan. De boeren luisterden en zagen om.
„Thans helpt ons niets meer dan de vlucht; gij links, ik rechts!” riep
Lacoste, „om hen te verdeelen,” en in hetzelfde oogenblik deed hij ook
reeds een sprong uit het boschje en liep, wat zijne beenen konden,
dieper het bosch in. De hond volgde zijn spoor met luid blaffen.
Bernard, den raad van zijn vluggen makker volgende, sloeg even snel
een anderen weg in. Zonder om te zien ijlde hij door de diepe sneeuw
en de dichte struiken voorwaarts, tot hem de adem begaf. Thans stond
hij stil en zag vorschend en luisterend rond. Alles was stil als het
graf. Hij hoorde noch menschenstemmen, noch blaffen meer; alleen
het huiveringwekkend ruischen van den nachtwind floot door de hooge
toppen der boomen. Behoedzaam waagde hij zich weder in de richting
van Smolensko, wijl hij daar zijn lotgenoot in het ongeluk hoopte aan
te treffen. Spoedig vond hij zijn eigen spoor in de sneeuw terug. Dit
volgde hij voorzichtig, ieder oogenblik luisterende, of er ook vijanden
in de buurt waren. Doch het bosch was als uitgestorven. Het spoor bracht
hem na een kwartier op de plaats, vanwaar zij gevlucht waren. Tot zijne
vreugde ontdekte hij nu de sporen van Lacoste en durfde hopen, hem te
vinden. Hij volgde ze; spoedig zag hij ze tot zijn leedwezen met vele
anderen vermengd, een teeken, dat men den armen man hevig vervolgd
had. Nog een eindweegs liepen zij in het bosch voort, dan hielden zij
op en namen eene andere richting. Besluiteloos stond Bernard stil en
overlegde, of hij het durfde wagen, hen ook het bosch uit naar den open
weg te volgen. Hij onderzocht, of niet misschien Lacoste's voetstappen
van deze geweldig doorwoelde plaats alleen het bosch verder inleidden.
Doch hij vond er geen teeken van. „Zoo is de ongelukkige dan toch in
handen zijner gruwzame vijanden gevallen?” Eene inwendige stem zeide
Bernard, dat hij hem, die zijn redder was geweest, niet mocht verlaten,
maar hem ten minste nog zooverre moest nasporen, als het, zonder zich
zelf al te veel bloot te geven, geschieden kon. Daarop volgde hij de
voetstappen, die naar den weg voerden, doch met omzichtigheid en ieder
oogenblik scherp luisterende. Daar scheen het hem, alsof hij een zacht
gesteun hoorde. Hij bleef staan en luisterde. Inderdaad, het herhaalde
zich. Hij bedroog zich niet, er moest een levend wezen in de nabijheid
zijn. Met vooruitgestoken hals ging hij op het geluid af; nu vernam
hij het kermen naast zich, doch hij zag niemand op den grond liggen.
De sneeuw was door vele voetstappen vertrapt; een zware den stond
weinige schreden zijwaarts. Van daar kwam het gekreun; Bernard ging om
den boom rond, welke aan de andere zijde vrijer stond; doch met een
onwillekeurigen uitroep van ontzetting deinsde hij terug, toen hij in
het halve licht der sneeuw en der schemering een bloedig, half naakt
menschelijk lichaam zag, dat aan den boom scheen gebonden te zijn.
Huiverend, doch zich zelf beheerschend, trad hij nader. Daar zag hij tot
zijne ontzetting, dat de ongelukkige aan den stam _gespietst_ was, en
toen hij hem in het gezicht zag, herkende hij zijn makker en redder.
„Almachtige God!” riep hij uit en had moeite, om zich op zijne
beenen staande te houden. „Leeft gij nog, vriend? Kan ik u redden?”
De stervende bewoog even het hoofd, ten teeken, dat hij den makker
herkende; doch hij kon niet spreken. Zelf sidderend, doch het moest
zoo zijn, vatte Bernard de afgebroken schacht eener piek, die den
ongelukkige door den schouder geboord was, en trok haar uit. Doch een
tweede ijzer was door de lendenen gepriemd, en wilde eerst voor al
zijne kracht niet wijken; eindelijk gelukte het hem, ook dit er uit te
trekken. Toen zonk de verloste mat ineen. Bernard ving hem op in zijne
armen en liet hem zachtjes, met den rug tegen den boomstam, op den grond
nederglijden. Twee malen nog haalde de ongelukkige diep adem, toen zeeg
zijn hoofd op zijne borst neder en was zijn lijden geëindigd.
Bernard hield hem nog lang aan zijn hart en luisterde of het gevloden
leven niet terugkeerde; te vergeefs. Het was geen droefheid, die hem
vervulde; het was de doffe bedwelming der ontzetting. Het lijk op zijn
knie houdende, zag hij strak voor zich heen; geen traan drong in zijn
oog, hij liet geen zucht hooren. Het was stil als het graf; zelfs de
wind ruischte niet meer door de dennen. Donkere wolken legerden zich
zwart en onbewegelijk aan den hemel. Daar fladderden twee raven nader
en klapwiekten om den top van den hoogen den, als wachtten zij reeds op
hun buit.
„Gij zult ten minste het lijk niet misvormen,” zeide Bernard en stond
op. Met zijn stok en zijne eigene handen en voeten maakte hij eene
breede groeve onder den denneboom in de sneeuw. Daarop schikte hij de
haren en kleederen van het lijk. Toen hij het hemd wilde toeknoopen
schramde hij zich aan eene speld. Hij voelde, wat het was, en ontdekte,
dat de soldaat zijn hoogsten schat, het kruis van het legioen van eer,
van binnen in zijn hemd met eene speld had vastgestoken. „Gij zult het
graf van den dapperen versieren, al zoude ook nooit weer een mensch
hier voorbijgaan.”
Met deze woorden legde hij het lijk in het koude graf en wentelde hooge
sneeuwhoopen daarop, tot zij een witten, vasten heuvel vormden. Met
hetzelfde ijzer der piek, dat den doode de schouders doorboord had,
hechtte hij daarop lint en kruis aan den stam van den denneboom, zoodat
het eereteeken boven het graf schitterde.
Met gekruiste armen stond Bernard voor den sneeuwheuvel. „Rust
zacht onder dit koude kleed, tot de lente het oplicht, en kruit
en bloemen over uw gebeente uitspruiten!—Gij hebt een duurzamer
gedenkteeken verdiend! Neem dit voor lief! Hier wordt het niemand beter
aangeboden!—Vaarwel!”—Hij keerde zich om. Dieper en dieper ging hij
het bosch in, vast besloten, zijne laatste krachten aan zijne redding
te wagen, doch overtuigd, dat het te vergeefs zoude zijn.