Eindelijk lag Smolensko, het lang beloofde en gewenschte einde hunner
rampen, voor de blikken der krijgslieden en steeg met zijne zwarte
tinnen en muren duister uit het sneeuwveld op. Daar zult gij eene
toevlucht vinden tegen de winterstormen; daar zal de razende honger,
die in uwe ingewanden woedt, gestild worden; daar zullen de verkleumde
leden warmte, de overspannen gepijnigde spieren rust, de afgematte,
uitgeputte geestkracht versterking vinden.
Niet zoo vroolijk zagen de tien duizend Grieken den spiegel van hunne
vaderlandsche zee van het gebergte af hun tegenschitteren, niet met
zulk eene vreugde en dankbaarheid begroette Columbus' vertwijfelende
manschap de kusten van een nieuw werelddeel, als de door de woede des
winters, des hongers en der doodelijke afmatting vervolgde krijgslieden
de muren der stad aanschouwden, waar hun het einde hunner rampen
beloofd was. Een zweem van vreugde vloog over de bleeke, vermagerde
gezichten, een laatste bewijs van moed en kracht keerde in de vermoeide
lichamen terug.
Reeds was men tot op een uur afstands de muren dezer vesting genaderd,
toen men aan beide zijden van den weg, eerst een voor een, vervolgens
in groote troepen, de uitgehongerde spookachtige gestalten dergenen
ontwaarde, die hunne wapenen verloren of weggeworpen en, daar de banden
der orde en der gehoorzaamheid overal verbroken waren, gehoopt hadden,
dat zij, alleen en hun eigen weg kiezende, met minder gevaar door de
woestijnen der sneeuw en der wouden zouden dringen, dan wanneer zij
bij het gros des legers bleven, voor welk laatste het weinige, dat men
op eene plaats konde bijeenbrengen, nooit genoegzaam was. Zoo waren
zij dan nu eens vooruit, dan achterna getogen of hadden het leger van
ter zijde omzwermd. De razernij van den honger in hunne gierige, van
ontsteking gloeiende oogen, zwart van rook en zand, in lompen gekleed,
wierpen deze scharen zich als harpijen over alles heen, wat zij vonden.
Geen stem des verstands breidelde hunne tot waanzin geklommen begeerte.
Vonden zij ergens eenige spijs, zoo vielen zij met de woede eens
roofdiers er op aan en verslonden ze met eene zoo razende drift, dat
de meesten, alsof zij vergif gegeten hadden, dadelijk daarop onder de
onlijdelijkste pijnen ter aarde stortten en den geest gaven. Doch geen
voorbeeld schrikte de later aankomenden af; als door blinden waanzin
gedreven, stortten zij zich in hetzelfde verderf, dat hunne kameraden
voor hunne oogen gedood had. Ja, het gehuil en het gekerm zelfs der nog
lillende stervenden schrikte hen zoomin af, als het hun ook slechts een
blik van medelijden kon afpersen. De ellende had de menschelijke natuur
in deze rampzaligen op het schrikkelijkst doen ontaarden; ieder kende
slechts zich zelf en het tegenwoordige oogenblik. Want de folteringen
van het oogenblik waren te schrikkelijk en alles, wat deze stilde,
scheen een onbegrijpelijk geluk, al kwam ook in de volgende minuut
deze ellende dubbel daarvoor terug. Deze afschrikwekkende gedaanten
verschenen eensklaps, in donkere drommen opeengedrongen, naarmate zij
uit de naastbijzijnde bosschen, waardoor zij hun weg genomen hadden,
toevallig vroeger of later op den grooten weg geraakten. Een kwartier
uurs voor de stad hoopten zij zich dermate opeen, dat de nog geordende
korpsen der oude en jonge garden zich slechts met moeite den weg tot
hun marsch vrijhielden.
Thans naderden de hoogten langs de oevers van den Dnieper meer tot
elkander en vernauwden den weg. Aan beide zijden vertoonden zich
deze ontzettende horden. Zij trachtten langs de besneeuwde, gladde
afhellingen af te dalen, om den weg te bereiken; doch de zwakke kracht
hunner voeten bewees hun den dienst, waartoe behendigheid en sterkte
vereischt werden, niet meer. Zij tuimelden over elkander heen, de
helling af, en kleurden de sneeuw met het bloed hunner van ijssplinters
gewonde handen en wangen. Onder weeklagend gekerm stortten zij naar
beneden, doch vermochten zich niet meer van hun val op te richten, maar
bleven bedwelmd aan den weg liggen.
Thans zag men de poorten der stad. Zelfs onder de aan de stalen wet
der gehoorzaamheid sinds lang gewone korpsen der oude garde liet zich
thans geen tucht meer houden, maar gelijk hongerige tijgers op hun
buit, wilden zij zich afzonderlijk uit de gelederen werpen, om het
eerst het toevluchtsoord te bereiken, want reeds had een gedeelte
der uitgehongerde horden, die zonder aanvoerder of orde door de
wouden gedrongen waren, de muren der stad bereikt en drong in zwart
gewemel om haar heen. Doch bij het zien der holoogige gedaanten, in de
wonderlijkste kleederen, zoo als nood en toeval ze verschaft hadden,
bij hun gierig toedringen, had men in de stad, en met recht, gevreesd,
dat zij als een troep hongerige wolven op de magazijnen aanvallen en
overal plunderend en verwoestend inbreken zouden. Daarom werden hun de
poorten van de verlangde vrijplaats gesloten, en te vergeefs vloekten
en baden zij, om de onverbiddelijke muren binnen te gaan. Reeds
verscheidene uren hadden velen dezer ongelukkigen, van koude verstijfd,
door honger gemarteld, in het gezicht der redding te vergeefs om
hulp en medelijden gesmeekt. De meesten waren in vertwijfeling en
afgematheid neergezonken en door de steeds grimmiger wordende koude
gedood.
De aanrukkende geregelde troepen hoorden het verschrikkelijk wilde
gehuil om voedsel, dat zich met de grievendste jammerkreten vermengde.
Thans beving ook hen de vrees, dat het hun evenzoo mocht gaan, dat men
hier geweld zou moeten aanwenden, en diegenen alleen lafenis zouden
vinden, die het eerst met geweld inbraken. Daarom verlieten zij hunne
gelederen en zochten, zooveel hunne uitgeputte krachten dit vergunden,
elkander vooruit te komen, om de plaats der redding te bestormen en wat
zij konde opleveren met gewelddadige hand te rooven. Te vergeefs wierp
de maarschalk Bessières zich hun, die gehoorzaamheid weigerden, in
den weg, te vergeefs trachtten de officieren hen met geweld terug te
houden. Reeds dreigde de wanorde zich over de gansche lange colonne te
verbreiden, toen op eens de keizer in de voorste rijen zich vertoonde
en met een wenk halt gebood. De eerbied voor den geheiligden persoon
des aanvoerders, op wien zich in dezen tijd van tegenspoed het laatst
vertrouwen vestigde, boeide zelfs de vermetelsten.
„Soldaten, keert in uwe gelederen terug!” zeide hij streng, doch
bedaard, en vond oogenblikkelijk gehoorzaamheid.
Hij zelf reed thans aan de spits der troepen, en onder dof zwijgen,
doch in streng geordende gelederen rukten de krijgslieden de vesting
binnen.
Rasinski volgde met de zijnen onmiddellijk op de oude garde. Slechts de
helft was te paard, de overigen gingen te voet, daar hunne paarden voor
het geschut gespannen waren. Bernard en Lodewijk waren te paard. Toen
zij op de hoogte van den dalrand kwamen, wees Lodewijk aan Bernard ter
linkerhand naar de besneeuwde vlakte en zeide: „Herkent gij daar dat
slot wel?”
„Hm!” antwoordde Bernard; „ik had gedacht, dat het geheel afgebrand zou
zijn, doch het staat nog tamelijk vast op zijne beenen.”
„Ik weet niet, waarom ik ook nog heden dit statig gebouw met zijne
vreemde torens en tinnen met een geheel eigenaardig gevoel aanschouw,”
hernam Lodewijk.
„Ik thans meer dan toen; doch dat doet de herinnering.—Ik geloof, dat
wij meer onkenbaar geworden zijn dan het slot, ofschoon toch de vlam er
al het ingewand wel zal uitgebrand hebben. Want als ik u zoo zie, met
uw langen baard en die zware strepen van rook en stof in het gezicht,
dan kan ik mij zoo omtrent verbeelden, hoe ik er zelf moet uitzien. Het
was wel de moeite waard, ons portret te schilderen, opdat wij toch eens
aan de goede lieden in Duitschland of Frankrijk konden toonen welke
gezichten het overwinnend leger gezet heeft, toen het voor de tweede
maal te Smolensko kwam.”
„Zijt getroost, vrienden,” zeide Rasinski, zich omkeerende, „een tijd
van rust ligt voor ons. Die zal ons ook gelegenheid geven, om ons weder
een menschelijk aanschijn te verschaffen.”
Zij reden thans door de poort der bovenstad binnen, want de oostelijke
helft der stad ligt op de hoogte, de westelijke aan de overzijde des
Dniepers in de laagte. Toen zij de eerste straat doorkwamen, zagen zij
elkander met bezorgdheid aan.
„Nu,” zeide Bernard zacht tot Lodewijk, „Smolensko ziet er voorwaar
niet naar uit, alsof het Capua zou worden.”
„Wanneer de gansche stad zoo verwoest is,” antwoordde Lodewijk even
zacht, „zal zij ons niet meer levensmiddelen opleveren, dan de groote
weg, dien wij gekomen zijn.”
„Ik zie nog niet in, hoe wij hier een lood rijst zouden koken,”
fluisterde Bernard; „merkt gij wel, dat alle vensterkozijnen
uitgebroken zijn? Waar hier nog hout in de muren zat, schijnt men reeds
oogst gehouden te hebben.”
„En toch,” hernam Lodewijk, „geloof ik, dat wij wel zouden doen, met
een dezer op het invallen staande huizen bijtijds te bezetten; want als
eerst die massa van ongelukkigen van buiten indringt, blijft er geen
steen op den ander.”
„Dat denk ik ook,” hernam Rasinski, die met zijn steeds opmerkzaam oor
alles vernomen had, „en ik denk er reeds over, om gezwind het recht van
eerste bezitneming te doen gelden. Ik hoop slechts, dat de benedenstad
er beter uit zal zien; want hier stort ons misschien des nachts het
kwartier boven ons hoofd in.”
[Illustratie: Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.]
„Die versche paardengeraamten daar ter zijde,” zeide Bernard, terwijl
hij met zijn vinger in een nauw zijstraatje wees, „beloven ook niet
veel goeds; zij zien er mij uit, alsof het vleesch eerst sedert een
half uur van de botten gekloven was. Ik wilde mijn arm paard, hoe mager
ook, hier niet gaarne een kwartier vastbinden, want ik zou moeielijk
iets anders dan het geraamte wedervinden. Op een bijzonder ruim onthaal
mogen wij dus ook niet rekenen.”
„Nu, levensmiddelen zijn hier,” hernam Rasinski, „of des keizers
bevelen zouden op het onverantwoordelijkst veronachtzaamd moeten zijn.
Eergisteren hebt gij nog gezien, hoe van hier een transport kwam, dat
de keizer billijkerwijze hun toezond, die voor ons vechten en, buiten
de moeilijkheden van den marsch, nog het gevaar van den strijd moeten
verduren.”
Een adjudant brak het gesprek af met het bevel om rechts af te rijden,
waar de kwartieren voor de cavalerie waren aangewezen. Rasinski nam
derhalve met de kleine schaar, welke hij nog om zich heen had, zijn weg
door een kromme, half ingestorte straat en bereikte zoo een ruim plein,
waar eenige groote steenen gebouwen, die vermoedelijk voor magazijnen
gediend hadden, in de onderste verdieping stallen voor de paarden, in
de bovenste kwartieren voor de manschappen aanboden. Doch ook deze
huizen waren geheel verwoest. Slechts op de bovenste verdiepingen
zag men hier en daar nog een kozijn; de deuren waren uitgehaakt, ja,
op eenige plaatsen was de planken vloer opgenomen. Ondertusschen
verschaften de half vernielde gebouwen toch een droog verblijf, en zoo
men slechts hout, levensmiddelen, stroo en voeder voor de paarden kon
verkrijgen, scheen het verblijf daarin, met de uitgestane ongemakken
vergeleken, een tijd van heerlijkheid te beloven. Want in de meeste
kamers waren gemetselde kachels, door welke men zelfs, schoon er geen
venster te sluiten was, toch nog warmte genoeg in de vertrekken kon
brengen, om het daarin uit te houden.
In weinige minuten waren de kwartieren betrokken en de paarden in
de stallen gebracht. Rasinski's voortdurend onvermoeide zorg had
uitgewerkt, dat hij op weinigen na, die de vermoeienis niet hadden
kunnen uithouden sinds den dag van Dogorobuye, de zijnen bijeen had
gehouden. Daar hij niet duldde, dat iemand, en hij zelf het minst,
eenig voorrecht genoot, zoo waren ook de schraalste levensmiddelen zoo
verdeeld geworden, dat niemand ledig heenging.
Thans was zijn eerste werk, Boleslaw tot het ontvangen van
levensmiddelen voor de manschappen en Jaromir tot die voor de paarden
ieder met het vereischte geleide af te zenden. Boleslaw nam twaalf
man en ging naar het hem aangewezen magazijn. Hier heerschte een
onbeschrijfelijk gewoel. Zoodra was het niet bekend geworden, dat in
het gebouw levensmiddelen voorhanden waren, of de hongerige soldaten
en achterblijvers legerden zich, als een zwerm raven op een lijk, voor
de deuren en vervulden de lucht met hun gehuil en gekerm. Eenigen
gelukte het, in spijt der uitgestelde posten, eene deur open te
breken, en nu met blinde woede op de levensmiddelen aan te vallen,
om die rauw te verslinden. Men zag, dat zij slechts hun dood vonden,
en wat honderden van het verderf had kunnen redden, werd schandelijk
verkwist, om de wilde begeerte van eenige weinigen te stillen. Daarom
was het noodzakelijk, hoe gruwelijk de maatregel ook mocht schijnen,
het wettige geweld tegenover het onwettige te stellen. De opzieners der
magazijnen moesten geregelde troepen doen aanrukken, die met bajonet
en sabel op hun eigene kameraden aanvielen en hen terugdreven. Daar
dit echter niet dadelijk gelukte en ieder den hongerdood vreeselijker
vond dan die door de wapenen, zoo werd er vuur onder den dichtsten hoop
gegeven. Thans stoof hij uiteen, doch liet den grond met bloedende
lijken bezaaid.
Door zulk een ijzingwekkend gewoel moest Boleslaw zich baan maken; hij
deed het met kracht, doch tegelijk met een diep smartelijk gevoel. Er
waren er echter zoovelen, die recht op de levensmiddelen hadden, dat
er verscheiden uren in strijd en gedrang verstreken, eer hij de zijne
kon ontvangen. Zijne manschappen gehoorzaamden hem nog en droegen het
ontvangene, zonder het aan te raken, naar hunne kameraden, om het met
hen te deelen. Doch dit was niet gemakkelijk.
Man aan man gesloten, met de overgehaalde pistool in de hand, moest
Boleslaw hen door de joelende, vloekende, huilende en kermende menigte
geleiden en zich tegen deze, als tegen eene rooverbende, verdedigen.
Slechts met moeite gelukte het hem eindelijk tot in het kwartier van
Rasinski te komen.
Jaromir was gelukkiger geweest dan hij, want bij het ontvangen der
fourage had zulk een gedrang niet plaats gehad.
Toen Boleslaw aan Rasinski rapport deed, schudde deze het hoofd en
zeide: „Dat zijn bedenkelijke teekenen! Wij zullen hier niet lang
kunnen blijven, want wij moeten zoo spoedig mogelijk de grenzen van
Rusland trachten te bereiken. Bij een zoo volslagen gebrek aan tucht
en orde zoude een ernstige aanval ons verderf zijn. Ik heb Bernard
en Lodewijk tot het ontvangen van ammunitie uitgezonden; daar waren
slechts van weinige regimenten manschappen geweest. Wanneer de
soldaat reeds niet meer aan zijne verdediging denkt, wat zal daaruit
voortkomen? Ja, zelfs tot het ontvangen der soldij is geen derde
gedeelte opgekomen, ofschoon alle regimenten gewaarschuwd waren.”
„Laat deze ééne dag van volkomen afmatting en verslagenheid maar
voorbij zijn,” antwoordde Boleslaw, „dan zullen de orde en de
gehoorzaamheid wel terugkeeren. De ijselijkheden van den marsch, de
honger en de koude hebben de manschappen nog geheel en al bedwelmd.
Hebben wij zelfs niet alle krachten moeten inspannen, om den moed niet
geheel te verliezen; en hoeveel beter is het ons niet gegaan dan de
overigen! Door uwe voorzorg zijn onze manschappen goed gekleed; zij
hebben ten minste goede laarzen en mantels. Ook is er altijd nog iets
voor hen te eten geweest. Maar zie eens naar de anderen! Met lompen
bedekt, met gescheurde schoenen, moesten zij de schrikkelijke nachten
onder den blooten hemel doorbrengen, zich den ganschen dag door de
sneeuw heenwerken. Wanneer de rampen zoo hoog stijgen, dat in de straf
der ongehoorzaamheid geen schrik meer ligt, dan laat zich de tucht niet
meer bewaren.”
„Maar het _verderf_ ligt er in,” sprak Rasinski met nadruk, „het
verderf van het geheel en van een ieder in het bijzonder. Dat zien de
razenden niet in. Gevaar en nood zouden voor allen de helft minder
zijn, wanneer niemand uit eigenbelang er zich aan zocht te onttrekken.
Van twintig of honderd gelukt het aan één, de overigen gaan des te
spoediger verloren.”
„Laat hun slechts twee dagen tijd, om te bekomen, dan zullen zij weder
vatbaar zijn voor verstandigen raad en tot gehoorzaamheid terugkeeren!”
„Maar is het dan nog tijd? Hebben zij niet reeds hunne wapenen
weggeworpen? Zijn zij voor de overigen niet reeds een ballast geworden,
zonder zelven iets ter hulpe bij te dragen?—De keizer moet buiten zich
zelf raken op dat gezicht.”
Jaromir, Bernard en Lodewijk traden binnen. Zij kwamen uit de stallen,
waar alle paarden goed verzorgd waren.
„Het is het eerste behoorlijke voeder, dat onze beesten krijgen, sinds
wij Moskou verlaten hebben,” zeide Jaromir. „Dat wil zeggen, onder
behoorlijk voeder versta ik half stroo, half haver en nauwelijks het
derde part van een gewoon rantsoen. Doch men ziet, hoe de dieren er
zich aan te goed doen!”
„Geeft hun om 's hemels wil geen volle maat! Nauwelijks morgen of
overmorgen zullen zij het kunnen verdragen,” merkte Rasinski aan.
„Wees onbezorgd,” hernam Jaromir, „ik heb zelf overal mijn oog laten
gaan.”
„Goed,” antwoordde Rasinski; „doch laat ons nu aan ons zelven denken.
Het is de eerste maaltijd, dien wij sinds langen tijd onder dak
zittende en in vertrouwelijk gesprek zullen nuttigen.”
Rasinski had alle nog overige officieren bij zich in de tamelijk
bewoonbare kamer genoodigd. Het was de eerste maal, dat hij een
klein voorrecht boven zijne makkers genoot 't welk zij hem nog met
geweld hadden opgedrongen. Hij meende het ditmaal te mogen aannemen,
wijl het zijn manschappen naar tijdsomstandigheden goed ging. Daarom
veroorloofde hij zich ook met zijne vrienden het genot van ééne flesch
wijn; de keizer had uit zijn eigen kelder ieder regiments-kommandant
twee flesschen laten uitreiken.—„Laat ons,” zeide Rasinski, „de andere
bewaren, tot wij die dringender noodig hebben.”
Na den maaltijd sloot de vermoeienis allen de oogen, en zij genoten
de kostelijke verkwikking van den slaap zonder ieder oogenblik door
de pijn hunner leden, die van koude verstijfden, of door de vlam van
het wachtvuur verschroeiden, uit de dommelige verdooving opgewekt te
worden, die hen op het bivak in plaats van eene lichte sluimering
beving.