Voor en in Dogorobuye betrok het leger na dezen vreeselijken dag het
bivak. Met verlamde en verkleumde ledematen bereikten de krijgslieden
de rustplaats; hunne kleederen waren doornat geweest en toen door de
strenger geworden nachtvorst op het lichaam bevroren. Open geschuurd
aan armen en beenen, werd hun iedere voetstap tot pijniging. En
thans moesten zij eerst de moeielijke voorbereidingen tot het bivak
maken, hout, stroo en voeder voor hunne paarden, levensmiddelen voor
zich zelven bijeenbrengen. Door zijn aanzien en zijne onvermoeide
werkzaamheid was het Rasinski wederom gelukt, een ellendig huis
te bezetten, dat ten minste de helft zijner manschappen onder dak
bracht. Hij zelf bleef in de open lucht. Door woorden en voorbeeld
moedigde hij de vermoeiden aan, nog spoedig het geringere dagwerk te
doen, hout te kappen, te koken, eene plek van de sneeuw te zuiveren
tot eene legerstede. Doch met diepe smart zag hij, dat hem vijftien
zijner manschappen ontbraken, die eerst, toen het volkomen duister was
geworden, verloren waren geraakt. Nauwelijks mocht hij hopen, dat zij
nog terecht zouden komen. Bovendien waren er op dien eenen dag drie en
twintig paarden nedergevallen! Hoe moest dit eindigen! Doch hoe donker
de toekomst voor Rasinski's blikken lag, des te machtiger ondervond
hij de noodzakelijkheid, om het tegenwoordige een helder gelaat te
vertoonen en het moedig tegen te treden, opdat zij, die bestemd waren,
om hun moed uit den zijnen te putten, niet te vergeefs het oog op hem
zouden richten. Hij sprak hun vriendelijk toe, troostte, vermaande tot
orde en onversaagde werkzaamheid.
De vaste, geruststellende toon zijner woorden, hunne onloochenbare
waarheid, het heldere voorhoofd, dat hij bewaarde, gaven de hoop zelfs
aan den moedelooste weder.
Hij liet het echter niet bij woorden blijven, maar paarde daarmede
daden en gaf zijne korte, bestemde bevelen. „Zuivert deze plaats hier
van de sneeuw. Die aarden wal zal ons tegen den wind dekken. Daar
ginder aan den hoek van dat bosch moet hout gekapt en bezems gebonden
worden, om de sneeuw weg te vegen. Jaromir, neem twintig man en ontvang
hooi en haver; bij het hoofdkwartier der cavalerie zal eene uitdeeling
worden gedaan.—Gij, die te voet geloopen hebt, rust in dit huis
uit, het zal u bergen, wel wat nauw, maar daarvoor zult gij elkander
verwarmen.”
Deze bevelen werden stipt uitgevoerd. Slechts Lodewijk en Bernard
snelden niet met de overigen naar de hut.
„Waarom legt gij u niet neer, mijne vrienden?” vroeg Rasinski dringend.
„Wij blijven bij u,” antwoorden beiden.
„Ontzeg ons deze aangename gewoonte niet,” voer Lodewijk voort; „uwe
nabijheid, het vertrouwen op u geeft ons meer kracht dan dit dak. En
wat gij dezen nacht kunt verduren, dat zal ons ook niet wegmaaien.”
Zoo wies de liefde, de trouw in den tijd van den nood. „Welaan dan,
zooals gij wilt,” zeide Rasinski met aandoening; „doch gij zult dan
altijd het hardste lot deelen, want gij weet, dat ik niets boven mijne
manschappen vooruit wil of mag hebben.”
Reeds kwamen eenige manschappen met versch gekapt hout aan. Er werd
een plek van sneeuw gezuiverd en een vuur aangestoken. Lang duurde
het eer de vlam opsloeg, want het hout was jong en vochtig; doch na
een uur was ook dit overwonnen, en daar door Rasinski's zorg nog
eenige levensmiddelen voorhanden waren, welke hij zuinig, maar eerlijk
liet verdeelen, zoo vond het vermoeide lichaam ook spoedig eenige
verkwikking. Officieren en manschappen legerden zich in dicht gesloten
rijen om het vuur, elkander met broederarmen omvattende en verwarmende.
Zoo rustte Lodewijk aan Bernards borst en Rasinski lag met het hoofd
op zijn schouder; aan de andere zijde lagen Jaromir en Boleslaw in
elkanders armen. De vriendschap trotseerde den ruwen storm en de sneeuw
van den winternacht en bracht haar heilig leven in de omringende
verstijving over.
Lodewijk was ten uiterste afgemat; slechts de gedachte aan zijne
verlatene zuster, aan hare ontroostbaarheid, wanneer hij mocht vallen,
had zijn zwakker gevormd lichaam den moed ingestort, de ongehoorde
inspanning te verdragen, waaronder hij dikwijls meende te bezwijken,
en misschien ook bezweken was, zoo niet Bernard hem met zijn sterker
gestel en veerkrachtiger ziel getrouw was op zijde gebleven. Doch,
wanneer deze rampen zich herhaalden, wat dan? Met eene inwendige
rilling wendde Lodewijk zich van deze voorstelling af. Zijn leven
scheen hem in de akeligheden van een duisteren nacht ingeweven; doch
daar zweefde uit den zwarten, donkeren achtergrond, waarin zijn oog
zich verloor, hem het heilige beeld zijner liefde te gemoet.—Ja, zij
zal uw beschermgeest zijn, dacht hij met verlevendigde kracht, zij,
eene heilige, zal u troostend, reddend omzweven. Keerde zij niet reeds
eenmaal het verderf van uw hoofd? O gewis, gewis is zij mij nabij!—Hij
gaf zich met een zoet verlangen aan deze bedriegelijke verwachtingen
over.—Zouden onze lotgevallen slechts daarom zoo raadselachtig
ineengeweven zijn geworden, om eeuwig onopgelost te blijven? Neen, dat
kan de Almachtige niet willen. Hij voert ons niet langs zijne donkere
kronkelpaden, om ons midden in den doolhof te verlaten, maar om ons
tot het wonderbare doel Zijner genade en wijsheid te leiden. De koude
wet der natuur is niet zoo hardvochtig, dat het hare duizende kiemen
en zaden slechts daarom zoude ontwikkelen, om ze in het opgroeien te
verstikken; hoe zoude de eeuwige, heilige wet der Voorzienigheid dan
zich zelve zoo gruwzaam honen! Neen, de dag zal aanbreken, die alles
oplost; het uur moet slaan, in hetwelk de liefelijke gestalte u te
gemoet treedt, u de hand reikt en met zoetklinkende stem zegt: De
beproevingen zijn overwonnen; thans wenkt u het loon.
Maar hoe, wanneer het eerst aan gene zijde ware?—En waarom dan niet?
Wanneer achter den onafzienbaren nacht, die ons omgeeft, de eeuwig
heldere dag schittert, wanneer over het ondoordringbaar gewelf des
hemels dat boven ons staat, reine, heldere sterren schijnen, duizenden
van zonnen zwieren—hoe zou dan slechts de nacht onzer ziel onverlicht
blijven? Moed, vertrouwen, vast geloof! En evenwel, hoe machtig bindt
mij dit heilige leven hier op aarde, dat ik warm, lichamelijk, met
zelfbewustzijn gevoel! Algoede Vader! O, zend Uwen zegen reeds in de
aardsche borst neder, los de raadsels, in welke Gij ons hier laat
wandelen, ook hier weder op! Laat dit hart niet breken in ongestild
verlangen! Waarom moeten wij het met namelooze smart koopen? Ik lijd
als een pelgrim dezer aarde, laat mij ook hier rust en lafenis vinden!
Voor de wonderen der eeuwigheid is mijn boezem te eng. Geef mij, wat
ik vermag te vatten. O, Gij zijt immers zoo rijk in zaligheid, dat
Gij ons hier eene opgevulde maat kunt reiken en daar evenwel nog eene
grenzelooze zee van verheerlijking voor ons uitbreidt! Gij geeft mij
aan dit leven, en dit leven aan mij. Vader, is het dan een schuld mijns
harten, wanneer ik met innige liefde aan zijne reinste genoegens hang?
Onder deze gedachten bekroop hem de meer verdoovende dan verkwikkende
slaap. Doch de vermoeide natuur haakte gierig naar die karig verleende
verkwikking.
Spoedig omving hem de droomgod en spon de bedriegelijkste droombeelden
om zijne ziel. De woeste tooneelen van dezen dag schemerden hem nog
voor de gesloten oogen. Zijn in halve bewusteloosheid wegzinkende geest
vernam nog de naklanken van zijn waken. De wezenlijkheid versterkte ze.
Zoo doolde Lodewijk ademloos, uitgeput, met geboeide voeten, welker
looden zwaarte hij niet kon overwinnen, want de banden des slaaps en
zijn liggen stremden de beweging der spieren, door diepe sneeuwvelden
rond. De storm huilde om hem heen, want zijn oor vernam dien in
den slaap, hoe hij over de toppen der boomen gierde, en scheurde
wijdgapende kloven in den dwarrelenden oceaan van grauwe wolken, die
hem omgaf. Wanneer de nevels zich verdeelden, meende hij van verre eene
zonnige landstreek te zien schemeren, naar welke hij vol verlangen
zijne armen uitstrekte.—Waar ben ik? Alleen in deze woestijn! Ach,
thans zie ik het; het is immers de St. Bernard met zijne sneeuwvelden,
waarop ik verdoold ben. Dezen helderen schijn moet ik volgen, dan
bereik ik het schoone land aan mijne voeten.
Zoo fluisterde hem de stem in den droom toe, en de goedertieren God
leende hem zijne vleugelen, om hem zacht naar die schoone beemden
omlaag te voeren.
Thans wordt het mij licht om het hart; met deze wolk zweef ik naar
beneden.—Gelijk zoo menigmaal in den droom, had hij natuurlijk, daar
hij lag, het gevoel, alsof hij zachtjes van eene hoogte afzweefde. De
nevel en wolkengedaanten verdeelden zich, de sneeuw verdween; Lodewijk
meende op eene zachte, groene bergweide, langs een rotsachtig dal, te
wandelen.—O, Goddank, dat ik mij uit deze wildernis weder op het goede
pad bevind! Daar achter mij ligt immers het hospitum op de besneeuwde
hoogte; hier daal ik naar Aosta af. O gij lieve, aanminnige, waarom
vliedt gij voor mij? Ik zie immers uw groenen sluier fladderen; ik heb
u immers reeds lang herkend! Bianca! Bianca! Waarom wacht gij mij niet?
Waarom wilt gij, gelijk toen, immer verder en verder heentrekken!—Daar
wendde zich de edele gestalte der geliefde om en zij sloeg den sluier
op en zag hem liefelijk glimlachende aan. Ik ben u immers zoo nabij!
Een droom kwelt u, dat gij mij zoo roept. Ziet gij het bekoorlijk
landschap niet om ons heen? Vat moed, zet u bij mij op deze bank bij de
hut. Ja, mijn geliefde, hier willen wij wonen, hier is het huiselijk en
stil. Zie slechts hoe de wijngaard zich om het venster slingert en de
breede kastanjeboom, die zijne takken wijd over het dak uitspreidt!
Als een lentekoeltje troffen hem deze woorden, en een zoete, zalige
weemoed drong in zijn hart. Bianca! Is het dan geen droom? Ben ik
eindelijk met u vereenigd? riep hij beangst en strekte zijne armen
der geliefde te gemoet. Zij neigde zich naar hem toe, hij trok haar
tot zich en drukte haar bevend aan zijn kloppend hart. Zij zaten
nevens elkander op het gras, tegen den stam van den ouden kastanjeboom
geleund. Lodewijk had zijn arm zacht om den hals der aanminnige
geslagen, en zij liet haar hoofd op zijne schouders rusten; hunne
handen hielden ze in elkaar geklemd.
De droom sleurde den sluimerende in nieuwe verwarde voorstellingen
mede. Door den storm en de warrelende sneeuw, die zijn aangezicht
_werkelijk_ trof, werd hij uit de aangename beelden, welke zijn
verlangen hem voorspiegelde, onmeedoogend uitgedreven. Hij geloofde met
Bianca te vluchten. Waarheen zij zich wendden ploften sneeuwvallen.
De herinneringen aan dien eersten nacht op den Simplon stegen in
wonderlijk samenvloeiende beelden in zijne ziel op. Hij geloofde diep
begraven te zijn, maar des te inniger en angstvoller drukte hij de
bevende geliefde aan zijn hart. Hij troostte haar. Wees niet bang,
mijn lieve. Weet gij nog, toen wij in dien eersten nacht naar redding
wachtten? Ach, hoe haakte toen mijn hart naar uwe omarming. Bemindet
gij mij dan toen reeds?—Sinds het oogenblik, dat ik u voor het eerst
zag, antwoordde zij met eene onuitsprekelijke zoete stem, toen gij mij
den gouden armband bracht, weet gij nog? Het was immers bij de hut in
het dal, waar wij zoo even vertoefden.
O, toen! Hoe schoon was het toen, daar ik uw gelaat voor het eerst
aanschouwde; gij lachtet mij tegen als de lente van Italië, naar welke
wij afstegen. Ziet gij, daar opent zich de zwarte poort; zie slechts,
hoe de heldere stralen der zon er binnendringen.
Hij ging arm in arm met de geliefde naar de opening van het rotshol.
Het dal lag voor hem uitgebreid, de lente opende de eerste knoppen
en lachte van den blauwen hemel over de bergen.—Zie slechts, hoe de
kleine ons te gemoet huppelt. Zij herkent de schoone signora weder,
die zoo vriendelijk tegen haar was. Maar laat ons verder gaan naar de
blauwe meren, de wijnbergen en de bloeiende tuinen. Thans wandelen
wij tusschen de rotsen voort; de zon zal ondergaan, wanneer wij aan
den rand staan en in het zalige land nederblikken. Ziet gij? Ziet
gij—thans dringt haar roode gloed ons in de oogen. Daar achter die Alp
gaat zij onder. Hoe schoon trekt de gouden rook over het geheele dal en
hoe smelten ginds de velden door het avondrood verguld met den hemel
ineen. O, hoe schoon is het hier!
Steeds bekoorlijker beelden tooverde hem de droom voor. Arm in arm
wandelde Lodewijk met zijne geliefde in zalige eenzaamheid door de
lachende beemden. Een schaduwrijk priëel bood hem eene rustplaats.
Onder de lichte kromming der takken door zweefde het oog over dalen en
heuvels, die in het avondpurper gloeiden.
Daar rolde in de verte een doffe donder, aan sneeuwvallen gelijk, die
in den afgrond storten. Hij vliegt op uit de omarming zijner geliefde;
bevend en bleek staat zij voor hem. Ziet gij, roept zij uit, de zon
ontsteekt de aarde en alles vlamt op in laaien gloed. Lodewijk staart
voor zich. Eene woeste zee golft rondom hem henen. Vol ontzetting
wil hij vlieden. Zijn voet is aan den grond gekluisterd. De geliefde
vliegt door den nacht; slechts haar wit gewaad ziet hij schemeren. Hij
strekt de armen naar haar uit, hij wil haar roepen, de stem begeeft
hem; de vlammen branden hem met stekende pijn in de oogen. Daar treft
plotseling een donderend geraas zijn oor en verbreekt met geweld de
boeien des slaaps, die hem nog in hunne verdoovende kluisters hielden.
Hij springt op en ziet verwilderd om zich heen.
Zelfs wakend staat hij nog onthutst en kan het onmetelijk verschil
tusschen droom en werkelijkheid niet begrijpen. Eindelijk verneemt hij
de roffelende trommels en trompetten, het sein om op te breken. De
wind drijft hem de hoog opflikkerende vlam van het wachtvuur in het
gelaat, die zich reeds zoo verschrikkelijk in zijne droomen gemengd
had, totdat het krijgsrumoer den voorhang, die zijn bewustzijn omhulde,
plotseling verscheurde. Thans eerst gevoelt hij, hoe de ruwe hand der
werkelijkheid hem onverbiddelijk aantast en hem uit den liefelijken
waan opschudt. Verdwenen is het beeld der geliefde, verzonken de
toovertuinen zijner droomen, verduisterd het hem omringende Eden.
Alleen het onbegrensde der ijskoude woestenij en der duisternis is
overig. Uit de gewesten der zaligen is hij in de plaats der verdoemden
nedergestort. Welk een gruwelijke spot. Dat is te veel! Verpletterend
daalt de smart in zijne borst. Zij moet breken onder dezen last.
Daar vatte Bernard zijne hand en ziet hem verwonderd in de oogen. „Wat
deert u, Lodewijk?” vroeg hij met eene zachte stem.
Hij omarmde hem vurig; aan het hart zijns vriends loste zich de akelige
verstijving zijner borst op, en in zachte golven vloot nu de diepe,
onuitputtelijke stroom zijner kwellingen voort.