Zonder door om te zien ook maar een oogenblik tijds te verliezen, had
Bernard in vollen ren den hoek van het bosch bereikt. Zijne vervolgers
waren hem op de hielen, doch de gulden prijs der vrijheid, die hem
toewenkte, gaf hem vleugels. Gods hand bewaarde hem, want ofschoon
eenige kogels vlak langs zijn hoofd voorbijvlogen, wondde hem evenwel
geen daarvan. Thans dekten hem de dichte struiken; deze belemmerden
wel de snelheid zijner vlucht, doch zij verborgen ook hare richting en
stelden dezelfde beletselen zijnen vervolgers in den weg. Met het hoofd
voorover gebogen, zijn linkerarm beschermend voor zijne oogen houdende,
vluchtte hij voort en bemerkte nauwelijks dat de struiken hem de handen
en het aangezicht bloedig openreten. Eindelijk ontbrak hem de adem; hij
stond een oogenblik stil en schepte lucht. Luisterend stond hij daar,
of zich ook voetstappen achter hem deden hooren. Alles bleef doodstil.
Voorzichtig snelde hij na eene rust van weinige seconden nog een eind
dieper het bosch in, tot hij in zulke dichte struiken kwam, dat zij
hem zelfs voor iemand, die vlak langs hem heen ging, zouden verborgen
hebben. Hier eerst vergunde hij zich eene langere rust en overlegde,
wat hem nu te doen stond.
Gij zelf zijt voor deze reis gered, dacht hij, terwijl hij diep uit de
borst ademhaalde en het oog dankbaar tot den hemel hief; was Lodewijk
maar eerst hier bij mij!—En dan? Wij beiden eenzaam in deze woestijn?
Aan de koude, den honger en de woede der inwoners prijsgegeven? Schaam
u, Bernard, wilt gij den moed laten zinken op het oogenblik, dat gij
het bewijs ontvangen hebt, dat niets verloren is, zoolang niet alles
verloren is? Nader slechts, gij toekomst! men moet u kloek in het oog
zien, als een kampvechter zijn vijand; dan weet men zich veilig voor
iederen slag.
Onder deze gedachten zette hij zijn weg in de richting naar den heuvel
met de drie dennen voort. In het binnenste van het bosch heerschte
nog diepe schemering; doodstil was alles om hem heen. Daar klonken op
eens verscheidene schoten. „Heilige God! wanneer dat Lodewijk gold,
dien men weder gevangen had,” riep Bernard en stond als aan den grond
genageld, met het bovenlijf vooruit, naar de richting van het geluid
gebogen. Daar vielen wederom schoten en nog eens en nog eens. Neen,
dacht hij met meer opgeruimdheid, dat was het schrikkelijk geluid niet,
waarvoor ik vreesde. Intusschen bleef hij geheel in het onzekere, hoe
hij dit schieten zoude verklaren, te meer, daar het zich met verward,
dof en zwak door de morgenstilte tot hem overwaaiend geschreeuw
vermengde.—„Wist ik maar, waar de vijand ergens uit den grond kon zijn
opgekomen, dan zou ik gelooven, dat dit een gevecht was. Of de vlakte
dan van hier nergens te overzien zoude zijn?” Hij ging naar den zoom
van het bosch, doch nog eer hij dien bereikte, had het schieten en al
het gerucht opgehouden. Des te angstiger luisterde hij, of hij geen
voetstappen in den omtrek hoorde, of de struiken geen geluid maakten,
wijl een driftige voetganger ze vaneen boog. Te vergeefs.
Bernard wist thans niet, of hij zich haasten zou het bepaalde punt der
samenkomst te bereiken, dan of hij zou terugkeeren en trachten uit te
vorschen, wat er van Lodewijk mocht geworden zijn. Na kort beraad koos
hij het laatste. „Hij mag een half uur langer op mij wachten, het is
beter, dat hij dit uitsta, dan dat ik hem misschien hulpeloos en zonder
vriendentroost in de handen zijner vijanden achterlaat. Zoo hij het
offer geworden was? Neen, neen! Het is onmogelijk. Maar is hij het,
welnu, dan wil ik het ook zijn.”
Er lag in dit besluit eene zekere hooghartigheid. Men moest niet durven
zeggen, dat hij, om zich zelf te redden, zijn vriend verlaten had.
Hij gevoelde wel, dat voor Lodewijk zijn offer te laat kwam; maar het
scheen hem eerloos, hem te overleven.
„Maar Maria!—Zoudt gij geen trouwer vriend zijn, wanneer gij voor
de eenzame, hulpelooze zuster zorgdet? Voort, voort, uw hart wil u
beliegen—vertrouw het niet!”
Bernards inwendige angst klom, hoe heviger de strijd in zijn binnenste
werd en hoe nader hij bij de plaats kwam, waar hij zekerheid over het
lot zijns vriends hoopte te verkrijgen. Eindelijk had hij het einde
van het bosch bereikt en kon hij den heuvel overzien, waar de dood
hem en Lodewijk had moeten treffen. Hij was verlaten, niemand nabij;
Bernard waagde zich vooruit. De sneeuw was van ontelbare voetstappen
doorkruist; ook ruiters moesten hun weg over den heuvel genomen
hebben. Thans ontdekte Bernard een verloren chakot, bloedplassen, de
ondubbelzinnigste bewijzen, dat hier een gevecht had plaats gehad. Van
verre zag hij eenige lijken—hoe, zoude Lodewijk daaronder zijn? Hij
snelde ijlings daarheen. Goddank, neen! het zijn andere uniformen.
Drie mannen lagen op de sneeuw ter neder. De eersten herkende Bernard;
het was de brave Elzasser, Cottin; de beide anderen waren hem onbekend.
De vreugde, dat Lodewijk gered scheen, liet het warm gevoel van
medelijden met den wakkeren landsman niet opkomen. De vlucht moest
hem gelukt zijn. Daar, waar de drie dennen oprijzen, wacht hij mij
misschien reeds. Ik moet mij haasten, zijne onzekerheid te bekorten.
Ook zonder dezen inwendigen aandrang had Bernard reden gehad, zoo snel
mogelijk te vluchten, want juist rukten eenige compagniën, in der haast
bijeengeraapt, door het schieten opmerkzaam geworden, uit de slechts
eenige honderden passen verwijderde poorten van Smolensko naar buiten,
om de, zoo het scheen overvallen kameraden, doch te laat, ter hulp te
snellen. Bernard bemerkte hen nog bijtijds en nam zijn weg het bosch
weder in, naar de plaats, met Lodewijk tot de bijeenkomst bepaald.
Na een half uur had hij haar bereikt. De dennen stonden eenzaam op
eene slechts met lage struiken begroeide hoogte, die hem een vrij
uitgestrekt gezicht in de verte verschafte. Voor zich zag hij de
torens, gevels en muren van Smolensko, waarachter de besneeuwde
heuvels, welke den loop des Dniepers volgen, zich verhieven. In de
verte liep een lange, blauwe rij van bosschen langs den horizon; aan de
rechterhand achter een groot dennenbosch liep op een kwartier afstands
ongeveer de groote weg naar Moskou; achter zich en ter linkerhand
ontdekte het oog, zoover het reikte, slechts onmetelijke wouden, die
zich over de hoogten en laagten van den grond onafzienbaar uitstrekten.
Slechts weinige opene plaatsen waren zichtbaar, maar ook deze
vertoonden zich slechts als rondom van bosschen ingesloten ruimten.
De heuvelrij aan deze zijde des strooms beperkte het gezicht; ter
linkerhand achter deze moest, zoo herinnerde Bernard het zich nog van
vroeger, vlak een open veld zijn.
Hij wierp slechts een vluchtigen blik over deze treurige, eenzame
landouw; zijn oog zocht Lodewijk. Hij ontdekte hem niet. Eerst zacht,
vervolgens al harder en harder, riep hij den naam zijns vriend, doch
zijne stem verloor zich in de diepe eenzaamheid en stilte, zonder
antwoord te ontvangen.
Thans werd hij bevreesd. Duizend mogelijkheden kwamen hem voor den
geest, welke de waarheid zeer nabij kwamen, zonder deze evenwel te
treffen.
Hij kruiste in den omtrek van den berg rond, doorzocht alle boschjes,
zocht naar voetstappen in de sneeuw, of hij daaruit Lodewijks spoor
misschien mocht ontdekken, zoo deze verdwaald geraakt was—alles te
vergeefs. Altijd ontdekte hij, hoever hij ook in het rond trachtte te
zien, geene andere voetstappen dan die, welke hem zelf op den top des
heuvels gebracht hadden. Deze kruiste hij een-, twee-, driemaal; hij
hield zich eindelijk overtuigd, dat geen menschelijke voet, behalve de
zijne, ook slechts in den omtrek des heuvels was gekomen.
De zekerheid viel hem als lood op het hart.—Was Lodewijk gered of
niet? Had hij hem niet goed begrepen? Had hij zijne vlucht naar eene
andere zijde gericht? Of hadden omstandigheden hem genoodzaakt, zijn
behoud naar den anderen kant van het bosch te beproeven?—Was hij in
het gevecht gebleven?
Deze en duizend andere vragen kruisten zich in Bernards hoofd, doch hij
wist ze niet te beantwoorden.—Slechts die ééne schrikkelijke zekerheid
verkreeg hij meer en meer dat hij van zijn vriend gescheiden was, dat
slechts eene gunstige wending van zijn lot die buiten zijn bereik en
zijne berekening lag, hen weder met elkander kon vereenigen.
Het werd middag. Van het waden door de sneeuw waren Bernards voeten
doornat, de spieren zijner knieën ten uiterste afgemat. De honger deed
zich met pijnigende hevigheid gevoelen, want het sinds twee dagen
goed gevoede lichaam had weder kracht gekregen, om den aanval van den
vijand eenigen tijd zonder afmatting, maar daarvoor ook met des te
grooter smart te kunnen trotseeren. Een besluit moest hij nemen. Hem
bleef slechts de keus over, of in de vesting terug te keeren en zich
alzoo den zekeren snellen dood over te geven, of alleen de vlucht door
de sneeuwwoestijn te wagen, waar duizend rampen en gevaren op hem
wachtten, waartoe de zwakke hoop op behoud nauwelijks den moed en de
kracht om te lijden konde geven.
En waarheen zou hij zijn weg nemen? Zonder wapen, om zich tegen
een hongerigen wolf te verdedigen of hout voor een vuur te hakken,
zonder levensmiddelen, met zeer weinig gangbaar geld, scheen het hem
onmogelijk, voorwaarts naar zijn vaderland te komen. Er bleef hem niets
over, dan terug te gaan, om het korps van Ney, dat nauwelijks twee
dagmarschen achter kon zijn, en met dit het regiment van Rasinski te
bereiken.
Was Lodewijk gered, kon hij zooals Bernard vrij handelen, dan bleef ook
voor hem geen andere raad over. Daarom was deze weg ook de eenige, op
welken hij hopen kon zijn vriend weder te ontmoeten.
Hij brak zich een sterken dennetak af, sneed dien met zijn zakmes,
dat hij gelukkig bij zich had, tot een wandelstaf en tot een wapen in
tijd van nood, en begon door het woud zijn tred naar den grooten weg
te richten. In zijne ziel zag het er zoo somber uit, als rondom hem
in de natuur. Hij moest door een ongebaande wildernis heenworstelen
en dikwijls tot aan de knieën door de sneeuw waden. Daardoor kwam hij
slechts langzaam vooruit, en ofschoon de weg in de naaste richting
slechts een half uur van den heuvel verwijderd was, had hij dien
evenwel na twee uren nog niet bereikt, deels omdat hij hem niet zoo
dicht bij de vesting durfde over steken, en dan, daar zijn weg door
de vele hindernissen en omwegen, welke hij moest maken, buitendien
wel de helft langer werd. Deze inspanning en de honger, welke hem
kwelde, putten zijne krachten zoozeer uit, dat hij zich eindelijk moest
nederleggen. Hij ruimde met zijn stok en eenige bijeengebonden takken
de sneeuw een weinig op, maakte zich van afgebroken dennenrijs een
leger en legde er zich op neder, om een weinig uit te rusten. Doch hij
droeg angstvallig zorg, den slaap van zich af te weren, om niet in dien
slaap te bevriezen en zoo eene buit des doods te worden. Hij had echter
deze voorzichtigheid niet noodig gehad; want de zorgen zijner ziel en
de kwelling des hongers waren nog te hevig, om hem te laten sluimeren,
en zijn lichaam nog niet zoo afgemat, dat hij de vermoeidheid als
de ergste aller kwalen gevoelde. Om de knaging, welke hem de honger
veroorzaakte, eenigermate te lenigen, sneed hij de jonge harsachtige
spruitjes uit de takken en beproefde die te eten. Deze bittere kost met
eenige handen vol sneeuw, welke hij tot stilling van zijn dorst genomen
had en langzaam op zijne tong liet smelten, was de eenige versterking,
welke zijn ellendige toestand hem vergunde. Na een uur gerust te
hebben, brak hij weder op en bereikte nu spoedig den grooten weg.
Doch welk een gezicht deed zich daar voor hem op! De weg was met half
naakte, bevroren lijken bedekt, die halverwege uit de sneeuw uitstaken.
Kleine, licht besneeuwde heuveltjes, tegen welke zijn voet onder het
gaan gedurig aanstiet, waren de graven van even zoovele ongelukkigen.
Weggeworpen wapens, uniformen, bagage, doode paarden zouden de
richting, die het leger genomen had, genoegzaam aangeduid hebben, al
ware er ook geen groote, door kanonnen en wagens stuk gereden heirbaan
te zien geweest.
Eene kille huivering voer door zijne borst, toen hij zich thans zoo
alleen midden onder deze sporen bevond, die de schrikkelijke baan
kenmerkten, welke dood en verwoesting door deze sneeuwwoestijnen
genomen hadden. De weg geleek één lang, onmetelijk kerkhof, waar echter
geen vriendenhand de gestorvenen zacht begraven had. Slechts het
lijkkleed der sneeuw bedekte koud en akelig de gevallenen.
Bernard moest thans spoedig een dorp bereiken; de weg boog zich en het
lag voor hem. Doch geen huis was er meer te zien; alles omvergerukt,
alles verbrand; nauwelijks staken nog hier en daar eenige schoorsteenen
en zwart verbrande muren uit de sneeuw uit. Vermoedelijk was hier in de
nabijheid een bivak geweest, zoodat de manschappen al het houtwerk voor
hunne vuren gebruikt hadden. Spoedig zag Bernard ook de zwarte plekken
aan den zoom van het bosch, alwaar de vuren gebrand hadden. Hij ging
er heen, in de hoop van iets te vinden, dat zijn honger zoude kunnen
stillen. Tevergeefs! Hier lagen ook geene lijken; want hier hadden
immers de sterkeren gerust en het vuur had hen voor verkleumen bewaard.
Bernard stiet met zijn staf in een aschhoop en woelde er zoo een nog
smeulend stuk hout uit. Dus kon dit bivak dezen morgen eerst verlaten
zijn. Hij ontdekte een knoop op de sneeuw; hij nam dien op. Een zoete
schrik overviel hem; hij ontdekte er het merk van zijn regiment op.
Dit lichte spoor zijner vrienden gaf hem nieuwe hoop. Rasinski had
dus hier rust gehouden. Daar hij eerst na den middag uit Smolensko
was uitgerukt, moest hij hier des nachts gebivakkeerd hebben en was
misschien slechts een halven dagmarsch van de plaats verwijderd.
Had Bernard thans slechts eenige spijs gehad en een paar uren kunnen
rusten, zoo had hij zijne vrienden dien nacht misschien nog ingehaald.
Doch hij was te vermoeid; want reeds begon de avond te vallen, en
hij had den ganschen dag niets genoten en zich op de vermoeiendste
wijze door de diepe sneeuw in nooit betreden bosschen moeten werken,
niet eenmaal zijne verschrikkelijke gemoedsbewegingen van dien dag in
aanmerking genomen. Thans gevoelde hij voor de eerste maal, dat zijn
alles trotseerende moed wankelde. De afmatting zijner lichaamskrachten
werkte op zijne ziel terug; de diepe eenzaamheid wierp hare donkere
schaduw in zijn boezem; de spoorslag om door zijn moedig voorbeeld het
vertwijfelen van anderen te verhinderen, bleef uit en met het ontbreken
daarvan verdween ook de kracht.
Zwijgend, de armen over elkander geslagen en, daar de koude hem deed
rillen, zich ineen krommende, zat hij op een half ingevallen muur en
zag donker voor zich heen. Rondom de stilte des doods; het donker
dennenwoud stond daar ijzingwekkend koud, en de takken bogen zich onder
den last der sneeuw ter neder; grijze nevelwolken dreven langzaam en
laag over de toppen van het woud. De adem was uit de borst der natuur
geweken; zij lag daar als een lijk, bevroren, zonder warmte, zonder
liefde. „En wat is het dan meer,” sprak Bernard, eensklaps oprijzende
en moedig vooruittredende, „sluimeren er hier dan niet duizenden?
Waarom wilt gij u verzetten, in de koude, uitgebreide armen des doods
te zinken! Het lijden zal kort zijn; rust een oogenblik aan zijne borst
en uw warm leven is ingezogen door de ijskoude verstijving, en smart en
vreugde zijn voorbij.”
„Gij wilt weekhartig worden! Wijl achter dezen grauwen sluier nog
de blauwe zonnige dag rust, dien gij ook eens gezien hebt? Wijl
vriendelijke gedaanten aan de grenzen dezer woestenij staan?—Waart
gij dan gelukkig, toen gij onder hen in het licht verkeerdet? Hebt gij
niet altijd de smart in uw boezem verborgen omgedragen? Kon het bonte
gewemel des levens u troosten en verkwikken? Droppels bevochtigen
uwe tong, maar uw brandende dorst werd niet gelescht, en de lafenis
vermeerderde slechts uwe kwaal.—En toch beeft gij, daar de hamer zich
thans oplicht, om het uur der rust, der verlossing te slaan? Wil dan
het rijsje der hoop zelfs in deze woestijn nog niet bevriezen! Is uwe
mannenkracht niet in staat deze zwakke, uitgebrande vonk te verstikken?
Schaam u! Zie het spooksel als een man aan! Het leeft alleen in uwe
borst; gij ziet slechts de afspiegeling der verschrikkingen, welke gij
zelf schept en in u omdraagt. Verpletter met een forsche vuist den
bedriegelijken spiegel, en de spookgestalten zijn vernietigd.”
Doch tevergeefs kampte het geweld der gedachte tegen de macht der
wezenlijkheid. Te vergeefs beproefde de geest de banden te verbreken,
die zijne vrije vleugels in den kerker des lichaams en der zinnen
vasthielden. Zij lieten hem niet uit hunne macht en stonden op hun oud
recht, met hem tegelijk te heerschen, tot de dood het zegel van het
voor de aarde gesloten verbond verbroken had.
Zoo bleef het spooksel dan ijzingwekkend voor Bernard staan en hij
voelde, tegen wil en dank, hoe het afgrijzen door zijn boezem sloop en
dieper en dieper zijn hart indrong.
„Deze boomstam moge het dan zijn!” zeide hij somber, wikkelde zich,
inwendig rillend, vaster in zijn mantel en wierp zich weder op den
grond neder.