HOOFDSTUK X.

Een uur, nog een tweede uur verliep; zij wachtten te vergeefs, dat

men hen tot het verhoor zoude afhalen. De koude in het dompige gewelf

scheen ieder uur toe te nemen. De muren waren rondom met fijne

ijskristallen bezet en de grond lag zelfs hier en daar vol sneeuw,

zooals de wind ze door het venster had ingewaaid. Juist verhief hij

zich weder en huilde vreeselijk door het gewelf. De vermoeidheid dwong

de gevangenen, zich op den ijskouden, steenen vloer neer te leggen,

doch de koude joeg hen spoedig weder op. Slechts in de afwisseling

tusschen gaan en liggen vonden zij de mogelijkheid, zich tegen

verstijven te behoeden. Handen en voeten waren hun reeds verkleumd.

Het begon donker te worden; de zon moest ondergaan. Lodewijk werd van

oogenblik tot oogenblik ongeruster; Bernard floot zich de ergernis en

den kommer weg.

„Ik vrees,” begon eindelijk Lodewijk, „Rasinski weet niet, wat van ons

geworden is. Anders moesten wij reeds tijding van hem hebben.”

„De tijd valt iemand lang in zulk eene kooi.—Wij zijn eerst een paar

uren hier. Wie weet, welke langwijlige procedures noodig zijn, eer hij

tot ons komen kan.—Ach, zoo 'k een vogel waar!”

Lodewijk zweeg.

„Daar valt mij iets in”, riep Bernard op eens. „Toen de door het

Directoire tot deportatie veroordeelde Terroristen naar Amerika

gebracht werden—ik geloof Collet d'Herbois ook, die slechte acteur,

die echter de rol van tyran dragelijk gespeeld heeft—gaf men hun, om

hen aan de magere keuken der verpeste woestijnen van Guyana te wennen,

slechts magere scheepskost. Daar begonnen de kerels te brullen, en zij

schreeuwden, tot hunne kelen droog werden: „Honger, honger!” Eindelijk

begon dat den kapitein te vervelen en hij beval: „Geeft den honden te

vreten, opdat zij met huilen uitscheiden.”—Zoo kunnen wij hier ook

doen en op de deur donderen, tot zich iemand om ons bekommert.”

Daarbij deed hij een woesten trap tegen de gesloten deur, zoodat de

klank in het geheele gewelf dof naklonk. Doch hij viel tuimelend

achteruit, zoodat Lodewijk moest toespringen, om te maken, dat hij niet

nederstortte.

„Vervloekt!” riep hij, terwijl hij zijne tanden samenkneep, „ik dacht

niet aan die duivelsche pijn in de verkleumde voeten. Dat was een

gevoel, alsof ik tusschen den hamer en het aanbeeld was geraakt.—Doch

het gaat mij naar verdienste.—Geduld, geduld! beveelt de leer der

liefde, en ik wilde kwaadaardig op mijn lot razen. Gij moet mij een

beetje ondersteunen, want de pijn is mij tot in den rug doorgetrokken!”

Hij steunde op Lodewijks schouder en trok den pijnlijken voet

krampachtig naar zich toe.

Daar rammelden de grendels der buitenpoort en men kwam de trappen af.

„Nu, het heeft tenminste geholpen!” zeide Bernard. „Nu doet het mij

geen pijn meer.”

Vol verwachting hielden beiden de blikken op de deur gericht, welke,

zoo zij hoopten, zich tot hunne bevrijding zou openen. De sergeant trad

met zijne manschappen binnen.

„Ik heb bevel u in het verhoor te brengen,” zeide hij ernstig; „volgt

mij.”

Door de soldaten vergezeld verlieten zij de gevangenis. Zij werden over

het plein gevoerd. „Hebt gij aan mijn verzoek voldaan?” vroeg Lodewijk

den sergeant half overluid.

Doch deze wees hem met één stom gebaar, dat hij zwijgen moest.

Thans begon Lodewijk te vreezen, dat zijne rechtvaardige zaak toch

wel een slecht einde kon nemen. Rasinski kon niet onderricht zijn,

anders zou hij pogingen gedaan hebben, om hem te bevrijden. De keizer

was in de stad; zonder twijfel zoude hij zich tot dezen zelf gewend

hebben. Met deze gedachte vervuld, volgde Lodewijk werktuigelijk zijn

vooruitgaanden leidsman de trap in het voorhuis op, waar men hem en

Bernard in een groot verwulfd vertrek bracht. Op eene tafel aan het

eind brandde licht. In het eerste oogenblik verloren de binnentredenden

bijna hun bewustzijn, want de kamer was heet gestookt, en daar zij

bijna bevroren waren, werkte de plotselinge warmte zoo hevig op hen.

De sergeant merkte het; hij beval hun zich op eene bank neder te

zetten, die in den muur was aangebracht, en daar te blijven tot hij

terugkeerde. Hij liet de drie man bij hen tot wacht en ging in eene

andere kamer.

„Hebt gij niet een stuk brood, kameraden?” vroeg Bernard; „wij vallen

bijna flauw van den honger. Ik wil het u goed betalen!”

Na eenig dralen kreeg een der manschappen een stuk zwart brood uit zijn

zak, brak het door en reikte Bernard de helft toe.

„Neem! Maar meer kan ik u niet geven. Dat is al wat ik bezit, en wie

weet, of wij morgen weer iets krijgen.”

Bernard wilde hem een goudstuk geven.

„Ik ben onder de wapens,” hernam de soldaat, „ik mag geen geld

aannemen. Behoud het.”

In dit oogenblik trad de sergeant weder binnen. Hij zag Bernard, die

juist het brood met Lodewijk deelde, aan en vroeg: „Van wien hebt gij

dat brood?”

„Van mij,” zeide de soldaat bedaard, en trad met geschouderd geweer

vooruit.

„Gij zijt braaf, Cottin! maar gij hebt niet goed gedaan. Ik wil het

maar niet gezien hebben.—Gij blijft als schildwacht buiten voor de

deur staan; gij overigen treedt af en gaat beneden in de wachtkamer.”

De soldaten verlieten het vertrek.

„Ik heb aan uw verzoek niet kunnen voldoen,” sprak de sergeant thans

Lodewijk aan; „want de graaf Rasinski had order bekomen, met zijn

poolsche lanciers dadelijk naar het corps van den maarschalk Ney op te

rukken. Hij was reeds twee uur weg, toen ik hem opzocht.”

Deze tijding trof beiden als een verpletterende slag. Lodewijk

verbleekte en zag Bernard aan; zelfs deze had zijn bedaardheid

verloren. Intusschen werd er in de andere kamer gescheld.

„Ik moet u binnen brengen,” zeide de sergeant tot Lodewijk; „gij zult

het eerst verhoord worden.”

„Bernard!” zoo richtte deze zich tot zijn vriend; „gij kunt u zelf

redden; beloof mij, dat gij het doen zult. Word ik hier het offer van

de wraak eens ellendelings, zoo bedenk, dat gij de broeder mijner Maria

moet zijn. Ik sterf gerust, wanneer ik weet dat gij gered zijt.”

„Het hoofd niet laten hangen, mijn vriend!” hernam Bernard, zonder

Lodewijks rechterhand, welke deze toereikte, aan te nemen. „Wie wil u

veroordeelen? Geef hun geen enkel woord toe.”

„Ik zal de waarheid, de volle waarheid spreken,” riep Lodewijk met

vastheid, „tegen deze ellendigen, ben ik te trotsch, om ook maar de

kleinste leugen te gebruiken. Maar beloof mij.....”

„Antwoord dan in het geheel niet; vorder het bewijs hunner

rechterlijke macht.”

„Beloof mij....” viel Lodewijk hem dringend in de rede.

„Voort, voort,” riep de sergeant, „wij mogen niet toeven.”

„O Bernard!” riep Lodewijk smartelijk uit, want hij verstond hem maar

al te wel. „O, Bernard!—Nu, welaan dan! Mijn lijden heeft het hoogste

toppunt bereikt; ik kan niets meer verliezen, dan eer en moed, en die

zal geen noodlot mij ontrooven.”

Met deze woorden trad hij, zich ras en moedig losrukkende, met

herstelde mannenkracht door de zaal.

Bernard bleef alleen. Hij hield het nog ongenoten brood in de

hand.—„Kwaadheid bederft den honger,” bromde hij voor zich heen. „Men

kan echter door nog erger zuren gebeten worden; er zijn dingen, welke

den geeuwhonger verjagen; maar die moeten bitterder zijn dan gal! Thans

heb ik geen honger meer, maar ik wil u toch opeten, gij hard brood des

medelijdens! De maag mocht bij slot van rekening baas over ons worden,

en nu moeten hoofd en hart het zijn. Ik ben niet slaperig; maar ik wil

ook slapen op deze bank, opdat doodelijke vermoeidheid mij mijne leden

niet verlamme, waar zij vast moeten zijn als staal.”

Hij legde zich rechtuit op de bank om te slapen; doch had te veel op

zijn vasten wil vertrouwd. Zwaarder toch dan de last der vermoeidheid

lagen de zorgen op zijne ziel. Tot zijn geluk duurde de beproeving niet

lang, want na nauwelijks een kwartier verscheen de sergeant om ook hem

af te halen.

„Wat is met mijn vriend gebeurd?” vroeg hij haastig.

„Ik weet het niet,” was het antwoord; en in de blikken van den strengen

soldaat was het te lezen, dat hij niets zou geantwoord hebben, al had

hij het ook geweten.

Met een trotschen blik trad Bernard binnen. Aan eene lange tafel zaten

St. Luces en Beaucaire; twee jongere lieden waren tegenover hen druk

bezig met schrijven.

„Wij kennen elkander, geloof ik?” vroeg St. Luces, terwijl hij Bernard

scherp aanzag.

„Mogelijk,” hernam deze; „ik weet echter niet, hoe ik aan die eer zoude

komen.” De minachtende toon, waarop hij dit zeide, gaf het eene juist

omgekeerde beteekenis.

„Ben ik misschien zoo gelukkig?” vroeg Beaucaire met een honenden

glimlach.

„Ja, mijnheer! Ik heb u in Pillnitz en in Dresden gezien; misschien ook

reeds vroeger ergens, want gij hebt zekere physionomische kenteekenen,

die iemand lang in het geheugen blijven.”

„Zoo? Zeer vleiend! Misschien is u ook dit gelaat niet geheel

onbekend?” hernam Beaucaire en keerde een papier om, dat voor hem lag.

Het was Bianca's portret dat in Lodewijks brieventasch, die men hem

ontnomen had, gevonden was.

„Ik heb dit geteekend!” zeide Bernard droog.

„Ik geloof mij dit ook te herinneren,” hernam Beaucaire; „het zal te

Londen in den schouwburg geweest zijn.”

Deze woorden vielen als een lichtende bliksemstraal in Bernards

boezem; hij zag Beaucaire scherp aan, en op eens klaarde al het

duister in zijne herinneringen op. Hij had dezen hatelijken mensch

in dezelfde loge met Bianca zien zitten. Alle gewaarwordingen en

donkere voorgevoelens zijner borst werden in beweging gebracht door de

nabijzijnde mogelijkheid van iets naders over dat wezen te vernemen,

dat eene zoo raadselachtige macht op het lot van Lodewijk en hemzelven

uitoefende. Hij vergat de betrekking, waarin hij thans tot Beaucaire

stond, en riep driftig: „Wie is deze dame? Gij moet haar kennen, want

gij waart bij haar!—Ik kan nog andere vragen omtrent dien avond

doen, maar niet aan u,” voer hij trotscher voort, terwijl hij zich het

verzuimde duel herinnerde.

Beaucaire wendde zich met een duivelschen lach tot St. Luces; „ik moet

bekennen, mijnheer, dat wij met knappe menschen te doen hebben. Deze

heer speelt de rol van een onwetende met groote waarheid.”

„Mijnheer!” stoof Bernard op.

„Zwijg!” hernam Beaucaire, terwijl hij opeens een bevelenden toon

aannam. „Meent gij, dat wij, als het ons niet tot andere oogmerken

dienstig was, zulk een misdadiger als u ook slechts een oogenblik zulk

een trotschen toon zouden vergund hebben?”

Bernards oogen rolden hem woest in het hoofd; niet het honende bevel

van Beaucaire, maar zijn overkokende toorn beroofde hem voor een

oogenblik van de spraak. Hij sloeg zijne oogen in het rond, of hij

nergens een wapen kon ontdekken; gelukkig voor hem, dat zijn oog op

geen voorwerp van dien aard viel, want hij zou dadelijk den spottenden

schurk Beaucaire daarmede overhoop gestoken en zijn eigen leven

daardoor opgeofferd hebben. Deze zag zijn verstommen voor vrees aan en

voer voort:

„Geef thans antwoord op de vragen, welke ik u zal voorleggen.—Hoe zijt

gij bij de armee in dienst gekomen?”

Bernards eerste woede was bekoeld; hij gevoelde, dat hij zich met

verachting boven den nietswaardige moest verheffen. Dit kon hij niet

beter doen, dan door het halsstarrig zwijgen in acht te nemen, dat hem

even te voren was opgelegd.

„Hoort gij mijne vraag niet? Hoe zijt gij bij de armee gekomen?”

Bernard tastte naar een bij hem staanden stoel, rukte dien nader bij,

zette zich zonder plichtplegingen daarop neder en begon, als ware hij

alleen in de kamer, een contre-dans te fluiten.

Beaucaire verbleekte van woede. „Sergeant”, riep hij na eenige

oogenblikken, „breng den arrestant naar zijne gevangenis terug.”

Stiptelijk gehoorzamende, trad deze op Bernard toe en zeide hem, niet

zonder eene zekere uitdrukking van eerbied, die zijn stoutmoedig gedrag

hem afdwong: „Ik verzoek u, mij te volgen.”

„Zeer gaarne, mijn brave kameraad,” antwoordde Bernard en ging met hem

naar buiten, zonder door een groet of eenig ander teeken te verraden,

dat hij hoegenaamd acht sloeg op de aanwezigheid der overigen.

Beaucaire beval den beiden secretarissen af te treden; zij gingen; hij

bleef met St. Luces alleen.

„Een verwenscht geval!” zeide deze, terwijl hij opstond; „ik zie niet

in, hoe wij bij die koppige Duitschers ook maar den schijn van een

procesverbaal zullen bijeenbrengen, waarop zij veroordeeld kunnen

worden. Uw hartstocht, Beaucaire, heeft ons in een doolhof van de

onaangenaamste omstandigheden gebracht.”

„Ik vertrouw, dat ik wel den uitgang zal vinden,” hernam deze koel

en niet zonder een zekeren trots op de meerderheid van zijn eigen

doorzicht.—„Wij hebben getuigen, dat de gevangene dit portret heeft

erkend als door zijne hand geteekend. Deze omstandigheid, die mij zelf

de zekerste overtuiging geeft, dat de beide aangeklaagden in eene nauwe

betrekking tot Dolgorow hebben gestaan, zal voldoende zijn tot een

rapport, dat ook den intendant-generaal overtuigt. Hoe? Wij zullen den

een gelooven, wanneer hij ons eene avontuurlijke geschiedenis opdischt

omtrent de wijze, waarop hij den graaf over de grenzen heeft geholpen?

Men zou op zijne verzekering vertrouwen, dat hij hem te voren heel

niet gekend en later nimmer meer gezien heeft, als hij het portret

van de dochter bij zich draagt? En de ander die mij te Dresden om den

tuin wilde leiden, bekent het portret geteekend te hebben. En toch

zouden beiden in geen de minste betrekking tot die russische familie

staan? Als de brutale snaak zich niet schuldig gevoelde, waarom

vluchtte hij dan tegelijk met den ander uit Dresden? Waarom vinden wij

hen hier te zamen?—Wanneer ik daaruit geen verbaal opmaak, dat ten

duidelijkste aantoont, hoe eene zeer vertrouwelijke, voortgezette,

misschien nog in dit oogenblik bestaande verbintenis tusschen hen

beiden en Dolgorow plaats moet hebben, dan wil ik mij te dom voor

boerenpastoor laten verklaren. Gij en ik, die voor ons zelven de meest

gegronde redenen moeten hebben, om aan beider mogelijke onschuld te

gelooven, moeten thans onze meening opgeven, welke derde zou, ook maar

met eenigen schijn, een tegenovergesteld gevoelen kunnen verdedigen?

Laat mij twee uren tijd, ik sta u borg voor de toestemming van den

intendant-generaal.”

„Ga maar niet al te ver,” antwoordde St. Luces een weinig bitter; „van

eene nog voortdurende verbintenis willen wij althans niet reppen. Wie

te veel bewijzen wil, bewijst bij slot van rekening niets.”

„Mijnheer de St. Luces,” hernam Beaucaire gevoelig, „laat dat aan mij

over. De omstandigheid, dat wij de beide lieden juist hier in Smolensko

aantreffen, in welks nabijheid een gedeelte van Dolgorows goederen

ligt, mag wel niet onvermeld blijven.”

„Gij hebt mij zelf gezegd,” antwoordde St. Luces, „dat gij nooit op die

goederen geweest zijt, ja de namen niet eens juist kent?”

„Dat is waar,” viel hem Beaucaire koel in de reden; „maar mijne onkunde

in dit opzicht laat zich genoegzaam daardoor rechtvaardigen, dat

ik eerst in Londen in Dolgorows dienst trad en, daar ik hem alleen

buitenslands vergezelde, zijne binnenlandsche betrekkingen het minst

kon leeren kennen. Ook ben ik nooit zijn secretaris in zijne familie-

en geldzaken geweest. Hoe onbepaalder mijne wetenschap in dit opzicht

is, des te grooter wordt het veld der gissingen. Wist ik juist, waar

en hoever Dolgorows slot van hier ligt dan durfde ik er niet op

doelen, dat het dichtbij gelegen kan zijn, zoodat ons van daar verraad

en overrompeling door verbintenis met de Russen in de stad kunnen

bedreigen.”

St. Luces ging verdrietig en onrustig heen en weder. „Ik weet niet,”

hernam hij na eenige oogenblikken, „wat mij in deze zaak zoo tegen de

borst stuit. Is het de fatale gelijkenis van dezen heer van Rosen op

iemand, dien ik gekend heb en aan wien ik mij ongaarne herinnerd zie,

of houdt mij iets anders terug. Ik vrees echter voor slechte gevolgen.”

Beaucaire glimlachte. „Ik sta borg voor de beste. Graaf Rasinski kan

ons geen kwaad meer doen; hij is weg—en ik geloof, dat wij niet veel

van hem of zijn regiment zullen terugzien.”

„De keizer acht hem zeer! Indien hij klaagde....”

„Dan zou hij de gunst des keizers daardoor verbeuren. Of houdt gij

het voor eene aanbeveling, dat de verdachten beiden in zijn regiment

dienen? En bedenk hoe vertoornd de keizer op ons en onze confraters

is, daar hij de magazijnen niet zoo vindt, als hij ze verwachtte. Ik

hoor, hij heeft gisteren in de bovenstad een opziener van een magazijn

willen doen doodschieten. Vindt hij tijd, om onze rekeningen en staten

behoorlijk te onderzoeken, dan weet gij....”

St. Luces beet zich op de lippen.

„Wat kon dus meer gewenscht zijn, dan hem door een bewijs van onzen

ijver gunstig jegens ons te stemmen?—De gelegenheid daartoe was niet

beter uit te zoeken, want de argwaan des keizers tegen de vreemde

bondgenooten groeit iederen dag aan, en sinds de laatste voorvallen in

Parijs vertrouwt hij bijna niemand meer. Onze beide gevangenen zijn

vrienden, wat nog meer is, zijn Duitschers en dienen, waarschijnlijk

onder een vreemden naam, maar in alle gevalle heimelijk in een poolsch

regiment. Dat alleen is genoegzaam om verdacht te maken.”

„Welnu dan,” riep St. Luces, „doe wat gij wilt maar ik laat de gevolgen

geheel voor uwe rekening.”

„Ook de voor ons _aangename_ gevolgen!” zeide Beaucaire met nadruk.

„Waarlijk ook deze, mijnheer Beaucaire,” hernam St. Luces trotsch,

„wanneer ik in deze zaak slechts mijn naam niet behoef te leenen.”

„Ik was de man niet, die haar begon,” zeide Beaucaire koel. „Gij vindt

alzoo goed, dat ik het rapport voor den intendant-generaal opmaak en

het, om aan den keizer voorgelegd te worden, hem ter hand stel?”

„Doe, wat gij wilt.”

„En gij zult het mede onderteekenen?”

„Daar ik er niet buiten kan, ja.”

„Zeer wel.”

Met deze woorden boog Beaucaire en vertrok.

Bernard werd door den sergeant en den voor de deur staanden soldaat,

die hem het brood had gegeven, naar de gevangenis teruggebracht. Alle

drie zwegen. Toen de deur van het gewelf zich opende en het flauwe

licht der lantaarn er in viel, zag Bernard te vergeefs naar Lodewijk om.

„Waar is mijn vriend, beste kameraad?” zeide hij tot den sergeant.

„Ik heb hem daar in den anderen vleugel alleen moeten opsluiten.”

„Is zijne gevangenis ook zoo goed, zoo menschelijk ingericht als deze?”

vroeg Bernard verder op een bitteren toon, waaronder zich echter de

uitdrukking van diepe bezorgdheid mengde.

„Het is waar,” begon de soldaat, die hem vergezelde, „dit gat is ook te

slecht voor een hond, laat staan voor een mensch.”

„Durft gij onder de wapens, spreken, Cottin?” vroeg de sergeant op

strengen toon.

„Vergeef het mij, sergeant,” hernam deze; „ik weet, ik doe onrecht.

Maar Gods gebod is ook eene wet en dat beveelt mij te spreken. Ik ben

uit den Elzas, en spreek duitsch, ik heb gehoord, dat de beide arme

drommels duitschers zijn. Een landsman, al was het maar een halve, mag

men niet geheel in den steek laten.”

„Ik heb u reeds meermalen gezegd, gij zijt een goede vent, doch gij

verstaat den dienst niet.”

„Maar ik heb gelijk, sergeant.”

„Ik wil 't niet ontkennen—maar wat zullen wij doen?”

„Vriend,” begon Bernard, „doe uw plicht. Het zou mij leed doen, wanneer

gij om mijnentwil gestraft werdt. Ik zal denkelijk in dezen kerker den

nacht niet doorkomen, en als ik morgen vrijgesproken word, zal het te

laat zijn—maar doe slechts, wat gij moet; doch zoo gij kunt, wees dan

barmhartig jegens mijn vriend, die even onschuldig is als ik.”

De sergeant scheen zich te bedenken. „Wij moeten raad schaffen,” zeide

hij plotseling op vasten toon. „Ik kan u hier in dit gewelf niet

laten, want de koude is te streng en neemt nog met elke minuut toe.

Tot een moordenaar zullen zij mij toch niet maken, vooral niet die

pennenhuzaren, die nooit kruid ruiken en niet weten, wat de soldaat

al moet uitstaan, terwijl zij in hunne dikke pelzen bij de volle

magazijnen zitten! Gij moogt misdaan hebben, wat gij wilt, u hier

zonder vonnis en recht te laten bevriezen, dat hebt gij niet verdiend.

Gij ziet er uit als een brave kerel en ik moet u zeggen, ik heb er

schik in gehad, dat gij u daar boven zoo ferm hebt gedragen. Dat past

een soldaat. Daarom wil ik ook iets voor u wagen. Maar gij moet mij uw

woord geven, kameraad, dat gij mij in alles gehoorzaamt.”

„Wanneer ik het niet doen kan, zeg ik het u vooraf en laat mij hier

terugbrengen,” hernam Bernard bedaard.

„Ga dan mede naar de wachtkamer. Doch gij moogt met niemand ook maar

een enkel woord spreken.”

„Ik zal zwijgen als deze muren. Maar mijn vriend?”

„Ook hij zal op gelijke voorwaarden den nacht met ons doorbrengen.”

„Mijn hand daarop in zijn naam.”

„Kom dan!”

Onwillekeurig vatte Bernard de beide handen van den sergeant, schudde

ze met warmte, zag hem in het gezicht en riep uit: „Waarachtig, ik ben

u dank schuldig en meer dan mijn leven!—Nu, ook u, wakkere kameraad

en landsman,” voegde hij er bij en keerde zich naar den braven Cottin.

„Ja, het is een edele stand, die des krijgsmans. Ik ben dien met

inwendigen tegenzin ingetreden, maar ik heb geleerd hem te achten, te

vereeren. Hij verheft ons boven den ellendigen knoeiboel van dit leven

en adelt zoo de gevoelens van den geringste. Onder groote lotgevallen

wordt de mensch zelf groot.—O, gij weet niet, hoe ellendig die daar

boven zijn, die zich zoo hoog boven u verheven rekenen!—Waarlijk, het

doet mij leed, dat zulk verachtelijk gespuis aan zulke brave mannen

bevelen mag geven of hen tot verantwoording roepen kan.”

Hij kon zich niet bedwingen, hij moest de beide braven aan zijn hart

drukken.

„Goed, goed kameraad!” riep eindelijk de sergeant bijna ontevreden,

daar hij bemerkte, dat hij zijne geheele militaire houding verloren

had; „kom, maak nu maar wat voort.”

„Eerst zeg mij, hoe gij heet,” antwoordde Bernard, „want den naam van

een braaf man mocht ik ook gaarne in de eeuwigheid medenemen.”

„Ik heet Ferrand, wanneer gij het dan volstrekt weten wilt; doch laat

ons nu gaan.”

„Ook zonder opschrijven zal ik hem onthouden,” verzekerde Bernard en

drukte nogmaals zijne hand.

Ferrand drong hem als het ware vooruit; zij gingen.

In Bernards gemoed keerde thans een straal van hoop terug. Hij had

ze reeds geheel opgegeven en was op het ergste voorbereid. Doch deze

gunstige beschikking hield hij voor een gelukkig voorteeken; den eenen,

en nog wel den vreeselijksten dood was hij ten minste ontkomen, en

nog kon hij zich niet opdringen dat de hemel hem slechts daarom zoo

menigmaal in het uiterste gevaar beschermd had, opdat hij als een offer

van de schreeuwendste willekeur te gronde zou gaan.

Zoo trad hij in de donkere, onder de poort gelegen wachtkamer; op elken

anderen tijd zou zij hem een akelige kerker hebben toegeschenen, thans

had zij het voorkomen van een aangenaam, vriendelijk verblijf voor hem.

„Zet of leg u nu op de bank daar in dien hoek neer,” zeide de sergeant;

„maar houdt uw woord, spreek met niemand en verlaat de plaats niet.”

„Gij kunt mij als een laffen schurk met voeten trappen, als ik u niet

gehoorzaam, zoo goed, alsof ik met ketenen gebonden was. En al kon ik

mij met één tred, met één woord redden, ik zou stijf en stom blijven,

gelijk de lijken daar buiten onder het ijs en de sneeuw.”

Met deze woorden zette hij zich neder en wikkelde zich, daar de koude

hem nog deed bibberen, in zijn mantel.

Ferrand ging, en keerde na eenige minuten met Lodewijk terug. Deze

trad met een trek van weemoedige vreugde om den mond binnen, en zijn

oog zocht den vriend. Vroolijk wenkte Bernard hem toe, doch legde

den vinger op de lippen. Lodewijk gaf een teeken, dat hij den wenk

verstond, en nam in een anderen, hem aangewezen hoek plaats. De

sergeant liet daarop de soldaten in een kring bijeentreden en sprak

hen aan; „Kameraden, ik heb een werk van barmhartigheid aan deze twee

verricht en laat hen den nacht hier doorbrengen, doch zonder dat zij

elkander mogen spreken. Is er een van u die mij ongelijk geeft, zoo

gaan zij dadelijk naar hunne gevangenis terug, waar zij echter vóór

morgenochtend door koude en honger moeten omkomen. Meent gij derhalve

dat ik goed gehandeld heb, dan mogen zij hier blijven, en wij allen

zijn schuldig.”

„Laat hen hier!” riepen de manschappen uit één mond; „van ons wordt

niemand een verrader.”

Thans was de laatste zwarigheid opgeheven en waren beiden van een

goeden nacht verzekerd.

Een groote schotel met warm avondeten voor de soldaten werd

binnengedragen, want hier in het magazijn zelf heerschte nog geen

gebrek. Ferrand was er dadelijk op bedacht, den beiden gevangenen door

Cottin een genoegzaam deel der spijs toe te zenden, eer zij door het

denkbeeld, dat zij vergeten zouden worden, gekweld werden; want nog

steeds folterde de honger hunne vermoeide lichamen, te meer, daar de

lucht eener lang ontbeerde, wel toebereide spijs de gansche hevige

begeerte daarnaar moest opwekken. Deze verkwikking werd dus voor

beiden eene onschatbare weldaad. De alvermogende wetten der natuur

toch overweldigen iedereen; de edelste, de grootste, wien de zuiverste

wilskracht doordringt, moet eindelijk aan de voorwaarden, waarvan zijn

stoffelijk deel afhankelijk is, gehoorzamen. Er is een zekere graad,

dien niemand overschrijden kan. Wat in andere omstandigheden eene

geringe zelfverloochening, een spel schijnt te zijn, dat wordt in zulke

oogenblikken eene onmetelijke opoffering. Daarom glimlachte niemand,

die nog nooit door de omstandigheden aan eene strenge beproeving zijner

dierlijke afhankelijkheid onderworpen is geworden, wanneer, zelfs in

oogenblikken waarin het geheele lot des levens op het spel staat,

een dronk, een maaltijd, een nachtleger, de gemeenste dagelijksche

behoeften tot onweerstaanbare machten worden, die de vrije zielskracht

in onverbreekbare banden slaan. Alleen het voortdurend evenwicht

tusschen deze geweldige aandriften doet haar schijnbaar te niet. Zoo

verplettert ons zelfs de lichte etherische lucht door den reuzenlast

harer drukking, wanneer plotseling de natuurwet, door welke zij aan

hare eigene kracht tot evenwicht verstrekt, wordt verbroken.

Nadat de grimmige wolf des hongers verdreven was, drong de alles

bedekkende, loodzware stroom des slaaps nader en dompelde de vermoeiden

in eene wezenlooze verdooving. Zelfs de luchtige weefsels der droomen

liet hij niet door zijn dichten sluier dringen, maar hij was stom en

bewusteloos als zijn broeder de dood. Doch een volkomen vergeten was

het grootste geschenk, dat een goedaardig noodlot den vrienden thans

kon aanbieden.

1812: Historische roman · 第 100 / 154 题