HOOFDSTUK VI.

Een ruwe, snerpende wind verhief zich tegen den avond. Hoe dicht

zich de vermoeide krijgslieden ook om de vuren legerden, doch

verkleumden hun bijna de ledematen daar, waar zij niet naar de vlam

waren toegekeerd. Met verlangen werd naar het morgenrood, als het

einde dezer kwelling, uitgezien. Eindelijk klonk het geluid der

trommels en trompetten tot opbreken. Doch juist thans eerst had de

slaap aangevangen, de overmacht op koude en honger te verkrijgen, en

nu moesten de door marschen en honger oververmoeiden zich met geweld

oprichten. Velen waren zelfs door sterk schudden en roepen niet in

beweging te brengen, zoo verlamden koude en vermoeidheid hun de leden.

Als zij eindelijk op hunne voeten stonden, wankelden zij met weigerende

knieën eenige treden voort, doch vielen bij de geringste oneffenheid

van den grond tuimelend, als verdoofd, weer neder.—Rasinski trad

op eene hoogte, van waar hij zijne wachtvuren overzag. „Hier heen,

kameraden,” riep hij met vaste stem, „hier heen, verzamelt u om mij,

op, op, te paard!” Hem zelf deed de nachtvorst ook nog bibberen, doch,

om den moed zijner manschappen aan te wakkeren, bedwong hij met vaste

wilskracht de vermoeide natuur.

Zoodra de plaats tot aantreden door vele aangekomenen genoegzaam was

aangeduid, ging hij bij de wachtvuren rond, waar eenige talmers en

zwakken nog achterbleven, en sprak hun moed in. „Houdt moed, mijne

jongens! De nacht was bar, maar de dag zal beter zijn. Wanneer gij maar

eerst in beweging zijt, zult gij ook wel weer warm worden. Het ontbijt

was schraal, maar ik heb het eerlijk met u gedeeld en gij ziet, ik

ben wel te moede. Verliest slechts den moed niet; hij, die het eerst

wanhoopt, is het eerst verloren. Wij hebben immers reeds menig boozen

dag te zamen doorleefd; waarom laat gij dan heden den moed zakken? Een

Pool wanhoopt nooit!”

Zoo hen toesprekend, ging hij door de gelederen; zijn woord, ja zijn

blik alleen reeds deed den gezonken moed der manschappen herleven;

spoedig zaten allen te paard en begonnen den marsch.

„Het zal van daag laat licht worden,” zeide Bernard tot Lodewijk;

„de hemel moet dik met wolken bezet zijn, want er is geen ster te

zien.—Hoe is u de nacht bekomen?”

„Het was hard; maar men leert iederen dag meer uitstaan,” antwoordde

Lodewijk.

„Ik geloof ook, dat de mensch een plant is, die lichtelijk aan alle

luchtstreken gewent. Wij rukken heden, dunkt mij, de koude in; ten

minste als ik mijn rug, die van nacht naar de windzijde lag, tot

thermometer neem, moeten wij sterk onder het vriespunt gedaald

zijn.—Mijn lijf en gezicht daarentegen hebben den ganschen nacht in de

verzengde luchtstreek gelegen.”

„Pas toch op uwe oogen, mijn vriend; reeds onlangs hebt gij er over

geklaagd,” hernam Lodewijk met goedheid.

„Wat wonder! Ik heb ook nooit gehoord, dat rook van groen hout en

de helle schijn van het vuur een conservatief voor de oogappels

waren.—Intusschen is het waar, mijne oogen zijn in zeker opzicht

mijne schaafbank, mijn ploeg, ja zelfs nog iets beters, de werktuigen

namelijk, waarmede ik den honig uit het leven zuig, dat anders, evenals

de lindebloesem, die toch na de kruiken uit het dal van Chamouny den

besten honig absorbeert, misschien een beetje bitter zou smaken.—Maar

zijn uwe oogen u dat ook niet?”

„O zeker,” zeide Lodewijk weemoedig, want hij dacht aan de liefelijke

gedaante zijner beminde; „doch voor u is het kleinood toch nog

dierbaarder.” Hierbij legde hij zijn vriend de rechterhand op den

schouder, liet ze langs zijn arm afglijden en vatte zijne hand, welke

hij met innigheid drukte.

„De wind is verduiveld scherp!” riep Bernard wrevelig uit, om zijne

aandoening voor den vriend te verbergen.—„Ik ruik zoo iets alsof er

sneeuw in de lucht steekt.”

Inderdaad woei er een scherpe, snijdende noordwesten wind hun vlak in

het gezicht. Na een uur had hij het gelaat reeds tot smartens toe koud

gemaakt en nog scheen hij heviger te worden.

Eindelijk brak de dag aan; doch wat hij liet zien, kon het stille,

akelige van den nacht slechts vermeerderen. Dichte, zwarte wolken

trokken langs den hemel en schenen met ieder oogenblik lager te

drijven. De nevel streek reeds over de dennenbosschen, die langs den

heirweg zich uitstrekten, ja raakte reeds de toppen der hoogste boomen

aan. Al lager en lager daalde zij neder.

„Er is hoop, dat wij een helderen dag krijgen,” zeide Lodewijk tot

Rasinski.

„O ja,” zeide deze ras en stellig, maar hij geloofde het tegendeel,

daar hij het onderscheid tusschen een duitschen en russischen winter

kende.

De dampen vielen niet in droppels ter aarde; zij zonken niet voor de

opstijgende zon neder, om een helderen dag voort te brengen, maar zij

werden dichter en dichter en zweefden, langzaam in het rond dwarrelend,

in de lucht. Eenigen tijd werd het geheel windstil; doch in deze

weinige oogenblikken nam de koude aanmerkelijk toe, en daarop verhief

de wind zich weder met nieuwe kracht en streek met ijskoude vleugelen

over hen heen. Plotseling scheen het, alsof de zwevende dampen

verdwenen en in een dichten rijm nedervielen. Uit hoogere luchtgewelven

vielen enkele sneeuwvlokken neder, en eer men nog tijd had gehad,

zich over deze snelle, zeldzame verandering te verwonderen, scheen

de geheele dampkring in sneeuwvlokken opgelost, die door den wind

gedreven, dwarrelend en jagend de geheele atmospheer vervulden.

Met ontzetting zag de soldaat zich plotseling door den winter

overvallen. Als had hij arglistig eene hinderlaag gelegd, zoo stoof

deze van alle zijden nader en wierp het onmetelijke net over zijn buit

heen. De sneeuw viel zoo dicht en scherp, dat men ze op de wang als het

ware voelde steken, tot deze in verkleumende verstijving gevoelloos

werd. Met stommen schrik togen de scharen der krijgslieden voort.

Het vaste land scheen in weinige oogenblikken in eene beweginglooze,

ongebaande en onbegrensde zee veranderd. Hoe zou zich een uitweg uit

deze woestenij opdoen, waar men geene zon, geen afgelegen bergtop of

toren ontdekken, geen weg voor zijne voeten zien kon? De krijgslieden,

die sinds twintig jaren van de piramiden van Egypte en de woestijnen

van Syrië tot aan den mond van den Taag, van de gebergten van Calabrië

tot aan de golvende Belt, van de Pyreneeën tot aan den voet van het

Uralgebergte over de aarde waren getogen en overal het gevaar een

trotseerenden blik hadden getoond, gevoelden thans voor de eerste maal

het koude spook der ontzetting in hunne borst en staarden met een

vreesachtig voorgevoel naar omhoog, in den dwarrelenden baaierd boven

hunne hoofden, van waar de vlokkige wolken uit onafzienbare hoogte als

een zwartachtige zwerm insecten nederstoven. Het met sneeuw bedekte

en met geheimzinnige snelheid geweven lijkkleed overtoog de geheele

oppervlakte in het rond, en wat het aanraakte scheen de dood voor

eeuwig te verstijven.

Gelijk een zich steeds vernieuwend tooverweefsel breidde het zich

voor de voeten uit en wikkelde iederen tred in de arglistige strikken

zijner fijne draden. Geen ijzeren, onverbreekbare boeien legde het om

den voet, maar het putte, door de duizendmaal herhaalde poging om den

lichten band te verbreken, de krachten uit. De foltering was langzaam,

maar het offer zeker; het stortte niet neder onder een verpletterenden

knodsslag, maar zonk langzamerhand onder een last ineen, die, van

seconde, slechts bij atomen aangroeiende, eindelijk toch de maat van

iedere kracht overtrof.

Bernard trachtte den stommen schrik, dien hij in zijn eigen boezem

ondervond en op het gelaat van al zijne kameraden las, weg te

schertsen. „Ik wenschte wel, dat het sprookje in Herodotus waar was,”

zeide hij, „dat in Scythië zich de lucht dikwijls door neervallende

vederen zoo verdikt, dat een ruiter de ooren van zijn paard niet meer

zien kan. Het ware niet kwaad voor het bivak, wanneer wij het eiderdons

gereed vonden, om ons een warm nest te bezorgen.”

Rasinski, die ernstig bleef, maar in zijne trekken de vaste, moedige

houding niet verloor, verheugde zich, dat Bernard hem in zijne poging,

om eene rustige stemming onder het volk te houden, te gemoet kwam.

„Hebben de ouden dat waarlijk geloofd?” vroeg hij glimlachend.

„Herodotus?” hernam Bernard, „niet zoo geheel en al, ten minste was de

oude stroosnijder de waarheid wel wat op het spoor. Hij vermoedt, dat

het wel sneeuw zou zijn, waarvan de Thraciërs vertelden, want hij had

het ook eens zien sneeuwen.”

„Eenmaal! Die gelukkige Ioniër!” riep Lodewijk bijna onwillekeurig uit.

„Het is mij toch zoo aangenamer,” zeide Rasinski opzettelijk luid; „ik

zou slechte soldaten hebben, wanneer het eiderdons sneeuwde. Dat zoude

ons Capua zijn. Met de soldaten die zich door de sneeuw der Alpen eene

baan gebroken hadden, sloeg Hannibal de Romeinen van den Ticinus tot

aan Cannae.”

„Nu, Capua hebben wij vooreerst nog niet te vreezen,” liet Bernard zich

ontvallen; „het ziet er hier naar geen oranjeboschjes uit.”

De sneeuwmassa werd ondertusschen met iedere minuut dichter. Niet

tevreden met die hij uit de wolken nederschudde, joeg de storm haar

ook van den grond op en sloeg ze zoo den soldaten in het gezicht. Van

alle vlakten en hoogten dreef hij de dwarrelende kolommen aan en vulde

de groeven en lage plaatsen, door welke de weg heen liep.

„Men zou toch denken, dat zoovele duizenden zich spoedig eene vaste

baan moesten maken,” zeide Lodewijk; „doch hier vinden wij vóór ons

geen spoor en achter ons laten wij er geen terug, zoo snel verwaait de

storm het en verdwijnt het onder de altijd vallende sneeuw.”

De trein stopte. Eerst dacht Rasinski, dat het slechts een oponthoud

van eenige minuten zouden zijn, zooals dit bij lange marschcolonnes

dikwijls voorvalt. Doch spoedig bemerkte hij, dat er een ernstiger

hinderpaal moest zijn, want de stilstand duurde al langer. Een adjudant

kwam eindelijk op zijn afgemat paard met moeite door de sneeuw

galoppeeren en sprak Rasinski aan: „Overste! ik breng u de order,

dadelijk de helft uwer paarden uit te leveren, om ze voor het geschut

te spannen. Het kan niet meer voorwaarts in de diepe sneeuw. Voor ons

ligt een holle weg waar de storm haar ter manshoogte opeen gewaaid

heeft. De sappeurs moeten ons eerst baan maken.”

„De cavalerie moet afzitten?” vroeg Rasinski met verwondering, ja

verbazing.

„Het is eene harde noodzakelijkheid, maar de order gaat over alle

regimenten. Zelfs de garde moet afzitten en te voet gaan. Zadel en

gepak blijven op de paarden; de manschappen kunnen hen geleiden.”

Rasinski begreep, dat hij niet weigeren mocht, doch het koste hem een

zware strijd, zijne manschappen, zoo ongewoon aan het gaan, van hunne

paarden te berooven. Echter liet hij van deze gevoelens niets merken en

behandelde dit geval, als alle andere, met ernst, maar als iets zeer

gewoons. Zonder dralen kommandeerde hij: „Eerste en tweede escadron met

sectiën rechts zwenkt! Marsch!” en liet hen ter zijde van het regiment

uit nevens den weg rijden. Thans zwenkten zij met halve sectiën in

colonne en volgden onder Rasinski's aanvoering den vooruit rijdenden

adjudant. Zij moesten hunne paarden twaalf aan twaalf voor de kanonnen

der naaste batterij spannen, wat trouwens in den nood slechts met

touwen en slechte borstzeelen kon geschieden. De manschappen gingen er

te voet naast. „Gij doet heden het werk, morgen zullen uwe kameraden

het doen,” zeide Rasinski. Bernard en Lodewijk behoorden tot het eerste

escadron; zij zouden dus hunne paarden ook moeten gegeven hebben; doch

daar Rasinski hen voor zijn ordonnancedienst bestemd had, behielden

zij ze. Beiden echter gevoelden, dat de tijd, waarin eene uitzondering

mogelijk en geoorloofd was, voorbij was. Het strenge gebod van den

nood, die allen gelijk maakt, was begonnen te heerschen. Nog eenige

zulke dagen, en er zouden nog slechts kameraden, geene officieren en

soldaten meer zijn. Zij reden daarom op Rasinski toe en verzochten hem

in het lot hunner kameraden te mogen deelen.

„O, wanneer ik het u besparen kon,” zeide deze. „Doch morgen _moet_ gij

doen, wat gij heden _wilt_; daarom hebt gij gelijk.”

Zij reden daarop ook naar het hoofd der colonne en meldden zich bij den

artillerie-officier, die de paarden voor een houwitser liet spannen,

wiens ellendig, hoogst vermoeid voorspan de hulp het meest behoefde.

Op deze wijze werd het mogelijk, de artillerie vooruit te brengen; maar

toch nog met de grootste moeite, want de raderen zonken tot aan de

assen in de sneeuw, die in eene taaie massa veranderd was, daar zij

zich met het zand van den grond vermengd had en zich nu vast pakte.

Zweepslagen en vloeken klonken door de lucht. Voor menig stuk zag men

twintig, ja dertig paarden, en toch moest de kracht der menschen de

vermoeide dieren nog te hulp komen.

Zeer langzaam rukte de zwaar bewegelijke massa voorwaarts. Niet alleen

aan de artillerie lag het, maar menschen en paarden geraakten in de

immer dieper wordende sneeuw evenzeer uitgeput. Na weinige uren was

de grootste afmatting reeds daar. De orde in de regimenten verdween,

naarmate de manschappen met uitgeputte krachten achterbleven. Spoedig

marcheerden velen niet meer op den weg, deels wijl men dien in de

sneeuwjacht verloor, deels wijl ieder trachtte een beter pad te vinden.

Zoo dikwijls zich daarom eene hoogere plaats opdeed, waar de storm het

veld van sneeuw gereinigd had, drongen de massa's daarop aan, om ten

minste eenigen tijd eene kleine verlichting te hebben. Doch door velen

werd deze schrikkelijk geboet. Want achter de hoogten volgden dikwijls

diepe aardkloven of ten minste steile hellingen, die, door de sneeuw

bedriegelijk gevuld, met den effen grond gelijk schenen te zijn. De

krijgslieden stortten plotseling tot aan den buik, tot aan de schouders

daarin; anderen volgden, wijl het koude stuiven der vlokken hen

verblindde, onwillekeurig na en stortten over hunne kameraden heen of

drukten hen nog dieper in hun koud graf ter neder. Zoo zag men dikwijls

drie, vier menschen plotseling over elkander heen vallen en in de

sneeuw verdwijnen. Weinigen werkten er zich uit op; de meesten begaven

de krachten; het geweer of het wapen, waarmede zij zich wilden helpen,

ontzonk aan hunne verstijfde handen; zij wilden eenige oogenblikken

rusten, om adem te halen. Dan verlamde de koude hunne leden, zij riepen

wel met stervende stem om hulp, maar niemand hoorde hen in het geloei

van den storm, of de eigene ellende der meesten was reeds zóó hoog

gestegen, dat zij, als bij eene schipbreuk, slechts om hun eigen behoud

dachten. De eerste offers, die op deze wijze vielen, vervulden de ziel

met pijnlijken weemoed; maar toen het aantal vermeerderde, toen dit

bij de invallende duisternis tot honderden, tot duizenden steeg, toen

verstompte de scherpe smart en slechts nog een medelijdende blik trof

hen, die in de koude en gruwelijke omarming verstijfden en te vergeefs

de handen om hulp uitstrekten. Stervend wendde zich hun blik naar het

vaderland, naar hun voorbijtrekkende kameraden; nog een zachte zucht

ontglipte hunne borst, dan dekte de nacht hunne oogleden en hun lijden

was voorbij.—Anderen zonken van afmatting en verstijving ter aarde,

ook zonder in die bedriegelijke kuilen te storten. Een licht omhulsel

werd hun graf, de voortdurend vallende sneeuw bedekte hen met haar

lijkkleed. In het begin duidde nog eene lichte ophooging de plaats aan,

waar de doode lag, doch spoedig herstelde zich de eenvormige woestijn

en ieder spoor van zijn aanwezen was verdwenen.

Thans werd het volkomen nacht; doch geen lichtende ster verhelderde

dien, slechts duisterder nog omhulde zich de hemel en stortte

voortdurend het ijskoude verderf over de aarde uit. De storm verhief

zich ruwer, kouder. Het oog onderscheidde nauwelijks nog het pad voor

de naaste voetstappen; wie zich ter zijde begaf, wie terug bleef,

verdween in de diepte van den nacht; struikelde zijn voet, zoo verzwolg

hem de onafzienbare sneeuwwoestijn. Geen vriend, geen kameraad roept

hem een afscheidsgroet toe; geene hand strekt zich naar hem uit.

Vergeefs haakt de stervende borst naar zijne gelieven, naar zijn

vaderland. Niet om ze gelukkig te bereiken, want tot deze stoute hoop

heeft het hart geene kracht meer; slechts een laatsten liefdegroet

mocht hij zoo gaarne ontvangen, slechts niet zoo vreeselijk alleen in

de akelige omarming des doods verstijven!

Te vergeefs! Uw brekend oog staart vruchteloos naar den hemel, het

krampachtig beven uwer stervende borst roert hem niet meer! Doof

is hij voor het jammeren der vertwijfeling, doof voor het smeeken

van den doodsangst. Vloeken en gebeden kaatsten even machteloos van

zijn ijzeren gewelf terug. De poorten der genade zijn gesloten; het

gigantische rad der vergelding rolt verpletterend over de aarde.

1812: Historische roman · 第 96 / 154 题