„De nachtwind was koud. En welk een dichte nevel ligt er weder op de
aarde,” zeide Bernard en schudde zich rillend af. „Ik ben door en door
koud, als een kikvorsch.” Met deze woorden sprong hij van zijn leger
aan het bijna uitgegane vuur op en sloeg zijne armen over elkander, om
zich te verwarmen. „Ik geloof, dat wij bevroren zouden zijn, wanneer
hier weldra niets meer had gebrand dan die drie verkoolde blokken onder
de asch!—Hé, Lodewijk; schud u wakker; hoort gij den trompetter niet!”
Lodewijk sloeg, daar zijn vriend hem aanvatte, de oogen wijd open en
zag hem vreemd aan. „Nu kent gij mij niet?” vroeg Bernard hem. „Gij
ziet er immers uit, alsof gij uit een andere wereld op deze waart
neergevallen!”
„Bijna is het ook zoo,” hernam Lodewijk, die uit den diepen, vasten
slaap, waarin hem zijne vermoeidheid niettegenstaande de koude
gedompeld had, weder tot bewustheid begon te komen. „In mijne droomen
zag ik andere gestalten, dan deze om mij heen.”
„Ik heb van bietebauwen, ratelslangen, krokodillen, kozakken, heksen en
spoken gedroomd,” antwoordde Bernard. „Toen was ik blijde, dat de ruwe
wind mij wakker blies! Satans, is dat een nacht geweest! De vochtige
nevel dringt iemand tot in het merg zijner beenderen en maakt het
waterig. Als wij maar eerst weder te paard zitten, zal het wel beter
worden.”
Lodewijk had zich intusschen opgericht en zocht eveneens door sterke
beweging zijne versteende ledematen te verwarmen. „Waar is Rasinski?”
vroeg hij.
„Hij moet met de overigen reeds lang op zijn. Ik ontwaakte eerst
door het geblaas der trompet en door de koude aan mijn linkerzijde,
waar Jaromir gelegen had. Het ergert mij eigenlijk; maar zij zijn
toch aan het soldatenleven veel beter gewoon dan wij en verdragen de
moeielijkheden gemakkelijker. Wilt gij u wasschen? Hier is nog water in
den kookketel; gij ziet er van den rook een weinigje zwart uit, mijn
goede vriend. Ferm er in met uw gezicht; het is koud, maar verkwikt.
Voor het overige behoeft gij, om versch water te hebben, slechts uw
haren uit te drukken; zij hangen vol mistdroppels.”
De beide vrienden maakten hun bivaksmorgentoilet, zoo goed de
omstandigheden het vergunden, en begaven zich daarop naar hunne
paarden, waar de meesten hunner kameraden zich reeds bevonden en zich
tot den marsch gereed maakten. Spoedig zaten zij op en de tocht ging
voorwaarts.
Nauwelijks schemerde het, en toch waren zij eerst te middernacht ter
rust gekomen; want de marschen werden, wijl men dagelijks het aanrukken
van het russische leger vreesde, met haast en inspanning afgelegd.
Men reed, toen het dag werd en de nevel begon te vallen, langs eene
helling van het dal naar beneden. Rasinski wees met zijn vinger naar
eenige, nog half in mist, half in rook bedolven gevels. „Dat is
Mosaisk,” zeide hij; „thans zijn wij weer op onzen ouden weg. Wanneer
wij toch hierheen hadden moeten gaan, ware het beter geweest, dat wij
dadelijk van Moskou af dezen weg gevolgd waren. Zoo hebben wij volle
acht dagen verloren! Wij konden reeds bij Smolensko zijn.”
„Rijden wij door het nest?” vroeg Bernard.
„Neen,” hernam Rasinski; „wij nemen onzen weg hier links door de beek,
want daar beneden verstopt zich weer alles. Het is een groot voordeel
voor ons, dat wij zulke stipte bevelen niet behoeven te volgen als
de anderen. Maar helaas, reeds begint ieder slechts voor zijn eigen
voordeel te zorgen; het ware beter dat men strenger orde hield. Ik
vrees nochtans, dat dit niet lang meer mogelijk zal zijn.—Ziet gij,
hoe daar tegen ons over de artillerie reeds tegen de hoogten optrekt?
De kanonnen blijven bijna steken in de diepe sporen en hebben toch
reeds het dubbel getal paarden voorgespannen.”
„Ik geloof, dat wij vorst krijgen,” merkte Lodewijk aan; „de lucht
wordt zoo helder.”
„Dat was zoo kwaad niet,” meende Bernard; „want in het taaie slijk
marcheert het verduiveld slecht.”
„Verlang maar niet naar den winter; hij zal ons spoedig genoeg
inhalen!” antwoordde Rasinski ernstig. „Thans gaat onze marsch
bezwaarlijk, maar is toch vol te houden. In Rusland blijft de winter
niet aan de grenzen van den herfst of de lente staan, maar hij heerscht
spoedig in volle kracht; daarom waag het niet hem op te roepen.”
„Mij dunkt, hij komt zonder dat,” meende Bernard; „want de wind blaast
ons uit het noordoosten in den nek, wat trouwens beter is dan gisteren,
toen hij ons den natten stofregen in het gezicht joeg; maar ik ruik zoo
iets van sneeuw in de lucht.”
Onder deze gesprekken waren zij, van den hoofdweg afgaande, bij de beek
beneden in het dal gekomen en doorwaadden haar op eene ondiepe plaats.
Aan de overzijde sloten zij achter de artillerie aan, die, de spits
der colonne uitmakende, reeds een groot eind weegs vooruit was. Zij
bereikten de bergvlakte, waarover de weg loopt.
„Duivels, hier blaast de wind scherper,” riep Bernard; „hij draait zich
immer meer noordoost.”
Rasinski zag met zijn opmerkzamen veldheersblik over de vlakte heen.
Zij bood bijna geen afwisseling aan, maar breidde zich in onmeetbare
uitgestrektheid naar alle zijden uit; nauwelijks verhieven zich
eenige heuvels in lichte kromming boven de zuivere kringlijn van den
gezichteinder.
Niets brak het doode, troostelooze grauw van dit landschap af, dan
de lange, zwarte strepen der dennenwouden, die zich aan den rand der
vlakte onder blauwzwarte nevelwolken uitstrekten. Zelfs de lange
rij van wagens en kanonnen en van de zich afbeulende paarden en
artilleristen verlevendigde de eenzaamheid niet, maar maakte haar
slechts te meer merkbaar door de tegenstelling.
De zon had een oogenblik geschenen; doch reeds betrok de hemel weder
met sombere wolken.
„Heden schijnt de winter het toch nog niet te meenen, hoewel de wind
scherp is en wij hierboven reeds sporen van den vorst zien,” zeide
Lodewijk na eenigen tijd. „Het zuiver blauw des hemels is bijna weder
geheel verdwenen.”
„Enfin! Dit is zeker, dat onze weg niet door het paradijs gaat,” hernam
Bernard.
Men marcheerde eenige uren voort, bijna zonder te spreken; want deels
brak de draad van het gesprek door het dagelijks bijna ongestoord
bijeenzijn somwijlen af, deels boden de voorvallen van den dag zoowel
als de omringende voorwerpen slechts stof tot bedroevende opmerkingen
aan, welke ieder liever in stilte maakte. Eenige colonnes infanterie
hadden van tijd tot tijd de cavalerie en artillerie ingehaald, daar
deze wegens de afmatting der paarden slechts langzaam voorttrokken,
terwijl het voetvolk, gedeeltelijk om zich te verwarmen, gedeeltelijk
omdat de marsch in het algemeen verhaast moest worden, sneller dan
gewoonlijk marcheerde. Men zag wonderlijke drachten onder deze
menschen. Van de regelmaat eener uniform was niets meer te zien; ieder
beschutte zich zoo goed hij kon tegen weer en wind. Aan velen zag men,
dat zij de ongemakken van den marsch reeds met moeite begonnen te
dragen.
Toen Rasinski zijne opmerkzame blikken over deze manschappen liet gaan
en uit hunne houding gissingen trachtte te maken omtrent den toestand
der zaken in het algemeen, bemerkte hij een ruiter onder hen. Het
scheen een hoofdofficier te zijn. Beide herkenden elkander tegelijk;
het was Regnard.
„Aha, Rasinski, zijt gij het?” zeide hij, terwijl hij naar hem toereed
en hem de hand reikte. „Hoe gaat het ulieden?”
„Vrij goed!” hernam deze, die het zich tot een stelregel had gemaakt,
altijd goeden moed te toonen, wanneer zijne manschappen hem konden
hooren of zien.
„Gij zijt met weinig tevreden; ik heb het van mijn leven al beter
gehad. Mijn oog is ontstoken; sinds den brand van Moskou werd ik
daarmede gemarteld, en deze vochtige herfstnachten hier hebben het
kwaad nog maar erger gemaakt.”
„Gevaar zal er niet bij zijn; zulke dingen gaan gewoonlijk tegelijk met
de aanleiding weer over.”
„Soms ja, evenals de honger, maar duurt de aanleiding een poosje te
lang, dan komt de genezing te laat. Het kon gemakkelijk gebeuren, dat
het mij ook zoo ging.—Doch,” voer hij na eenige oogenblikken voort,
„ik geef er geen weerga om; men ziet hier met één oog toch al te veel.”
„Hoezoo?”
„Zijt gij niet door Mosaisk gekomen?”
„Neen, ik heb met mijne manschappen een zijweg ingeslagen.”
„Gij hebt niets verloren! Het gansche nest is een hospitaal. Drie
duizend gekwetsten liggen er in en zullen er wel blijven liggen. Ik
ril er nog van, als ik er om denk. Zeven weken rekken zij nu hun leven
onder jammer en ellende. Zij zijn half verhongerd, half bevroren, want
de meesten liggen op verrot stroo, dikwijls zonder dekens. Nauwelijks
heeft men hun een ouden mantel gelaten. Hunne wonden zijn met werk
dicht gestopt, meestal ontstoken en vreten in hunne beenderen in.”
„Spreek zachter,” zeide Rasinski; „zulke schilderingen ontmoedigen de
manschappen.”
„Wat hebben zij schilderingen van noode? Zij hebben de ellende zelve
gezien! Toen wij doormarcheerden strekten zij, die zich nog roeren
konden, ons de armen smeekend uit de vensters toe en riepen: „Neemt
ons mede, laat ons hier niet omkomen;” want het gerucht, dat wij
terugtrokken, had zich als een loopend vuur onder hen verbreid. Tot
hiertoe hielden zij zich met de hoop in hun jammer staande; thans komt
nog de vertwijfeling bij de ellende. Zij huilden en weeklaagden luid;
sommige vervloekten hemel en aarde! Een dragonder—ik herkende hem aan
zijn mantel—wien beide de voeten afgezet waren, had zich met de slecht
verbonden stompen tot aan den drempel der hut, waar hij lag, gesleept,
en het bleeke beeld des jammers kermde mij met uitgestrekte handen te
gemoet. Nu kwam de keizer voorbij; de rampzalige riep: „Sire, ik heb in
Egypte gediend, laat mij hier niet versmachten! Naar Frankrijk, naar
Frankrijk—mijn arme oude vader.” Daar begaf hem de spraak; de keizer
beval, hem op zijn eigen wagen te leggen en zorg voor hem te dragen. Ik
zelf tastte meê toe, om hem op te beuren, doch nog voor dat wij er hem
konden optillen, had hij den laatsten adem uitgeblazen.”
„Wèl hem!”
„Dat is waar! Doch verbeeld u nu de ellende en den angst der
achterblijvenden, wanneer een stervende deze toekomst zoo afgrijselijk
voor zich ziet, dat de hoop om haar te ontvluchten hem nog in zijne
laatste oogenblikken zulke krachten leent.”
„En _moeten_ zij dan achterblijven?” vroeg Rasinski met eene inwendige
rilling.
„Kunt gij ze wegbrengen, en kunnen zij den marsch uithouden? De keizer
heeft bevolen dat iedere bagage- of amunitiewagen een man zal opnemen;
hen, die nog te redden zijn, wil men trachten te redden. De anderen
blijven der grootmoedigheid des vijands aanbevolen.”
„Grootmoedigheid!” riep Rasinski bitter uit.
„Zij mogen van geluk spreken,” voer Regnard voort, terwijl hij den
doek over het ontstoken oog terecht trok, „wanneer zij maar spoedig
den vijand in handen vallen. Blijft hij lang uit, zoo verhongert en
versmacht wat terugblijft op de ellendigste wijze; want het zijn immers
louter menschen, die zich van hun leger niet verroeren kunnen. Maar,
wat is dat weer een mist!”
Inderdaad hadden de dampen zich weder vochtig en koud rondom op de
vlakten gelegerd, zoodat men nauwelijks honderd passen voor zich uit
kon zien. Met ieder oogenblik scheen het, dat zij dichter werden;
spoedig was het gezicht tot de naaste voorwerpen beperkt.
„Zulk een mist heb ik, geloof ik, nog nooit beleefd,” zeide Bernard;
„zelfs in Schotland niet; men ziet immers het tweede kanon niet
duidelijk meer. Hoog kan hij echter niet zijn, want de zon boven ons
laat zich toch nog als eene helderroode maan zien.”
Eene koude windvlaag streek door de in kringen langzaam wentelende
nevelgestalten en joeg ze in grauwe, langgerekte strepen over het veld.
„De wind is ook weer gedraaid; hij is noordwest geworden,” zeide
Lodewijk, die de richting van den mist aandachtig met het oog volgde.
De ruiters wikkelden zich dichter in hunne mantels en reden stom nevens
elkander voort. Vooraan Rasinski met Regnard, vlak achter hen Jaromir,
Boleslaw, Lodewijk en Bernard. Het was een wonderlijk, schrikbarend
gezicht; rondom eene diepe stilte; slechts het stommelend ratelen der
kanonnen was uit de verte te hooren, daar de mist het geluid dempte
en de ruiters omtrent honderd treden ter zijde van den weg reden, om
de paarden niet zoo diep in het uitgereden, moerassig spoor te doen
wegzinken. Eenige kleine oneffenheden van den weg hadden toevallig
Lodewijk omtrent twintig of dertig schreden rechts van de vrienden
afgeleid. Plotseling struikelde zijn paard; hij rukte het aan den
teugel op en boog zich voorover, om het voorwerp, waarover het gevallen
was en dat hij, onnadenkend voortrijdende, eerst niet gezien had, op te
nemen. Het was een half vergaan, half gekleed lichaam; het aangezicht,
door verrotting en door de vogelen des hemels tot een walgelijk mengsel
van bloed en etter gemaakt, staarde hem akelig aan. Een onwillekeurige
schreeuw ontvoer hem door den schrik; zijn afgrijzen vermeerderde, toen
hij om zich heen zag en in den naasten omtrek nog meerdere lijken,
reeds half geraamten, in de diepe voren van den akker zag liggen. „Wat
is er?” riep Bernard, toen hij den gil hoorde.
„Zie slechts eens rond!” riep Lodewijk rillend. Allen waren in het
eentonige grauw van den mist voortgereden, zonder op weg of plaats acht
te slaan. Eene sterke windvlaag joeg in dit oogenblik de dampen een
weinig uiteen en vergunde eenige honderden schreden in het rond te zien.
„Wij zijn op het slagveld,” riep Rasinski, en eene zonderlinge
mengeling van afgrijzen, eerbied en grootsche herinneringen greep hem
aan.
„Waarachtig! Ik had niet gedacht, dat wij er reeds zoo nabij waren,”
sprak Regnard en zag om zich heen.
Met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel lieten allen hunne
blikken over het eenzame, akelig zwijgende veld des doods weiden,
dat zeven weken te voren van het ontzettende gewoel van den slag en
den duizendvoudigen donder van het geschut weergalmde. Gelijk in de
schemering het oog eerst slechts eenige sterren en dan met iedere
seconde er meer ziet, zoodat het zich spoedig in de onmetelijkheid
verdiept, zoo vermenigvuldigden zich hier op de ontzettendste wijze
de lichamen en overige teekenen der verwoesting, welke men overal
ontdekte, voor het gezicht. Terwijl de mist, door den wind over de
steppe gejaagd, zich langzaam voortbewoog, scheen hij als het ware de
gordijn van de schrikkelijke schilderij af te rukken. Allen stond de
adem in de borst stil, toen zich die akelige baaierd aan hunne oogen
vertoonde. In het eerst had men slechts de naastbijzijnde lichamen,
waartegen de hoeven der paarden stieten, gezien; doch toen hun blik
verder reikte, steeg het aantal weldra tot in het oneindige; want men
merkte spoedig, dat elke zwartachtige hoogte, die het oog zag, niet
een steen, een boomstam of aardhoop was, maar een menschelijk lichaam
of eene opgestapelde menigte daarvan. Met elken tred verder in deze,
slechts door lijken bevolkte woestenij werd het beeld der verwoesting
schrikkelijker en treffender. De wind joeg eene giftige pestlucht
aan, die zelfs de paarden zóó aandeed, dat zij, schuw terugdeinzend,
den ruiters niet wilden gehoorzamen, en slechts met vliegende manen
en opengesperde neusgaten, als zochten zij eene reinere lucht in te
ademen, de sporen gehoorzaamden en vooruitgingen. Thans zag men enkele
hoogten, als hunnebedden, waar groote lijkenhoopen opgestapeld en zoo
dun met aarde bedekt waren, dat storm en regen dit bedeksel reeds
bijna hadden weggespoeld. Uit de akelige vermenging der over elkander
opgestapelde lijken staken er enkele, het gebeente half met vergaan
vleesch bedekt, bijna naakt en wit glinsterend, in schrikverwekkende
houding uit. Den een was het hoofd, met borstelig bloedig haar bedekt,
op de aarde gezonken en staken de beenen onnatuurlijk omhoog; een
ander stak een arm hoog op, als leefde hij nog en als zocht hij
zich uit het rottende graf naar boven te werken. Enkele ledematen,
van roofvogels en wolven half afgeknaagd, lagen rondom verspreid.
Grijnzende bekkeneelen met ledige oogholten of sluik afhangend
bloedig haar zagen ijzingwekkend van den grond op. Tusschen deze
schrikkelijke overblijfselen lagen de krijgshaftige gedenkteekenen
van den slag verspreid; hun aanblik verwarmde de verkleumde borst ten
minste door de herinnering aan den grootschen strijd, die hier gewoed
had. Verbrijzelde affuiten, raderen, trommels, roestende kogels, de
overblijfsels van gebroken geweren en sabels, glinsterende helmen
en kurassen der ruiters lagen overal over het onbebouwde veld; de
plaatsen waar de cavalerie en artillerie gestreden hadden, herkende
men dadelijk; zij waren met glinsterende paardengeraamten, die nog
half in het uitgedroogde vleesch staken, doch wit schitterden daar,
waar de raven en vossen ze afgeknaagd hadden, rondom bedekt. De nevels
rolden in lange strepen over het veld, en nu eens vertoonden, dan weder
verborgen zij deze velden des schriks. Doch met elke seconde trokken
zij meer en meer weg, en spoedig kon men ongehinderd zijne blikken zoo
wijd laten rondgaan, als de schrikbarende teekens der verwoesting en
des doods te onderscheiden waren.
„Ziet gij daar dien heuvel?” riep Rasinski en wees met zijn vinger
op eene vormlooze massa, die juist uit den nevel scheen op te rijzen;
„dat is die schrikkelijke redoute, waar wij zoovelen der onzen gelaten
hebben. Thans eerst vind ik mij weder te recht op deze velden des
doods, waar dertigduizend onzer kameraden hun bloed vergoten.”
Zij reden naderbij, om nog eenmaal de plaats te betreden, die hen
met zulke grootsche herinneringen moest vervullen.—Niemand sprak,
ieder droeg eene sprakelooze huivering in zijn boezem om. Hoeveel
ontzettender was het slagveld nu, dan toen de brullende donder het oor
verdoofde, de gansche hemel in rook en vuur gehuld scheen en de ijzeren
kar des doods verpletterend over de gevallenen heenrolde; want toen
vertoonde dit veld het schrikwekkend gelaat van een vertoornden gigant,
thans het ijzingwekkende van een tot verrotting overgaanden.
Toen Rasinski en zijne vrienden—want het regiment hield den grooten
weg—nader bij de redouten kwamen, konden de paarden nauwelijks
voortkomen door de lijken en de kogels, die hier den grond bedekten.
„Wat mag dat daar boven op de borstwering zijn?” vroeg Rasinski, toen
men nog omtrent vijfhonderd schreden van de verschansing verwijderd was.
„Ik kan het niet onderscheiden,” zeide Regnard; „'t gelijkt wel een
half afgebroken piramide.”
„Wellicht ongestapeld hout,” sprak Lodewijk.
„Hoe zou dat daar komen?” hernam Bernard, het hoofd schuddende.
„Waarlijk een zonderlinge vorm, die een schilder in verlegenheid zoude
brengen.”
Zij reden naderbij, de zon brak met krachtige stralen door de wolken
heen en sloeg de zwevende dampen neder. Eensklaps verlichtte zij de
redoute met een helderen glans, terwijl alles in het rond nog in een
grauw lag.
„Het zijn geraamten,” riep Rasinski, die verreweg het scherpste gezicht
had. „Ziet gij hoe de beenderen, door zon en regen gebleekt, als zilver
blinken?”
Door afgrijzing en verbazing getroffen, renden de ruiters sneller
nader. Het was zooals Rasinski gezegd had. Van de lijken, die in het
inwendige der verschansing opeengestapeld waren, staken eenige hoog
boven den wal uit. Een ijselijk spel van het toeval had hen met de
ruggen tegen elkander in eene half opgerichte stelling gebracht. Aan de
lucht, den regen, den storm en de roofdieren het meest blootgesteld,
waren de beenderen bijna geheel van vleesch ontbloot en de
afschuwelijke geraamten schenen nu, op hun troon van lijken zittende,
met een grijnzenden lach het veld der vernietiging rondom hen, als hun
schrikkelijk rijk te overzien.
Bij dit gezicht tastte een kil, huiveringwekkend gevoel van schrik
zelfs den koelbloedigen Regnard aan. Hij trok zijne wenkbrauwen donker
samen en rilde, alsof eene koude koorts door het merg zijner beenderen
voer.—„Dat alzoo is Caulaincourts grafnaald?” zeide hij eindelijk,
terwijl alle overigen stokstijf en zwijgend stonden.—„Komt, laat ons
verder rijden.”
Hij wendde zijn paard om.
Rasinski was als aan den grond genageld; zijn oog hing onafgewend aan
den heuvel van lijken. „En dat alles te vergeefs!” zeide hij eindelijk,
diep uit zijne borst ademend. „En wij hebben dan toch den slag
verloren!”
„Verloren?” vroeg Bernard half luid.
„Ja, ja, verloren! Het was eene overwinning in schijn, een bedriegelijk
beeld van eene bloedige zegepraal! Daarom kwam op dien droevigen avond
geene vreugde in onze borst! O, gij hebt nooit overwonnen; gij weet
niet, wat eene overwinning is! Dat wekt een ander gevoel in de borst.
Eerst heden ruimen wij het veld! Heden, na zeven weken, beslist het
zich, wie den slag verloren heeft! Maar welaan,” zeide hij, zich met
koninklijke waardigheid oprichtende en met zijne opgeheven rechterhand
naar de geraamten wijzende, „deze bergen van lijken mogen ten minste
getuigen, dat hier dapperen gestreden hebben! Den roem van dezen dag
zal geene macht op aarde ons ontrooven! Want de roem is waar; het geluk
is valsch!”
Een edel vuur vlamde, toen hij deze woorden sprak, in zijne donkere
oogen; hij wierp zijn hoofd trotsch in den nek en draafde, zonder
deelneming of toestemming van zijne begeleiders te verwachten, over de
verrottende lijken hen voorbij. De vrienden bemerkten, dat hij alleen
wilde zijn, en volgden hem langzaam op eenigen afstand.
„Voorwaar, hij moest een koning zijn!” riep Bernard vol geestdrift
Lodewijk toe. „Hebt gij zijn heldenblik gezien? Toen hij zijne hand
uitstrekte, was het mij, als vermocht hij deze dooden te gebieden, zich
op te richten en opnieuw naar de wapenen te grijpen.”
„Hij is een held in den volsten zin des woords,” zeide Lodewijk; „want
hij vereenigt de grootmoedige zachtheid met de machtig gebiedende
kracht. Hij kan alles _eischen_, en hij _verzoekt_ alles.”
„Zoo is het!” riep Jaromir levendig; het was zijne eerste warme
ontboezeming na dien ongeluksdag.
„O, gij moest hem in beter tijden gekend hebben,” zeide Boleslaw; „maar
reeds sinds wij Duitschland verlaten hebben, is hij niet meer, die
hij was. Hij moet diepen kommer in zijn boezem voeden of het onheil,
hetwelk hij thans vreest, vooruit hebben gevoeld.”
Zoo had de mannelijke houding van Rasinski eensklaps de ijzingwekkende
indrukken van het slagveld verdreven en voor hartverheffender gevoelens
plaats doen maken.
Regnard had zich bij Rasinski gevoegd en samen wachtten zij thans de
overigen af. Om het regiment weder in te halen, zetten zij hun weg in
versnelden draf voort; steeds liep hun pad nog over lijken en gebroken
wapens. Een diepe holle weg doorsneed opeens het veld, dezelfde,
waardoor zij toen op den avond na den slag naar de legerplaats
terugreden, en dien zij den volgenden dag vol vonden van ongelukkigen,
die gewond en versmachtend hier bescherming gezocht hadden tegen de
ruwe nachtvorst. Ook hier lagen geraamten van paarden en menschen.
Plotseling trof een klagend geluid hun oor. Allen schrikten en
luisterden; eene rilling bekroop allen bij de gedachte, dat onder deze
algemeene versterving nog een levend wezen kon zijn. Men zag rond, doch
zonder te ontdekken, van waar de klagende stem kwam.
„Het moet daar uit die inspringende holte achter ons zijn,” zeide
Rasinski, en hij wierp zijn paard om en sprong in eene kleine, met
verwelkt kreupelhout half dicht begroeide grot, langs welker mond zij
zoo even gereden waren.
„Heilige God!” klonk dadelijk daarop zijne stem, terwijl hij zich
eensklaps van het paard wierp. De anderen begrepen de oorzaak niet
zoo terstond; doch zij stonden verslagen van schrik, toen zij daar
in den buik van een opengesneden paard een mensch ontdekten, die
uit deze verschrikkelijke legerstede zijne handen smeekend naar den
toesnellenden Rasinski uitstrekte.
„Begoocheling der hel!” riep deze uit en drukte zich beide handen voor
de oogen; „het is Petrowski!”
Als verpletterd stonden Lodewijk, Bernard en Jaromir daar bijeen, toen
zij dit woord hoorden en nu den rampzaligen grijsaard herkenden.
Jaromir was het eerst van het paard, om Rasinski bij het werk der
redding te helpen. Deze stond voor den ongelukkige en hield diens beide
handen krampachtig in de zijne; hij had zijn gelaat, van den stervende
afgekeerd, naar Jaromir gericht. In zijne trekken was een krampachtig
geweld te bespeuren, om de ontzettende smart geen heer over zich te
doen worden; doch hij moest bukken. Droppels van angstzweet stonden op
het voorhoofd van den held; groote tranen rolden over zijne wangen; hij
kon geen woord spreken.
„Gij nog onder de levenden, mijn oude, trouwe kameraad!” riep hij
eindelijk uit en gaf daardoor lucht aan zijne beklemde borst;—„en ik
zocht u te vergeefs onder de dooden.”
De grijsaard, door ellende en kommer uitgeput, had bij deze laatste
vreugde toch nog een traan.
„God in den hemel,—dank!” waren de eenige woorden, welke hij met
eene gebroken stem nog vermocht te stamelen. Het vreeselijke van
zijn lijden had hem nog de kracht gegeven van om hulp te roepen; de
onuitsprekelijke vreugde beroofde hem thans van bewustzijn en spraak.
„Mijn God, mijn God, zijt Gij dan alwetend?” riep Rasinski uit. „In de
afgrijselijke armen der verrotting en des doods lag deze levende; zijne
spijs was, wat de hongerige wolf en de krassende raaf versmaadt; ieder
oogenblik eene hel—en vijftigmaal ging Uwe zon er over op, zag deze
ellende en Gij zondt geene redding!”
Jaromir, Bernard, Lodewijk en Boleslaw waren nader gekomen en wilden
beproeven, den ongelukkige uit zijne verpeste legerstede op te richten.
Doch reeds staarde zijn in de kas weggezonken oog hen gebroken en
bewusteloos aan, een lachje zweefde over zijne trekken, die door de
grenzelooze ellende diep ingevallen waren; nog eenmaal haalde hij diep
adem—toen zonk hem het hoofd op de borst neder en zijne ziel was het
veege lichaam ontvloden.
Rasinski liet de handen van den doode niet los; zijn met tranen gevuld
oog hechtte zich aan het verbleekte gelaat, dat zelfs in den strijd des
lijdens en des doods den krijgsmansadel bewaard had. „Ziet dit schoone
voorhoofd vol litteekens, versierd met zilveren haren!—O, dat was een
trouw soldatenhart!—En zoo verschrikkelijk te sterven!”
„Neen, hij had een schoone dood,” zeide Lodewijk, wiens ziel zich
geloovig tot den Algoede verhief, die den gemartelde in zijn
doodsuur zijne dierbaarste vrienden als door een wonderwerk in deze
schrikkelijke eenzaamheid toezond; „hij stierf een schoonen dood! Zie
slechts, hoe zijne trekken zich verheerlijkt hebben!”
Jaromir sprong plotseling te paard en snelde ras op den weg, dien zij
gekomen waren, terug; men wist niet wat hij voor had. „Wacht hier twee
minuten,” riep hij, „ik ben dadelijk terug.”
Zwijgend stonden de vrienden rondom den gestorvene.—„Geef mij eene
schaar,” vroeg Rasinski. „Ik wil tot aandenken een lok van zijn
hoofdhaar medenemen.”
Bernard reikte hem uit zijne portefeuille het verlangde toe. „Gunt
gij mij tien minuten,” zeide hij, „zoo teeken ik den kop hier in mijn
studieboekje. Deze trekken tref ik gewis.”
„Het blad zal mij heilig zijn,” hernam Rasinski en dankte zijn vriend
door een handdruk.
Terwijl Bernard teekende, keerde Jaromir terug. Hij had twee spaden
dwars voor zich over den zadel liggen. „Wij moeten onzen kameraad
begraven!” riep hij reeds van verre, „dat is de wil van God, die ons
in zijn doodsuur tot hem heeft gezonden.”
„Van waar hebt gij die spaden?” vroeg Rasinski verwonderd; „ik had
gewis dadelijk aan eene begrafenis gedacht, wanneer ik de mogelijkheid
had ingezien van haar te bewerkstelligen. Gij brengt den schoonsten
troost aan mijne ziel!”
„Door een toeval ontdekte ik ze. Daar straks, toen wij van de redoute
afkwamen, zag ik in een gat twee gebroken russische affuiten liggen,
waarbij ik nog de houweelen en spaden ontdekte. Dat viel mij thans in,
en daar ik de plaats onthouden had, snelde ik heen om ze te halen.”
„Geef hier,” zeide Rasinski en nam de eene spade. „Hier onder dezen
jongen den, dien misschien eens een grijsaard onder de boomen wordt,
gelijk de doode er een was onder de helden, hier willen wij hem
begraven.” Tegelijk stak hij zelf de eerste kluit uit den grond;
Jaromir werkte ijverig mede. Eene aardkloof, die slechts eenigszins
verwijd behoefde te worden, moest het laatste leger van den ouden
krijgsman worden.—Boleslaw en Lodewijk hielden het hoofd van den doode
even omhoog, opdat Bernard zou kunnen teekenen. Een kwartier werd aan
dezen liefdedienst gewijd. Regnard bleef een zwijgende, innig ontroerd
getuige; hij hield het voor eene zaak van eer, zich niet aan de
plechtigheid der begrafenis van een zoo grijzen kameraad te onttrekken.
„Ik ben gereed,” zeide Bernard en reikte Rasinski de met vaste, stoute
trekken geschetste beeltenis van den doode over.
„Wij zijn het ook!” zeide deze en nam het blad aan. „Voortreffelijk!”
riep hij, terwijl hij het beschouwde. „Het is geheel en al de oude,
trouwe kameraad; het is zijn eerwaardig voorhoofd, zijne zachte
glimlach in den dood.—Bernard, ik dank u voor dit kleinood.” Hij
drukte hem bewogen de hand. „Thans neemt hem uit zijn ontzettingwekkend
bed en legt hem in zijne laatste, koele, stille woonplaats. Gij zult
eenzaam rusten, oude vriend! maar de wolf zal toch uw graf niet
opwroeten, de raaf uw trouw oog niet tot spijs voor zijne jongen in
zijn nest dragen.”
Het lijk werd nedergelaten; de aarde bedekte het spoedig.
„Rust zacht!” sprak Rasinski, en strekte zijn arm zegenend over het
graf uit. „De wil des Almachtigen zond u eene maat van ellende toe,
welke de menschelijke borst niet kan bevatten, voor welke zelfs de
ijzeren zenuwen van den held terugbeven. Doch Zijne genade is rijker
dan Zijne gestrengheid; u zal vergolden worden. Gij rust hier eenzaam,
want geen uwer broederen slaapt nevens u, en verre is het vaderland
der uwen. Maar op den dag der opstanding zullen dertig duizend helden
om u heen ontwaken en gij zult met hen in zegepraal de poorten der
eeuwigheid binnentrekken.—Uw graf kunnen wij niet versieren, de
volgende lente moet het doen! Vervloekt zij de bijl, die dezen jongen
boom treft, die nog in de latere jaren ons deze plaats kan aantoonen;
doch gezegend zij hij, die aan dit graf een teeken van liefde wijdt.”
Hier zweeg hij.
Bernard riep: „Laten wij dien steen daar op zijn graf wentelen!”
Weinige schreden verder lag een granietblok, dat bijna de gedaante van
een teerling had. De krachtige mannen pakten het zware blok aan en
wentelden het gelukkig tot op het graf. Toen braken zij groene takken
van den denneboom af, staken deze in de versch opgeworpen aarde, en
Bernard krabde met zijn mes een _P_ in den steen.
„Thans de laatste krijgsmaneer,” zeide Boleslaw en trok zijne pistolen
uit de holsters; de anderen deden hetzelfde. Rasinski trad voor om te
commandeeren. Hij trok de sabel en commandeerde: „Legt aan! vuur!” De
schoten vielen, de rookzuil steeg recht naar boven en schitterde in
een vluchtigen blik, dien de zon door de wolken wierp. Doch door den
slag opgejaagd, vlogen rondom troepen van raven op en vluchtten met
ruischend klapwieken.
Driemaal werd den begravene den krijgsmanseer gebracht, waaraan ook
Regnard zich niet onttrok.
Daarna zaten zij op en reden snel en zwijgend naar de hunnen terug.