Een ruwe, snerpende wind verhief zich tegen den avond. Hoe dicht
zich de vermoeide krijgslieden ook om de vuren legerden, doch
verkleumden hun bijna de ledematen daar, waar zij niet naar de vlam
waren toegekeerd. Met verlangen werd naar het morgenrood, als het
einde dezer kwelling, uitgezien. Eindelijk klonk het geluid der
trommels en trompetten tot opbreken. Doch juist thans eerst had de
slaap aangevangen, de overmacht op koude en honger te verkrijgen, en
nu moesten de door marschen en honger oververmoeiden zich met geweld
oprichten. Velen waren zelfs door sterk schudden en roepen niet in
beweging te brengen, zoo verlamden koude en vermoeidheid hun de leden.
Als zij eindelijk op hunne voeten stonden, wankelden zij met weigerende
knieën eenige treden voort, doch vielen bij de geringste oneffenheid
van den grond tuimelend, als verdoofd, weer neder.—Rasinski trad
op eene hoogte, van waar hij zijne wachtvuren overzag. „Hier heen,
kameraden,” riep hij met vaste stem, „hier heen, verzamelt u om mij,
op, op, te paard!” Hem zelf deed de nachtvorst ook nog bibberen, doch,
om den moed zijner manschappen aan te wakkeren, bedwong hij met vaste
wilskracht de vermoeide natuur.
Zoodra de plaats tot aantreden door vele aangekomenen genoegzaam was
aangeduid, ging hij bij de wachtvuren rond, waar eenige talmers en
zwakken nog achterbleven, en sprak hun moed in. „Houdt moed, mijne
jongens! De nacht was bar, maar de dag zal beter zijn. Wanneer gij maar
eerst in beweging zijt, zult gij ook wel weer warm worden. Het ontbijt
was schraal, maar ik heb het eerlijk met u gedeeld en gij ziet, ik
ben wel te moede. Verliest slechts den moed niet; hij, die het eerst
wanhoopt, is het eerst verloren. Wij hebben immers reeds menig boozen
dag te zamen doorleefd; waarom laat gij dan heden den moed zakken? Een
Pool wanhoopt nooit!”
Zoo hen toesprekend, ging hij door de gelederen; zijn woord, ja zijn
blik alleen reeds deed den gezonken moed der manschappen herleven;
spoedig zaten allen te paard en begonnen den marsch.
„Het zal van daag laat licht worden,” zeide Bernard tot Lodewijk;
„de hemel moet dik met wolken bezet zijn, want er is geen ster te
zien.—Hoe is u de nacht bekomen?”
„Het was hard; maar men leert iederen dag meer uitstaan,” antwoordde
Lodewijk.
„Ik geloof ook, dat de mensch een plant is, die lichtelijk aan alle
luchtstreken gewent. Wij rukken heden, dunkt mij, de koude in; ten
minste als ik mijn rug, die van nacht naar de windzijde lag, tot
thermometer neem, moeten wij sterk onder het vriespunt gedaald
zijn.—Mijn lijf en gezicht daarentegen hebben den ganschen nacht in de
verzengde luchtstreek gelegen.”
„Pas toch op uwe oogen, mijn vriend; reeds onlangs hebt gij er over
geklaagd,” hernam Lodewijk met goedheid.
„Wat wonder! Ik heb ook nooit gehoord, dat rook van groen hout en
de helle schijn van het vuur een conservatief voor de oogappels
waren.—Intusschen is het waar, mijne oogen zijn in zeker opzicht
mijne schaafbank, mijn ploeg, ja zelfs nog iets beters, de werktuigen
namelijk, waarmede ik den honig uit het leven zuig, dat anders, evenals
de lindebloesem, die toch na de kruiken uit het dal van Chamouny den
besten honig absorbeert, misschien een beetje bitter zou smaken.—Maar
zijn uwe oogen u dat ook niet?”
„O zeker,” zeide Lodewijk weemoedig, want hij dacht aan de liefelijke
gedaante zijner beminde; „doch voor u is het kleinood toch nog
dierbaarder.” Hierbij legde hij zijn vriend de rechterhand op den
schouder, liet ze langs zijn arm afglijden en vatte zijne hand, welke
hij met innigheid drukte.
„De wind is verduiveld scherp!” riep Bernard wrevelig uit, om zijne
aandoening voor den vriend te verbergen.—„Ik ruik zoo iets alsof er
sneeuw in de lucht steekt.”
Inderdaad woei er een scherpe, snijdende noordwesten wind hun vlak in
het gezicht. Na een uur had hij het gelaat reeds tot smartens toe koud
gemaakt en nog scheen hij heviger te worden.
Eindelijk brak de dag aan; doch wat hij liet zien, kon het stille,
akelige van den nacht slechts vermeerderen. Dichte, zwarte wolken
trokken langs den hemel en schenen met ieder oogenblik lager te
drijven. De nevel streek reeds over de dennenbosschen, die langs den
heirweg zich uitstrekten, ja raakte reeds de toppen der hoogste boomen
aan. Al lager en lager daalde zij neder.
„Er is hoop, dat wij een helderen dag krijgen,” zeide Lodewijk tot
Rasinski.
„O ja,” zeide deze ras en stellig, maar hij geloofde het tegendeel,
daar hij het onderscheid tusschen een duitschen en russischen winter
kende.
De dampen vielen niet in droppels ter aarde; zij zonken niet voor de
opstijgende zon neder, om een helderen dag voort te brengen, maar zij
werden dichter en dichter en zweefden, langzaam in het rond dwarrelend,
in de lucht. Eenigen tijd werd het geheel windstil; doch in deze
weinige oogenblikken nam de koude aanmerkelijk toe, en daarop verhief
de wind zich weder met nieuwe kracht en streek met ijskoude vleugelen
over hen heen. Plotseling scheen het, alsof de zwevende dampen
verdwenen en in een dichten rijm nedervielen. Uit hoogere luchtgewelven
vielen enkele sneeuwvlokken neder, en eer men nog tijd had gehad,
zich over deze snelle, zeldzame verandering te verwonderen, scheen
de geheele dampkring in sneeuwvlokken opgelost, die door den wind
gedreven, dwarrelend en jagend de geheele atmospheer vervulden.
Met ontzetting zag de soldaat zich plotseling door den winter
overvallen. Als had hij arglistig eene hinderlaag gelegd, zoo stoof
deze van alle zijden nader en wierp het onmetelijke net over zijn buit
heen. De sneeuw viel zoo dicht en scherp, dat men ze op de wang als het
ware voelde steken, tot deze in verkleumende verstijving gevoelloos
werd. Met stommen schrik togen de scharen der krijgslieden voort.
Het vaste land scheen in weinige oogenblikken in eene beweginglooze,
ongebaande en onbegrensde zee veranderd. Hoe zou zich een uitweg uit
deze woestenij opdoen, waar men geene zon, geen afgelegen bergtop of
toren ontdekken, geen weg voor zijne voeten zien kon? De krijgslieden,
die sinds twintig jaren van de piramiden van Egypte en de woestijnen
van Syrië tot aan den mond van den Taag, van de gebergten van Calabrië
tot aan de golvende Belt, van de Pyreneeën tot aan den voet van het
Uralgebergte over de aarde waren getogen en overal het gevaar een
trotseerenden blik hadden getoond, gevoelden thans voor de eerste maal
het koude spook der ontzetting in hunne borst en staarden met een
vreesachtig voorgevoel naar omhoog, in den dwarrelenden baaierd boven
hunne hoofden, van waar de vlokkige wolken uit onafzienbare hoogte als
een zwartachtige zwerm insecten nederstoven. Het met sneeuw bedekte
en met geheimzinnige snelheid geweven lijkkleed overtoog de geheele
oppervlakte in het rond, en wat het aanraakte scheen de dood voor
eeuwig te verstijven.
Gelijk een zich steeds vernieuwend tooverweefsel breidde het zich
voor de voeten uit en wikkelde iederen tred in de arglistige strikken
zijner fijne draden. Geen ijzeren, onverbreekbare boeien legde het om
den voet, maar het putte, door de duizendmaal herhaalde poging om den
lichten band te verbreken, de krachten uit. De foltering was langzaam,
maar het offer zeker; het stortte niet neder onder een verpletterenden
knodsslag, maar zonk langzamerhand onder een last ineen, die, van
seconde, slechts bij atomen aangroeiende, eindelijk toch de maat van
iedere kracht overtrof.
Bernard trachtte den stommen schrik, dien hij in zijn eigen boezem
ondervond en op het gelaat van al zijne kameraden las, weg te
schertsen. „Ik wenschte wel, dat het sprookje in Herodotus waar was,”
zeide hij, „dat in Scythië zich de lucht dikwijls door neervallende
vederen zoo verdikt, dat een ruiter de ooren van zijn paard niet meer
zien kan. Het ware niet kwaad voor het bivak, wanneer wij het eiderdons
gereed vonden, om ons een warm nest te bezorgen.”
Rasinski, die ernstig bleef, maar in zijne trekken de vaste, moedige
houding niet verloor, verheugde zich, dat Bernard hem in zijne poging,
om eene rustige stemming onder het volk te houden, te gemoet kwam.
„Hebben de ouden dat waarlijk geloofd?” vroeg hij glimlachend.
„Herodotus?” hernam Bernard, „niet zoo geheel en al, ten minste was de
oude stroosnijder de waarheid wel wat op het spoor. Hij vermoedt, dat
het wel sneeuw zou zijn, waarvan de Thraciërs vertelden, want hij had
het ook eens zien sneeuwen.”
„Eenmaal! Die gelukkige Ioniër!” riep Lodewijk bijna onwillekeurig uit.
„Het is mij toch zoo aangenamer,” zeide Rasinski opzettelijk luid; „ik
zou slechte soldaten hebben, wanneer het eiderdons sneeuwde. Dat zoude
ons Capua zijn. Met de soldaten die zich door de sneeuw der Alpen eene
baan gebroken hadden, sloeg Hannibal de Romeinen van den Ticinus tot
aan Cannae.”
„Nu, Capua hebben wij vooreerst nog niet te vreezen,” liet Bernard zich
ontvallen; „het ziet er hier naar geen oranjeboschjes uit.”
De sneeuwmassa werd ondertusschen met iedere minuut dichter. Niet
tevreden met die hij uit de wolken nederschudde, joeg de storm haar
ook van den grond op en sloeg ze zoo den soldaten in het gezicht. Van
alle vlakten en hoogten dreef hij de dwarrelende kolommen aan en vulde
de groeven en lage plaatsen, door welke de weg heen liep.
„Men zou toch denken, dat zoovele duizenden zich spoedig eene vaste
baan moesten maken,” zeide Lodewijk; „doch hier vinden wij vóór ons
geen spoor en achter ons laten wij er geen terug, zoo snel verwaait de
storm het en verdwijnt het onder de altijd vallende sneeuw.”
De trein stopte. Eerst dacht Rasinski, dat het slechts een oponthoud
van eenige minuten zouden zijn, zooals dit bij lange marschcolonnes
dikwijls voorvalt. Doch spoedig bemerkte hij, dat er een ernstiger
hinderpaal moest zijn, want de stilstand duurde al langer. Een adjudant
kwam eindelijk op zijn afgemat paard met moeite door de sneeuw
galoppeeren en sprak Rasinski aan: „Overste! ik breng u de order,
dadelijk de helft uwer paarden uit te leveren, om ze voor het geschut
te spannen. Het kan niet meer voorwaarts in de diepe sneeuw. Voor ons
ligt een holle weg waar de storm haar ter manshoogte opeen gewaaid
heeft. De sappeurs moeten ons eerst baan maken.”
„De cavalerie moet afzitten?” vroeg Rasinski met verwondering, ja
verbazing.
„Het is eene harde noodzakelijkheid, maar de order gaat over alle
regimenten. Zelfs de garde moet afzitten en te voet gaan. Zadel en
gepak blijven op de paarden; de manschappen kunnen hen geleiden.”
Rasinski begreep, dat hij niet weigeren mocht, doch het koste hem een
zware strijd, zijne manschappen, zoo ongewoon aan het gaan, van hunne
paarden te berooven. Echter liet hij van deze gevoelens niets merken en
behandelde dit geval, als alle andere, met ernst, maar als iets zeer
gewoons. Zonder dralen kommandeerde hij: „Eerste en tweede escadron met
sectiën rechts zwenkt! Marsch!” en liet hen ter zijde van het regiment
uit nevens den weg rijden. Thans zwenkten zij met halve sectiën in
colonne en volgden onder Rasinski's aanvoering den vooruit rijdenden
adjudant. Zij moesten hunne paarden twaalf aan twaalf voor de kanonnen
der naaste batterij spannen, wat trouwens in den nood slechts met
touwen en slechte borstzeelen kon geschieden. De manschappen gingen er
te voet naast. „Gij doet heden het werk, morgen zullen uwe kameraden
het doen,” zeide Rasinski. Bernard en Lodewijk behoorden tot het eerste
escadron; zij zouden dus hunne paarden ook moeten gegeven hebben; doch
daar Rasinski hen voor zijn ordonnancedienst bestemd had, behielden
zij ze. Beiden echter gevoelden, dat de tijd, waarin eene uitzondering
mogelijk en geoorloofd was, voorbij was. Het strenge gebod van den
nood, die allen gelijk maakt, was begonnen te heerschen. Nog eenige
zulke dagen, en er zouden nog slechts kameraden, geene officieren en
soldaten meer zijn. Zij reden daarom op Rasinski toe en verzochten hem
in het lot hunner kameraden te mogen deelen.
„O, wanneer ik het u besparen kon,” zeide deze. „Doch morgen _moet_ gij
doen, wat gij heden _wilt_; daarom hebt gij gelijk.”
Zij reden daarop ook naar het hoofd der colonne en meldden zich bij den
artillerie-officier, die de paarden voor een houwitser liet spannen,
wiens ellendig, hoogst vermoeid voorspan de hulp het meest behoefde.
Op deze wijze werd het mogelijk, de artillerie vooruit te brengen; maar
toch nog met de grootste moeite, want de raderen zonken tot aan de
assen in de sneeuw, die in eene taaie massa veranderd was, daar zij
zich met het zand van den grond vermengd had en zich nu vast pakte.
Zweepslagen en vloeken klonken door de lucht. Voor menig stuk zag men
twintig, ja dertig paarden, en toch moest de kracht der menschen de
vermoeide dieren nog te hulp komen.
Zeer langzaam rukte de zwaar bewegelijke massa voorwaarts. Niet alleen
aan de artillerie lag het, maar menschen en paarden geraakten in de
immer dieper wordende sneeuw evenzeer uitgeput. Na weinige uren was
de grootste afmatting reeds daar. De orde in de regimenten verdween,
naarmate de manschappen met uitgeputte krachten achterbleven. Spoedig
marcheerden velen niet meer op den weg, deels wijl men dien in de
sneeuwjacht verloor, deels wijl ieder trachtte een beter pad te vinden.
Zoo dikwijls zich daarom eene hoogere plaats opdeed, waar de storm het
veld van sneeuw gereinigd had, drongen de massa's daarop aan, om ten
minste eenigen tijd eene kleine verlichting te hebben. Doch door velen
werd deze schrikkelijk geboet. Want achter de hoogten volgden dikwijls
diepe aardkloven of ten minste steile hellingen, die, door de sneeuw
bedriegelijk gevuld, met den effen grond gelijk schenen te zijn. De
krijgslieden stortten plotseling tot aan den buik, tot aan de schouders
daarin; anderen volgden, wijl het koude stuiven der vlokken hen
verblindde, onwillekeurig na en stortten over hunne kameraden heen of
drukten hen nog dieper in hun koud graf ter neder. Zoo zag men dikwijls
drie, vier menschen plotseling over elkander heen vallen en in de
sneeuw verdwijnen. Weinigen werkten er zich uit op; de meesten begaven
de krachten; het geweer of het wapen, waarmede zij zich wilden helpen,
ontzonk aan hunne verstijfde handen; zij wilden eenige oogenblikken
rusten, om adem te halen. Dan verlamde de koude hunne leden, zij riepen
wel met stervende stem om hulp, maar niemand hoorde hen in het geloei
van den storm, of de eigene ellende der meesten was reeds zóó hoog
gestegen, dat zij, als bij eene schipbreuk, slechts om hun eigen behoud
dachten. De eerste offers, die op deze wijze vielen, vervulden de ziel
met pijnlijken weemoed; maar toen het aantal vermeerderde, toen dit
bij de invallende duisternis tot honderden, tot duizenden steeg, toen
verstompte de scherpe smart en slechts nog een medelijdende blik trof
hen, die in de koude en gruwelijke omarming verstijfden en te vergeefs
de handen om hulp uitstrekten. Stervend wendde zich hun blik naar het
vaderland, naar hun voorbijtrekkende kameraden; nog een zachte zucht
ontglipte hunne borst, dan dekte de nacht hunne oogleden en hun lijden
was voorbij.—Anderen zonken van afmatting en verstijving ter aarde,
ook zonder in die bedriegelijke kuilen te storten. Een licht omhulsel
werd hun graf, de voortdurend vallende sneeuw bedekte hen met haar
lijkkleed. In het begin duidde nog eene lichte ophooging de plaats aan,
waar de doode lag, doch spoedig herstelde zich de eenvormige woestijn
en ieder spoor van zijn aanwezen was verdwenen.
Thans werd het volkomen nacht; doch geen lichtende ster verhelderde
dien, slechts duisterder nog omhulde zich de hemel en stortte
voortdurend het ijskoude verderf over de aarde uit. De storm verhief
zich ruwer, kouder. Het oog onderscheidde nauwelijks nog het pad voor
de naaste voetstappen; wie zich ter zijde begaf, wie terug bleef,
verdween in de diepte van den nacht; struikelde zijn voet, zoo verzwolg
hem de onafzienbare sneeuwwoestijn. Geen vriend, geen kameraad roept
hem een afscheidsgroet toe; geene hand strekt zich naar hem uit.
Vergeefs haakt de stervende borst naar zijne gelieven, naar zijn
vaderland. Niet om ze gelukkig te bereiken, want tot deze stoute hoop
heeft het hart geene kracht meer; slechts een laatsten liefdegroet
mocht hij zoo gaarne ontvangen, slechts niet zoo vreeselijk alleen in
de akelige omarming des doods verstijven!
Te vergeefs! Uw brekend oog staart vruchteloos naar den hemel, het
krampachtig beven uwer stervende borst roert hem niet meer! Doof
is hij voor het jammeren der vertwijfeling, doof voor het smeeken
van den doodsangst. Vloeken en gebeden kaatsten even machteloos van
zijn ijzeren gewelf terug. De poorten der genade zijn gesloten; het
gigantische rad der vergelding rolt verpletterend over de aarde.