HOOFDSTUK I.

Sinds het slot van graaf Dolgorow door Rasinski overvallen en in brand

gestoken was, had zich de bezitter niet weder op zijn goed laten zien.

Na den aftocht der vijanden vielen de eigene boeren plunderend in het

brandende gebouw en zochten alles meester te worden, wat de vlam nog

niet verslonden had. Doch midden onder hen trad de grijsaard Gregorius

en verhief zijne stem met gestrengheid en waardigheid. „Keert de

vlammen, vrienden,” riep hij hun toe, „redt de have uws heeren en bergt

ze in uwe hutten, doch waagt niet, u daaraan te vergrijpen en ze u toe

te eigenen. Vloek zal Ruslands zoon treffen, die de trouw jegens zijn

heer schendt.”

Door deze vermaningen beteugelde de hoog vereerde vader de hebzuchtige

begeerte der slaven, die het eerste oogenblik hunner bevrijding wilden

aangrijpen, om zich te verrijken met de goederen van hun heer. Zijn

woord was eene wet, de wenk zijner oogen een heilig gebod. Daarom gaven

zij hem ook nu gehoor en spanden eerst hunne krachten in, om het slot

voor algeheele vernieling door de vlammen te bewaren. Daarop namen zij,

wat er kostbaars in de vertrekken te vinden was, en verborgen het in

hunne diepe kelders, die aan geen russisch huis, zelfs niet van den

armsten lijfeigene ontbreken. Zoo werd het hoofdgebouw van het slot aan

de woede der vlammen ontrukt en stond het nog bijna ongedeerd. Doch

in de vertrekken zag het er woest en ledig uit. In de meeste waren

de vensters stuk geslagen, de muren door den rook zwart geworden, en

de boeren hadden er alle huisraad uitgehaald. Zoo had het gebouw van

buiten wel zijn trotsch aanzien behouden, doch van binnen was het zoo

verwoest, dat nauwelijks eenige kamers bewoonbaar bleven.

Meer dan drie maanden waren er sedert dien brand verloopen, en de

graaf was na dien tijd niet teruggekeerd. Ondertusschen had de ijzeren

stroom des oorlogs zich zoo wijd over het land uitgestort, dat alle

gemeenschap met het binnenste gedeelte verbroken was. Gregorius, die

zijne gemeente volstrekt niet wilde verlaten, maar als een getrouw

herder achtergebleven was, had daardoor in al dien tijd van den graaf

noch van Feodorowna ook slechts het geringste vernomen. Hij had het

huwelijk aan het altaar ingezegend, zijne lippen hadden den hemel

zegen en heil voor de jeugdige echtelieden afgesmeekt. Doch hij zelf

vertrouwde niet zoo vast als anders op de kracht van zijn smeeken;

want hij wist wel, met welk een smartelijk gevoel hij de dochter zijns

harten zag heengaan en het nieuwe levenspad betreden, dat voor anderen

met geurige bloemen pleegt bestrooid te zijn.

De dagen waren eentonig voorbijgegaan; de herfst had de bladeren van de

boomen afgeschud. Het groen der dennen werd met iederen dag donkerder

en zwarter; spoedig kroonden zij zich met rijp en eindelijk breidde de

sneeuw haar schitterend dekkleed over de toppen der boomen, over de

heuvels en den verstijfden stroom uit.

Zoo is voor mij dan wederom de winter genaderd, dacht Gregorius,

wanneer hij uit de stilte zijner eenzame cel over den opengeslagen

Bijbel heen in het treurige, verlaten dorp zag; reeds meermalen

geloofde ik, dat het de laatste zou zijn, en bereidde ik mij voor den

Heer te verschijnen.

Mijn hart hangt niet aan deze aarde, maar toch verlangt het nu vurig

nog eenmaal de lente te zien aanbreken en haar liefelijken groet te

ontvangen. Moet dan de akeligste winter mijns levens ook de laatste

zijn? Zou ik moeten heengaan, eer ik mijn vaderland weder bevrijd

zie van deze horden van schanddadige verwoesters, die al het heilige

bevlekken en onteeren? Algoede Vader! Gij weet het, hoe rustig ik mijn

oog op de graven vestig, die hier onder mijne vensters rondom het

godshuis zijn. Al deze dooden sluimeren onder Uwe bescherming. Zij

rusten even stil en koel onder het groene tapijt, waarmede de lente

hunne woning versiert, als onder het koude sneeuwkleed van den winter!

Hoe dikwijls heb ik mijne hand tot U opgeheven, Heer des hemels, en

gebeden: Roep mij op, wanneer Gij wilt, ik treed deemoedig, maar vol

vreugde voor Uw aangezicht. Doch thans smeek ik, laat mij den dag

der vreugde nog zien, wanneer Uwe hand hen vernietigt, die zich aan

U vergrepen hebben. Want Uw bliksem treft de heidenen en Uw woord

verplettert Uwe vijanden. O, laat mij dien dag nog zien, waarop de

lente weder over mijn rampzalig vaderland aanbreekt! Want redden zult

Gij het; dat gelooft mijn hart met onwankelbaar vertrouwen.

In zulke gedachten stond de grijsaard menigmaal, wanneer de

avondschemering zich over de aarde uitbreidde, aan het venster zijner

cel en hij richtte den blik op het winterlandschap, op het kerkhof vóór

hem en op het heilige huis des Heeren.

Met iederen dag, dat de grauwe winterwolken zich donkerder opeenpakten

en de storm heviger langs den gevel van het huis huilde, groeide de

vrome hoop des geloovigen grijsaards aan. Hij zag in den geest de

wrekende engelen des Almachtigen met de dreigende wolken optrekken en

de hand der vernietiging over het hoofd der heiligschennende vijanden

uitgestrekt.

Met voorzeggenden geest zag hij de lange, treurige vluchten van raven

in de schemering over de heuvels trekken, en des nachts, als de wolf,

door honger gedreven, zich buiten het woud waagde en voor het goed

gesloten huis huilde, dacht hij: Waar zullen de legers der verwoesters

spijs en dak vinden, wanneer het hongerige roofdier tot zijne ergste

vijand vlucht!

De honger zal u met zijne scherpe tanden vervolgen en aan onzen haard

drijven; doch gij zult niet vriendelijk genoodigd worden, u daar neer

te zetten; onze hand, met knods en zwaard gewapend, zal u verjagen of

op onzen drempel verpletteren. De deur van den Rus, die zich voor ieder

gastvrij opent, zal voor u gesloten zijn, gelijk voor den huilenden

wolf, wiens buit gij worden zult. Het vuur, tot hetwelk de verkleumde

voor de woede des winters vlucht, zal, wanneer gij nadert, uitgedoofd

worden, of de hut verteren, onder welke gij toevlucht zoekt. En niet

eer zullen wij rusten, voordat het laatste spoor uwer voetstappen uit

ons vaderland verdwenen is.

In zulke overpeinzingen lag de grijsaard nog dikwijls te middernacht op

zijn leger, wanneer reeds lang alles om hem heen stil en doods was.

Daar klopte midden in den nacht iemand aan zijne deur en eene

mannenstem riep: „Open! Ontwaak, vrome vader Gregorius! Uw gastvrij

huis moet nog laat aan reizigers eene schuilplaats verleenen!”

De grijsaard meende de stem te kennen. Spoedig wierp hij een mantel om,

opende het venster en zag naar buiten. Eene slede stond voor zijne deur

stil. „Wie klopt nog zoo laat?” vroeg Gregorius. „Bedriegt mij mijn oor

of hoorde ik eene bekende stem?”

„Gij dient haar wel te kennen, vrome vader,” antwoordde de vreemde; „ik

ben Dolgorow.”

„Heer in den hemel! Gij zelf?” riep Gregoor vol verwondering uit en

snelde met de lamp naar de deur, om ze te openen.

De graaf stond voor hem.

„Zijt gegroet, vader! Gij moet mij dezen nacht huisvesting geven en ook

die daar in de slede,” sprak hij hem aan; „ik zal u gewichtige dingen

mededeelen.”

Gregoor lichtte naar de slede. Twee vrouwen zaten er in. Met een

blij voorgevoel trad hij uit de deur zijner woning en naderde de

reizigers. Eene rijzige gestalte, in een dichten sluier gehuld, trad

hem te gemoet. „Vader Gregorius, wees gegroet!” aldus sprak zij hem

met eene vriendelijke stem aan, en hij herkende zijne geliefde dochter

Feodorowna, die bewogen, sprakeloos weenende aan zijn hart zonk.

Haar moeder volgde haar; Gregorius geleidde haar eerbiedig in zijne

woning.

„Wat voert u onder mijn nederig dak?” sprak hij met eene bewogen stem,

toen hij het bekrompen vertrek bereikt had; want het bleeke gelaat van

Feodorowna veroorzaakte hem kommer, en zij droeg een rouwsluier.

„Ik wil u in hare plaats op alles antwoord geven,” hernam Dolgorow.

„Wees slechts zoo goed, om dadelijk de vrouwen een vertrek in te

ruimen, waar zij rusten kunnen, want wij hebben dag en nacht zonder

ophouden gereden. Maar wek niemand van uw volk, want vooralsnog moet

ons verblijf hier een geheim zijn.”

„Ja wijs ons eene rustplaats aan, vrome vader!” zeide de gravin met

matte stem; „ik ben doodelijk vermoeid.”

Gregorius geleidde de vrouwen in een stil, op den tuin uitziend, ter

ontvangst van gasten ingericht vertrek, dat, evenals het geheele huis,

goed verwarmd was. De gravin viel dadelijk op een rustbed neder.

Feodorowna reikte haar vaderlijken vriend de hand en zeide: „Morgen,

beste vader! morgen wil ik lang, recht lang met u spreken.”

„Maar hebt gij nu geene behoefte aan eenige verversching, aan eenige

spijs of warmen drank?” vroeg de grijsaard.

„Aan niets, beste vader,” hernam Feodorowna, „dan aan rust en die

vinden wij immers hier, zooals wij ze wenschen.”

Gregorius ging naar Dolgorow terug, dien hij met groote schreden door

het vertrek zag op- en nedergaan.

„Vader!” sprak de graaf hem aan, terwijl hij hem de hand op den

schouder legde, „vader, er gebeuren groote dingen. Rusland ziet de

dagen zijns roems aanbreken na den tijd van smaad, welke het heeft

doorleefd.”

„Hoe? Mag ik uwe woorden gelooven? Zoo is mijn vurig gebed verhoord

geworden?”

„Gij weet, dat de vijand op den terugtocht is.”

„Ja; doch ik vrees slechts, om den winter van Rusland te ontgaan, daar

de heilige stad, welke hij zelf schanddadig heeft verwoest, hem geen

toevluchtsoord meer aanbood.”

„Ruslands winter heeft hem ingehaald. Het is te laat om terug te

keeren. Hij zal de grenzen van het land, dat hij vol trots is

binnengedrongen, niet wederzien.—Gij meent dat _hij_ Moskou verbrand

heeft? Werpt niet de stuurman de kostelijke waren, waarmee hij zijn

schip bevracht heeft, in zee, om zijn gestrand vaartuig weder vrij van

de zandbank op de baren te verheffen? Laat de zeeroover zich niet met

zijne vijanden in de lucht vliegen? Houdt gij de zonen van Rusland niet

voor mannen, die evenzoo konden handelen? Oude man, leer beter van ons

denken! Geen vijandelijke fakkel heeft de vlam van Moskou ontstoken.

Haar glans zal de schrikkelijkste, maar ook de grootste daad in de

jaarboeken van Rusland bestralen.”

„Hoe?” riep Gregorius en hief met verbazing de handen omhoog. „Hoe?”

„Laat dat voor het oogenblik daar; het is zooals ik gezegd heb; doch

wij hebben over belangrijker dingen te spreken. Van dien schrikvollen

nacht af begon de onweerswolk des verderfs hare wrekende bliksems op

de verwatenen af te zenden, die het gansche gewapende Europa in dit

rijk voerde, om onze velden te verwoesten. Hun aanvoerder moest den

smaadvollen dag beleven, waarop hij zich tot de vlucht genoodzaakt

zag; de trots van den nooit overwonnene is gebroken, het verderf heeft

hem bereikt. Reeds hier hoopten wij hem te vernietigen; het is te laat

geworden, doch hij ontgaat zijn noodlot niet.—Hoor mij thans oplettend

aan, waarde vader, want wij hebben uwe hulp noodig. Gij zult niet

vergeten hebben, hoe de bruiloft mijner dochter gestoord werd. Gij

ziet haar thans in de rouwkleederen eener weduwe, want haar echtgenoot

is niet meer. Toen wij vluchtten, bereikten de vijanden ons bij het

bosch, achter den tuin. Een kogel trof den prins; hij viel, doch het

gelukte ons, hem in het bosch te verbergen. Op eene draagbaar van takken

droegen wij hem tot aan het naaste dorp en daar vonden wij het middel,

hem langzaam naar Moskou te doen brengen, daar de steeds nader en nader

rukkende vijand ons drong, zoo ver te vluchten. Want hij wilde liever

sterven, dan den vijand in handen vallen. Van Moskou snelde ik zelf naar

het leger terug. Ik streed bij Borodino, waar wij niets verloren dan een

woesten, met lijken bedekten grond. Hij werd ons duur betaald. Gewond,

ofschoon licht, begaf ik mij naar Moskou, alwaar de prins door zijne

en mijne gemalin verzorgd, zijn moeilijk ziekbed doorstond; want daar

wij hem geene rust konden gunnen, was de wonde zoo gevaarlijk geworden,

dat zij weinig hoop meer gaf op herstel. Thans rukte de vijand voor de

hoofdstad. Terwijl hij introk, worstelde Ochalskoi met den dood. Wij

hadden hem in een afgelegen vleugel van het slot in een verborgen, goed

beschermd vertrek doen brengen waar wij in eene geruste verborgenheid

hadden kunnen blijven, wanneer de brand der stad niet besloten ware

geweest. Met het ondergaan der zon sloot Ochalskoi zijne oogen. Wij

wachtten slechts op den nacht, om langs geheime, zekere wegen te

ontvluchten, maar het lijk zelfs van den edele lieten wij niet aan den

vijand, want ik had het hem in zijn doodsuur beloofd, alles te zullen

wagen, om hem op onbezoedelden, russischen bodem te begraven.

„Het gelukte ons het vrije veld te bereiken; de vlammen van Moskou

lichtten bij onze vlucht. Spoedig bereikten wij het dichte bosch en

daarachter den grooten weg naar Petersburg.

„Ik begaf mij, door mijne gemalin en dochter begeleid, naar den keizer.

Van daar werden nu de onzichtbare netten uitgespreid, waarin wij den

vijand des vaderlands lokten. Wij hielden hem op met vredesvoorslagen,

tot hij eindelijk bemerkte, dat hij, die vroeger gewend was anderen te

bedriegen, voor ditmaal zelf de bedrogene was. Nog was het tijd voor

den terugtocht geweest, ofschoon hij het duur zoude gekocht hebben, om

de grenzen van Rusland nog eenmaal te betreden. Maar zijne trotschheid

wilde dezen smaad niet ondergaan; in den waan zijner onverwinnelijkheid

beproefde hij zich een nieuwe baan te breken. Dit mislukte. Zijn dag

was gekomen, hij moest terugkeeren en vluchten; doch het was te laat!

Reeds trekken van alle zijden de draden, waarmede wij hem omspannen,

zich bijeen. De Almachtige is met de heilige zaak des vaderlands. Hij

liet zijne zon bedriegelijk schijnen en verborg door hare zachte stralen

de nabijheid des winters, die grimmig loerend in zijne hinderlaag lag,

waaruit hij nu op eens moordend voor den dag gekomen, in hunne scharen

indringt, als de wolf in eene weerlooze kudde. Geen vlucht kan hen

redden; alle wegen zijn bezet. Waarheen zij zich keeren, moet hun het

verderf te gemoet treden. Daarom kom ik hier. Thans, vader, komt het

er op aan, Ruslands zonen met heilige woede te vervullen tegen deze

spottende onverlaten, die zich verheugen in de tranen onzer woede. Gij

zult mij helpen, hen op te ruien, te verzamelen en tegen den vijand

op te trekken. Daarom kom ik uit de hoofdstad; ik ijlde als de wind

hierheen, want ik hoopte Smolensko nog voor den franschen keizer te

bereiken en bij overrompeling de vesting te bemachtigen. Dan was hij

hier in het hart van Rusland gevallen. Doch dat is te laat. Ik weet, dat

hij sinds gisteren reeds hier is; met gevaar slechts, langs omwegen door

de wouden, kon ik tot hiertoe doordringen; doch waar ik den grooten weg

kruiste, zag ik de sporen reeds van het verderf, dat hem bereikt heeft.

De weg is met lijken en goederen bedekt. Maar er mag niet één ontkomen,

niet één, die het onheil in zijn vaderland kan verkondigen. Slechts uit

het doodsche zwijgen, uit het ijselijke verdwijnen van elk spoor, mogen

de zijnen te huis gewaar worden, welk lot hem getroffen heeft, benevens

hen, wier aanvoerder hij was.—Als de dag aanbreekt, Gregorius, verzamel

dan het volk door het gelui der klok in de kerk, vervul hunne harten

met de vlam der woede, roep hen op tot wraak tegen de vijanden van hun

God. Geene kinderen, geene vrouwen mogen werkeloos blijven. Daarom heb

ik ook gemalin en dochter medegebracht, wijl zij het voorbeeld moeten

geven van den plicht eener edele dochter van Rusland.—Dan zal ik onder

hen treden, hen uitzenden als boden door geheel het omliggende land, en

eer de avond valt, zullen wij duizende gewapenden hebben, om tegen den

vijand aan te voeren. Zij moeten ijlings op de moedelooze vluchtenden

instormen, gelijk een zwarte onweerswolk den hagelslag op de akkers

nederzendt! Dat is thans onze plicht, Gregorius! Gij zult mij helpen

dien uit te oefenen.”

„Zoo waar het aangezicht des Heeren over mijn grijzen schedel

licht,” riep de grijsaard met een blik vol geestdrift, en hief zijne

rechterhand plechtig omhoog. Toen zonk hij op de knieën en bad uit het

diepst van zijn hart:

„Almachtige Vader! Algoede Bestuurder onzer lotgevallen! Zoo hebt Gij

mijn smeeken verhoord en laat dezen dag des heils schitterend voor

mijne oogen verrijzen. Heb dank, Algoede! Dit laatste werk worde mij

nog toegelaten te voltooien; dan wenk mij, en verheugd leg ik mijn

hoofd in het graf neder.”

1812: Historische roman · 第 103 / 154 题