HOOFDSTUK IX.

Het was klaar dag, toen zij ontwaakten, en misschien hadden zij nog

langer geslapen, zoo de honger hen niet gewekt had. Gelukkig konden zij

dien ditmaal bevredigen.

Rasinski ging uit, ten einde te beproeven, of het mogelijk was, zijn

ruiters eenigen voorraad van levensmiddelen te verschaffen, opdat zij

voor de naaste marschen gedekt mochten zijn.

Terwijl hij afwezig was, kwam Regnard en verhaalde, dat een te Parijs

in hechtenis genomen generaal Mallet beproefd had oproer te stichten en

de afzetting des keizers te bewerken. De nieuwe regeering had zekerlijk

maar eenige uren bestaan, maar de tijding had evenwel een diepen indruk

op den keizer gemaakt, die tegen graaf Daru gezegd zou hebben: „Hoe nu,

wanneer wij eens in Moskou gebleven waren?”

„Zijn die tijdingen nu gekomen?” vroeg Bernard.

„Reeds bij Dogorobuye ontving de keizer de depêches,” vervolgde

Regnard; „hij rekende het evenwel noodig ze geheim te houden. Ook

van de achterhoede moeten slechte berichten gekomen zijn. Bij Wiasma

heeft een hevig gevecht plaats gehad, waarbij wij veel volk verloren

hebben. Prins Beauharnais heeft aan de rivier Wop, die buitengewoon

hoog was, waardoor hij haar niet spoedig genoeg kon overkomen, zijne

halve artillerie en alle bagage moeten achterlaten. Bij geluk is zij

echter den kozakken niet in handen gevallen, want zij is tegelijk met

de kruitwagens in de lucht gevlogen. Intusschen moet de achterhoede

schrikkelijk geteisterd zijn, als wij bedenken, hoeveel menschen wij

alleen door honger en koude verloren hebben! Die na ons komen, vinden

nog minder dan wij en hebben daarenboven met den vijand te doen.”

Jaromir had zich stil verwijderd, terwijl Regnard vertelde; bij de

groote ellende, welke thans heerschte, was hem het lot van Alisette

niet onverschillig. Hij gevoelde medelijden met de ongelukkige, wier

lichtzinnigheid zoo streng kon gestraft worden. Gaarne had hij naar

haar gevraagd, doch hij kon de woorden niet over zijne lippen krijgen.

Daarom verliet hij het vertrek liever en ging de straat op.

In de laatste dagen had de bovenmatige inspanning hem met geweld

weerhouden, zich met zijne droefheid bezig te houden. Nauwelijks echter

was er nu een oogenblik rust, of ook deze inwendige vijand vertoonde

zich weder. Briefwisseling met Warschau was thans onmogelijk geworden;

hij wist dus niet zeker, of de brief, dien Rasinski op zich genomen had

te bezorgen, was overgekomen, dan of de onteerende beschuldiging nog

op Lodoiska rustte, zonder door zijne zelfveroordeeling ingetrokken

en vernietigd te zijn. Dit laatste denkbeeld kwelde hem met

onverbiddelijke hardheid. Schuldig te zijn in de oogen zijner geliefde,

dat had hij leeren verdragen; maar bij haar voor een onwaardige, een

verachtelijk wezen te moeten doorgaan, wiens ruw gevoel het heiligdom

van haar hart moedwillig schond en die na het eerste oogenblik van

woeste hartstochtelijkheid niet tot zijne bezinning terugkeerde—dat

boog hem zoo diep neder, dat hij den moed niet in zich vond, om deze

smart te dragen. En wanneer nu—wat thans, door den schrikkelijken

rampspoed, die het leger trof, mogelijk werd—wanneer nu de dood hem en

Rasinski wegnam, en ook de overigen, die zijne schuld en zijn besluit,

om haar te verzoenen, kenden, omkwamen en geen van hen den sluier van

de rampzalige waarheid konden wegnemen! Wanneer hij den smaak en de

verguizing, welke zijne verdenking meedoogenloos op zijne geliefde had

geworpen, niet meer kon terugnemen! Wanneer deze verpletterende last

des bewustzijns hem tot in de eeuwigheid vervolgde!

Als hij aan de mogelijkheid hiervan dacht, werd hij duizelig, en

was het hem of hij aan den steilen rand eens afgronds stond; zijne

gedachten verwarden zich en hij had al zijne mannelijke kracht noodig,

om zich niet aan dien afgrond over te geven. Maar eene tooverkracht

dwong hem voortdurend zijn oog weder in deze gruwelijke diepte der

toekomst te slaan. Hij gevoelde, dat men de macht over zijne gedachten

kon verliezen; de mogelijkheid van waanzinnig te worden vervulde hem

met huivering. Hij zag Regnard weder gaan; zijne lange, schrale,

beenige gedaante, zijne scherpe, zelfs door de vermoeienissen dezes

tijds bijna niet veranderde trekken, boezemden hem thans een afkeer in,

die naar vrees geleek. Hij geloofde in hem zijn boozen geest te zien,

en wendde dus spoedig zijne schreden naar een anderen kant, teneinde

hem niet tegen te komen.

Spoedig na Regnard kwamen Bernard en Lodewijk op de straat. Zij waren

thans weder kenbaar geworden, daar zij sinds den terugtocht van Malo

Jaroslawez voor het eerst in de mogelijkheid geweest waren, zich te

verkleeden en behoorlijk te reinigen.

„Waarachtig,” zeide Bernard in het naar buiten treden, „thans zien wij

er als heeren uit. Nu u de baard niet meer als een stoppelveld van een

duim lang om de kin zit, lijkt gij weer een Adonis. Maar er is hier

helaas niemand, waarop men verlieven kan.”

„Al weder lichtzinnige gedachten!” zeide Lodewijk glimlachend. „Maar

het is inderdaad zelfs in den grootsten nood iets waard, zich zelf niet

tot ergernis te zijn. Thans eerst gevoel ik mij recht wel.”

„Over het geheel ziet men,” antwoordde Bernard, „dat slagen aan

menschen zoowel als aan honden goed bekomen; want de omstandigheden,

waarin wij ons heden bevinden, zijn toch eigenlijk lang zoo slecht

niet. Als men onder de zweep niet dood bloedt, is hij een gezonde

aderlating.”

„Hoe gelukkig, dat gij in zoo weinig uren toch alles vergeten kunt!”

zuchtte Lodewijk. „Ik zie het verledene te donker en de toekomst te

dreigend bewolkt, om mij over het tegenwoordige te kunnen verheugen.”

„De toekomst, mijn waarde, zal zoo erg niet zijn, want wij zijn thans

op het ergste gevat. Wanneer men de dingen weet, die daar komen zullen,

beschouwt men het onheil geheel anders, dan wanneer men er uit den

hemel zijner droomen zoo midden invalt. Een onverwachte duw werpt mij

neder; maar heb ik tijd, om recht op mijne beenen te gaan staan, dan

kan ik driemaal meer tegenstand bieden. Doch laat ons nu zien, of

wij schoenen kunnen oploopen. Wij moeten de hospitalen doorzoeken en

beproeven, of hier en daar wat te erven valt. Ik zoude Rasinski dien

dienst gaarne doen.”

Deze had hun namelijk opgedragen om te beproeven, of zich voor de

manschappen, wier schoenen door de marschen geheel versleten waren,

ook nieuwe lieten opsporen. Zij gingen; meer het toeval dan een vast

plan volgende, namen zij hun weg naar de benedenstad, waar zich de

hospitalen der reserve-armee bevonden. Voor een groot, half vervallen,

maar toch tot bewoning ingericht gebouw zagen zij twee mannen staan in

dikke pelzen gewikkeld en met bonte mutsen op het hoofd. Zij deelden

bevelen aan verscheidene anderen uit, wier uniform aanduidde, dat zij

tot het personeel der administratie behoorden.

„Zeker een paar van de schoften, die ons laten verhongeren en

bevriezen,” riep Bernard met afkeer uit, „en in hunne pelzen spotachtig

toezien, wanneer de soldaat, door de koude gepijnigd, tranen vergiet.

Een moeders kindje, denken zij dan. Maar ik wilde hun slechts eenmaal

laten bivakeeren, als daar bij Dogorobuye.”

„Misschien was er echter juist bij deze lieden wel iets uit te

richten,” hernam Lodewijk. „Laten wij hen naderen en zien, of wij iets

bekomen kunnen.”

„Voor mijn part ook goed! maar ik beken u gulweg, dat ik liever met een

kozak te doen heb, die toch ronduit zegt, dat hij mij plunderen en als

het noodig is doodslaan wil, dan met die vergiftige kruisspinnen, die

zich vet mesten met het merg der hongerende soldaten.—Maar wat helpt

het? Welaan dan, vooruit!”

Zij traden op de beide mannen, die met den rug naar hen toegekeerd

stonden toe; toen deze de voetstappen en den groet der aankomenden

hoorden, keerden zij zich om. Eene wederkeerige verbazing was zoowel in

de trekken van Lodewijk en Bernard, als op die der beide vreemden te

lezen.

„Zien wij elkander hier weder?” begon na eenige oogenblikken de jongste

der beide vreemdelingen, terwijl hij den mond tot een hatelijken lach

vertrok. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen Lodewijk

met een gevoel, als ware hij in de spleet eens gletschers gestort,

Beaucaire en in diens ouderen metgezel St. Luces herkende.

„Gendarmes!” riep Beaucaire, eer Lodewijk een woord spreken, veelmin

een besluit nemen kon, „neemt dadelijk deze beiden in arrest en werpt

hen in de gevangenis; het zijn verraders, die zich aan Rusland verkocht

hebben!”

Eerst door deze woorden bemerkte Bernard, wie hij voor zich had,

want hij had Beaucaire in Dresden slechts eenige oogenblikken op

straat gesproken en, hoe vast de wezenstrekken hem ook uit vroegere

herinneringen ingeprent waren, toch had het vreemdsoortige der

kleeding zijn anders zoo getrouw geheugen een oogenblik in twijfel

gelaten. Thans maakte eene onberaden, maar onbetoombare woede zich van

hem meester.

„Dat liegt gij, ellendige schurk!” riep hij met vreeselijke stem,

sprong eene schrede achteruit en trok zijne sabel. „Wie mij te na komt,

dien kloof ik den kop!”

Lodewijk, die even spoedig bemerkte, dat hier eene moedige handelwijze

alleen kon redden, stiet met alle krachten den gendarme, die hem bij

den arm wilde grijpen, terug, zoodat deze in de sneeuw viel, en in

hetzelfde oogenblik flikkerde ook in zijne hand de sabel.

In de buurt waren soldaten. „Kameraden, helpt, helpt!” riep Bernard

luid. „Deze schurken, die ons laten verhongeren, willen ons nu nog

mishandelen en vermoorden. Hier heen, helpt!”

Doch, zooals het immer in het vuur van den hartstocht gebeurt, riep

hij deze woorden niet in het fransch, maar in zijne moedertaal. Deels

werden zij dus niet verstaan, deels gaven zij dadelijk te kennen,

dat hij een vreemdeling was, op welke, sinds zoovele schrikkelijke

ongelukken het leger getroffen hadden, de haat der Franschen zich reeds

lang gericht had. Zij geloofden, en niet geheel en al ten onrechte,

dat alle, maar vooral de duitsche bondgenooten zich in stilte over het

ongeluk des keizers en de armee verheugden. St. Luces, afgericht om van

elke gelegenheid partij te trekken, riep daarom insgelijks: „_Ce sont

des traites Allemands, des espions soldés par la Russie!_”

Deze woorden moesten beter werken. De Franschen, die in hunne

tegenwoordige stemming licht te verbitteren waren, drongen op de hun

zoo aangeduide offers aan, om hen neer te sabelen. Bernard wilde zich

niet overgeven, doch Lodewijk hield zijn arm vast en riep: „Verdedig

u niet! Wij konden hier een ongeluk begaan. Men moet ons vonnis en

recht verschaffen; Rasinski zal ons niet verlaten; wij beroepen ons

op hem.”—Bernard stampte ongeduldig met den voet en knarste op zijne

tanden.

„Wij zijn uwe gevangenen, mijnheer,” keerde Lodewijk zich tot St.

Luces; „wij zullen om verhoor en vonnis vragen, opdat deze ongegronde

aanklacht eindelijk een einde hebbe. Wij zijn soldaten van het poolsche

leger, overste Rasinski is onze kommandant. Hij zal ons weten te

verdedigen; ik eisch, dat gij hem onze gevangenneming dadelijk meldt.”

De gendarmes namen hun de sabels af, en op bevel van St. Luces werden

zij beiden dadelijk in het huis binnengeleid. De onderofficier wilde

hen in de wachtkamer nevens de poort brengen, waar de magazijnwacht

zich bevond, doch Beaucaire riep: „Neen! deze misdadigers hebben het

leven verbeurd. Zij moeten in eene zekere gevangenis gebracht worden.

Sluit hen in een der kelders op, die aan de gracht uitkomen.”

„Lodewijk, Lodewijk,” zeide Bernard onder het gaan, „ik vrees, gij hebt

niet goed gedaan met niet op onze wapens en op de vlucht te vertrouwen.

Wie weet, of deze schurken Rasinski niet onderrichten als het te laat

is.”

Lodewijk scheen getroffen door de waarheid dezer woorden. In den

eersten ijver kon zijn edelmoedig hart zelfs van een vijand als

Beaucaire niet zulk een graad van boosheid verwachten; hij had daarom

tegen hem gehandeld, zooals hij tegen een man van eer moest handelen.

Thans viel hem in, dat misschien niemand meer dan deze Beaucaire voor

het daglicht bij deze geschiedenis moest vreezen; hij dacht aan wat

deze zijne zuster had durven voorslaan, en het werd hem duidelijk, dat

deze graad van slechtheid alleen in de gemeenste wraak genoegdoening

kon vinden. Daar wierp hij een blik op den sergeant der gendarmerie,

die met drie man hem wegleidde. Deze droeg het legioen van eer, had

twee litteekens op het gelaat en een oog, waaruit een edel hart sprak.

„Gij zijt soldaat,” aldus sprak hij hem aan; „gij zult een kameraad

geen verzoek afslaan.”

„Behalve een, dat mijn plicht mij verbiedt,” hernam de sergeant ernstig.

„Wij zijn onschuldig. Wij vallen als offers eener helsche wraak.

Wanneer graaf Rasinski, onze chef, geen bericht van onze gevangenneming

krijgt, zijn wij onvermijdelijk verloren. Beloof mij op uw woord, hem

die te melden.”

„Wanneer mijne orders er niet mede strijden, zeer gaarne.”

„Hij zal het u rijkelijk vergelden! Neem mijn dank vooruit,” riep

Lodewijk vroolijk en wilde den sergeant zijne gansche beurs in de hand

drukken.

Doch deze trad terug en antwoordde: „Geen omkooping; ik zal mijn plicht

als soldaat en kameraad doen. Doch weg met uw geld! Wat zou dat ons

hier helpen? Van dat tuig hebben wij genoeg.”

„Gij zijt een brave kerel; zoo neem ten minste een handdruk voor uw

goeden wil.”

De sergeant reikte hem zwijgend de hand, met een welwillenden blik

vergezeld. „Hier zijn wij aan ons doel,” zeide hij en opende eene met

ijzer beslagen deur, van welke omtrent twintig trappen naar beneden

voerden. Dan wendde men zich in een gang rechts, eene tweede deur ging

open en Lodewijk en Bernard betraden met eene inwendige rilling de

gevangenis, die zich dadelijk achter hen sloot.

Het was een vochtig, koud gewelf, waarin slechts eene, door een ijzeren

kruis gesloten, ronde opening, nauwelijks van de grootte van een

menschenhoofd, een spaarzaam licht wierp.

„Een vervloekt gat,” bromde Bernard binnensmonds; „en koud als een

ijskelder, en nog vochtig daarenboven! Zie maar, hoe op alle muren de

salpeter vingerdik is uitgeslagen!—Welk een hatelijke muffe reuk!”

Tastend ging hij rond. „Zou men ons hier inderdaad op de koude steenen

laten liggen? Er is geen spoor van een leger te vinden.—Een geluk, dat

wij onze mantels om hebben, anders konden wij, eer de zon ondergaat,

hier dood vriezen.”

„Ik hoop, wij zullen onze vrijheid nog vroeger erlangen,” zeide

Lodewijk op een toon, waarin hij de uitdrukking van troostend

vertrouwen zocht te leggen. „O Bernard! deze gevangenis schijnt mij

niet zoo vreeselijk! Maar de gedachte, dat ik u, den onschuldige, in

dezen geheelen maalstroom van mijn ongelukkig noodlot heb medegesleept,

alleen omdat gij mij liefderijk uwe hand reikt, om mij te helpen....”

„Om u met lompe, ezelachtige domheid geheel en al er in te stooten,

terwijl gij zonder mijne ongeroepen dwaasheid waarschijnlijk nu aan

wal waart,” viel Bernard hem bijna wild in de rede. „Wees geen kind,

Lodewijk,” voer hij bedaarder voort. „Wilt gij u eindelijk daarover nog

beschuldigen, dat gij de sterren van ons noodlot niet aan een draad

kunt regeeren? Wilt gij van nu tot in alle eeuwigheid verantwoordelijk

zijn voor al, wat mij overkomt? En toch knoopt zich slechts de eene

oorzaak aan de andere, en wanneer ik over vijftig jaren aan een

stikhoest sterf, zoo kunt gij mij bewijzen, dat dit daarvan komt, dat

gij in 1812 op den Simplon uw plicht hebt gedaan jegens eene schoone

smeekende ongelukkige.”

Lodewijk zag somber voor zich en zweeg.

„Sluit die vervloekte rekening toch eenmaal af,” voer Bernard voort.

„Eindelijk kon het geluk mij nog meêloopen, en ik moest dan eeuwig

dankbaar jegens u zijn en zou geen glas wijn meer durven drinken,

zonder mij tegen u te buigen en te zeggen: Ziet gij, was ik toen niet

met u naar Rusland gegaan, dan had ik niet met u terug kunnen keeren,

en was ik niet teruggekeerd, dan had ik het hoogste lot niet getrokken,

en had ik dat niet getrokken, dan had ik de prinses niet kunnen

trouwen, en had ik die niet getrouwd, dan zat ik hier nu niet in mijne

prachtzaal en—kortom, ik zal u eene keten van oorzaken en uitwerkingen

maken, die van den eersten dag der schepping tot aan het jongste

gericht zal reiken.”

„Uwe vriendschappelijke omkleedsels zullen mij de waarheid niet doen

miskennen,” hernam Lodewijk bewogen. „Ik zie de muren van dezen kerker

en meet den afstand van hier naar het vaderland—en ik _weet_ niet,

maar ik _gevoel_, wat en wie u hier heeft gebracht.”

„Ik _gevoel_ het niet, maar ik _weet_, dat _ik_ _u_ hier heen gesleept

heb met mijne domheden in Dresden! Maar gij verlangt misschien, dat

ik u stilletjes in den wolfskuil had laten liggen en mij weg gepakt

had, nadat ik er u eerst had ingesmeten? Duivels! nu merk ik het! Zoo

ik geen lam was, kon ik woedend daarover worden. Zie ik de zaak wel

in, dan wilt gij mij op eene fijne, maar des te kwaadaardiger wijze

slechts verwijten doen. Doch vergeefs, mijn goede man! Mijn geweten

is een krokodilsvel, eene rhinoceroshuid; ik zeg u, het is met eiken

planken beslagen en schot- en vuurvrij daarenboven. Gelooft gij, dat

ik voor alle zondaars verantwoord wil zijn, die onverwachts en zonder

biecht naar de hel gaan, wijl zij door de steenen, waarop mijn voet

onvoorzichtig of ongelukkig struikelde, verpletterd werden. Evenmin

als ik 't, eene domme streek begaande, onzen aartsvader Adam wijt,

dat zijn appelbeet mij de gewetensknaging heeft berokkend, welke ik

namelijk gevoelen moest!—Maar ik wou wel, dat wij een goed vuur en

eene kanapé met paardenhaar gevuld hadden; want het staan valt mij zoo

zwaar, ofschoon ik van nacht goed geslapen heb.—Ziet gij, dat is toch

een waar geluk, dat wij uitgerust en half verzadigd in deze russische

spekkamer gekomen zijn. Had de schelm ons gisteren opgepakt, zoo ware

dit van daag ons deftig grafgewelf, zoo snel zouden honger en koude ons

stil gemaakt hebben.”

„Gij zijt zoo goed! Van alles ziet gij de heldere zijde!” antwoordde

Lodewijk bewogen. „Hebt gij dan niet bedacht, dat wij juist heden

slechts kenbaar konden zijn? Wie had ons gisteren met die lange

stoppelbaarden, dat ongekamde haar en dat zwarte, vuile vel

herkend?—Zoo wordt, wat voor een uur ons een geluk toescheen, thans

een middel tot ons verderf.”

„En wie zegt u dat?—Kan het in dit eene uur zoo verkeeren, waarom dan

in het volgende niet nogmaals? Moed, moed, Lodewijk! De muil des doods

staat lang open, eer hij ons opsnapt; hij heeft ons in dit laatste

vierendeel jaars dikwijls genoeg de tanden laten zien; hij zal ons

heden niet bang maken.”

„Ik sidder niet,” zeide Lodewijk met waardigheid, „want ik durf mijne

rechters, zooals ik ze niet gaarne noem, met een gerust geweten onder

de oogen treden. Maar eene diepe droefheid moet mij vervullen, wanneer

ik zie, hoe een rampzalige vloek op mij rust en ook hen mee ter

nederdrukt, die het innigst aan mij verbonden zijn. U en Maria, en wie

weet....”

„Orestes,” viel hem Bernard in de rede. „Dan laat mij uw Pylades zijn.”

Hij trok hem tot zich en omarmde hem hartelijk.

1812: Historische roman · 第 99 / 154 题