HOOFDSTUK VII.

Voor en in Dogorobuye betrok het leger na dezen vreeselijken dag het

bivak. Met verlamde en verkleumde ledematen bereikten de krijgslieden

de rustplaats; hunne kleederen waren doornat geweest en toen door de

strenger geworden nachtvorst op het lichaam bevroren. Open geschuurd

aan armen en beenen, werd hun iedere voetstap tot pijniging. En

thans moesten zij eerst de moeielijke voorbereidingen tot het bivak

maken, hout, stroo en voeder voor hunne paarden, levensmiddelen voor

zich zelven bijeenbrengen. Door zijn aanzien en zijne onvermoeide

werkzaamheid was het Rasinski wederom gelukt, een ellendig huis

te bezetten, dat ten minste de helft zijner manschappen onder dak

bracht. Hij zelf bleef in de open lucht. Door woorden en voorbeeld

moedigde hij de vermoeiden aan, nog spoedig het geringere dagwerk te

doen, hout te kappen, te koken, eene plek van de sneeuw te zuiveren

tot eene legerstede. Doch met diepe smart zag hij, dat hem vijftien

zijner manschappen ontbraken, die eerst, toen het volkomen duister was

geworden, verloren waren geraakt. Nauwelijks mocht hij hopen, dat zij

nog terecht zouden komen. Bovendien waren er op dien eenen dag drie en

twintig paarden nedergevallen! Hoe moest dit eindigen! Doch hoe donker

de toekomst voor Rasinski's blikken lag, des te machtiger ondervond

hij de noodzakelijkheid, om het tegenwoordige een helder gelaat te

vertoonen en het moedig tegen te treden, opdat zij, die bestemd waren,

om hun moed uit den zijnen te putten, niet te vergeefs het oog op hem

zouden richten. Hij sprak hun vriendelijk toe, troostte, vermaande tot

orde en onversaagde werkzaamheid.

De vaste, geruststellende toon zijner woorden, hunne onloochenbare

waarheid, het heldere voorhoofd, dat hij bewaarde, gaven de hoop zelfs

aan den moedelooste weder.

Hij liet het echter niet bij woorden blijven, maar paarde daarmede

daden en gaf zijne korte, bestemde bevelen. „Zuivert deze plaats hier

van de sneeuw. Die aarden wal zal ons tegen den wind dekken. Daar

ginder aan den hoek van dat bosch moet hout gekapt en bezems gebonden

worden, om de sneeuw weg te vegen. Jaromir, neem twintig man en ontvang

hooi en haver; bij het hoofdkwartier der cavalerie zal eene uitdeeling

worden gedaan.—Gij, die te voet geloopen hebt, rust in dit huis

uit, het zal u bergen, wel wat nauw, maar daarvoor zult gij elkander

verwarmen.”

Deze bevelen werden stipt uitgevoerd. Slechts Lodewijk en Bernard

snelden niet met de overigen naar de hut.

„Waarom legt gij u niet neer, mijne vrienden?” vroeg Rasinski dringend.

„Wij blijven bij u,” antwoorden beiden.

„Ontzeg ons deze aangename gewoonte niet,” voer Lodewijk voort; „uwe

nabijheid, het vertrouwen op u geeft ons meer kracht dan dit dak. En

wat gij dezen nacht kunt verduren, dat zal ons ook niet wegmaaien.”

Zoo wies de liefde, de trouw in den tijd van den nood. „Welaan dan,

zooals gij wilt,” zeide Rasinski met aandoening; „doch gij zult dan

altijd het hardste lot deelen, want gij weet, dat ik niets boven mijne

manschappen vooruit wil of mag hebben.”

Reeds kwamen eenige manschappen met versch gekapt hout aan. Er werd

een plek van sneeuw gezuiverd en een vuur aangestoken. Lang duurde

het eer de vlam opsloeg, want het hout was jong en vochtig; doch na

een uur was ook dit overwonnen, en daar door Rasinski's zorg nog

eenige levensmiddelen voorhanden waren, welke hij zuinig, maar eerlijk

liet verdeelen, zoo vond het vermoeide lichaam ook spoedig eenige

verkwikking. Officieren en manschappen legerden zich in dicht gesloten

rijen om het vuur, elkander met broederarmen omvattende en verwarmende.

Zoo rustte Lodewijk aan Bernards borst en Rasinski lag met het hoofd

op zijn schouder; aan de andere zijde lagen Jaromir en Boleslaw in

elkanders armen. De vriendschap trotseerde den ruwen storm en de sneeuw

van den winternacht en bracht haar heilig leven in de omringende

verstijving over.

Lodewijk was ten uiterste afgemat; slechts de gedachte aan zijne

verlatene zuster, aan hare ontroostbaarheid, wanneer hij mocht vallen,

had zijn zwakker gevormd lichaam den moed ingestort, de ongehoorde

inspanning te verdragen, waaronder hij dikwijls meende te bezwijken,

en misschien ook bezweken was, zoo niet Bernard hem met zijn sterker

gestel en veerkrachtiger ziel getrouw was op zijde gebleven. Doch,

wanneer deze rampen zich herhaalden, wat dan? Met eene inwendige

rilling wendde Lodewijk zich van deze voorstelling af. Zijn leven

scheen hem in de akeligheden van een duisteren nacht ingeweven; doch

daar zweefde uit den zwarten, donkeren achtergrond, waarin zijn oog

zich verloor, hem het heilige beeld zijner liefde te gemoet.—Ja, zij

zal uw beschermgeest zijn, dacht hij met verlevendigde kracht, zij,

eene heilige, zal u troostend, reddend omzweven. Keerde zij niet reeds

eenmaal het verderf van uw hoofd? O gewis, gewis is zij mij nabij!—Hij

gaf zich met een zoet verlangen aan deze bedriegelijke verwachtingen

over.—Zouden onze lotgevallen slechts daarom zoo raadselachtig

ineengeweven zijn geworden, om eeuwig onopgelost te blijven? Neen, dat

kan de Almachtige niet willen. Hij voert ons niet langs zijne donkere

kronkelpaden, om ons midden in den doolhof te verlaten, maar om ons

tot het wonderbare doel Zijner genade en wijsheid te leiden. De koude

wet der natuur is niet zoo hardvochtig, dat het hare duizende kiemen

en zaden slechts daarom zoude ontwikkelen, om ze in het opgroeien te

verstikken; hoe zoude de eeuwige, heilige wet der Voorzienigheid dan

zich zelve zoo gruwzaam honen! Neen, de dag zal aanbreken, die alles

oplost; het uur moet slaan, in hetwelk de liefelijke gestalte u te

gemoet treedt, u de hand reikt en met zoetklinkende stem zegt: De

beproevingen zijn overwonnen; thans wenkt u het loon.

Maar hoe, wanneer het eerst aan gene zijde ware?—En waarom dan niet?

Wanneer achter den onafzienbaren nacht, die ons omgeeft, de eeuwig

heldere dag schittert, wanneer over het ondoordringbaar gewelf des

hemels dat boven ons staat, reine, heldere sterren schijnen, duizenden

van zonnen zwieren—hoe zou dan slechts de nacht onzer ziel onverlicht

blijven? Moed, vertrouwen, vast geloof! En evenwel, hoe machtig bindt

mij dit heilige leven hier op aarde, dat ik warm, lichamelijk, met

zelfbewustzijn gevoel! Algoede Vader! O, zend Uwen zegen reeds in de

aardsche borst neder, los de raadsels, in welke Gij ons hier laat

wandelen, ook hier weder op! Laat dit hart niet breken in ongestild

verlangen! Waarom moeten wij het met namelooze smart koopen? Ik lijd

als een pelgrim dezer aarde, laat mij ook hier rust en lafenis vinden!

Voor de wonderen der eeuwigheid is mijn boezem te eng. Geef mij, wat

ik vermag te vatten. O, Gij zijt immers zoo rijk in zaligheid, dat

Gij ons hier eene opgevulde maat kunt reiken en daar evenwel nog eene

grenzelooze zee van verheerlijking voor ons uitbreidt! Gij geeft mij

aan dit leven, en dit leven aan mij. Vader, is het dan een schuld mijns

harten, wanneer ik met innige liefde aan zijne reinste genoegens hang?

Onder deze gedachten bekroop hem de meer verdoovende dan verkwikkende

slaap. Doch de vermoeide natuur haakte gierig naar die karig verleende

verkwikking.

Spoedig omving hem de droomgod en spon de bedriegelijkste droombeelden

om zijne ziel. De woeste tooneelen van dezen dag schemerden hem nog

voor de gesloten oogen. Zijn in halve bewusteloosheid wegzinkende geest

vernam nog de naklanken van zijn waken. De wezenlijkheid versterkte ze.

Zoo doolde Lodewijk ademloos, uitgeput, met geboeide voeten, welker

looden zwaarte hij niet kon overwinnen, want de banden des slaaps en

zijn liggen stremden de beweging der spieren, door diepe sneeuwvelden

rond. De storm huilde om hem heen, want zijn oor vernam dien in

den slaap, hoe hij over de toppen der boomen gierde, en scheurde

wijdgapende kloven in den dwarrelenden oceaan van grauwe wolken, die

hem omgaf. Wanneer de nevels zich verdeelden, meende hij van verre eene

zonnige landstreek te zien schemeren, naar welke hij vol verlangen

zijne armen uitstrekte.—Waar ben ik? Alleen in deze woestijn! Ach,

thans zie ik het; het is immers de St. Bernard met zijne sneeuwvelden,

waarop ik verdoold ben. Dezen helderen schijn moet ik volgen, dan

bereik ik het schoone land aan mijne voeten.

Zoo fluisterde hem de stem in den droom toe, en de goedertieren God

leende hem zijne vleugelen, om hem zacht naar die schoone beemden

omlaag te voeren.

Thans wordt het mij licht om het hart; met deze wolk zweef ik naar

beneden.—Gelijk zoo menigmaal in den droom, had hij natuurlijk, daar

hij lag, het gevoel, alsof hij zachtjes van eene hoogte afzweefde. De

nevel en wolkengedaanten verdeelden zich, de sneeuw verdween; Lodewijk

meende op eene zachte, groene bergweide, langs een rotsachtig dal, te

wandelen.—O, Goddank, dat ik mij uit deze wildernis weder op het goede

pad bevind! Daar achter mij ligt immers het hospitum op de besneeuwde

hoogte; hier daal ik naar Aosta af. O gij lieve, aanminnige, waarom

vliedt gij voor mij? Ik zie immers uw groenen sluier fladderen; ik heb

u immers reeds lang herkend! Bianca! Bianca! Waarom wacht gij mij niet?

Waarom wilt gij, gelijk toen, immer verder en verder heentrekken!—Daar

wendde zich de edele gestalte der geliefde om en zij sloeg den sluier

op en zag hem liefelijk glimlachende aan. Ik ben u immers zoo nabij!

Een droom kwelt u, dat gij mij zoo roept. Ziet gij het bekoorlijk

landschap niet om ons heen? Vat moed, zet u bij mij op deze bank bij de

hut. Ja, mijn geliefde, hier willen wij wonen, hier is het huiselijk en

stil. Zie slechts hoe de wijngaard zich om het venster slingert en de

breede kastanjeboom, die zijne takken wijd over het dak uitspreidt!

Als een lentekoeltje troffen hem deze woorden, en een zoete, zalige

weemoed drong in zijn hart. Bianca! Is het dan geen droom? Ben ik

eindelijk met u vereenigd? riep hij beangst en strekte zijne armen

der geliefde te gemoet. Zij neigde zich naar hem toe, hij trok haar

tot zich en drukte haar bevend aan zijn kloppend hart. Zij zaten

nevens elkander op het gras, tegen den stam van den ouden kastanjeboom

geleund. Lodewijk had zijn arm zacht om den hals der aanminnige

geslagen, en zij liet haar hoofd op zijne schouders rusten; hunne

handen hielden ze in elkaar geklemd.

De droom sleurde den sluimerende in nieuwe verwarde voorstellingen

mede. Door den storm en de warrelende sneeuw, die zijn aangezicht

_werkelijk_ trof, werd hij uit de aangename beelden, welke zijn

verlangen hem voorspiegelde, onmeedoogend uitgedreven. Hij geloofde met

Bianca te vluchten. Waarheen zij zich wendden ploften sneeuwvallen.

De herinneringen aan dien eersten nacht op den Simplon stegen in

wonderlijk samenvloeiende beelden in zijne ziel op. Hij geloofde diep

begraven te zijn, maar des te inniger en angstvoller drukte hij de

bevende geliefde aan zijn hart. Hij troostte haar. Wees niet bang,

mijn lieve. Weet gij nog, toen wij in dien eersten nacht naar redding

wachtten? Ach, hoe haakte toen mijn hart naar uwe omarming. Bemindet

gij mij dan toen reeds?—Sinds het oogenblik, dat ik u voor het eerst

zag, antwoordde zij met eene onuitsprekelijke zoete stem, toen gij mij

den gouden armband bracht, weet gij nog? Het was immers bij de hut in

het dal, waar wij zoo even vertoefden.

O, toen! Hoe schoon was het toen, daar ik uw gelaat voor het eerst

aanschouwde; gij lachtet mij tegen als de lente van Italië, naar welke

wij afstegen. Ziet gij, daar opent zich de zwarte poort; zie slechts,

hoe de heldere stralen der zon er binnendringen.

Hij ging arm in arm met de geliefde naar de opening van het rotshol.

Het dal lag voor hem uitgebreid, de lente opende de eerste knoppen

en lachte van den blauwen hemel over de bergen.—Zie slechts, hoe de

kleine ons te gemoet huppelt. Zij herkent de schoone signora weder,

die zoo vriendelijk tegen haar was. Maar laat ons verder gaan naar de

blauwe meren, de wijnbergen en de bloeiende tuinen. Thans wandelen

wij tusschen de rotsen voort; de zon zal ondergaan, wanneer wij aan

den rand staan en in het zalige land nederblikken. Ziet gij? Ziet

gij—thans dringt haar roode gloed ons in de oogen. Daar achter die Alp

gaat zij onder. Hoe schoon trekt de gouden rook over het geheele dal en

hoe smelten ginds de velden door het avondrood verguld met den hemel

ineen. O, hoe schoon is het hier!

Steeds bekoorlijker beelden tooverde hem de droom voor. Arm in arm

wandelde Lodewijk met zijne geliefde in zalige eenzaamheid door de

lachende beemden. Een schaduwrijk priëel bood hem eene rustplaats.

Onder de lichte kromming der takken door zweefde het oog over dalen en

heuvels, die in het avondpurper gloeiden.

Daar rolde in de verte een doffe donder, aan sneeuwvallen gelijk, die

in den afgrond storten. Hij vliegt op uit de omarming zijner geliefde;

bevend en bleek staat zij voor hem. Ziet gij, roept zij uit, de zon

ontsteekt de aarde en alles vlamt op in laaien gloed. Lodewijk staart

voor zich. Eene woeste zee golft rondom hem henen. Vol ontzetting

wil hij vlieden. Zijn voet is aan den grond gekluisterd. De geliefde

vliegt door den nacht; slechts haar wit gewaad ziet hij schemeren. Hij

strekt de armen naar haar uit, hij wil haar roepen, de stem begeeft

hem; de vlammen branden hem met stekende pijn in de oogen. Daar treft

plotseling een donderend geraas zijn oor en verbreekt met geweld de

boeien des slaaps, die hem nog in hunne verdoovende kluisters hielden.

Hij springt op en ziet verwilderd om zich heen.

Zelfs wakend staat hij nog onthutst en kan het onmetelijk verschil

tusschen droom en werkelijkheid niet begrijpen. Eindelijk verneemt hij

de roffelende trommels en trompetten, het sein om op te breken. De

wind drijft hem de hoog opflikkerende vlam van het wachtvuur in het

gelaat, die zich reeds zoo verschrikkelijk in zijne droomen gemengd

had, totdat het krijgsrumoer den voorhang, die zijn bewustzijn omhulde,

plotseling verscheurde. Thans eerst gevoelt hij, hoe de ruwe hand der

werkelijkheid hem onverbiddelijk aantast en hem uit den liefelijken

waan opschudt. Verdwenen is het beeld der geliefde, verzonken de

toovertuinen zijner droomen, verduisterd het hem omringende Eden.

Alleen het onbegrensde der ijskoude woestenij en der duisternis is

overig. Uit de gewesten der zaligen is hij in de plaats der verdoemden

nedergestort. Welk een gruwelijke spot. Dat is te veel! Verpletterend

daalt de smart in zijne borst. Zij moet breken onder dezen last.

Daar vatte Bernard zijne hand en ziet hem verwonderd in de oogen. „Wat

deert u, Lodewijk?” vroeg hij met eene zachte stem.

Hij omarmde hem vurig; aan het hart zijns vriends loste zich de akelige

verstijving zijner borst op, en in zachte golven vloot nu de diepe,

onuitputtelijke stroom zijner kwellingen voort.

1812: Historische roman · 第 97 / 154 题