Na twee moeitevolle dagen bereikte het leger Wiasma. Hier liet de
keizer een rustdag houden, om de achterhoede, onder bevel van den
maarschalk Davoust, op te wachten.
Reeds waren de krachten der troepen tot het uiterste ingespannen;
velen, door ziekte of wonden verzwakt, bleven achter; zelfs de meeste
vaste wil kon de weigerende lichaamskrachten niet vergoeden.
Rasinski was gelukkig genoeg geweest, nog geen der zijnen te verliezen;
dit was hij deels zijner tijdige zorg voor hunne warmere en betere
kleeding verschuldigd, deels aan de onvermoeide werkzaamheid, waarmede
hij nog voortdurend in al hunne behoeften trachtte te voorzien. Vooral
had hij door het voorbeeld van moed en beradenheid den geest van orde,
van eer en van vertrouwen weten te bewaren, die in zulke benauwde
tijden het zekerste redmiddel, de werkzaamste bescherming tegen het
naderend verderf verschaft. De soldaat is geheel overmand en verloren,
zoodra hij eenmaal, ook maar een oogenblik, den moed opgeeft, om zijn
grimmige vijanden, het gebrek, de koude en de bovenmatige inspanning
te trotseeren. Zoo was Rasinski thans streng in het handhaven der
orde op marsch; hij veroorloofde volstrekt geen achterblijven, geen
alleen marcheeren, geene veronachtzaming van paarden, kleedingstukken
of wapenen. Hij wist het zijnen ruiters aan het verstand te brengen,
dat het kleine gebrek, hetwelk zij nu nog, ofschoon met eenige moeite,
herstellen konden, in weinige dagen door verwaarloozing tot eene
onherstelbare ramp zoude worden. Zijne officieren zoowel als Lodewijk
en Bernard sloten zich door een even zorgvuldig toezicht en door eigen
voorbeeld ijverig bij hem aan.
In Wiasma was het Rasinski gelukt nog een dragelijk onderkomen voor
man en paard te vinden. Drie half staande gebleven muren eener groote
schuur, die nog zoowat een dak had, dienden den paarden tot stal;
doch daar er voor allen geen plaats was, moesten zij om de acht
uren verwisselen. Er was stroo genoeg bijeen gebracht, zoodat allen
konden liggen; maar de fourage viel mager genoeg uit. Doch reeds de
rust binnen den warmeren omtrek der muren deed den dieren goed. Voor
zich en zijne manschappen had Rasinski een huisje in beslag genomen,
dat nauwelijks dertig man scheen te kunnen bevatten; maar door de
wijze verdeeling der enge ruimte van kamer en zolder, waarbij ieder
plekje in acht werd genomen, was het toch mogelijk geweest, zestig
man, zekerlijk een weinig benauwd, te legeren. Door eene verwisseling
van acht tot acht uren, gedurende welke dezen sliepen, anderen de
paarden, de wachtvuren en de keuken bezorgden, gelukte het den op alles
bedachten aanvoerder, de manschappen volkomen te doen uitrusten en zich
te verwarmen, zoodat zij, toen de marsch moest vervolgd worden, met
frissche krachten tot de moeielijke reis konden aantreden.
Vóór het aanbreken van den dag zetten de colonnes zich in beweging.
De weg liep door lange dennenbosschen; de doodsche eentonigheid scheen
den onmetelijken afstand, op welken zich de krijgslieden van hun
vaderland gevoelden, nog te vermeerderen. Ook de lengte der buitendien
moeielijke dagreizen groeide daardoor aan. Rasinski kreeg bevel met
zijne manschappen de achterhoede uit te maken en de achterblijvers
voort te drijven; want sinds de twee laatste dagen hadden zich zoo
vele traineurs opgedaan, die zich op de nakomende korpsen verlieten en
tot deze aankwamen eenige rustdagen meenden te verwerven, dat men deze
wanorde op alle wijze moest tegengaan. Hij reed dus achter de lange
rij van wagens, die deels levensmiddelen en gewonden medevoerden. De
overtollige munitiewagens en vele andere, die den tocht hinderden,
had men reeds verbrand en de paarden voor de kanonnen gespannen. Want
ofschoon het weder helder bleef, ijzelde het iederen nacht, en dan
kon men met de slecht beslagen, ongescherpte paarden zelfs kleine
hoogten nauwelijks meer opkomen, zoodat de kanonniers zich zelve mede
voorspanden, om de hun toevertrouwde wapenen, waaraan zij, even als
de regimenten aan hunne adelaars, hunne eer verbonden, niet te moeten
achterlaten.—Met moeite bereikte men het bivak, waaruit men, na eene
door honger en koude gestoorde nachtrust, nog in den donker weder
opbrak.—De aankomende dag vertoonde een beklagenswaardig schouwspel.
Eene menigte manschappen was uit krachteloosheid achtergebleven; het
was onmogelijk hen in het gelid te houden. Daarbij werd de weg slechter
en de slecht gevoerde paarden sleepten zich met moeite voort. De
colonnes rukten bijzonder langzaam voort. Er werden al meer en meer
paarden tot het vervoeren van het geschut vereischt. De keizer gaf
bevel, van alle bagagewagens, zelfs van die der hoofdofficieren, de
helft der voorgespannen paarden te nemen, om ze voor de kanonnen te
spannen. Daar op die wijze de reeds te groote last door het halve span
niet meer vooruit te brengen was, moest deze in gelijke mate verminderd
worden. Men zag derhalve alles, wat zich van ontbeerlijke werktuigen
en zelfs kunstwerken op de wagens bevond, als een nuttelooze ballast
wegwerpen en wat zich daarvan verbranden liet, door vuur vernietigen.
Toen Rasinski naast Jaromir bij een dezer nog vlammende brandstapels
voorbijreed en zij hunne paarden moesten afwenden, om niet in de
scherven van kostbare porseleinen serviezen te trappen, welke men
onvoorzichtig midden op den weg had geworpen, zeide hij tot dezen:
„Herinnert gij u het voorval dicht bij Moskou nog, waar die wagen
geplunderd werd? Had ik geen gelijk met te zeggen, dat die man de
gelukkigste van allen was, daar men hem de nuttelooze zorg voor zijne
rommelzoô het eerst ontnomen had?”
„Dat wel,” hernam Jaromir, „doch wie ziet dit in? Geluk en ongeluk,
berusten ze niet in onze eigen harten? En wanneer wij ons door den
schijn laten bedriegen, is dat niet hetzelfde, alsof wij door de
waarheid lijden! Mij zelf is het reeds menigmaal voorgekomen, alsof
wij eerst later inzagen, wat gelukkige of ongelukkige voorvallen voor
ons zijn. Bij onzen eersten aanval in den slag bij Mosaisk rukte mij
een kogel de pluim van het hoofd. Ik prees mij gelukkig, dat hij mij
niet een voet breed lager getroffen had. En toch zou het mijn geluk
zijn geweest, want als mij nu of later dat lot treft, wat heb ik dan
gewonnen, dan eenige dagen van kwelling? En evenwel gevoelde ik mij in
die oogenblikken werkelijk gelukkig. Wat is nu waarheid, wat valschheid
in onze gedachten?”
„Het tegenwoordige behoort ons ten minste zeker,” zeide Bernard, die
naast Jaromir reed. „Doch ook dat niet,” voegde hij er snel bij, „want
toekomst of verleden kunnen het vergiftigen. Maar juist daarom, wijl
ons niets behoort, behoort ons alles. Waar geen gebieder is, heerscht
hij, die heerschen wil, en wat onze wil ons geeft, behoort ons.”
„Ik geloof toch niet, dat gij gelijk hebt,” merkte Boleslaw aan, „want
hoe gering is de macht van onzen wil tegen de hoogere machten.”
„Dat is zekerlijk de eindelijke grenspaal van ieder mensch,” zeide
Lodewijk; „maar dit geldt toch ook slechts tot aan een zeker punt. Ik
geloof niet, dat Bernard staande zal willen houden, dat er geen geluk
of ongeluk bestaat, maar dat de mensch zich alles zelf maakt; maar
gelijk heeft hij, wanneer hij gelooft, dat er buiten het geluk, laat
het het schoonste, het edelste zijn, hetwelk deze aarde aanbiedt, nog
iets hoogers is, dat ons machtig kan ondersteunen, wanneer smart of
vreugde ons overmeesteren. Zoo kent de schipper boven de zon, die hem
een heldere vaart geeft of weigert, nog de eeuwige sterren, naar welke
hij opziet, wanneer de aarde in duisternis ligt gedompeld.”
„Zeer waar,” zeide Bernard en schudde zich eens ter deeg, daar de
herfstwind hun juist onzacht tegen woei; „maar de eeuwige sterren zijn
koud en geven ook niet bijster veel licht. Men komt licht op klippen,
wanneer men den neus naar haar uitsteekt.—Gelooft evenwel niet, dat
dit eigenlijk mijne philosophie is; ik heb slechts die, er geene
andere te hebben, dan welke ik telkens van de omstandigheden leen. Zoo
bijvoorbeeld nu, daar wij allerlei rommel zien verbranden, neem ik
de leer aan dat men aan zulk een rommel zijn hart niet moet hechten.
Daarentegen zou ik, wanneer ik hier ergens een gevulden bakkerswinkel
zag, dadelijk bewijzen, dat hij meer waard is, dan alle schatten van
Croesus.”
„Hebt gij honger?” vroeg hem Jaromir; „hier is nog brood, dat ik bij
mij heb gestoken. Ik eet zeer weinig.”
„Neen, mijn waarde,” hernam Bernard en weigerde het geschenk, „gij weet
dat ik even goed ontbeten heb als gij allen. Mijne vergelijking was in
de ziel van het gansche leger gedacht.”
„Tot Smolensko, hoop ik,” zeide Rasinski, „zullen wij er ons, ofschoon
met moeite, doorslaan. Daar zijn magazijnen.—Maar luistert! Was dat
geen kanonschot? Waarachtig! nog een, een derde! Het geluid komt van
den kant van Wiasma!—Zouden de Russen er zijn?”
Allen luisterden met spanning naar de doffe, verwijderde schoten, die
de stilte van den vroegen morgen afbraken.—Doch spoedig werd het
weder stil; men hoorde niets meer. Ondertusschen was Rasinski bezorgd
geworden. Tot hiertoe had men slechts de moeielijkheden van een langen,
lastigen marsch te overwinnen gehad; doch was de vijand nagerukt en
tastte hij met frissche krachten het uitgeputte leger aan, dan kon men
niet voorzien, hoe men het geheele verderf zou ontkomen. Het stelde hem
niet gerust, dat het schieten weder ophield; want daar hij de wijze
van vechten van het russische leger kende, was hij overtuigd, dat ten
minste een troep stoutmoedige, snelle kozakken de achterhoede had
aangevallen, die wel spoedig kon teruggedreven zijn, maar niettemin
bewees, dat het groote leger niet ver meer af was.
Nadenkende over de gevolgen, welke een ernstige aanval konde hebben,
reed hij zwijgend voor de zijnen uit. „Bliski,” riep hij na eenige
minuten een zijner ruiters toe en wenkte hem, nader te komen.
Bliski reed in krijgsmanshouding naar zijn overste en vroeg, wat zijn
verlangen was.
„Gij zijt lang in Rusland geweest, Bliski,” begon Rasinski; „kent gij
de wegen tusschen Malo-Jaroslawez en Smolensko volkomen?”
„Dat zou ik denken! Ik heb ze wel dertigmaal met de kibitki gemeten,”
antwoordde de vroolijke krullekop levendig en met een zekeren trots,
dat zijn aanvoerder bij hem om raad moest komen.
„Hoe verre rekent men van Malo-Jaroslawez naar Wiasma over Medyn?”
„Ten minste eene, zoo geen twee dagreizen nader, dan de weg, dien wij
genomen hebben.—Als de kozakken lust hadden gehad, moesten zij ons
reeds van Wiasma tot halverwege Gjaz te gemoet zijn gekomen.”
„Zoo meent gij?” vroeg Rasinski glimlachend en verheugd over het vlugge
verstand van den knaap, die de bedoeling van zijne vraag spoedig inzag.
„Bij de Heilige Maagd, overste,” hernam Bliski levendig, „ik heb mij
verwonderd, dat het niet gebeurd is. Maar wij zouden ze geraakt hebben!
Ik had mijn sabel expres geslepen; want ik ben nog in hunne schuld
wegens den houw hier over mijn linker oog en den steek in mijn arm!
Nu, wie weet het, misschien ontmoeten wij elkander bij Dogorobuye.”
„Waarom daar?” vroeg Rasinski, ofschoon hij zeer goed wist waarom.
„Omdat daar de groote weg van Kaluga dien van Smolensko kruist. Ik
denk, wij zullen wat te doen vinden.”
„Wenscht gij het?”
„Wanneer mijn paard en ik tot zoover goed gevoerd worden, zal mij niets
liever zijn; maar het ziet er niet naar uit. Zie maar eens, overste,
hoe het arme dier het vleesch van de ribben valt, en de heupbeenderen
steken hem uit, dat men er zijne chakot aan zou kunnen ophangen.”
„Troost u, Bliski, wij leven ook niet in overvloed,” sprak Rasinski
vriendelijk.
„Ei wat,” riep Bliski, „om mij zelf geef ik niet; want een vette ruiter
is de dood voor het paard, zooals wij bij ons in het wooiwoodschap
Sendomir zeggen; maar mijn paard zie ik even ongaarne gebrek lijden,
als ik mijne sabel ongeslepen en mijne pistolen zonder steen zie. Kan
men zich niet meer op een flink ros verlaten, dan is de gansche ruiter
niets meer waard. Niet waar, oude?” Hierbij bukte hij zich en klopte
zijn paard vriendelijk op den hals.
Rasinski had weinig naar dit gepraat geluisterd, wijl de gevaarlijke
toestand des legers zijne gedachten te ernstig bezighield.—„Hoe ver
rekent men van Kaluga naar Dogorobuye?” viel hij Bliski in diens
aanspraak aan zijn paard in de rede.
„Het zullen wel omtrent honderd en twintig wersten zijn.”
„En is de weg goed?”
„Dat ligt aan het weer; tegenwoordig denkelijk zooals hier; op de
hoogten dragelijk, in de diepte moerassig. Maar als het sneeuwt, is het
de beste sledebaan in het gansche keizerrijk.”
„Nu, naar sneeuw ziet het er nog niet uit.”
„Wie weet het, overste? Het jaargetij is er, de vrucht wordt rijp, zoo
zeker als de pruimen in den herfst.”
„Goed, goed, Bliski; rijd nu maar weer naar uwe kameraden terug; ik
weet nu al, wat ik weten wilde. Gij kent den omtrek en zult niet
verdwalen, wanneer ik u noodig heb.”
„Vrees daarvoor niet,” riep Bliski met levendige oogen; „ik vind den
weg van hier naar Madrid.” Daarop reed hij weder bij zijne kameraden in
het gelid.
Daar thans de weg een hoek maakte en de boschjes ter zijde ophielden,
zag men eenige honderden schreden vooruit een zwart gewemel van
menschen, die aan de zijde van den weg druk bezig waren. Tegelijk zag
men wagens het veld inrijden.
„Daar zal het weer een vuurtje geven,” zeide Rasinski tot zijne
vrienden.
„Het is ook noodig, de kanonnen nog sterker te bespannen, want zij
komen niet van de plaats.” Het loopen en de beweging nevens den weg
hield de blikken der ruiters voortdurend geboeid. De zon scheen helder;
plotseling werd haar beeld midden uit de zwarte massa der verzamelde
menschen schitterend teruggekaatst.
„Dat is het kruis van den heiligen Iwan!” riep Bernard, die zich
dadelijk het voorval bij Moskou herinnerde. Met gespannen verwachting
volgde men nu alles, wat op dat punt voorviel.
Daar de weg tegen eene hoogte opliep, overzag men spoedig het geheele
veld. Een klein meer werd ter zijde zichtbaar. Rondom dat meer was eene
rij van wagens bijeengereden, bij welke ontelbare menschen bezig waren
met afladen. Anderen spanden de paarden af en voerden deze terug op den
grooten weg.
Als men nader en nader kwam en de voorwerpen duidelijker kon
onderscheiden, zag men, dat de in Moskou buit gemaakte tropeeën, die
als teeken der overwinning bestemd waren, om door de bewoners van
Parijs bewonderd te worden, hier in het meer bedolven werden. Prachtige
sieraden van erts, aan die oude trotsche paleizen der grijze czarenstad
ontrukt, vreemde kanonnen, welke Rusland in zijne oorlogen met het
oosten veroverd had, eindelijk zelfs dat schitterende kruis van den
heiligen Iwan werden hier in de moerassige diepten van den troebelen
vloed begraven.
Alzoo bleef het heiligdom toch op zijn vaderlandschen bodem! De proef
om het weg te rukken was niet gelukt. De beschermende goden en heiligen
van het land hadden het niet verlaten; ja, met smaad moest de vijand
het bezit opgeven en bekennen: gij waart machtiger dan ik in mijn
overmoed.
Met siddering zag Jaromir het reusachtige gouden kruis in de golven
nederzinken. Hij dacht aan de zonderlinge voorvallen, welke hij bij het
afnemen te Moskou beleefd had. Hadden die duistere voorteekens gelogen
of profeteerden zij waarheid. Beginnen de vloeken en verwenschingen,
welke het volk over de schennis van zijne heiligdommen luide had
uitgestooten, hunne vervulling te genaken? Zal het vrijwillig opgeven
van den buit den toorn der beleedigde huisgoden van dit land verzoenen?
Gelooft gij dat deze zoen toereikend is? Ziet gij niet, hoe vertoornd
de zwarte golf opstijgt, nadat zij het gouden heiligdom in haar
schoot verborgen heeft? Zij ruischt en kookt als van geheime machten
bewogen, en in haar doffer slaan tegen den oever klinken murmelende
tooverwoorden! Waanzinnigen, hebt gij met de heilige teekens dan ook
de vloeken van u geworpen, welke de heiligschennende roof tegen u
opriep? Deze zijn niet mede verzonken in de diepten dezer wateren, maar
zij zullen weder opstijgen als uit een kokenden tooverketel en u als
gevleugelde harpijen met giftigen adem vervolgen. Ziet gij niet hoe de
zware, doffe mist uit dezen modderpoel opwalmt, waarin gij het heilige
kleinood hebt doen zinken? Opstijgen zal hij tot den hoogen, helderen
hemel en zich tot een schrikkelijk onweer saampakken, om zich boven
uwe hoofden te ontlasten. Reeds verduistert de zon! Ziet wel toe! Gij
ziet haar niet weder, zooverre Ruslands volkeren voor het beeld van den
heiligen Iwan knielen. Verborgen zal u haar zuiver aanschijn blijven,
totdat de laatste van ulieden uit deze grenspalen verjaagd is, indien
er één van u ze levend bereikt, om het verderf der overigen te huis
te verkondigen! Want vervolgen zal u de hand des Almachtigen, zoolang
gij op dezen bodem wandelt, welken gij met heiligschennende voeten
betraadt, waar gij met roovershanden ingebroken zijt in het heiligdom
des geloofs, des vaderlands, des huisgezins! Daarom ontsluiert zich
het oog des heelals donker, vreeselijk! Bloedig rood slechts zal het u
nog tegengloeien door de grauwe nevels, met welke de hemel zich thans
dreigend bedekt.
Nu rust het kruis van Iwan weder op zijn vaderlandschen bodem! Ontrukt
is het aan de schendende handen der verwatenen! Thans zal het zijne
oude beschermende kracht openbaren, en de volken van dat onmetelijke
rijk om zich heen verzamelen. Zij stroomen aan van de oevers van den
Don en de Wolga, uit de wouden van het Uralgebergte, uit de steppen
van Azië, de sneeuwwoestijnen van de pool, van de oevers der Witte en
der Zwarte Zee. In duizend drachten en tongvallen, gewapend met zwaard
en lans, met knods of met pijl en boog stroomen zij nader. Geen wapen,
dat niet tot uwe verdelging wordt opgeheven, geene taal waarin de
volken niet wraak over u roepen. Wee, wee u! Het uur des noodlots heeft
geslagen. Gelukkig moogt gij ze noemen, die gevallen zijn, eer zij
dezen dag behoefden te zien.