Het was klaar dag, toen zij ontwaakten, en misschien hadden zij nog
langer geslapen, zoo de honger hen niet gewekt had. Gelukkig konden zij
dien ditmaal bevredigen.
Rasinski ging uit, ten einde te beproeven, of het mogelijk was, zijn
ruiters eenigen voorraad van levensmiddelen te verschaffen, opdat zij
voor de naaste marschen gedekt mochten zijn.
Terwijl hij afwezig was, kwam Regnard en verhaalde, dat een te Parijs
in hechtenis genomen generaal Mallet beproefd had oproer te stichten en
de afzetting des keizers te bewerken. De nieuwe regeering had zekerlijk
maar eenige uren bestaan, maar de tijding had evenwel een diepen indruk
op den keizer gemaakt, die tegen graaf Daru gezegd zou hebben: „Hoe nu,
wanneer wij eens in Moskou gebleven waren?”
„Zijn die tijdingen nu gekomen?” vroeg Bernard.
„Reeds bij Dogorobuye ontving de keizer de depêches,” vervolgde
Regnard; „hij rekende het evenwel noodig ze geheim te houden. Ook
van de achterhoede moeten slechte berichten gekomen zijn. Bij Wiasma
heeft een hevig gevecht plaats gehad, waarbij wij veel volk verloren
hebben. Prins Beauharnais heeft aan de rivier Wop, die buitengewoon
hoog was, waardoor hij haar niet spoedig genoeg kon overkomen, zijne
halve artillerie en alle bagage moeten achterlaten. Bij geluk is zij
echter den kozakken niet in handen gevallen, want zij is tegelijk met
de kruitwagens in de lucht gevlogen. Intusschen moet de achterhoede
schrikkelijk geteisterd zijn, als wij bedenken, hoeveel menschen wij
alleen door honger en koude verloren hebben! Die na ons komen, vinden
nog minder dan wij en hebben daarenboven met den vijand te doen.”
Jaromir had zich stil verwijderd, terwijl Regnard vertelde; bij de
groote ellende, welke thans heerschte, was hem het lot van Alisette
niet onverschillig. Hij gevoelde medelijden met de ongelukkige, wier
lichtzinnigheid zoo streng kon gestraft worden. Gaarne had hij naar
haar gevraagd, doch hij kon de woorden niet over zijne lippen krijgen.
Daarom verliet hij het vertrek liever en ging de straat op.
In de laatste dagen had de bovenmatige inspanning hem met geweld
weerhouden, zich met zijne droefheid bezig te houden. Nauwelijks echter
was er nu een oogenblik rust, of ook deze inwendige vijand vertoonde
zich weder. Briefwisseling met Warschau was thans onmogelijk geworden;
hij wist dus niet zeker, of de brief, dien Rasinski op zich genomen had
te bezorgen, was overgekomen, dan of de onteerende beschuldiging nog
op Lodoiska rustte, zonder door zijne zelfveroordeeling ingetrokken
en vernietigd te zijn. Dit laatste denkbeeld kwelde hem met
onverbiddelijke hardheid. Schuldig te zijn in de oogen zijner geliefde,
dat had hij leeren verdragen; maar bij haar voor een onwaardige, een
verachtelijk wezen te moeten doorgaan, wiens ruw gevoel het heiligdom
van haar hart moedwillig schond en die na het eerste oogenblik van
woeste hartstochtelijkheid niet tot zijne bezinning terugkeerde—dat
boog hem zoo diep neder, dat hij den moed niet in zich vond, om deze
smart te dragen. En wanneer nu—wat thans, door den schrikkelijken
rampspoed, die het leger trof, mogelijk werd—wanneer nu de dood hem en
Rasinski wegnam, en ook de overigen, die zijne schuld en zijn besluit,
om haar te verzoenen, kenden, omkwamen en geen van hen den sluier van
de rampzalige waarheid konden wegnemen! Wanneer hij den smaak en de
verguizing, welke zijne verdenking meedoogenloos op zijne geliefde had
geworpen, niet meer kon terugnemen! Wanneer deze verpletterende last
des bewustzijns hem tot in de eeuwigheid vervolgde!
Als hij aan de mogelijkheid hiervan dacht, werd hij duizelig, en
was het hem of hij aan den steilen rand eens afgronds stond; zijne
gedachten verwarden zich en hij had al zijne mannelijke kracht noodig,
om zich niet aan dien afgrond over te geven. Maar eene tooverkracht
dwong hem voortdurend zijn oog weder in deze gruwelijke diepte der
toekomst te slaan. Hij gevoelde, dat men de macht over zijne gedachten
kon verliezen; de mogelijkheid van waanzinnig te worden vervulde hem
met huivering. Hij zag Regnard weder gaan; zijne lange, schrale,
beenige gedaante, zijne scherpe, zelfs door de vermoeienissen dezes
tijds bijna niet veranderde trekken, boezemden hem thans een afkeer in,
die naar vrees geleek. Hij geloofde in hem zijn boozen geest te zien,
en wendde dus spoedig zijne schreden naar een anderen kant, teneinde
hem niet tegen te komen.
Spoedig na Regnard kwamen Bernard en Lodewijk op de straat. Zij waren
thans weder kenbaar geworden, daar zij sinds den terugtocht van Malo
Jaroslawez voor het eerst in de mogelijkheid geweest waren, zich te
verkleeden en behoorlijk te reinigen.
„Waarachtig,” zeide Bernard in het naar buiten treden, „thans zien wij
er als heeren uit. Nu u de baard niet meer als een stoppelveld van een
duim lang om de kin zit, lijkt gij weer een Adonis. Maar er is hier
helaas niemand, waarop men verlieven kan.”
„Al weder lichtzinnige gedachten!” zeide Lodewijk glimlachend. „Maar
het is inderdaad zelfs in den grootsten nood iets waard, zich zelf niet
tot ergernis te zijn. Thans eerst gevoel ik mij recht wel.”
„Over het geheel ziet men,” antwoordde Bernard, „dat slagen aan
menschen zoowel als aan honden goed bekomen; want de omstandigheden,
waarin wij ons heden bevinden, zijn toch eigenlijk lang zoo slecht
niet. Als men onder de zweep niet dood bloedt, is hij een gezonde
aderlating.”
„Hoe gelukkig, dat gij in zoo weinig uren toch alles vergeten kunt!”
zuchtte Lodewijk. „Ik zie het verledene te donker en de toekomst te
dreigend bewolkt, om mij over het tegenwoordige te kunnen verheugen.”
„De toekomst, mijn waarde, zal zoo erg niet zijn, want wij zijn thans
op het ergste gevat. Wanneer men de dingen weet, die daar komen zullen,
beschouwt men het onheil geheel anders, dan wanneer men er uit den
hemel zijner droomen zoo midden invalt. Een onverwachte duw werpt mij
neder; maar heb ik tijd, om recht op mijne beenen te gaan staan, dan
kan ik driemaal meer tegenstand bieden. Doch laat ons nu zien, of
wij schoenen kunnen oploopen. Wij moeten de hospitalen doorzoeken en
beproeven, of hier en daar wat te erven valt. Ik zoude Rasinski dien
dienst gaarne doen.”
Deze had hun namelijk opgedragen om te beproeven, of zich voor de
manschappen, wier schoenen door de marschen geheel versleten waren,
ook nieuwe lieten opsporen. Zij gingen; meer het toeval dan een vast
plan volgende, namen zij hun weg naar de benedenstad, waar zich de
hospitalen der reserve-armee bevonden. Voor een groot, half vervallen,
maar toch tot bewoning ingericht gebouw zagen zij twee mannen staan in
dikke pelzen gewikkeld en met bonte mutsen op het hoofd. Zij deelden
bevelen aan verscheidene anderen uit, wier uniform aanduidde, dat zij
tot het personeel der administratie behoorden.
„Zeker een paar van de schoften, die ons laten verhongeren en
bevriezen,” riep Bernard met afkeer uit, „en in hunne pelzen spotachtig
toezien, wanneer de soldaat, door de koude gepijnigd, tranen vergiet.
Een moeders kindje, denken zij dan. Maar ik wilde hun slechts eenmaal
laten bivakeeren, als daar bij Dogorobuye.”
„Misschien was er echter juist bij deze lieden wel iets uit te
richten,” hernam Lodewijk. „Laten wij hen naderen en zien, of wij iets
bekomen kunnen.”
„Voor mijn part ook goed! maar ik beken u gulweg, dat ik liever met een
kozak te doen heb, die toch ronduit zegt, dat hij mij plunderen en als
het noodig is doodslaan wil, dan met die vergiftige kruisspinnen, die
zich vet mesten met het merg der hongerende soldaten.—Maar wat helpt
het? Welaan dan, vooruit!”
Zij traden op de beide mannen, die met den rug naar hen toegekeerd
stonden toe; toen deze de voetstappen en den groet der aankomenden
hoorden, keerden zij zich om. Eene wederkeerige verbazing was zoowel in
de trekken van Lodewijk en Bernard, als op die der beide vreemden te
lezen.
„Zien wij elkander hier weder?” begon na eenige oogenblikken de jongste
der beide vreemdelingen, terwijl hij den mond tot een hatelijken lach
vertrok. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen Lodewijk
met een gevoel, als ware hij in de spleet eens gletschers gestort,
Beaucaire en in diens ouderen metgezel St. Luces herkende.
„Gendarmes!” riep Beaucaire, eer Lodewijk een woord spreken, veelmin
een besluit nemen kon, „neemt dadelijk deze beiden in arrest en werpt
hen in de gevangenis; het zijn verraders, die zich aan Rusland verkocht
hebben!”
Eerst door deze woorden bemerkte Bernard, wie hij voor zich had,
want hij had Beaucaire in Dresden slechts eenige oogenblikken op
straat gesproken en, hoe vast de wezenstrekken hem ook uit vroegere
herinneringen ingeprent waren, toch had het vreemdsoortige der
kleeding zijn anders zoo getrouw geheugen een oogenblik in twijfel
gelaten. Thans maakte eene onberaden, maar onbetoombare woede zich van
hem meester.
„Dat liegt gij, ellendige schurk!” riep hij met vreeselijke stem,
sprong eene schrede achteruit en trok zijne sabel. „Wie mij te na komt,
dien kloof ik den kop!”
Lodewijk, die even spoedig bemerkte, dat hier eene moedige handelwijze
alleen kon redden, stiet met alle krachten den gendarme, die hem bij
den arm wilde grijpen, terug, zoodat deze in de sneeuw viel, en in
hetzelfde oogenblik flikkerde ook in zijne hand de sabel.
In de buurt waren soldaten. „Kameraden, helpt, helpt!” riep Bernard
luid. „Deze schurken, die ons laten verhongeren, willen ons nu nog
mishandelen en vermoorden. Hier heen, helpt!”
Doch, zooals het immer in het vuur van den hartstocht gebeurt, riep
hij deze woorden niet in het fransch, maar in zijne moedertaal. Deels
werden zij dus niet verstaan, deels gaven zij dadelijk te kennen,
dat hij een vreemdeling was, op welke, sinds zoovele schrikkelijke
ongelukken het leger getroffen hadden, de haat der Franschen zich reeds
lang gericht had. Zij geloofden, en niet geheel en al ten onrechte,
dat alle, maar vooral de duitsche bondgenooten zich in stilte over het
ongeluk des keizers en de armee verheugden. St. Luces, afgericht om van
elke gelegenheid partij te trekken, riep daarom insgelijks: „_Ce sont
des traites Allemands, des espions soldés par la Russie!_”
Deze woorden moesten beter werken. De Franschen, die in hunne
tegenwoordige stemming licht te verbitteren waren, drongen op de hun
zoo aangeduide offers aan, om hen neer te sabelen. Bernard wilde zich
niet overgeven, doch Lodewijk hield zijn arm vast en riep: „Verdedig
u niet! Wij konden hier een ongeluk begaan. Men moet ons vonnis en
recht verschaffen; Rasinski zal ons niet verlaten; wij beroepen ons
op hem.”—Bernard stampte ongeduldig met den voet en knarste op zijne
tanden.
„Wij zijn uwe gevangenen, mijnheer,” keerde Lodewijk zich tot St.
Luces; „wij zullen om verhoor en vonnis vragen, opdat deze ongegronde
aanklacht eindelijk een einde hebbe. Wij zijn soldaten van het poolsche
leger, overste Rasinski is onze kommandant. Hij zal ons weten te
verdedigen; ik eisch, dat gij hem onze gevangenneming dadelijk meldt.”
De gendarmes namen hun de sabels af, en op bevel van St. Luces werden
zij beiden dadelijk in het huis binnengeleid. De onderofficier wilde
hen in de wachtkamer nevens de poort brengen, waar de magazijnwacht
zich bevond, doch Beaucaire riep: „Neen! deze misdadigers hebben het
leven verbeurd. Zij moeten in eene zekere gevangenis gebracht worden.
Sluit hen in een der kelders op, die aan de gracht uitkomen.”
„Lodewijk, Lodewijk,” zeide Bernard onder het gaan, „ik vrees, gij hebt
niet goed gedaan met niet op onze wapens en op de vlucht te vertrouwen.
Wie weet, of deze schurken Rasinski niet onderrichten als het te laat
is.”
Lodewijk scheen getroffen door de waarheid dezer woorden. In den
eersten ijver kon zijn edelmoedig hart zelfs van een vijand als
Beaucaire niet zulk een graad van boosheid verwachten; hij had daarom
tegen hem gehandeld, zooals hij tegen een man van eer moest handelen.
Thans viel hem in, dat misschien niemand meer dan deze Beaucaire voor
het daglicht bij deze geschiedenis moest vreezen; hij dacht aan wat
deze zijne zuster had durven voorslaan, en het werd hem duidelijk, dat
deze graad van slechtheid alleen in de gemeenste wraak genoegdoening
kon vinden. Daar wierp hij een blik op den sergeant der gendarmerie,
die met drie man hem wegleidde. Deze droeg het legioen van eer, had
twee litteekens op het gelaat en een oog, waaruit een edel hart sprak.
„Gij zijt soldaat,” aldus sprak hij hem aan; „gij zult een kameraad
geen verzoek afslaan.”
„Behalve een, dat mijn plicht mij verbiedt,” hernam de sergeant ernstig.
„Wij zijn onschuldig. Wij vallen als offers eener helsche wraak.
Wanneer graaf Rasinski, onze chef, geen bericht van onze gevangenneming
krijgt, zijn wij onvermijdelijk verloren. Beloof mij op uw woord, hem
die te melden.”
„Wanneer mijne orders er niet mede strijden, zeer gaarne.”
„Hij zal het u rijkelijk vergelden! Neem mijn dank vooruit,” riep
Lodewijk vroolijk en wilde den sergeant zijne gansche beurs in de hand
drukken.
Doch deze trad terug en antwoordde: „Geen omkooping; ik zal mijn plicht
als soldaat en kameraad doen. Doch weg met uw geld! Wat zou dat ons
hier helpen? Van dat tuig hebben wij genoeg.”
„Gij zijt een brave kerel; zoo neem ten minste een handdruk voor uw
goeden wil.”
De sergeant reikte hem zwijgend de hand, met een welwillenden blik
vergezeld. „Hier zijn wij aan ons doel,” zeide hij en opende eene met
ijzer beslagen deur, van welke omtrent twintig trappen naar beneden
voerden. Dan wendde men zich in een gang rechts, eene tweede deur ging
open en Lodewijk en Bernard betraden met eene inwendige rilling de
gevangenis, die zich dadelijk achter hen sloot.
Het was een vochtig, koud gewelf, waarin slechts eene, door een ijzeren
kruis gesloten, ronde opening, nauwelijks van de grootte van een
menschenhoofd, een spaarzaam licht wierp.
„Een vervloekt gat,” bromde Bernard binnensmonds; „en koud als een
ijskelder, en nog vochtig daarenboven! Zie maar, hoe op alle muren de
salpeter vingerdik is uitgeslagen!—Welk een hatelijke muffe reuk!”
Tastend ging hij rond. „Zou men ons hier inderdaad op de koude steenen
laten liggen? Er is geen spoor van een leger te vinden.—Een geluk, dat
wij onze mantels om hebben, anders konden wij, eer de zon ondergaat,
hier dood vriezen.”
„Ik hoop, wij zullen onze vrijheid nog vroeger erlangen,” zeide
Lodewijk op een toon, waarin hij de uitdrukking van troostend
vertrouwen zocht te leggen. „O Bernard! deze gevangenis schijnt mij
niet zoo vreeselijk! Maar de gedachte, dat ik u, den onschuldige, in
dezen geheelen maalstroom van mijn ongelukkig noodlot heb medegesleept,
alleen omdat gij mij liefderijk uwe hand reikt, om mij te helpen....”
„Om u met lompe, ezelachtige domheid geheel en al er in te stooten,
terwijl gij zonder mijne ongeroepen dwaasheid waarschijnlijk nu aan
wal waart,” viel Bernard hem bijna wild in de rede. „Wees geen kind,
Lodewijk,” voer hij bedaarder voort. „Wilt gij u eindelijk daarover nog
beschuldigen, dat gij de sterren van ons noodlot niet aan een draad
kunt regeeren? Wilt gij van nu tot in alle eeuwigheid verantwoordelijk
zijn voor al, wat mij overkomt? En toch knoopt zich slechts de eene
oorzaak aan de andere, en wanneer ik over vijftig jaren aan een
stikhoest sterf, zoo kunt gij mij bewijzen, dat dit daarvan komt, dat
gij in 1812 op den Simplon uw plicht hebt gedaan jegens eene schoone
smeekende ongelukkige.”
Lodewijk zag somber voor zich en zweeg.
„Sluit die vervloekte rekening toch eenmaal af,” voer Bernard voort.
„Eindelijk kon het geluk mij nog meêloopen, en ik moest dan eeuwig
dankbaar jegens u zijn en zou geen glas wijn meer durven drinken,
zonder mij tegen u te buigen en te zeggen: Ziet gij, was ik toen niet
met u naar Rusland gegaan, dan had ik niet met u terug kunnen keeren,
en was ik niet teruggekeerd, dan had ik het hoogste lot niet getrokken,
en had ik dat niet getrokken, dan had ik de prinses niet kunnen
trouwen, en had ik die niet getrouwd, dan zat ik hier nu niet in mijne
prachtzaal en—kortom, ik zal u eene keten van oorzaken en uitwerkingen
maken, die van den eersten dag der schepping tot aan het jongste
gericht zal reiken.”
„Uwe vriendschappelijke omkleedsels zullen mij de waarheid niet doen
miskennen,” hernam Lodewijk bewogen. „Ik zie de muren van dezen kerker
en meet den afstand van hier naar het vaderland—en ik _weet_ niet,
maar ik _gevoel_, wat en wie u hier heeft gebracht.”
„Ik _gevoel_ het niet, maar ik _weet_, dat _ik_ _u_ hier heen gesleept
heb met mijne domheden in Dresden! Maar gij verlangt misschien, dat
ik u stilletjes in den wolfskuil had laten liggen en mij weg gepakt
had, nadat ik er u eerst had ingesmeten? Duivels! nu merk ik het! Zoo
ik geen lam was, kon ik woedend daarover worden. Zie ik de zaak wel
in, dan wilt gij mij op eene fijne, maar des te kwaadaardiger wijze
slechts verwijten doen. Doch vergeefs, mijn goede man! Mijn geweten
is een krokodilsvel, eene rhinoceroshuid; ik zeg u, het is met eiken
planken beslagen en schot- en vuurvrij daarenboven. Gelooft gij, dat
ik voor alle zondaars verantwoord wil zijn, die onverwachts en zonder
biecht naar de hel gaan, wijl zij door de steenen, waarop mijn voet
onvoorzichtig of ongelukkig struikelde, verpletterd werden. Evenmin
als ik 't, eene domme streek begaande, onzen aartsvader Adam wijt,
dat zijn appelbeet mij de gewetensknaging heeft berokkend, welke ik
namelijk gevoelen moest!—Maar ik wou wel, dat wij een goed vuur en
eene kanapé met paardenhaar gevuld hadden; want het staan valt mij zoo
zwaar, ofschoon ik van nacht goed geslapen heb.—Ziet gij, dat is toch
een waar geluk, dat wij uitgerust en half verzadigd in deze russische
spekkamer gekomen zijn. Had de schelm ons gisteren opgepakt, zoo ware
dit van daag ons deftig grafgewelf, zoo snel zouden honger en koude ons
stil gemaakt hebben.”
„Gij zijt zoo goed! Van alles ziet gij de heldere zijde!” antwoordde
Lodewijk bewogen. „Hebt gij dan niet bedacht, dat wij juist heden
slechts kenbaar konden zijn? Wie had ons gisteren met die lange
stoppelbaarden, dat ongekamde haar en dat zwarte, vuile vel
herkend?—Zoo wordt, wat voor een uur ons een geluk toescheen, thans
een middel tot ons verderf.”
„En wie zegt u dat?—Kan het in dit eene uur zoo verkeeren, waarom dan
in het volgende niet nogmaals? Moed, moed, Lodewijk! De muil des doods
staat lang open, eer hij ons opsnapt; hij heeft ons in dit laatste
vierendeel jaars dikwijls genoeg de tanden laten zien; hij zal ons
heden niet bang maken.”
„Ik sidder niet,” zeide Lodewijk met waardigheid, „want ik durf mijne
rechters, zooals ik ze niet gaarne noem, met een gerust geweten onder
de oogen treden. Maar eene diepe droefheid moet mij vervullen, wanneer
ik zie, hoe een rampzalige vloek op mij rust en ook hen mee ter
nederdrukt, die het innigst aan mij verbonden zijn. U en Maria, en wie
weet....”
„Orestes,” viel hem Bernard in de rede. „Dan laat mij uw Pylades zijn.”
Hij trok hem tot zich en omarmde hem hartelijk.