HOOFDSTUK XI.

De morgen was nog niet aangebroken, toen de sergeant Lodewijk hevig bij

den arm schudde en hem luid wakker riep.

Hij richtte zich overeind; Bernard, door het roepen gewekt, insgelijks.

„Gij moet naar boven, naar de verhoorzaal. Spoedig maar! Hier,

neem een warmen dronk en eet ook wat, dat gij frisch wordt en met

standvastigheid uw vonnis aanhoort.”

Lodewijk vond met moeite zijne bezinning terug; nog half bewusteloos

nam hij het aangeboden brood en strekte zijne hand naar de flesch met

warme meê uit, welke de sergeant hem aanbood. Bernard trad naderbij.

„Mogen wij elkaar thans goeden morgen zeggen?” vroeg hij Ferrand.

„Zooveel gij wilt, arme drommels! Thans staat u alles vrij,” hernam

deze.

Bernards knieën knikten. Zoo toch—dacht hij—maar neen, het is

onmogelijk; zóó kan zelfs zulk een vonnis niet geveld worden.

Lodewijk was bedaard.

„Is ons vonnis geveld?” vroeg Bernard. „Zeg het ons ronduit, zoo gij

het weet. Dat mag de laatste dienst zijn, dien gij ons bewijst. Geloof

niet, dat wij er voor sidderen zullen.”

Doch onder het spreken beefde hij hevig—maar voor zijn vriend, voor

hem alleen.

„Gij zult het dadelijk boven hooren,” was het antwoord van den sergeant.

„Zeg het ons nu, mijn vriend; ik bid u er om,” bad Lodewijk zacht, maar

bedaard, „dan kunnen wij het boven met meer bedaardheid aanhooren, het

moge dan gunstig of ongunstig uitvallen. Het staat mannelijker, wanneer

wij noch overmaat van vreugde, noch van neerslachtigheid vertoonen.”

„Bij God!” riep Ferrand uit, „het valt mij moeielijk, het u te zeggen;

want wat gij ook misdaan moogt hebben, gij zijt brave soldaten en hebt

uw woord als mannen gehouden. Ik wenschte, dat gij voor eene batterij

waart gevallen. Het is voor ons ook geen vermaak, op een kameraad aan

te leggen.”

„Dus worden wij doodgeschoten?” vroeg Bernard en zijne lippen

verbleekten.

„Zoo luidt het vonnis.”

„Heilige God!” riep hij uit en wierp zich aan Lodewijks borst, en

drukte hem vast in zijne armen. Zij hielden elkaar langen tijd zwijgend

omstrengeld.

De sergeant klopte Bernard vriendelijk op den schouder en sprak: „Zamel

al uwe kracht bijeen, kameraad! de dood is ons allen nabij, wie weet of

ik u lang overleef! Doe hun daar boven het vermaak niet, dat gij daar

zoo voor siddert.”

„Sidderen?” vroeg Bernard en zijne oogen vlamden. „Als ik niet van

woede of koude moet sidderen, dan zal geen haar op mijn hoofd zich

bewegen. Voort, voort, naar boven! Zij mogen ons het doodvonnis

voorlezen. Gij zult getuige zijn, of de pijlen mijner blikken niet

scherper in het hart dier schurken zullen boren, dan uwe kogels in

mijne borst!—Maar hier wil ik weenen, aan de boezem mijns vriends, en

om hem en om zijne ongelukkige zuster,” riep hij uit, terwijl hij zich

opnieuw aan Lodewijks borst wierp en zijne tranen stroomden.

„Bernard!” zeide Lodewijk eindelijk en scheen de woorden met geweld uit

zijn boezem te persen.

„Bernard!—Dus moest ik u toch in den dood medesleepen!—Mijn hart

bloedt, het is door duizend wonden vaneengereten.—O, gij weet het

immers maar al te goed!—Maar thans, mijn eenige vriend, moet ook mijn

lijden om u wijken voor het gebod der eer en manmoedigheid. Acht het

geen verraad aan uwe alles opofferende vriendschap gepleegd, wanneer

gij mij bedaarder, rustiger ziet, dan ik ben. Uw inwendig oog blikt in

het diepst van mijn hart, maar geen ander zal het lijden verraden, dat

mij verteert. Onze dood moet onze zegepraal zijn!”

„Bij den hemel, dat zal hij,” riep Bernard en hief zijne hand als tot

een plechtigen eed omhoog. „Zelfs Maria, die weenende heilige, zal mijn

hart niet meer week maken. Kom! wij willen als Spartanen het grimmig

gebit van het roofdier in onze ingewanden laten woelen en geen gezicht

vertrekken.”

Met bedaarden tred volgden zij hun geleider naar boven in de zaal. Zij

vonden hem ledig, doch er lagen eenige papieren op de tafel.

„Die brief bevat het doodvonnis,” zeide de sergeant en wees op

een toegevouwen, doch opengebroken schrift. „Hij is van den

commissaris-generaal. Een kwartier geleden is hij gekomen. Ik bracht

hem zelf naar boven en hoorde toen de baron St. Luces hem voorlas.”

„Ik wilde hem wel eens lezen!” zeide Lodewijk.

„Laat ik eerst eens zien, of wij ook overvallen kunnen worden; de deur

van de kamer hier naast hooren wij open gaan als zij komen.”

Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek en zag naar binnen.

„Zij zijn nog boven; lees, maar gezwind.”

Lodewijk nam den brief. Hij luidde aldus: „Ik heb uw rapport den

keizer ter hand gesteld. „Wanneer de verdenking gegrond is, moeten

de schuldigen op staanden voet worden doodgeschoten, want er is

een voorbeeld noodig,” was zijn antwoord. Na uwe, zoo ik vertrouw,

nauwkeurige uiteenzetting is er geen twijfel aan de schuld. Wij hebben

hier tijd noch plaats, om ons met lange procedures in te laten of om

crimineel gevangenen met ons te voeren. Laat derhalve de executie

dadelijk bij het aanbreken van den dag buiten den stadsmuur plaats

hebben, om opzien te vermijden. Het zien der voltrekking van het vonnis

kon beweging veroorzaken; na de daad werkt de schrik stil voort, en het

voorbeeld heeft ongestoorde uitwerking, vooral wanneer men zorgt, het

behoorlijk te doen verspreiden, dat _duitsche verraders_ gestraft zijn

geworden. De aanhankelijkheid toch van de duitsche troepen is niet te

groot; de vrees moet hen getrouw houden. Wees zelf bij de voltrekking

tegenwoordig en zend mij oogenblikkelijk het proces-verbaal, opdat ik

het den keizer kan overreiken.”

„Een uur dus zullen wij nog ademhalen,” zeide Bernard, toen Lodewijk

den brief weder op tafel had neergelegd. „Nu, mij zal het niet al te

moeielijk vallen, deze zon vaarwel te zeggen. Ja, wanneer het nog

eene lente in Italië was—maar een winter in Rusland! De wereld heeft

meer verdriet dan vreugd; wie van beiden scheidt, wint meestal, en ik

voornamelijk!”

Lodewijk kon het doel van zijn vriend, om hem te troosten, door het

ongeluk zoo licht te achten, niet miskennen. Het trof hem in de

ziel; doch hij bleef standvastig. „Gij hebt gelijk! Eene lente in

Italië!—Die is wel schoon!”

Zijn geest verloor zich in diepe overpeinzing.

„Het verwondert mij, dat er nog niemand komt,” zei Bernard na eenigen

tijd ongeduldig.

„Zij stellen het doodvonnis op, opdat alles naar den regel ga. Het zal

u voorgelezen worden,” merkte de sergeant aan.

„Natuurlijk; alles in den besten vorm! Lang leve de gerechtigheid! Zal

men ons ook niet een biechtvader zenden?” vroeg Bernard bitter.

„Wanneer een geestelijke hier was, zou hij wel mede naar buiten gaan,”

hernam de sergeant; „maar hecht gij aan zulke dingen?”

„Neen,” hervatte Lodewijk. „Ik ben bereid om over te stappen. Doch

wanneer iemand mijn laatsten wil wilde uitvoeren—dat zou mij een

onuitsprekelijke troost zijn. Ik mocht gaarne een groet naar het

vaderland zenden.”

„Wat ik ook bezorgen kan, wil ik doen,” zei de sergeant.

„O, zoo ga....”

Hier ging de deur open. St. Luces, Beaucaire en twee klerken traden

binnen en namen plaats.

St. Luces wilde het woord nemen; hij scheen verlegen. Lodewijk zag hem

vrij en onbevreesd in het gezicht; Bernard hield vlammende blikken op

hem gericht.

„Eene uitspraak van de hoogste macht,” begon St. Luces met eene

weifelende stem, waaraan hij echter een toon van deftigheid trachtte te

geven.

„_Uitspraak_ van de hoogste macht?” viel Bernard hem in rede; „gij

meent _machtspreuk_, mijnheer!”

„Hoe, gij waagt....” riep St. Luces meer verward, dan vertoornd of

vastberaden.

„Ik waag thans alles! Ik geloof niet, dat ik iets te verliezen heb,

en daarom zal het u niet gelukken, mij juist zoo machtig bevreesd te

maken. Bespaar u de moeite van eene inleiding en van het voorlezen van

een vonnis, dat wij tot onzen laatsten adem toe voor eene daad van

geweld verklaren.”

„Doe, zoo als de orde het vordert, mijnheer Beaucaire,” beval St. Luces

en beet zich op de lippen.

Deze las thans met onveranderde stem het doodvonnis van Bernard en

Lodewijk overluid voor.

Niet de minste verandering vertoonde zich op de wezenstrekken der

veroordeelden.

„Ik ben ter dood veroordeeld,” zeide Lodewijk, „ofschoon ik mij

voor God volkomen onschuldig reken en dezen mijn vriend slechts als

een gewetenloos vermoorde kan beschouwen, die niet eens naar uwe

willekeurige wet schuldig was. Mij zal dan ten minste het recht van

ieder veroordeelde toekomen, de uitvoering van mijn laatsten wil te

eischen. Ik verzoek mijne papieren en brieventasch terug.”

„Die zullen bij de stukken moeten blijven,” hernam Beaucaire ijskoud;

„zij bevatten de bewijzen uwer schuld.”

„Welaan dan, ook dat nog! Dan eisch ik pen en papier, om mijn uitersten

wil te schrijven.”

Beaucaire haalde zijn horloge uit en zag daarbij St. Luces vragend aan.

Deze zeide ja noch neen.

„Het is te laat, om aan uw verlangen te voldoen,” hernam Beaucaire na

eenige oogenblikken; „sergeant, zijn uwe manschappen in gereedheid?”

„Zij zijn het.”

„Dan laat hen binnenkomen. Wij moeten afmarcheeren!”

„Ook dit alzoo wordt mij geweigerd? Een heilig recht, dat ook den

gemeensten misdadiger vergund wordt.”

„De omstandigheden verbieden het!” antwoordde St. Luces, doch waagde

niet, zijne oogen naar Lodewijk op te slaan.

„Nu dan,” riep deze met de uitdrukking van den edelsten toorn, „zoo

valle de misdaad, welke gij aan ons begaat, op uw hoofd terug! Vader in

den hemel! Uw eeuwig raadsbesluit ontzegt mij erbarmen, ik mor niet;

maar Uwe gerechtigheid zal vergelding uitoefenen aan deze boosdoeners!

Ik ben te trotsch van u beiden nog iets te bidden. De Algoede zal

diegenen troosten en sterken, voor wie mijne afscheidswoorden nog een

zwakke straal van troost in het duister hunner droefheid zouden geweest

zijn! Voort! Ik heb op deze aarde niets meer te doen dan te sterven!”

Bernard stond zwijgend. Eene vreeselijke, doodelijke stilte heerschte

in de zaal.

De soldaten, twaalf man, traden binnen.

„Scheidt de delinquenten,” beval St. Luces.

De sergeant wilde tusschen hen treden, doch zij reikten elkander de

hand toe; trouw en eerlijk zagen zij elkander in de oogen; geen traan

drong daaruit te voorschijn.

„Vaarwel, broeder!” riep Bernard met mannelijk krachtige stem.

„Tot wederziens,” zeide Lodewijk bedaard, ernstig, geloovig, en richtte

zijn oog omhoog.

De soldaten traden tusschen hen; iedere sectie nam een der veroordeelden

in hun midden.

„In den arm 't geweer! Voorwaarts, marsch!”

In gelijken, dof door het gewelf klinkenden tred verlieten zij het

vertrek. Bernard wierp Beaucaire, toen hij dezen voorbij ging, een

vreeselijken blik toe, zoodat zelfs de verstaalde booswicht verbleekte.

St. Luces bemerkte het en zeide: „Laten wij op onze hoede zijn; dezen

trotschen knaap reken ik tot alles in staat.”

Beiden volgden het commando op eenigen afstand.

De weg liep over het plein, een klein zijpoortje van het gebouw uit.

Het schemerde nauwelijks, slechts de laatste verbleekte sterren en

de schijn van de versch gevallen diepe sneeuw gaven nog eenig licht.

Door woeste, half vervallen straten, waar wachtvuren brandden, waarbij

zwarte rijen van sluimerende of misschien reeds verstijfde soldaten

lagen, bereikte men de brug van den Dnieper, marcheerde door de

bovenstad en kwam zoo eindelijk aan den stadsmuur. Een besneeuwde

vooruitspringende heuvel, een paar honderd schreden van daar, waarop

een zwart woud van hooge dennen ten einde liep, was tot de voltrekking

van het vonnis uitgekozen. Een officier wachtte daar met een peleton

van omstreeks twintig man. Het daglicht begon van lieverlede zoo helder

te worden, dat men reeds vrij ver van zich af kon zien.

„Halt! Zet af 't geweer!” kommandeerde de sergeant, toen hij met zijne

gevangenen de hoogte bereikt had.

„Hier alzoo is het einde onzer loopbaan,” zeide Lodewijk en wees op den

paal in den sneeuw, bij welken hij den dood zoude ontvangen. „Dat heeft

mijn voorgevoel mij niet voorspeld, toen wij voor vier maanden hier

langs trokken.”

Bernard scheen ernstig over iets na te denken; want hij antwoordde

niet, ofschoon Lodewijk thans weer nevens hem stond. „Geef acht op

mij!” fluisterde hij hem na eenige oogenblikken snel toe, „wij kunnen

misschien nog ontkomen. Bereiken wij daar den hoek van het bosch, dan

zijn wij geborgen, en bij die drie hooge dennen op den heuvel daar

ginds vinden wij elkander weder.”

Thans sidderde Lodewijk. Zijn hart sloeg hevig; hij wendde zich naar

den heuvel om en zag in den grijzen nevel de drie dennen staan. Men kon

zich in de plaats niet vergissen en in een half uur kon zij bereikt

zijn. Opnieuw alzoo wenkte hem de redding. Bernard toonde ze hem als

mogelijk, nabij, waarschijnlijk. Met geweld rukte hem de hoop weder uit

de banden des doods in het leven terug. Gebroken was thans de kracht

zijner standvastige verzaking; alle levensprikkelen en polsslagen werden

weder wakker en sloegen hevig in zijn boezem. Wanneer de vlucht hem nu

mislukte, dit gevoelde hij, dan werd de dood hem zwaar.

Nauwelijks hadden deze gedachten de baren van zijne borst stormachtig

in beweging gebracht, toen Bernard het gunstige oogenblik waarnam en

op eens met geweldige kracht de beide naastbijstaande soldaten door

een onverwachten stoot in den nek voorover op den grond wierp, met één

sprong uit hun midden was en onder het roepen van: „Volg mij, broeder!”

snel als een hert naar het woud vluchtte.

Aldus had hij voor zich en Lodewijk de baan gebroken; deze, op den wenk

wachtende, sprong naar de andere zijde weg en vluchtte insgelijks over

de besneeuwde vlakte. De soldaten stonden als verbijsterd.

„Zendt hen eenige kogels na!” riep de officier, en eenigen schoten.

Maar tegelijk waren anderen de vluchtenden in vollen ren nagesneld

en verhinderden den overigen hunne geweren af te schieten, daar zij

even goed hunne kameraden als de vluchtenden konden treffen. Allen

wierpen dus hunne geweren in de sneeuw, om des te lichter te zijn, en

vlogen de vluchtelingen na. Lodewijk trachtte zich dicht aan Bernard

te houden, om zijn lot niet van dat zijns vriend te scheiden; doch de

zwerm der vervolgers, die zich tusschen hen wierpen, dwong hen spoedig

eene verschillende richting te nemen. Vlucht en vervolging werden even

moeilijk; want toen men van den steilen top des heuvels, waar de wind

de sneeuw had weggevaagd, meer het bosch naderde, waar de storm haar

niet zoo vatten kon, zonk de voet bij iederen tred diep daarin weg.

Reeds zag Lodewijk de zwarte dennestruiken vlak voor zich, die hem

redding zouden aanbieden, reeds waande hij het onrechtvaardige noodlot

ontkomen te zijn, toen hij op eens tot aan zijn middel en bij de eerste

beweging tot aan de borst in de sneeuw zakte, die, in een aardkloof

opeengewaaid, deze slechts licht met haar bedriegelijken sluier

bedekte. Hij arbeidde met alle spierkracht, om zich te redden—doch

te vergeefs. In weinige seconden hadden zijne vervolgers hem bereikt,

pakten hem onbarmhartig met hunne sterke handen aan en sleurden hem bij

zijne armen en haren naar boven.

Ach, hoevelen, die in deze koude graven, in deze loerende wolfskuilen

hun dood vonden, smeekten te vergeefs om eene reddende hand. Hem rukte

de woede eener woeste moordlust uit de geopende kaken des doods terug,

om hem aan het nog gewisser verderf over te leveren. Hij beefde van

koude en inwendige rilling; zijne knieën knikten onder zijn lijf;

want de krachten van ziel en lichaam waren gelijkelijk uitgeput. De

plotselinge omkeer van redding tot verderf had hem verpletterd. De

ernstige, rustige beslissing van zijn lot had hij als een man met

bedaardheid gedragen; den spot van het toeval, dat het geluk hem voor

een oogenblik in den schoot wierp, om hem in dezelfde minuut des te

dieper in het verderf te storten, dezen te verdragen ging boven zijne

krachten. Hij gevoelde zich verwonnen.

Onder de ruwe mishandelingen der soldaten, met vuist en kolfslagen

voorwaarts gedreven, werd hij naar de plaats, waar hij sterven zou,

veeleer gesleept, dan hij zelf derwaarts kon gaan. Ja, de honende

blik, waarmede Beaucaire hem ontving, kon hem zelfs de kracht niet

wedergeven, om in de laatste oogenblikken zijns levens eene heimelijke

zege op dezen ellendeling te vieren. Slechts naar Bernard zag hij

angstig om, of deze ook thans weder de deelgenoot van zijn treurig lot

zoude zijn. Hij ontdekte hem niet; de vervolgers moesten hem nog niet

machtig zijn geworden. De hoop, dat zijn vriend gered kon zijn, beurde

hem op, alhoewel hij ook diep gevoelde, dat de dood hem thans, alleen,

zonder de vertroostende nabijheid van Bernard, veel vreeselijker te

gemoet trad, dan voor weinige oogenblikken, toen hij arm in arm met den

wakkeren vriend den geheimnisvollen weg zoude gegaan zijn. Thans stond

hij aan den paal. Twee soldaten waren bezig hem met een geweerriem

de armen op den rug en aan den paal te binden, als vreesden zij nog

eenmaal zijn tegenweer. De sergeant trad met een doek in de hand naar

hem toe, en sprak bewogen:

„Ik wil u blinddoeken, kameraad; het is beter voor u!”

Te voren zou Lodewijk dit versmaad hebben, thans liet hij zijn

medelijdenden kameraad gewillig begaan. Daar viel hem plotseling in,

dat hij hem nog tot den overbrenger van zijne laatste mondelinge

bestellingen konde maken. „Mijn vriend!” zeide hij, terwijl deze hem

den doek voor de oogen bond, „gij wildet mij immers een laatsten

liefdedienst bewijzen? Zoo ga dan, als het u mogelijk is, naar den

overste Rasinski, die ons regiment kommandeert, zeg hem, hoe ik

gestorven ben, en bid hem mijne zuster te vertroosten;—en wanneer gij

zelf dezen veldtocht overleeft en haar in Warschau of Dresden wilt

opzoeken en zeggen, dat....”

Op eens vielen vlak bij hem eenige schoten.

„Geldt dat mij reeds?” riep Lodewijk, daar de achter hem staande

sergeant juist den doek had losgelaten en nevens hem getreden was. Doch

deze riep:

„Bij den satan, wat is dat?” en Lodewijk hoorde hem wegloopen. Op eens

verhief zich een verward geschreeuw en gejoel, en wederom vielen er

eenige schoten zeer nabij, zoodat een kogel vlak langs Lodewijks oor

heen floot. Bijna op hetzelfde oogenblik hoorde hij achter zich paarden

in vollen galop, en een verward gedruisch van commando's, geschreeuw,

wapengekletter en schoten klonk om hem heen. „Voorwaarts!” riep de stem

van den sergeant, „sluit de gelederen! vuur!”

Een peletonsvuur van omtrent twintig schoten klonk dreunend in Lodewijks

ooren; hij waande, dat de trompen op hem gericht waren geweest, en

eene onwillekeurige doodsrilling trok hem door het lichaam. Doch hij

voelde zich levend en ongekwetst. De dichte duisternis die hem omgaf, de

banden die hem vasthielden, de uiterste spanning van al zijne zenuwen

en zinnen joeg een vloed der meest verwarde voorstellingen door zijn

hoofd. Daar hij links krijgsgeschreeuw en het trappelen van paarden

hoorde, meende hij een oogenblik, dat Rasinski met zijne manschappen

tot zijne bevrijding was toegesneld. Doch spoedig hoorde hij het

gillend krijgsgeschreeuw der Russen. Een „hurrah,” klonk door de lucht.

De troepen raasden hem voorbij; kruitdamp drong hem in het gezicht;

geschreeuw, gekerm, wapengekletter bruisten om hem heen. Hij was midden

in het krijgsgewoel; te vergeefs zocht hij zijne banden te verbreken, om

het deksel van zijne oogen te lichten; het bleef nacht om hem heen. „Is

dan alles een woeste, vreeselijke droom?” riep hij eindelijk uit zijne

geprangde borst, en wendde zijn gelaat biddend ten hemel. „Doe mij dan

ontwaken en eindig deze schrikkelijke kwelling!”

Doch geen hand raakte hem aan, en het geraas verloor zich

langzamerhand in de verte.

Zoo verliepen eenige minuten van onbeschrijfelijke verwachting.

Lodewijk kromde zich in zijne banden; een donker gevoel zeide hem, dat

hij zich redden kon, wanneer hij deze vermocht te breken; doch hij kon

het niet. Daar hoorde hij weder verwarde stemmen allengs naderkomen,

snelle schreden kwamen op hem af en eensklaps rukte eene ruwe hand hem

den doek voor de oogen weg.

Verwonderd zag hij om zich heen; drie mannen met lange baarden,

ongetwijfeld russische boeren, stonden voor hem en zagen hem met een

mengeling van spot en verwondering aan. Op den grond lagen de lijken

van fransche soldaten en eenige weggeworpen geweren. Lodewijk bevond

zich in de macht zijner vijanden, welke een zeldzaam toeval tot zijne

redders gemaakt scheen te hebben.

Hunne taal in het geheel niet machtig en nog bedwelmd van de

gebeurtenissen, kon hij op dit oogenblik geen woord vinden, waardoor

hij zijne bede om redding zou kunnen uitdrukken. Zijn smeekende

blik, zijne geboeide handen spraken echter eene taal, die niet te

miskennen was. Doch de haat der vijanden wilde ze niet verstaan,

maar overschreeuwde in zijn woest opbruisen de zachtere stem des

medelijdens. Een der drie mannen hief zijn geweer op en wilde den

gevangene met de kolf verpletteren; de geboeide kon slechts zijn hoofd

afwenden, zonder zijne armen te kunnen vooruitsteken. Daar hield op

eens eene hand den opgeheven arm terug; het was de gestalte van een

eerwaardigen grijsaard, die, in een donkeren, wijden mantel gehuld,

juist van den boschkant naderde. Zijn aanblik werkte op Lodewijk, alsof

de stralen der morgenzon in den donkeren nacht zijner schrikbarende

droomen drongen. Met eene zachte, ernstige stem sprak de grijsaard

eenige woorden. De drie mannen namen hunne mutsen af en bogen zich

met de armen over de borst gekruist eerbiedig voor hem. Thans zag

Lodewijk in hem een engel der redding; zijne aartsvaderlijke trekken,

het zachte, hooge voorhoofd waren hem borg, dat hij wilde redden en

niet kwam, om hem tot nog gruwzamer lijden te sparen. De boer, die

te voren met de kolf had gedreigd, naderde hem thans met een mes en

sneed den riem, die hem vasthield, door. Lodewijk was vrij, gered. Vol

dankbaarheid greep hij de hand des grijsaards, doch deze maakte eene

afwerende beweging, als wilde hij zeggen: Ik wilde u als een hulpeloos

geboeide niet gruwzaam laten vermoorden; maar gij zijt de vijand van

mijn vaderland, van mijn God en hebt u aan alles, wat ons heilig is,

vergrepen; daarom heb ik geen deel aan u.—De boeren namen hem als

gevangene in hun midden en dreven hem vooruit naar het woud. Terwijl

Lodewijk hen volgde, kwam hij zoo dicht langs een der gesneuvelde

fransche soldaten heen, dat hij zijn gelaat kon onderkennen. Het was

de brave landsman Cottin, die hem gisteren het brood had gegeven. Hoe

wonderbaar is het lot, dacht hij bewogen; gij, die nog voor weinige

minuten mij als een hopeloos verlorene beklaagdet, gij ligt nu zielloos

voor mij. Mocht uwe deelnemende ziel het geluk aan de overzijde des

grafs vinden!—Er is geene waarschijnlijkheid meer! Welaan, zoo wil ik

ook niet meer hopen, niet meer vreezen, of het zwaard des doods nabij

of veraf boven mijn hoofd zweve.

Door deze gedachte opnieuw versterkt, ging hij met een bedaarden tred

tusschen zijne geleiders voort. Met angst zocht zijn oog in de versche

sneeuw naar de sporen van Bernards vlucht, doch het geheele sneeuwveld

was thans zoo in alle richtingen door menschelijke voetstappen en

paardenhoeven doorkruist, dat zelfs het geoefende oog van een

noordschen nomade moeielijk nog eene bepaalde richting van enkele

sporen zou hebben onderscheiden.

In weinige minuten bereikte men het woud, dat spoedig zeer dicht werd.

Na een kwartier omtrent hielden de boeren op eene plaats, waar reeds

verscheiden der hunne op hen wachtten, halt; van tijd tot tijd kwamen

andere troepen den weg van Smolensko af, en sommigen hunner hadden

eenige Franschen als gevangenen bij zich. Lodewijk zag met deelneming

rond, of de sergeant er misschien bij mocht zijn; doch hij kon hem

niet ontdekken. Een nieuwe troep kwam uit het bosch; in het midden

dezer lieden, welke eenige kozakken te paard vergezelden, moesten zich

ook gevangenen bevinden, want Lodewijk hoorde hun angstig gekerm om

medelijden. Deelnemend zocht hij in dien verwarden hoop de deelgenooten

zijns ongeluks te herkennen. Eindelijk opende zich de groep, en eene

huivering doordrong zijne borst. Hij zag Beaucaire en St. Luces, die

half naakt, van angst en koude bevend, in het midden der juichende

barbaren werden voortgesleept. „Almachtige God!” riep hij getroffen

uit; „verworpen zij hij, die twijfelt aan Uwe alles besturende hand!”

In dit oogenblik vielen de oogen der gevangenen op Lodewijk, dien men,

hetzij bij toeval, hetzij uit medelijden, niet geplunderd had.

St. Luces verborg het gelaat in de handen, en stond daar met knikkende

knieën. Doch Beaucaire beet van woede op zijne lippen en mompelde een

slechts half verstaanbare vloek, van welken Lodewijk slechts de woorden

_verrader en spion_ verstond. Hij zag den ellendeling met waardigheid

en riep hem toe: „Gij bedriegt u! Ik ben slechts een gevangene, evenals

gij! De hand des Almachtigen heeft u uwe straf doen vinden! Zoo hoop

ik, zal Hij mij nog verder Zijne bescherming verleenen.”

De russen, gelijk Lodewijk thans bespeurde, meestal slechts gewapende

boeren, schenen nu voltallig te zijn. Zij dreven de gevangenen te hoop,

namen hen daarop in hun midden en braken op, om het bosch verder in

trekken.

1812: Historische roman · 第 101 / 154 题