HOOFDSTUK III.

Zeven dagen waren er verloopen sinds de keizer Moskou verlaten had. Het

leger stond bij Malo-Jaroslawez, dat den dag te voren stormenderhand

was veroverd geworden. Men zag verlangend het bevel om voort te rukken

te gemoet en hoopte, zich nog vóór Kaluga met de gansche macht van

Kutusow te zullen meten. In eene kleine ellendige hut, welke Rasinski

tot zijne woning had gekozen, wachtten Lodewijk, Bernard, Jaromir en

Boleslaw op zijne terugkomst uit het hoofdkwartier, waarheen hij nog

laat op den avond was uitgereden.

Jaromirs droefgeestigheid en hare oorzaak waren voor de vrienden

thans geen raadsel meer, evenmin als de aanwezigheid van Alisette bij

het leger. Dikwijls hadden zij getracht, hem te troosten en gerust

te stellen, doch te vergeefs. Diep in zijn boezem was de reine bron

des levens vergiftigd; de kwaal knaagde aan zijn hart en dreigde den

jongeling te doen wegkwijnen. Boleslaw gevoelde in zijne reine, edele

ziel de smarten van Jaromir bijna zoo diep als deze zelf. Aan den

mannelijken strijd der zelfbeheersching gewoon, had hij de laatste

beslissende overwinning op zich zelf behaald, en daardoor was hem, te

midden van zijne droefheid en zijne ernstige bekommering, een vroolijke

kracht in de ziel gedrongen, die steeds het loon is eener zedelijke

overwinning. Het was zijn waarachtig streven, Jaromir weder met zijne

geliefde te vereenigen, den verbroken band weder aan te knoopen.

Zorgvuldig verborg hij, welke vlam voor Lodoiska in zijn hart gloeide;

met belangelooze vriendschap zocht hij de verdorde kiemen van hoop

in den boezem zijns vriends opnieuw te doen herleven, de afgevallen

bloesems zijns geluks met den zachten dauw van troost en opbeuring te

verfrisschen. Ook Lodewijk en Bernard namen met liefde deel in Jaromirs

toestand en hadden hem zijne schuld in hun liefderijk hart lang

vergeven; doch beiden waren nog door wat zij in Moskou beleefd hadden

zoowel als door de beschouwing van hun eigen, zonderling ingewikkeld

noodlot te zeer geschokt, om zich geheel in den toestand huns vriends

te kunnen verdiepen. Boleslaw daarentegen werd juist door den band der

gelijke liefde machtig tot Jaromir aangetrokken; hij voelde denzelfden

kommer als deze, en daarom verbonden zich de zielen van beiden te

inniger aan elkander. Hij beminde edel, zonder eigenbelang, maar de

vreemde smart in hare verschrikkelijke grootte het naast voor hem.

Hij dacht aan de eenzaam verlatene, door Jaromirs zelfveroordeeling

ganschelijk verpletterde Lodoiska. Daar hij haar met heiligen gloed

in het verborgen beminde, scheen het hem plicht en roeping te zijn,

haar geluk, wanneer hij het vermocht, weder op te bouwen; want hij

was vast overtuigd, dat de liefde alles verzoenen kan, wanneer zij

aan het berouw de hand van vergiffenis reikt. Daarom liet hij niet

na, verzachtende woorden van troost in het hart zijns vriends uit te

storten. Gelijk de gestadige waterdroppel de rots uitholt, zoo, hoopte

hij, zou het hem eindelijk gelukken, de ijzeren onverbiddelijkheid van

Jaromir tegen zijne schuld te overwinnen en de ijskorst, waarmede deze

zelf zijne borst omschorst had, te doen wegsmelten.

Boleslaw trad met Jaromir naar buiten uit de hut, die op eene kleine

hoogte lag. Men overzag bij het zwakke licht van de reeds ondergaande

maan een uitgestrekt, vlak veld, met gelegerde soldaten en ontelbare

wagens overdekt; de Louja met haar kronkelenden stroom omsloot deze

vlakte. Daarachter verhieven zich steile, met dennenbosschen bezette

hoogten. In die bosschen lag Kutusow in eene sterke, onaantastbare

stelling. Vóór de hoogten lagen de rookende puinhoopen van

Malo-Jaroslawez, gisteren het tooneel van een bloedig gevecht, dat

echter slechts het voorspel van een grooteren slag scheen te zijn.

„O, dat wij aan dien strijd geen deel konden nemen!” zuchtte Jaromir.

„Er liggen daar zekerlijk zoovelen, die de zon van heden nog gaarne

weder begroet hadden.”

Boleslaw verstond zijn vriend.

„Is dat nu wel recht en billijk Jaromir?” sprak hij vriendelijk, maar

ernstig. „Denkt gij niet meer aan hen, die met bittere tranen om u

zouden weenen?”

„Hebt gij u nooit den roemvollen dood op het slagveld toegewenscht?”

riep Jaromir heftig uit.

Boleslaw zweeg een oogenblik; hij voelde zich getroffen, want in zijn

somberen, stillen kommer had hij dezen wensch zekerlijk dikwerf in

zijne borst rondgedragen. Doch het was er een van de velen, die slechts

uit de verte opstijgen en die een heilige schroom voor het onredelijke

er van ons niet veroorlooft, in vollen ernst op te vatten.—„Ik heb hem

dikwijls in mij bedwongen, en dat vorder ik ook van u.”

„Ach, Boleslaw,” zuchtte Jaromir, „gij kondt dit misschien lichter dan

ik.”

Deze woorden drongen diep in Boleslaws ziel; een namelooze pijn griefde

zijn boezem. Hij kon niet antwoorden zonder zich zelf te verraden.—„En

wanneer gij ook gelijk hadt, Jaromir, verandert dit toch niets voor u.

Wees een man, leef en handel. Niet het berouw, de daad verzoent.”

„Beiden,” antwoordde Jaromir somber.

„Wanneer thans Lodoiska voor u trad en zachtmoedig, gelijk zij

is, zeide: Ik heb u vergeven; want de liefde vergeeft duizend en

duizendmaal—maar kom weder aan mijn hart, vertreed niet alle bloesems

van mijn geluk!”

Jaromir zag hem strak aan; eene beving greep hem aan; plotseling riep

hij in wilde droefheid en hoon tegelijk: „Zon, schijn zacht als de

maan,—stroom, neem uw loop het gebergte op,—pijl, keer in uwe vaart

terug,—minuut, kom weder uit de oneindige ruimte van het verleden! O,

Boleslaw, gevoelt gij dan niet, dat gij het onmogelijke denkt? _Heb_

ik dan de bloesem van haar geluk niet vertreden? Is de daad dan niet

_geschied_? Ik klaagde de reine, schuldelooze heilige van eene misdaad

aan, die ik in hetzelfde oogenblik zelf beging! Mijne trouweloosheid

mag zij mij vergeven, maar nooit mag zij vergeten, dat ik het geloof

aan haar verloor—nooit mag ik vergiffenis aannemen.”

„O, gij moogt beide, geloof mij—mij!”

„Gij hebt nooit bemind, Boleslaw,” riep Jaromir uit. „Gij weet niet,

hoe zwaar de misdaad is, tegen de geliefde gepleegd.”

„Jaromir, ik weet, hoe onuitputtelijk de vergevende kracht van een

minnend hart is.”

„Liefde kan zich niet met verachting paren.” Hij stiet deze woorden

wild uit, staarde naar den grond en maakte met zijne rechterhand eene

afwendende beweging, als wilde hij zeggen: Verzoeker, wijk van mij!

„Lodoiska heeft u geen oogenblik veracht; zij heeft slechts bittere

tranen om u geweend,” antwoordde Boleslaw ernstig, „en in plaats van

hare tranen te drogen, verscheurt gij nu koelbloedig hare borst.”

„Ik trok den pijl slechts ras uit de wonde en bespaarde haar het langer

lijden. Heb ik haar doodelijk gewond, dan zal zij spoedig bezwijken

en—haar bloed komt dan over mij! Was genezing mogelijk, dan was

zij het slechts op die wijze. Met den pijl in den boezem ademt gij

nog eenige pijnlijke uren, maar leven kunt gij toch niet lang meer.

Beslissing is beter.”

„De droefheid benevelt uw blik. Vertrouw het oog van uw vriend.”

„Boleslaw, ik moet het u herhalen: hier beslist slechts een minnend

hart.”

„En wie zegt u,” riep thans de vriend, door zijn gevoel medegesleept,

„wie zegt u, dat ik..... nooit bemind heb?” voegde hij er met eene

gesmoorde stem bij.

„Alzoo ook gij? En zonder geluk, zonder den schoonen tak van den

bloeienden boom te plukken?” hernam Jaromir en legde hem zachtkens

de hand op den schouder. „Laat ons dan lotgenooten in het ongeluk

zijn!—Waarom hebt gij Lodoiska niet bemind! Met u ware zij gelukkig

geweest, gij zijt veel beter dan ik,—ja, gij zijt goed, gij zoudt de

heilige nooit gelasterd hebben.”

De opwellende smart dreigde Boleslaws boezem te verscheuren, en toch

kon hij zijn hart niet uitstorten voor den vriend, zonder het geheim

zijner liefde voor Lodoiska te openbaren. Beiden hielden elkaar innig

omarmd.

„Maar toch hebt gij gelijk, geliefde broeder,” brak Jaromir eindelijk

de stilte af: „de wensch naar den dood is misdadig, want hij is de

wensch eener lafhartige ziel. Een zware schuld rust op mij, maar ik wil

die door een werkzaam leven goed maken. Het vaderland wil ik vergelden,

wat ik tegen zijne reinste, schoonste dochter misdeed. Sta gij mij

bij; richt mij op door uwe edele kracht, wanneer ik in mijne zwakheid

vertwijfel en neerzink; wees mijn voorbeeld, mijn leidsman! Gij zijt

het immers reeds sinds lange jaren geweest, want u streefde ik steeds

na. Hoe benijdde ik u dat kruis op uwe borst, hoe beijverde ik mij,

het gelijk gij te verdienen! En zoo moet het weder worden. Gij zult

mij niet meer krachteloos in tragen kommer verzonken zien. De jeugdige

levenslust kleurt mijne wangen wel niet meer, want hare vleugels zijn

gebroken; ik toon u geen helder voorhoofd meer; doch ik wil dat ook

niet. Weg daarmede! Litteekenen en groeven van ernstige mannelijkheid

zullen het versieren, mijne wangen zullen bruin worden in den gloed der

zon, in den ruwen stroom der lucht. Dat wil ik, Boleslaw! Daartoe voel

ik eene nieuwe kracht door mijne aderen stroomen—maar wat gij vordert,

wat gij hoopt—daarvan nooit iets meer!”

De galop en het brieschen van een paard braken de stilte van den nacht

af. Het was Rasinski, die den heuvel oprende. Jaromir en Boleslaw

traden hem te gemoet; hij begroette hen, sprong van het paard en gaf

het dier haastig over. „Voer het af,” riep hij den stalknecht toe; „wij

zullen spoedig opbreken.”

„Gaat het voorwaarts?” vroeg Jaromir, toen zij in de hut waren

getreden, met een gevoel van vreugde; want hij geloofde er een gunstig

teeken van het toeval in te zien wanneer de gelegenheid zich spoedig

aanbood, om zijn ras genomen besluit door de daad te bekrachtigen.

„Voorwaarts! Dat woord zullen wij voor dezen veldtocht moeten

verleeren,” hernam Rasinski somber. „Iets ontbrak den keizer nog aan

zijn roem van een groot veldheer te zijn. Hij kon nog geen beroemden

terugtocht aanwijzen; van heden af zal hij ook daarvan kunnen spreken.”

De diepe rimpels op zijn voorhoofd, de donkere blik, waarmede Rasinski

deze woorden sprak, wekten een bang voorgevoel op in de harten van die

hem omringden.

„Terug moeten wij? Naar Moskou, of waarheen?” vroeg Boleslaw verwonderd.

„Naar Moskou? Om op de puinhoopen van het Kremlin onze vanen te

planten?” hernam Rasinski. „Hebt gij den doffen slag, de bevende

schudding van den grond van eergisteren reeds vergeten? Het was

Mortier, die het oude kasteel der czaren in de lucht deed vliegen.

Gisteren middag ontving de keizer het bericht, dat de kozakken nu reeds

weder onder de puinen van Moskou rondzwerven en de nalezing van den

buit houden. Mortier is naar Werreja opgebroken, hij heeft den generaal

Winzingerode gevangen genomen. Ziedaar de nieuwste berichten van ginds;

de nieuwste van hier zijn, dat wij binnen een uur insgelijks opbreken,

om naar Smolensko te trekken.”

„Onmogelijk!” riep Jaromir uit.

„De krijgsraad heeft tot middernacht geduurd, de terugtocht is

besloten. Het is onstuimig toegegaan. De koning van Napels wilde

Kutusow aantasten; Bessières, die zijne positie had opgenomen,

verklaarde ze voor onneembaar. De keizer zeide: Wij hebben genoeg voor

den roem gedaan, het is tijd, ook iets voor onze zekerheid te doen.

Davoust verlangde, dat wij ons ten minste op Platof en zijne kozakken

zouden werpen en ons den weg naar Medyn banen. De keizer verklaarde

zich voor den terugtocht over Mosaisk. Wij zullen alzoo denzelfden

treurigen weg teruggaan, dien wij voor twee maanden reeds langs

getrokken zijn.”

„De keizer op den terugtocht!” riep Jaromir en zag Rasinski vol

verwondering aan, als kon hij het nog niet gelooven.

„En zoo is dan de bloedige zege van gisteren eene vergeefsche geweest?”

vroeg Boleslaw en schudde bedenkelijk het hoofd.

„Zij zal ten minste een eeuwig gedenkwaardigen grenspaal voor de

daden des keizers hebben opgericht,” hernam Rasinski. „Ik heb het

slagveld gezien. Het levert eene verschrikkelijke vertooning op.

Bloedenden, verminkten kruipen nu nog van onder de brandende puinhoopen

te voorschijn. In Rusland bestaat er geene overwinning, waarvoor

de menschheid niet terugbeeft. Hier is de vlam steeds de woedende

strijdgenoot van het zwaard. Zoo voerde ook de Scyth, die voor duizende

jaren deze steppen doorkruiste, den oorlog.—Doch welke daden zijn

hier weder geschied! De moedige Delzons tast aan de spits zijner

soldaten de Russen aan, een kogel werpt hem neder. De soldaat, die zijn

aanvoerder ziet vallen, stokt, geraakt in verwarring, vlucht; de Russen

dringen voort. Delzons' broeder werpt zich alleen in de dampwolken der

vijandelijke vuurmonden, om ten minste het lijk te redden. Hij omvat

het met zijne armen, neemt het op; daar treft ook hem het doodend lood,

hij zinkt met zijn dierbaren last ter aarde, en de laatste slag van

zijn hart klopt tegen de koude borst zijns broeders.—De italiaansche

rekruten hebben voor de eerste maal gestreden als jonge leeuwen, die

hun eersten roof najagen. Geen volk is dapper; _allen_ zijn het,

wanneer dapperen hen aanvoeren.”

„En de koenste voert ons thans op den terugweg!” riep Jaromir met onwil

uit.

„Wie weet,” hernam Rasinski ernstig, „of niet juist hiertoe de

dapperste ook noodig is. Tot roem, ter overwinning lieten zich de

volken gemakkelijk van den Ebro tot de Moskowa leiden, zonder dat

het vuur van hun moed verflauwde. Maar zal de gloed niet verdooven,

wanneer alleen de roem van den heldhaftig lijdenden martelaar te

verwerven is? Zal hij voedsel genoeg hebben voor de onmetelijke tijds-

en afstandslengte? Zal hij blijven leven onder de wintersneeuw, die

spoedig deze vlakten zal bedekken, op de ijsvelden, die ons tot leger

zullen verstrekken? Thans roep ik u op, u, die mannen zijt en met

bewustzijn handelt, thans roep ik u op, om met trotsch opgeheven hoofd

en moedig voorhoofd uwe kameraden voor te gaan; want hoe zwaar ook het

werk was, dat wij volbracht hebben, het zwaarste begint eerst van dezen

dag.”

Hij sprak met hoogen ernst; men hoorde het aan ieder woord, dat zijne

vrees haar grond had in zijne innigste overtuiging. Met bezorgdheid

richtten zich dus hunne blikken op de toekomst.—Lodewijk wierp de

zijne nog verder voorwaarts dan Rasinski, want hij vroeg zich zelf af:

En wat zal van u en Bernard worden? Wanneer wij al den vaderlijken

grond weder betreden, wat zal dan ons lot zijn?

Rasinski had hem dadelijk na den slag bij Mosaisk gezegd, dat nu

het gunstige oogenblik daar was, waarop hij iets zekers in zijne en

Bernards belangen hoopte te kunnen doen. Na eene overwinning was

de keizer het meest tot zachtheid geneigd; het regiment had zijne

erkentelijkheid verworven, en men mocht derhalve, zonder iets op het

spel te zetten, van het verwonderlijke toeval gewag maken, dat Lodewijk

en Bernard in de rijen der dappere Polen had gebracht. Ondertusschen

had Rasinski sedert niet weder over dit onderwerp gesproken, ja,

gelijk het scheen, iedere herinnering daaraan vermeden. Lodewijk, die

van hem kon vertrouwen, dat hij uit eigen beweging alles zou doen,

wat men van zulk een vriend mocht verwachten, had hem daarom aan deze

zaak niet willen herinneren. Thans evenwel geloofde hij, daarvan te

mogen spreken, zonder Rasinski te beleedigen. Hij vroeg hem derhalve

rechtuit, of hij dan eindelijk eens hoop had van onder zijn waren naam

te kunnen optreden, te meer, daar hij dien toch, bij een mogelijken

terugmarsch naar Duitschland, niet meer zou kunnen verbergen. Rasinski

zag zijn vriend weemoedig en ernstig aan.

„Ik weet, wat gij denkt, Lodewijk,” zeide hij. „Gij gelooft, dat ik

u en Bernard vergeten heb, maar waarlijk, dit is zoo niet. Ik kan u

thans den geheelen stand van zaken blootleggen; doch hoort mij rustig

aan, laat mij geheel uitspreken, en oordeelt dan beiden, of ik voor u

gehandeld heb, zooals ik kon en moest. Vóór de overwinning op Kutusow

was de keizer zoo moeilijk te naderen en hield hij zich zoo geheel

met ernstige plannen bezig, dat ik niet waagde hem aan te spreken.

Ik moest bedenken, hoeveel op het spel stond, hoezeer ik u en mij

in gevaar bracht, wanneer ik den stand der zaken openbaarde. Ik had

immers geen genade, maar het onderdrukken eener aanklacht tegen twee

beschuldigden, welke men nog niet had kunnen opsporen, te verzoeken.

Na den slag bij Borodino, gij weet het immers zelf, waren wij dag

en nacht te paard, zoodat zich geen enkele gelegenheid opdeed. Ook

hadden de onmetelijke offers, welke de overwinning had gekost, en hare

geringe gevolgen den keizer alles behalve gunstig gestemd. In Moskou

hoopte ik alles ten einde te brengen—daar kwam de brand, die ons niet

alleen verdreef, maar ook de mogelijkheid om den keizer met zulke

zaken te naderen, nog oneindig moeilijker maakte. Bovendien stonden

wij op de voorposten; het was slechts zelden mogelijk naar Moskou

te komen. Evenwel liet ik niets onbeproefd, om iets voor u te doen;

doch ik moest voorzichtig te werk gaan. Alle berichten toch, welke ik

inwon, waren ongunstig. Men had den keizer omtrent u, Lodewijk, hoogst

nadeelige en verkeerde berichten geleverd, ja, het vermoeden, dat gij

in het leger waart, was geuit geworden en het lasterlijke bijvoegsel er

bij verdicht, dat gij hier uwe rol als spion der russische regeering

voortzettet. Ik verzweeg dit voor u, om u noodeloozen kommer te

besparen, want ik kan u de verzekering geven, dat men tot heden van

uw plaats in het leger onkundig is. En daarvan kunt gij overtuigd

zijn, dat, komt het gevreesde ongeluk der ontdekking, ik met mijne

eer als aanvoerder voor u beiden borg zal staan, en ik hoop, dat het

mij gelukken zal, u daardoor te beschermen. Maar laten wij nu nog in

de gerustheid blijven, welke de verborgenheid ons verschaft. De tijd

om voor u te spreken, is zoo ongunstig mogelijk; want door den half

raadselachtigen, half verklaarden brand van Moskou is het mistrouwen

tegen vreemden nog slechts aangegroeid, en wij mogen niet vergeten,

dat in het paleis, waar ik mijn kwartier had opgeslagen, de brand

het eerst uitbrak. Ook deze omstandigheid zou u ongunstig zijn. Bij

dit alles komt, dat de keizer, zooals ik uit goede bronnen weet,

brieven op brieven uit Duitschland ontvangt, die hem de oprechtheid

zijner duitsche bondgenooten steeds twijfelachtiger maken. Maarschalk

Macdonald meldt, dat de pruisische korpsen wel dapper in het gevecht

zijn, maar met onwil tegen de Russen strijden, ofschoon het tegendeel

in zijne rapporten staat. Met de werkloosheid des legers onder den

vorst Von Schwarzenberg is de keizer insgelijks niet tevreden; het

bewijst hem ten minste, dat Oostenrijk, niettegenstaande de banden

van verwantschap, die het thans aan Frankrijk binden, geen oprecht

bondgenoot is. De agenten uit het binnenste van Duitschland schrijven

van geheime vereenigingen van duitsche patriotten tegen Frankrijk

en alle fransche regeeringen, van hier en daar openbaar geworden

onvoorzichtige uitlatingen omtrent eene gemeenschap, tot in het leger

der vijanden zelfs onderhouden. Oordeel zelf, zijn zulke berichten

geschikt, om iemand van uwe onschuld te overtuigen?—En nu nog iets.

Wanneer de keizer de aanklacht tegen u onderdrukte en daardoor uwe

betrekking tot het leger ophield, wat zoudt gijlieden dan doen? Sinds

heden, daar tot den terugtocht besloten is, bleef u niets over, dan

in het lot des legers te deelen; en waar zoudt gij zulks beter kunnen

dan bij mij, daar ik steeds uwe bijzondere belangen voor oogen houd

en niet eenmaal een dienstplicht van u vorderen zou, wanneer gij dien

niet zelven vrijwillig op u naamt, of als de uitzonderingen zich altijd

zoo lieten maken, dat zij niet al te zeer de aandacht tot zich moesten

trekken?—Want alleen, op uwe eigene gelegenheid, de schrikkelijk

lange terugreis te ondernemen, dat zou thans niet geraden zijn. Gij

weet, hoe het land gezind is, aan welke gevaren een enkel persoon

zich blootstelt. Gij hebt nog niet kunnen vergeten, hoevelen, die,

afgezonderd overvallen, in de handen der fanatieke Mugiks vielen,

onder de schrikkelijkste folteringen zijn opgeofferd. En het gevaar

zelfs daargelaten, waar zult gij middelen vinden, om op zulk eene

reis te bestaan? Het vereenigde geweld van zoovelen vermag zich de

noodwendigste behoeften aan te schaffen; doch de enkele kan niets. Hoe

zult gij op den verwoesten weg, langs welken wij hier gekomen zijn,

waar wij in plaats van dorpen en steden slechts de puinhoopen zullen

vinden, die hunne voormalige ligging aanwijzen,—hoe zult gij daar

huisvesting, levensmiddelen, paarden vinden, wanneer de uwe, door

moeite en slecht voedsel uitgeput, niet meer te gebruiken zullen zijn

of sterven? Ik heb noch den lust, noch den moed verloren, om u met

vollen vriendschapsplicht te dienen, maar zeg zelf, weet gij thans een

zekere uitkomst? Mijne eigene verantwoordelijkheid zou ik het minst

ontzien. Geef mij een goeden, uitvoerbaren raad, ik zal hem volgen; gij

zelven; Boleslaw en Jaromir, moet beslissen, wat er gedaan moet worden.”

De vrienden zagen elkander aan; zij zochten te vergeefs naar eene

wederlegging van Rasinski's gronden, en toch werd Lodewijks ziel diep

bedroefd door het besef dezer dreigende toekomst, waarin hij zijne

vrienden en zijne hulpelooze zuster gewikkeld zag.

„En al waren wij ieder zevenmaal zoo wijs, als de zeven wijzen van

Griekenland te zamen genomen,” aldus verbrak Bernard de ingevallen

stilte, „wij zouden geen beteren raad vinden. Het recht van Rasinski

is zoo klaar als de hemel daarbuiten, wiens sterren ons recht gunstig

op onzen terugtocht schijnen te lichten. Troost u, vriend Lodewijk;

ons omgeven niet meer doodsgevaren dan anderen; misschien houdt, wel

bezien, de draad van ons leven zich nog te lang goed en spint zich

vervelender en treuriger ten einde dan wij dachten. De schaar der

schikgodin gaat in eene minuut meermalen toe en open en zal menigeen

het voorzichtig gesponnen garen eer afsnijden, dan het zekerlijk

vrij dunne haar, waaraan ons het zwaard van Damocles boven het hoofd

hangt. Zooveel weet ik evenwel, dat wij, blijven wij hier, onder goede

vrienden leven en sterven, waarop het mijns bedunkens meer aankomt,

dan of wij eenige meerdere waarschijnlijkheid voor de apotheek en

eenige mindere voor de zandhoop konden aantoonen. Maar gij, Rasinski,

bekommer u deswege niet; gij hebt meer voor ons gedaan, dan wij u ooit

kunnen vergelden. De dankbaarste mensch toch blijft een ondankbare

ezel, ik vooral.—Geeft mij de handen, vrienden, wij willen blijde

zijn, wanneer de zon ons morgen nog beschijnt en het woud eenige

bleekgroene bladeren onder de gele en roode toont, die de wind als een

eeuwigdurenden regen van herfstbloesems afschudt. Mij dunkt, de wereld

is nog recht aardig, en die haar nog een poosje bezien mag, kan van

geluk spreken, in vergelijking met de zes duizend, die daar boven met

verbrande kneukels in de asch en het puin van Malo-Jaroslawez liggen.”

Daarmede schudde de wakkere, krachtige vriend Rasinski en Lodewijk

de hand, en stak ze dan ook Jaromir en Boleslaw toe. Zijn stoute,

vroolijke aard, waarmede hij de hardste slagen des noodlots bespotte,

gaf dikwijls aan al zijne vrienden een gevoel van de krachtige

zelfstandigheid, welke zich onder geen juk des levens kromt.

Een ordonnans trad binnen; hij bracht het bevel om op te breken, dat

Rasinski verwachtte. „Om drie uur!” zeide deze. „Stil dus en in het

diepste en holste van den nacht!” Twee malen ging hij met over elkander

geslagen armen en ter aarde gerichten blik in het nauwe vertrek op en

neder.

„Laat thans opzadelen! Het zal spoedig tijd zijn.”

Jaromir en Boleslaw gingen, om het noodige bij hunne lieden te bevelen.

Lodewijk en Bernard hadden tenminste voor zich zelven schikkingen te

maken. Zoo scheidden de vrienden. Doch nauwelijks was er een half uur

verloopen, of zij bevonden zich weder bijeen, doch te paard en op

den terugmarsch. Op Rasinski's voorhoofd lagen donkere wolken; hij

sprak niet, doch zag meermalen zwijgend naar de streek om, waar de

schouwplaats der laatste overwinning, welke het leger bevochten had,

in den sluier van den nacht gehuld lag. Toen de weg om een eenzamen,

steilen heuvel heenliep, reed hij dien alleen op. Toen hij boven op

den, door winden omruischten top stil stond, richtte hij zijne blikken

naar de woeste, door rook omringde stede des doods, die thans het

uiterste doel van den ongehoorden krijgstocht was geworden. De rook der

puinen vermengde zich met dien der nachtvuren, welke de achterhoede

helder liet branden, die, onder de bevelen van den maarschalk Davoust,

den vijand omtrent den terugtocht van het groote leger zoude misleiden.

Aan de overzijde langs het woud kon men aan tallooze, in donkerrooden

gloed schitterende vlammensterren de plaats van het russische leger

onderkennen. Langzaam togen de zwarte dampwolken onder den, in het

twijfelachtig schijnsel der ondergaande maan, flauw lichtenden hemel

heen; zij schenen zich tot een zwaar onweder te verzamelen.

„Daar dan!” zeide Rasinski tot zich zelf, „daar zal de wandelaar in

volgende eeuwen de plaats opzoeken, waar den onmetelijken geest, die de

koningen der aarde stormend uit hunne oude rust opjoeg, de grenspaal

zijner krachten werd geplaatst! Mag dan geen sterveling een groot werk

ten einde brengen? Kan dan de geest des menschen niet eens deze kleine,

armzalige aarde omvatten, welke hem ter woonplaats is aangewezen,

zoolang hij in de boeien van zijn aardsch omhulsel smacht? Zijn wij

dan zoo gering, dat dit punt, dit zonnestofje in het heelal eene

onmetelijke ruimte voor onze krachten is? Cyrus viel aan de grenzen

van het wilde noordsche rijk der Scythen, Cambyses moest terugkeeren

aan de gloeiende poorten van Ethiopië, Alexander bij het fabelachtige

rijk der Indianen.—En hier zal dan het nageslacht de grenssteenen

_zijner_ daden oprichten? Hier! Wie houdt dit staande? Waarom niet

reeds bij de piramiden? Wat daar geschiedde herhaalt zich hier. Is dan

de cirkelloop der tijden reeds voleindigd? Dwaasheid, aan de grenzen

van het ruim te blijven hangen! Alsof de wereld daarheen niet even wijd

ware als hierheen!—En evenwel!”

Eene rilling doorvoer zijne leden. De wind suisde over de hoogten en

ruischte door de toppen der oude pijnboomen, die hunne takken over

Rasinski's hoofd uitstrekten. Zijn ros krabde met den hoef in de aarde

en schudde zijne in den wind vliegende manen. Sombere voorgevoelens,

welke de beelden der toekomst voor zijn geest schenen heen te voeren,

verkregen meer en meer macht over hem.

„Evenwel,” zuchtte hij na eene minuut zwijgens, „evenwel, is het

waar, de daad des menschen is door de enge beperkingen der ruimte

onzichtbaar omgeven; hij ziet de onoverkomelijke grenspalen eerst,

wanneer hij ze bereikt heeft, en geene hand verzet ze, geen tijd doet

ze verdwijnen.—Voorzegt hem zijn voorgevoelend hart niet, wanneer hij

ze nadert?—Is hier dan de plaats, waar de stroom van groote daden

zich in de zee der onmetelijkheid uitstorten en voor eeuwig spoorloos

verdwijnen moet? Of keert hij slechts zijn loop, om zich trotsch door

nieuwe velden uit te gieten en de nieuwe rotsdammen, die hem tegenstand

willen bieden, te doorbreken? Wie zegt ons, waar onze voet de geheime

teekens van het noodlot aanraakt, die als een bannende tooverkring

om ons getrokken zijn? Openen zich thans de poorten van een nieuw

olympisch kamp- en overwinningsveld, of staan wij voor de ijzeren

gegrendelde deuren, waarmede de Almachtige in den raad des noodlots

onherroepelijk besloot, onzen loop te stuiten? Is hier de plaats,

waar de eindige kracht zich aan den metalen dam der eeuwige moest

verpletteren?”

„Ja, ja, zoo is het. Eene geestenstem roept het mij toe uit dezen

duisteren hemel, uit het ijzingwekkend suizen van den herfstwind.”

„Hier alzoo! Waarlijk hier! Thans grijpt de ijzeren arm van het

noodlot in de vleugelen des geweldigen en verlamt en verbreekt

ze! En was hij dan niet vernietigd? Neen, nimmer. Eeuwig zal zijn

reuzenmonument vaststaan in de voortrollende baren des tijds. Hij zal

den sluier van dit duister tegenwoordige oplichten. Weinige maanden

of jaren—polsslagen der eeuwigheid—en het boek des noodlots ligt

opgeslagen voor ons. De toekomende geslachten zullen het weten, of

de klokslag van dit uur eene wisseling der wereldgebeurtenissen

aankondigt. Welnu, het zij zoo! De sporen van zijn reuzentred op aarde

kan geen eeuwigheid verdelgen. Zoo moge dan hier de grenssteen van

zijn machtig volbrengen worden opgericht. De reusachtige altaren aan

den Ganges, het slagveld bij Cannae, de rookende puinhoopen bij deze

dennenbosschen—zij zijn hieroglyphen van dezelfde beteekenis, en na

duizende jaren nog zal de wandelaar ze met huiverige vereering lezen!”

Deze gedachten golfden in Rasinski's heldenziel op en neder. Hij

gevoelde met ontegensprekelijke zekerheid, dat een zwaar, verpletterend

onheil naderde! Doch met dit klare bewustzijn van het gevaar keerde

zijne geheele mannenkracht terug en richtte hij borst en hoofd moedig

tegen de toekomst op. Nog één blik wierp hij over het duistere, in

nacht verzonken landschap, waar de geschiedenis besloten had, de nieuwe

zuilen van Hercules op te richten; daarop wendde hij zijn ros en keerde

met bezadigden moed tot de zijnen terug.

1812: Historische roman · 第 93 / 154 题