HOOFDSTUK V.

Na twee moeitevolle dagen bereikte het leger Wiasma. Hier liet de

keizer een rustdag houden, om de achterhoede, onder bevel van den

maarschalk Davoust, op te wachten.

Reeds waren de krachten der troepen tot het uiterste ingespannen;

velen, door ziekte of wonden verzwakt, bleven achter; zelfs de meeste

vaste wil kon de weigerende lichaamskrachten niet vergoeden.

Rasinski was gelukkig genoeg geweest, nog geen der zijnen te verliezen;

dit was hij deels zijner tijdige zorg voor hunne warmere en betere

kleeding verschuldigd, deels aan de onvermoeide werkzaamheid, waarmede

hij nog voortdurend in al hunne behoeften trachtte te voorzien. Vooral

had hij door het voorbeeld van moed en beradenheid den geest van orde,

van eer en van vertrouwen weten te bewaren, die in zulke benauwde

tijden het zekerste redmiddel, de werkzaamste bescherming tegen het

naderend verderf verschaft. De soldaat is geheel overmand en verloren,

zoodra hij eenmaal, ook maar een oogenblik, den moed opgeeft, om zijn

grimmige vijanden, het gebrek, de koude en de bovenmatige inspanning

te trotseeren. Zoo was Rasinski thans streng in het handhaven der

orde op marsch; hij veroorloofde volstrekt geen achterblijven, geen

alleen marcheeren, geene veronachtzaming van paarden, kleedingstukken

of wapenen. Hij wist het zijnen ruiters aan het verstand te brengen,

dat het kleine gebrek, hetwelk zij nu nog, ofschoon met eenige moeite,

herstellen konden, in weinige dagen door verwaarloozing tot eene

onherstelbare ramp zoude worden. Zijne officieren zoowel als Lodewijk

en Bernard sloten zich door een even zorgvuldig toezicht en door eigen

voorbeeld ijverig bij hem aan.

In Wiasma was het Rasinski gelukt nog een dragelijk onderkomen voor

man en paard te vinden. Drie half staande gebleven muren eener groote

schuur, die nog zoowat een dak had, dienden den paarden tot stal;

doch daar er voor allen geen plaats was, moesten zij om de acht

uren verwisselen. Er was stroo genoeg bijeen gebracht, zoodat allen

konden liggen; maar de fourage viel mager genoeg uit. Doch reeds de

rust binnen den warmeren omtrek der muren deed den dieren goed. Voor

zich en zijne manschappen had Rasinski een huisje in beslag genomen,

dat nauwelijks dertig man scheen te kunnen bevatten; maar door de

wijze verdeeling der enge ruimte van kamer en zolder, waarbij ieder

plekje in acht werd genomen, was het toch mogelijk geweest, zestig

man, zekerlijk een weinig benauwd, te legeren. Door eene verwisseling

van acht tot acht uren, gedurende welke dezen sliepen, anderen de

paarden, de wachtvuren en de keuken bezorgden, gelukte het den op alles

bedachten aanvoerder, de manschappen volkomen te doen uitrusten en zich

te verwarmen, zoodat zij, toen de marsch moest vervolgd worden, met

frissche krachten tot de moeielijke reis konden aantreden.

Vóór het aanbreken van den dag zetten de colonnes zich in beweging.

De weg liep door lange dennenbosschen; de doodsche eentonigheid scheen

den onmetelijken afstand, op welken zich de krijgslieden van hun

vaderland gevoelden, nog te vermeerderen. Ook de lengte der buitendien

moeielijke dagreizen groeide daardoor aan. Rasinski kreeg bevel met

zijne manschappen de achterhoede uit te maken en de achterblijvers

voort te drijven; want sinds de twee laatste dagen hadden zich zoo

vele traineurs opgedaan, die zich op de nakomende korpsen verlieten en

tot deze aankwamen eenige rustdagen meenden te verwerven, dat men deze

wanorde op alle wijze moest tegengaan. Hij reed dus achter de lange

rij van wagens, die deels levensmiddelen en gewonden medevoerden. De

overtollige munitiewagens en vele andere, die den tocht hinderden,

had men reeds verbrand en de paarden voor de kanonnen gespannen. Want

ofschoon het weder helder bleef, ijzelde het iederen nacht, en dan

kon men met de slecht beslagen, ongescherpte paarden zelfs kleine

hoogten nauwelijks meer opkomen, zoodat de kanonniers zich zelve mede

voorspanden, om de hun toevertrouwde wapenen, waaraan zij, even als

de regimenten aan hunne adelaars, hunne eer verbonden, niet te moeten

achterlaten.—Met moeite bereikte men het bivak, waaruit men, na eene

door honger en koude gestoorde nachtrust, nog in den donker weder

opbrak.—De aankomende dag vertoonde een beklagenswaardig schouwspel.

Eene menigte manschappen was uit krachteloosheid achtergebleven; het

was onmogelijk hen in het gelid te houden. Daarbij werd de weg slechter

en de slecht gevoerde paarden sleepten zich met moeite voort. De

colonnes rukten bijzonder langzaam voort. Er werden al meer en meer

paarden tot het vervoeren van het geschut vereischt. De keizer gaf

bevel, van alle bagagewagens, zelfs van die der hoofdofficieren, de

helft der voorgespannen paarden te nemen, om ze voor de kanonnen te

spannen. Daar op die wijze de reeds te groote last door het halve span

niet meer vooruit te brengen was, moest deze in gelijke mate verminderd

worden. Men zag derhalve alles, wat zich van ontbeerlijke werktuigen

en zelfs kunstwerken op de wagens bevond, als een nuttelooze ballast

wegwerpen en wat zich daarvan verbranden liet, door vuur vernietigen.

Toen Rasinski naast Jaromir bij een dezer nog vlammende brandstapels

voorbijreed en zij hunne paarden moesten afwenden, om niet in de

scherven van kostbare porseleinen serviezen te trappen, welke men

onvoorzichtig midden op den weg had geworpen, zeide hij tot dezen:

„Herinnert gij u het voorval dicht bij Moskou nog, waar die wagen

geplunderd werd? Had ik geen gelijk met te zeggen, dat die man de

gelukkigste van allen was, daar men hem de nuttelooze zorg voor zijne

rommelzoô het eerst ontnomen had?”

„Dat wel,” hernam Jaromir, „doch wie ziet dit in? Geluk en ongeluk,

berusten ze niet in onze eigen harten? En wanneer wij ons door den

schijn laten bedriegen, is dat niet hetzelfde, alsof wij door de

waarheid lijden! Mij zelf is het reeds menigmaal voorgekomen, alsof

wij eerst later inzagen, wat gelukkige of ongelukkige voorvallen voor

ons zijn. Bij onzen eersten aanval in den slag bij Mosaisk rukte mij

een kogel de pluim van het hoofd. Ik prees mij gelukkig, dat hij mij

niet een voet breed lager getroffen had. En toch zou het mijn geluk

zijn geweest, want als mij nu of later dat lot treft, wat heb ik dan

gewonnen, dan eenige dagen van kwelling? En evenwel gevoelde ik mij in

die oogenblikken werkelijk gelukkig. Wat is nu waarheid, wat valschheid

in onze gedachten?”

„Het tegenwoordige behoort ons ten minste zeker,” zeide Bernard, die

naast Jaromir reed. „Doch ook dat niet,” voegde hij er snel bij, „want

toekomst of verleden kunnen het vergiftigen. Maar juist daarom, wijl

ons niets behoort, behoort ons alles. Waar geen gebieder is, heerscht

hij, die heerschen wil, en wat onze wil ons geeft, behoort ons.”

„Ik geloof toch niet, dat gij gelijk hebt,” merkte Boleslaw aan, „want

hoe gering is de macht van onzen wil tegen de hoogere machten.”

„Dat is zekerlijk de eindelijke grenspaal van ieder mensch,” zeide

Lodewijk; „maar dit geldt toch ook slechts tot aan een zeker punt. Ik

geloof niet, dat Bernard staande zal willen houden, dat er geen geluk

of ongeluk bestaat, maar dat de mensch zich alles zelf maakt; maar

gelijk heeft hij, wanneer hij gelooft, dat er buiten het geluk, laat

het het schoonste, het edelste zijn, hetwelk deze aarde aanbiedt, nog

iets hoogers is, dat ons machtig kan ondersteunen, wanneer smart of

vreugde ons overmeesteren. Zoo kent de schipper boven de zon, die hem

een heldere vaart geeft of weigert, nog de eeuwige sterren, naar welke

hij opziet, wanneer de aarde in duisternis ligt gedompeld.”

„Zeer waar,” zeide Bernard en schudde zich eens ter deeg, daar de

herfstwind hun juist onzacht tegen woei; „maar de eeuwige sterren zijn

koud en geven ook niet bijster veel licht. Men komt licht op klippen,

wanneer men den neus naar haar uitsteekt.—Gelooft evenwel niet, dat

dit eigenlijk mijne philosophie is; ik heb slechts die, er geene

andere te hebben, dan welke ik telkens van de omstandigheden leen. Zoo

bijvoorbeeld nu, daar wij allerlei rommel zien verbranden, neem ik

de leer aan dat men aan zulk een rommel zijn hart niet moet hechten.

Daarentegen zou ik, wanneer ik hier ergens een gevulden bakkerswinkel

zag, dadelijk bewijzen, dat hij meer waard is, dan alle schatten van

Croesus.”

„Hebt gij honger?” vroeg hem Jaromir; „hier is nog brood, dat ik bij

mij heb gestoken. Ik eet zeer weinig.”

„Neen, mijn waarde,” hernam Bernard en weigerde het geschenk, „gij weet

dat ik even goed ontbeten heb als gij allen. Mijne vergelijking was in

de ziel van het gansche leger gedacht.”

„Tot Smolensko, hoop ik,” zeide Rasinski, „zullen wij er ons, ofschoon

met moeite, doorslaan. Daar zijn magazijnen.—Maar luistert! Was dat

geen kanonschot? Waarachtig! nog een, een derde! Het geluid komt van

den kant van Wiasma!—Zouden de Russen er zijn?”

Allen luisterden met spanning naar de doffe, verwijderde schoten, die

de stilte van den vroegen morgen afbraken.—Doch spoedig werd het

weder stil; men hoorde niets meer. Ondertusschen was Rasinski bezorgd

geworden. Tot hiertoe had men slechts de moeielijkheden van een langen,

lastigen marsch te overwinnen gehad; doch was de vijand nagerukt en

tastte hij met frissche krachten het uitgeputte leger aan, dan kon men

niet voorzien, hoe men het geheele verderf zou ontkomen. Het stelde hem

niet gerust, dat het schieten weder ophield; want daar hij de wijze

van vechten van het russische leger kende, was hij overtuigd, dat ten

minste een troep stoutmoedige, snelle kozakken de achterhoede had

aangevallen, die wel spoedig kon teruggedreven zijn, maar niettemin

bewees, dat het groote leger niet ver meer af was.

Nadenkende over de gevolgen, welke een ernstige aanval konde hebben,

reed hij zwijgend voor de zijnen uit. „Bliski,” riep hij na eenige

minuten een zijner ruiters toe en wenkte hem, nader te komen.

Bliski reed in krijgsmanshouding naar zijn overste en vroeg, wat zijn

verlangen was.

„Gij zijt lang in Rusland geweest, Bliski,” begon Rasinski; „kent gij

de wegen tusschen Malo-Jaroslawez en Smolensko volkomen?”

„Dat zou ik denken! Ik heb ze wel dertigmaal met de kibitki gemeten,”

antwoordde de vroolijke krullekop levendig en met een zekeren trots,

dat zijn aanvoerder bij hem om raad moest komen.

„Hoe verre rekent men van Malo-Jaroslawez naar Wiasma over Medyn?”

„Ten minste eene, zoo geen twee dagreizen nader, dan de weg, dien wij

genomen hebben.—Als de kozakken lust hadden gehad, moesten zij ons

reeds van Wiasma tot halverwege Gjaz te gemoet zijn gekomen.”

„Zoo meent gij?” vroeg Rasinski glimlachend en verheugd over het vlugge

verstand van den knaap, die de bedoeling van zijne vraag spoedig inzag.

„Bij de Heilige Maagd, overste,” hernam Bliski levendig, „ik heb mij

verwonderd, dat het niet gebeurd is. Maar wij zouden ze geraakt hebben!

Ik had mijn sabel expres geslepen; want ik ben nog in hunne schuld

wegens den houw hier over mijn linker oog en den steek in mijn arm!

Nu, wie weet het, misschien ontmoeten wij elkander bij Dogorobuye.”

„Waarom daar?” vroeg Rasinski, ofschoon hij zeer goed wist waarom.

„Omdat daar de groote weg van Kaluga dien van Smolensko kruist. Ik

denk, wij zullen wat te doen vinden.”

„Wenscht gij het?”

„Wanneer mijn paard en ik tot zoover goed gevoerd worden, zal mij niets

liever zijn; maar het ziet er niet naar uit. Zie maar eens, overste,

hoe het arme dier het vleesch van de ribben valt, en de heupbeenderen

steken hem uit, dat men er zijne chakot aan zou kunnen ophangen.”

„Troost u, Bliski, wij leven ook niet in overvloed,” sprak Rasinski

vriendelijk.

„Ei wat,” riep Bliski, „om mij zelf geef ik niet; want een vette ruiter

is de dood voor het paard, zooals wij bij ons in het wooiwoodschap

Sendomir zeggen; maar mijn paard zie ik even ongaarne gebrek lijden,

als ik mijne sabel ongeslepen en mijne pistolen zonder steen zie. Kan

men zich niet meer op een flink ros verlaten, dan is de gansche ruiter

niets meer waard. Niet waar, oude?” Hierbij bukte hij zich en klopte

zijn paard vriendelijk op den hals.

Rasinski had weinig naar dit gepraat geluisterd, wijl de gevaarlijke

toestand des legers zijne gedachten te ernstig bezighield.—„Hoe ver

rekent men van Kaluga naar Dogorobuye?” viel hij Bliski in diens

aanspraak aan zijn paard in de rede.

„Het zullen wel omtrent honderd en twintig wersten zijn.”

„En is de weg goed?”

„Dat ligt aan het weer; tegenwoordig denkelijk zooals hier; op de

hoogten dragelijk, in de diepte moerassig. Maar als het sneeuwt, is het

de beste sledebaan in het gansche keizerrijk.”

„Nu, naar sneeuw ziet het er nog niet uit.”

„Wie weet het, overste? Het jaargetij is er, de vrucht wordt rijp, zoo

zeker als de pruimen in den herfst.”

„Goed, goed, Bliski; rijd nu maar weer naar uwe kameraden terug; ik

weet nu al, wat ik weten wilde. Gij kent den omtrek en zult niet

verdwalen, wanneer ik u noodig heb.”

„Vrees daarvoor niet,” riep Bliski met levendige oogen; „ik vind den

weg van hier naar Madrid.” Daarop reed hij weder bij zijne kameraden in

het gelid.

Daar thans de weg een hoek maakte en de boschjes ter zijde ophielden,

zag men eenige honderden schreden vooruit een zwart gewemel van

menschen, die aan de zijde van den weg druk bezig waren. Tegelijk zag

men wagens het veld inrijden.

„Daar zal het weer een vuurtje geven,” zeide Rasinski tot zijne

vrienden.

„Het is ook noodig, de kanonnen nog sterker te bespannen, want zij

komen niet van de plaats.” Het loopen en de beweging nevens den weg

hield de blikken der ruiters voortdurend geboeid. De zon scheen helder;

plotseling werd haar beeld midden uit de zwarte massa der verzamelde

menschen schitterend teruggekaatst.

„Dat is het kruis van den heiligen Iwan!” riep Bernard, die zich

dadelijk het voorval bij Moskou herinnerde. Met gespannen verwachting

volgde men nu alles, wat op dat punt voorviel.

Daar de weg tegen eene hoogte opliep, overzag men spoedig het geheele

veld. Een klein meer werd ter zijde zichtbaar. Rondom dat meer was eene

rij van wagens bijeengereden, bij welke ontelbare menschen bezig waren

met afladen. Anderen spanden de paarden af en voerden deze terug op den

grooten weg.

Als men nader en nader kwam en de voorwerpen duidelijker kon

onderscheiden, zag men, dat de in Moskou buit gemaakte tropeeën, die

als teeken der overwinning bestemd waren, om door de bewoners van

Parijs bewonderd te worden, hier in het meer bedolven werden. Prachtige

sieraden van erts, aan die oude trotsche paleizen der grijze czarenstad

ontrukt, vreemde kanonnen, welke Rusland in zijne oorlogen met het

oosten veroverd had, eindelijk zelfs dat schitterende kruis van den

heiligen Iwan werden hier in de moerassige diepten van den troebelen

vloed begraven.

Alzoo bleef het heiligdom toch op zijn vaderlandschen bodem! De proef

om het weg te rukken was niet gelukt. De beschermende goden en heiligen

van het land hadden het niet verlaten; ja, met smaad moest de vijand

het bezit opgeven en bekennen: gij waart machtiger dan ik in mijn

overmoed.

Met siddering zag Jaromir het reusachtige gouden kruis in de golven

nederzinken. Hij dacht aan de zonderlinge voorvallen, welke hij bij het

afnemen te Moskou beleefd had. Hadden die duistere voorteekens gelogen

of profeteerden zij waarheid. Beginnen de vloeken en verwenschingen,

welke het volk over de schennis van zijne heiligdommen luide had

uitgestooten, hunne vervulling te genaken? Zal het vrijwillig opgeven

van den buit den toorn der beleedigde huisgoden van dit land verzoenen?

Gelooft gij dat deze zoen toereikend is? Ziet gij niet, hoe vertoornd

de zwarte golf opstijgt, nadat zij het gouden heiligdom in haar

schoot verborgen heeft? Zij ruischt en kookt als van geheime machten

bewogen, en in haar doffer slaan tegen den oever klinken murmelende

tooverwoorden! Waanzinnigen, hebt gij met de heilige teekens dan ook

de vloeken van u geworpen, welke de heiligschennende roof tegen u

opriep? Deze zijn niet mede verzonken in de diepten dezer wateren, maar

zij zullen weder opstijgen als uit een kokenden tooverketel en u als

gevleugelde harpijen met giftigen adem vervolgen. Ziet gij niet hoe de

zware, doffe mist uit dezen modderpoel opwalmt, waarin gij het heilige

kleinood hebt doen zinken? Opstijgen zal hij tot den hoogen, helderen

hemel en zich tot een schrikkelijk onweer saampakken, om zich boven

uwe hoofden te ontlasten. Reeds verduistert de zon! Ziet wel toe! Gij

ziet haar niet weder, zooverre Ruslands volkeren voor het beeld van den

heiligen Iwan knielen. Verborgen zal u haar zuiver aanschijn blijven,

totdat de laatste van ulieden uit deze grenspalen verjaagd is, indien

er één van u ze levend bereikt, om het verderf der overigen te huis

te verkondigen! Want vervolgen zal u de hand des Almachtigen, zoolang

gij op dezen bodem wandelt, welken gij met heiligschennende voeten

betraadt, waar gij met roovershanden ingebroken zijt in het heiligdom

des geloofs, des vaderlands, des huisgezins! Daarom ontsluiert zich

het oog des heelals donker, vreeselijk! Bloedig rood slechts zal het u

nog tegengloeien door de grauwe nevels, met welke de hemel zich thans

dreigend bedekt.

Nu rust het kruis van Iwan weder op zijn vaderlandschen bodem! Ontrukt

is het aan de schendende handen der verwatenen! Thans zal het zijne

oude beschermende kracht openbaren, en de volken van dat onmetelijke

rijk om zich heen verzamelen. Zij stroomen aan van de oevers van den

Don en de Wolga, uit de wouden van het Uralgebergte, uit de steppen

van Azië, de sneeuwwoestijnen van de pool, van de oevers der Witte en

der Zwarte Zee. In duizend drachten en tongvallen, gewapend met zwaard

en lans, met knods of met pijl en boog stroomen zij nader. Geen wapen,

dat niet tot uwe verdelging wordt opgeheven, geene taal waarin de

volken niet wraak over u roepen. Wee, wee u! Het uur des noodlots heeft

geslagen. Gelukkig moogt gij ze noemen, die gevallen zijn, eer zij

dezen dag behoefden te zien.

1812: Historische roman · 第 95 / 154 题