HOOFDSTUK VIII.

Eindelijk lag Smolensko, het lang beloofde en gewenschte einde hunner

rampen, voor de blikken der krijgslieden en steeg met zijne zwarte

tinnen en muren duister uit het sneeuwveld op. Daar zult gij eene

toevlucht vinden tegen de winterstormen; daar zal de razende honger,

die in uwe ingewanden woedt, gestild worden; daar zullen de verkleumde

leden warmte, de overspannen gepijnigde spieren rust, de afgematte,

uitgeputte geestkracht versterking vinden.

Niet zoo vroolijk zagen de tien duizend Grieken den spiegel van hunne

vaderlandsche zee van het gebergte af hun tegenschitteren, niet met

zulk eene vreugde en dankbaarheid begroette Columbus' vertwijfelende

manschap de kusten van een nieuw werelddeel, als de door de woede des

winters, des hongers en der doodelijke afmatting vervolgde krijgslieden

de muren der stad aanschouwden, waar hun het einde hunner rampen

beloofd was. Een zweem van vreugde vloog over de bleeke, vermagerde

gezichten, een laatste bewijs van moed en kracht keerde in de vermoeide

lichamen terug.

Reeds was men tot op een uur afstands de muren dezer vesting genaderd,

toen men aan beide zijden van den weg, eerst een voor een, vervolgens

in groote troepen, de uitgehongerde spookachtige gestalten dergenen

ontwaarde, die hunne wapenen verloren of weggeworpen en, daar de banden

der orde en der gehoorzaamheid overal verbroken waren, gehoopt hadden,

dat zij, alleen en hun eigen weg kiezende, met minder gevaar door de

woestijnen der sneeuw en der wouden zouden dringen, dan wanneer zij

bij het gros des legers bleven, voor welk laatste het weinige, dat men

op eene plaats konde bijeenbrengen, nooit genoegzaam was. Zoo waren

zij dan nu eens vooruit, dan achterna getogen of hadden het leger van

ter zijde omzwermd. De razernij van den honger in hunne gierige, van

ontsteking gloeiende oogen, zwart van rook en zand, in lompen gekleed,

wierpen deze scharen zich als harpijen over alles heen, wat zij vonden.

Geen stem des verstands breidelde hunne tot waanzin geklommen begeerte.

Vonden zij ergens eenige spijs, zoo vielen zij met de woede eens

roofdiers er op aan en verslonden ze met eene zoo razende drift, dat

de meesten, alsof zij vergif gegeten hadden, dadelijk daarop onder de

onlijdelijkste pijnen ter aarde stortten en den geest gaven. Doch geen

voorbeeld schrikte de later aankomenden af; als door blinden waanzin

gedreven, stortten zij zich in hetzelfde verderf, dat hunne kameraden

voor hunne oogen gedood had. Ja, het gehuil en het gekerm zelfs der nog

lillende stervenden schrikte hen zoomin af, als het hun ook slechts een

blik van medelijden kon afpersen. De ellende had de menschelijke natuur

in deze rampzaligen op het schrikkelijkst doen ontaarden; ieder kende

slechts zich zelf en het tegenwoordige oogenblik. Want de folteringen

van het oogenblik waren te schrikkelijk en alles, wat deze stilde,

scheen een onbegrijpelijk geluk, al kwam ook in de volgende minuut

deze ellende dubbel daarvoor terug. Deze afschrikwekkende gedaanten

verschenen eensklaps, in donkere drommen opeengedrongen, naarmate zij

uit de naastbijzijnde bosschen, waardoor zij hun weg genomen hadden,

toevallig vroeger of later op den grooten weg geraakten. Een kwartier

uurs voor de stad hoopten zij zich dermate opeen, dat de nog geordende

korpsen der oude en jonge garden zich slechts met moeite den weg tot

hun marsch vrijhielden.

Thans naderden de hoogten langs de oevers van den Dnieper meer tot

elkander en vernauwden den weg. Aan beide zijden vertoonden zich

deze ontzettende horden. Zij trachtten langs de besneeuwde, gladde

afhellingen af te dalen, om den weg te bereiken; doch de zwakke kracht

hunner voeten bewees hun den dienst, waartoe behendigheid en sterkte

vereischt werden, niet meer. Zij tuimelden over elkander heen, de

helling af, en kleurden de sneeuw met het bloed hunner van ijssplinters

gewonde handen en wangen. Onder weeklagend gekerm stortten zij naar

beneden, doch vermochten zich niet meer van hun val op te richten, maar

bleven bedwelmd aan den weg liggen.

Thans zag men de poorten der stad. Zelfs onder de aan de stalen wet

der gehoorzaamheid sinds lang gewone korpsen der oude garde liet zich

thans geen tucht meer houden, maar gelijk hongerige tijgers op hun

buit, wilden zij zich afzonderlijk uit de gelederen werpen, om het

eerst het toevluchtsoord te bereiken, want reeds had een gedeelte

der uitgehongerde horden, die zonder aanvoerder of orde door de

wouden gedrongen waren, de muren der stad bereikt en drong in zwart

gewemel om haar heen. Doch bij het zien der holoogige gedaanten, in de

wonderlijkste kleederen, zoo als nood en toeval ze verschaft hadden,

bij hun gierig toedringen, had men in de stad, en met recht, gevreesd,

dat zij als een troep hongerige wolven op de magazijnen aanvallen en

overal plunderend en verwoestend inbreken zouden. Daarom werden hun de

poorten van de verlangde vrijplaats gesloten, en te vergeefs vloekten

en baden zij, om de onverbiddelijke muren binnen te gaan. Reeds

verscheidene uren hadden velen dezer ongelukkigen, van koude verstijfd,

door honger gemarteld, in het gezicht der redding te vergeefs om

hulp en medelijden gesmeekt. De meesten waren in vertwijfeling en

afgematheid neergezonken en door de steeds grimmiger wordende koude

gedood.

De aanrukkende geregelde troepen hoorden het verschrikkelijk wilde

gehuil om voedsel, dat zich met de grievendste jammerkreten vermengde.

Thans beving ook hen de vrees, dat het hun evenzoo mocht gaan, dat men

hier geweld zou moeten aanwenden, en diegenen alleen lafenis zouden

vinden, die het eerst met geweld inbraken. Daarom verlieten zij hunne

gelederen en zochten, zooveel hunne uitgeputte krachten dit vergunden,

elkander vooruit te komen, om de plaats der redding te bestormen en wat

zij konde opleveren met gewelddadige hand te rooven. Te vergeefs wierp

de maarschalk Bessières zich hun, die gehoorzaamheid weigerden, in

den weg, te vergeefs trachtten de officieren hen met geweld terug te

houden. Reeds dreigde de wanorde zich over de gansche lange colonne te

verbreiden, toen op eens de keizer in de voorste rijen zich vertoonde

en met een wenk halt gebood. De eerbied voor den geheiligden persoon

des aanvoerders, op wien zich in dezen tijd van tegenspoed het laatst

vertrouwen vestigde, boeide zelfs de vermetelsten.

„Soldaten, keert in uwe gelederen terug!” zeide hij streng, doch

bedaard, en vond oogenblikkelijk gehoorzaamheid.

Hij zelf reed thans aan de spits der troepen, en onder dof zwijgen,

doch in streng geordende gelederen rukten de krijgslieden de vesting

binnen.

Rasinski volgde met de zijnen onmiddellijk op de oude garde. Slechts de

helft was te paard, de overigen gingen te voet, daar hunne paarden voor

het geschut gespannen waren. Bernard en Lodewijk waren te paard. Toen

zij op de hoogte van den dalrand kwamen, wees Lodewijk aan Bernard ter

linkerhand naar de besneeuwde vlakte en zeide: „Herkent gij daar dat

slot wel?”

„Hm!” antwoordde Bernard; „ik had gedacht, dat het geheel afgebrand zou

zijn, doch het staat nog tamelijk vast op zijne beenen.”

„Ik weet niet, waarom ik ook nog heden dit statig gebouw met zijne

vreemde torens en tinnen met een geheel eigenaardig gevoel aanschouw,”

hernam Lodewijk.

„Ik thans meer dan toen; doch dat doet de herinnering.—Ik geloof, dat

wij meer onkenbaar geworden zijn dan het slot, ofschoon toch de vlam er

al het ingewand wel zal uitgebrand hebben. Want als ik u zoo zie, met

uw langen baard en die zware strepen van rook en stof in het gezicht,

dan kan ik mij zoo omtrent verbeelden, hoe ik er zelf moet uitzien. Het

was wel de moeite waard, ons portret te schilderen, opdat wij toch eens

aan de goede lieden in Duitschland of Frankrijk konden toonen welke

gezichten het overwinnend leger gezet heeft, toen het voor de tweede

maal te Smolensko kwam.”

„Zijt getroost, vrienden,” zeide Rasinski, zich omkeerende, „een tijd

van rust ligt voor ons. Die zal ons ook gelegenheid geven, om ons weder

een menschelijk aanschijn te verschaffen.”

Zij reden thans door de poort der bovenstad binnen, want de oostelijke

helft der stad ligt op de hoogte, de westelijke aan de overzijde des

Dniepers in de laagte. Toen zij de eerste straat doorkwamen, zagen zij

elkander met bezorgdheid aan.

„Nu,” zeide Bernard zacht tot Lodewijk, „Smolensko ziet er voorwaar

niet naar uit, alsof het Capua zou worden.”

„Wanneer de gansche stad zoo verwoest is,” antwoordde Lodewijk even

zacht, „zal zij ons niet meer levensmiddelen opleveren, dan de groote

weg, dien wij gekomen zijn.”

„Ik zie nog niet in, hoe wij hier een lood rijst zouden koken,”

fluisterde Bernard; „merkt gij wel, dat alle vensterkozijnen

uitgebroken zijn? Waar hier nog hout in de muren zat, schijnt men reeds

oogst gehouden te hebben.”

„En toch,” hernam Lodewijk, „geloof ik, dat wij wel zouden doen, met

een dezer op het invallen staande huizen bijtijds te bezetten; want als

eerst die massa van ongelukkigen van buiten indringt, blijft er geen

steen op den ander.”

„Dat denk ik ook,” hernam Rasinski, die met zijn steeds opmerkzaam oor

alles vernomen had, „en ik denk er reeds over, om gezwind het recht van

eerste bezitneming te doen gelden. Ik hoop slechts, dat de benedenstad

er beter uit zal zien; want hier stort ons misschien des nachts het

kwartier boven ons hoofd in.”

[Illustratie: Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.]

„Die versche paardengeraamten daar ter zijde,” zeide Bernard, terwijl

hij met zijn vinger in een nauw zijstraatje wees, „beloven ook niet

veel goeds; zij zien er mij uit, alsof het vleesch eerst sedert een

half uur van de botten gekloven was. Ik wilde mijn arm paard, hoe mager

ook, hier niet gaarne een kwartier vastbinden, want ik zou moeielijk

iets anders dan het geraamte wedervinden. Op een bijzonder ruim onthaal

mogen wij dus ook niet rekenen.”

„Nu, levensmiddelen zijn hier,” hernam Rasinski, „of des keizers

bevelen zouden op het onverantwoordelijkst veronachtzaamd moeten zijn.

Eergisteren hebt gij nog gezien, hoe van hier een transport kwam, dat

de keizer billijkerwijze hun toezond, die voor ons vechten en, buiten

de moeilijkheden van den marsch, nog het gevaar van den strijd moeten

verduren.”

Een adjudant brak het gesprek af met het bevel om rechts af te rijden,

waar de kwartieren voor de cavalerie waren aangewezen. Rasinski nam

derhalve met de kleine schaar, welke hij nog om zich heen had, zijn weg

door een kromme, half ingestorte straat en bereikte zoo een ruim plein,

waar eenige groote steenen gebouwen, die vermoedelijk voor magazijnen

gediend hadden, in de onderste verdieping stallen voor de paarden, in

de bovenste kwartieren voor de manschappen aanboden. Doch ook deze

huizen waren geheel verwoest. Slechts op de bovenste verdiepingen

zag men hier en daar nog een kozijn; de deuren waren uitgehaakt, ja,

op eenige plaatsen was de planken vloer opgenomen. Ondertusschen

verschaften de half vernielde gebouwen toch een droog verblijf, en zoo

men slechts hout, levensmiddelen, stroo en voeder voor de paarden kon

verkrijgen, scheen het verblijf daarin, met de uitgestane ongemakken

vergeleken, een tijd van heerlijkheid te beloven. Want in de meeste

kamers waren gemetselde kachels, door welke men zelfs, schoon er geen

venster te sluiten was, toch nog warmte genoeg in de vertrekken kon

brengen, om het daarin uit te houden.

In weinige minuten waren de kwartieren betrokken en de paarden in

de stallen gebracht. Rasinski's voortdurend onvermoeide zorg had

uitgewerkt, dat hij op weinigen na, die de vermoeienis niet hadden

kunnen uithouden sinds den dag van Dogorobuye, de zijnen bijeen had

gehouden. Daar hij niet duldde, dat iemand, en hij zelf het minst,

eenig voorrecht genoot, zoo waren ook de schraalste levensmiddelen zoo

verdeeld geworden, dat niemand ledig heenging.

Thans was zijn eerste werk, Boleslaw tot het ontvangen van

levensmiddelen voor de manschappen en Jaromir tot die voor de paarden

ieder met het vereischte geleide af te zenden. Boleslaw nam twaalf

man en ging naar het hem aangewezen magazijn. Hier heerschte een

onbeschrijfelijk gewoel. Zoodra was het niet bekend geworden, dat in

het gebouw levensmiddelen voorhanden waren, of de hongerige soldaten

en achterblijvers legerden zich, als een zwerm raven op een lijk, voor

de deuren en vervulden de lucht met hun gehuil en gekerm. Eenigen

gelukte het, in spijt der uitgestelde posten, eene deur open te

breken, en nu met blinde woede op de levensmiddelen aan te vallen,

om die rauw te verslinden. Men zag, dat zij slechts hun dood vonden,

en wat honderden van het verderf had kunnen redden, werd schandelijk

verkwist, om de wilde begeerte van eenige weinigen te stillen. Daarom

was het noodzakelijk, hoe gruwelijk de maatregel ook mocht schijnen,

het wettige geweld tegenover het onwettige te stellen. De opzieners der

magazijnen moesten geregelde troepen doen aanrukken, die met bajonet

en sabel op hun eigene kameraden aanvielen en hen terugdreven. Daar

dit echter niet dadelijk gelukte en ieder den hongerdood vreeselijker

vond dan die door de wapenen, zoo werd er vuur onder den dichtsten hoop

gegeven. Thans stoof hij uiteen, doch liet den grond met bloedende

lijken bezaaid.

Door zulk een ijzingwekkend gewoel moest Boleslaw zich baan maken; hij

deed het met kracht, doch tegelijk met een diep smartelijk gevoel. Er

waren er echter zoovelen, die recht op de levensmiddelen hadden, dat

er verscheiden uren in strijd en gedrang verstreken, eer hij de zijne

kon ontvangen. Zijne manschappen gehoorzaamden hem nog en droegen het

ontvangene, zonder het aan te raken, naar hunne kameraden, om het met

hen te deelen. Doch dit was niet gemakkelijk.

Man aan man gesloten, met de overgehaalde pistool in de hand, moest

Boleslaw hen door de joelende, vloekende, huilende en kermende menigte

geleiden en zich tegen deze, als tegen eene rooverbende, verdedigen.

Slechts met moeite gelukte het hem eindelijk tot in het kwartier van

Rasinski te komen.

Jaromir was gelukkiger geweest dan hij, want bij het ontvangen der

fourage had zulk een gedrang niet plaats gehad.

Toen Boleslaw aan Rasinski rapport deed, schudde deze het hoofd en

zeide: „Dat zijn bedenkelijke teekenen! Wij zullen hier niet lang

kunnen blijven, want wij moeten zoo spoedig mogelijk de grenzen van

Rusland trachten te bereiken. Bij een zoo volslagen gebrek aan tucht

en orde zoude een ernstige aanval ons verderf zijn. Ik heb Bernard

en Lodewijk tot het ontvangen van ammunitie uitgezonden; daar waren

slechts van weinige regimenten manschappen geweest. Wanneer de

soldaat reeds niet meer aan zijne verdediging denkt, wat zal daaruit

voortkomen? Ja, zelfs tot het ontvangen der soldij is geen derde

gedeelte opgekomen, ofschoon alle regimenten gewaarschuwd waren.”

„Laat deze ééne dag van volkomen afmatting en verslagenheid maar

voorbij zijn,” antwoordde Boleslaw, „dan zullen de orde en de

gehoorzaamheid wel terugkeeren. De ijselijkheden van den marsch, de

honger en de koude hebben de manschappen nog geheel en al bedwelmd.

Hebben wij zelfs niet alle krachten moeten inspannen, om den moed niet

geheel te verliezen; en hoeveel beter is het ons niet gegaan dan de

overigen! Door uwe voorzorg zijn onze manschappen goed gekleed; zij

hebben ten minste goede laarzen en mantels. Ook is er altijd nog iets

voor hen te eten geweest. Maar zie eens naar de anderen! Met lompen

bedekt, met gescheurde schoenen, moesten zij de schrikkelijke nachten

onder den blooten hemel doorbrengen, zich den ganschen dag door de

sneeuw heenwerken. Wanneer de rampen zoo hoog stijgen, dat in de straf

der ongehoorzaamheid geen schrik meer ligt, dan laat zich de tucht niet

meer bewaren.”

„Maar het _verderf_ ligt er in,” sprak Rasinski met nadruk, „het

verderf van het geheel en van een ieder in het bijzonder. Dat zien de

razenden niet in. Gevaar en nood zouden voor allen de helft minder

zijn, wanneer niemand uit eigenbelang er zich aan zocht te onttrekken.

Van twintig of honderd gelukt het aan één, de overigen gaan des te

spoediger verloren.”

„Laat hun slechts twee dagen tijd, om te bekomen, dan zullen zij weder

vatbaar zijn voor verstandigen raad en tot gehoorzaamheid terugkeeren!”

„Maar is het dan nog tijd? Hebben zij niet reeds hunne wapenen

weggeworpen? Zijn zij voor de overigen niet reeds een ballast geworden,

zonder zelven iets ter hulpe bij te dragen?—De keizer moet buiten zich

zelf raken op dat gezicht.”

Jaromir, Bernard en Lodewijk traden binnen. Zij kwamen uit de stallen,

waar alle paarden goed verzorgd waren.

„Het is het eerste behoorlijke voeder, dat onze beesten krijgen, sinds

wij Moskou verlaten hebben,” zeide Jaromir. „Dat wil zeggen, onder

behoorlijk voeder versta ik half stroo, half haver en nauwelijks het

derde part van een gewoon rantsoen. Doch men ziet, hoe de dieren er

zich aan te goed doen!”

„Geeft hun om 's hemels wil geen volle maat! Nauwelijks morgen of

overmorgen zullen zij het kunnen verdragen,” merkte Rasinski aan.

„Wees onbezorgd,” hernam Jaromir, „ik heb zelf overal mijn oog laten

gaan.”

„Goed,” antwoordde Rasinski; „doch laat ons nu aan ons zelven denken.

Het is de eerste maaltijd, dien wij sinds langen tijd onder dak

zittende en in vertrouwelijk gesprek zullen nuttigen.”

Rasinski had alle nog overige officieren bij zich in de tamelijk

bewoonbare kamer genoodigd. Het was de eerste maal, dat hij een

klein voorrecht boven zijne makkers genoot 't welk zij hem nog met

geweld hadden opgedrongen. Hij meende het ditmaal te mogen aannemen,

wijl het zijn manschappen naar tijdsomstandigheden goed ging. Daarom

veroorloofde hij zich ook met zijne vrienden het genot van ééne flesch

wijn; de keizer had uit zijn eigen kelder ieder regiments-kommandant

twee flesschen laten uitreiken.—„Laat ons,” zeide Rasinski, „de andere

bewaren, tot wij die dringender noodig hebben.”

Na den maaltijd sloot de vermoeienis allen de oogen, en zij genoten

de kostelijke verkwikking van den slaap zonder ieder oogenblik door

de pijn hunner leden, die van koude verstijfden, of door de vlam van

het wachtvuur verschroeiden, uit de dommelige verdooving opgewekt te

worden, die hen op het bivak in plaats van eene lichte sluimering

beving.

1812: Historische roman · 第 98 / 154 题