HOOFDSTUK II.

Het was tegen den avond van den 18 October toen het fransche leger de

hoofdstad der czaren, waarin het veel te lang of veel te kort vertoefd

had, begon te verlaten. De keizer had evenwel de gedachte nog niet

kunnen verdragen, dat hij terugtrekken moest voor de overmacht der

natuur en der onuitputtelijke middelen, welke zij den vijand aanbood,

terwijl zij hem niets dan onoverkomelijke hinderpalen in den weg

wierp; hij dacht er veeleer nog aan, het leger van Kutusow, dat bij

Kaluga stond, aan te tasten, het te verslaan, zich een weg naar de

zuidelijke provinciën te banen, zijne reserves aan zich te trekken,

zijne communicatiën met Polen te vermenigvuldigen en te verzekeren,

zich op den rechtervleugel der armee te leunen, en zich zoo tot het

voorjaar in het hart van 's vijands land staande te houden. Menige

stem had zich zekerlijk reeds voor den terugtocht doen hooren en in

angstig voorgevoel, dat het bleeke spook van den winter onverwacht zou

tegenwoordig zijn, op zijne verhaasting aangedrongen; doch de raad, die

het meest met den koenen geest des keizers overeenstemde, ofschoon dan

ook de stoutste, geenszins de verstandigste, behield de overhand.

In den vroegen morgen van den 19 October, een vroolijken herfstmorgen

verliet Napoleon zelf Moskou. Ofschoon de uittocht des legers reeds

den geheelen nacht geduurd had, drongen de dichte drommen echter nog

steeds de poorten der half in puin liggende stad uit. In onafzienbare

rijen trokken zij langs den breeden weg voort. Niet zoozeer het getal

der strijders maakte den onmetelijken trein uit, als wel de ontelbare

wagens met buit beladen, de menigte kanonnen en ammunitiewagens,

welke men niet mocht achterlaten. Aan beide zijden braken derhalve de

colonnes van infanterie en cavalerie uit den trein en trokken, waar

het terrein het slechts eenigszins vergunde, over de landen naast den

grooten weg heen, om den meer gebaanden weg voor de voertuigen vrij te

laten. Evenwel kwam er spoedig stremming in den onmetelijken trein.

Zelfs de keizer en zijn staf konden geen doortocht vinden, zoo hadden

de wagens alle doorgangen versperd. Op dit oogenblik kwam Rasinski,

die des nachts voor de poorten van Moskou op bivak had gelegen, met

zijne kleine bende door eene zijstraat der voorstad, om zich bij de

hoofdmacht aan te sluiten. Hij moest stilhouden en zag den keizer dicht

voor zich; zijne trekken drukten verstoordheid uit over het oponthoud

dat hem overkwam, en met misnoegen zag hij naar dat bovenmatig getal

wagens. Hij wierp een scherpen blik op Rasinski, die hem met eerbied

groette. Echter sprak hij niet, maar scheen alleen het geringe aantal

ruiters, dat nog van het regiment overig was, met bekommering na te

tellen. Eindelijk werd er een doortocht geopend en hij rende met zijn

volk voort.

Rasinski kon evenwel met zijne manschappen nog niet in het gelid

inrukken, maar moest op een gunstiger oogenblik wachten, om door

dezen wagenbrug heen te breken. Dit was hem lief, daar hij Jaromir

nog verwachtte, dien Lodewijk uit het hospitaal, waarin hij als zieke

gelegen had, afhaalde, daar het bevel tot oprukken zoo onverhoeds

gekomen was, dat men Jaromir daarvan niet verwittigen kon, maar

Boleslaw voor zijne bagage en paarden had moeten zorgen. Zij werden

hem door zijn stalknecht voorgebracht, en hij had niets verder te doen

dan op te stijgen. Daarom was Lodewijk door Rasinski mede tot hem

gezonden, om hem met ernstige woorden tot het besluit te brengen, den

geheimvollen sluier, waarmede hij het gebeurde bedekte, ten minste

voor een vriend op te lichten. Bij het waarlijk vaderlijk belang, dat

Rasinski in Lodoiska zoowel als in Jaromir stelde, ging hem de zorg

voor deze twee zoo ter harte, dat deze zelfs door de zoo plotseling

ontstane oorlogsgebeurtenissen niet kon verdrongen worden.

Daar zag hij de aankomenden reeds van verre; zij reden snel op de

wachtenden aan. Jaromir reed volgens het gewone dienstgebruik op

Rasinski toe en meldde zich aan als hersteld, terwijl hij weder in de

gelederen der strijders trad. Hij zag er nog bleek uit, ja hij scheen

zich slechts met moeite recht en kloek in den zadel te houden; zijne

stem had iets hols, het vuur zijner oogen was uitgebluscht.

Rasinski nam geene diensthouding aan, maar reikte hem met vaderlijke

deelneming de hand, zeggende: „Wees ons welkom, Jaromir; wij zijn

uwentwege bezorgd geweest; wees hartelijk gegroet.”

Bij deze, op den toon van innerlijke ontroering uitgesproken woorden

verloor Jaromir de vaste houding, welke hij met geweld had trachten aan

te nemen. Hij zag zijn welwillenden vriend wel ernstig aan, doch kon

een traan, die in het matte oog opwelde, niet weerhouden. Bevend reikte

hij hem de hand, doch waagde niet den hartelijken druk van Rasinski te

beantwoorden. „Wees streng, wees hard tegen mij; ik ben geen goedheid

meer waard,” zeide hij met eene gesmoorde stem.

Het geoefend oog van Rasinski zag tot in het diepst van des jongelings

ziel; thans was hij er ten volle van verzekerd, dat niet een verwarrend

schrikverschijnsel zijn brein benevelde. Het oogenblik was gunstig;

hij zag hem aangedaan, thans kon hij zijn vertrouwen winnen. Doch hij

moest zich haasten, eer het voornemen om hardnekkig te zwijgen weder de

overhand in hem verkreeg.

„Boleslaw,” zeide hij daarom tegen dezen, „breng de manschappen daar de

tweede straat door en zie naar de vlakte te komen. Dan houd u rechts

van den weg. Hier kunnen wij nog een halven dag wachten, voor wij ons

baan gemaakt hebben. Ik zelf zal met Jaromir achter de tuinen omrijden

en vindt u dan op den heuvelrand voor de stad weder.” Hij wenkte

Jaromir, rende met dezen de straat af en reed eerst weer langzamer,

toen zij nabij de vlakte tusschen de tuinmuren geheel alleen waren.

„Heeft Lodewijk niets op u kunnen uitwerken, Jaromir?” aldus sprak

hij hem ernstig, maar zacht aan. „Wilt gij geen uwer vrienden, ook

mij niet, die u zoon kan noemen, uw vertrouwen schenken? Welke schuld

bezwaart u? Is zij de inbeelding van door koorts ontstelde hersenen,

of is zij werkelijk bestaande? Ofschoon _gij_ ook van het laatste

overtuigd zijt, moet _ik_ toch het eerste gelooven; want heeft de man

gestruikeld, dan bekent hij het vrij en openhartig.”

„Wil ik het u dan verbergen?” riep Jaromir uit. „Zou ik beter willen

schijnen, dan ik ben? Neen, ik wil mij slechts de boete opleggen, mijn

berouw en mijne schaamte alleen te dragen; ik wil niet, dat het uwer

medelijdende goedheid op het laatst zou gelukken, mij te overreden,

dat er vergiffenis voor mij mogelijk zoude zijn. O, misken mij niet,

Rasinski! Zie geen lafheid in het besluit, om alleen en stom te boeten,

wat ik zonder medeplichtige misdreef.”

Rasinski trok den brief aan Lodoiska uit zijne brieventasch. „Dan neem

dezen brief terug; ik mag hem niet verzenden.”

„Hoe? Gij hebt het niet gedaan?” riep Jaromir verschrikt uit.

„Zend hem zelf!”

„Ach, Rasinski, gij _moet_ het doen; want zij zal geen brief meer

openen, dien ik haar zend.”

„Hoe? waarom niet!”

„Wanneer gij mij beloven wilt, dezen brief, van uwe vaderlijke,

vertroostende woorden begeleid, zoo spoedig mogelijk aan haar af te

zenden, dan wil ik mijne lippen voor u openen. Maar geef mij daarop

uwe rechterhand, dat gij mij niet weder aan het wankelen zult zoeken te

brengen in mijn besluit.”

Rasinski beloofde het; Jaromir beleed nu, hoe hij door Françoise

Alisette bedrogen, verstrikt, gevallen was. Een donker schaamrood

kleurde zijne bleeke wangen bij het verhaal.

„Arme vriend!” zeide Rasinski, „gij werdt alzoo het offer eener sluwe

boeleerster! Gij hebt misdaan, zwaar misdaan; maar niet onvergefelijk!

Lodoiska zal u vergeven, gelijk ik het doe. _Ik_ zal haar schrijven.”

„Dat zult gij niet,” riep Jaromir heftig. „Gij hebt mij beloofd, naar

mijn wil te handelen. _Mijn_ brief verzendt gij; doch _gij_ moet uwe

hand daartoe leenen, anders wijst zij hem ongeopend terug.”

„Waaruit vermoedt gij dit?”

„Wijl hare beleedigde waarde niet anders mag. Ach! ik heb u nog niet

alles gezegd. Na dien rampzaligen stond, toen ik in gelijke verblinding

van smart en van geluk door de zwarte, nog niet door mij herkende

furiën gegeeseld, rusteloos omdwaalde, ontving ik Lodoiska's laatsten

brief. De reine glans der heilige straalt uit dien brief; doch mijn

waanzin zag slechts het verblindend, verraderlijk schijnsel der hel. Ik

antwoordde op staanden voet, noemde haar eene onwaardige huichelares,

en verscheurde onze verbintenis. Met eigen hand deed ik den brief nog

des avonds laat, nadat Lodewijk mij verlaten had, op de veldpost.

Gelooft gij nu, dat Lodoiska na dezen brief er nog een van mij zoude

openen?”

„Heeft zij u sedert geschreven?”

„Ik ontving geen enkel woord, doch ik verwachtte er ook geen.”

Rasinski had in dezen geheelen tijd mede geene brieven ontvangen; doch

bij de onregelmatigheid van de veldpost verklaarde hij zich zulks

daardoor, dat zij vermist of verloren gegaan konden zijn. Evenwel

geloofde hij thans, dat Lodoiska, vooral door de edele groothartigheid

der gravin zoodanig bewogen, eene aanklacht met stilzwijgende

verachting zoude hebben afgewezen.

„Ik zal,” antwoordde hij na eenig nadenken, „uw brief verzenden, ik

wil hem aan mijne zuster richten en haar schrijven, dat uw lot in de

grootmoedigheid van Lodoiska berust.”

„Neen, dat zult gij niet, dat is tegen uwe belofte. Wanneer ik hare

engelachtige goedheid inroep, dan wordt mijn berouw huichelarij en ik

verlies het laatste, wat ik nog in mij zelf kan achten: het voornemen

en de kracht om boete te doen. Zoo gij niet wilt, dat ik in rechtmatige

verachting van mij zelf mijn nietswaardig leven eindige, vervul dan,

wat gij beloofdet. Gij zelf moet zeggen, dat ons verbond onherroepelijk

verbroken is; weigert gij mij dit, dan—doch neen, gij doet het niet!

Ik zou dan een weg moeten gaan—ik ijs er aan te denken—doch ik zou

moeten!”

Rasinski schudde ernstig het hoofd en zuchtte. „Nu, het zij zoo, ik wil

doen, wat gij verlangt, gij zult den brief aan mijne zuster Johanna

zelf lezen; doch gij zult het hart van Lodoiska breken!”

„Dat heb ik reeds lang gedaan!” riep Jaromir vol vertwijfeling en legde

zijne rechterhand over zijne oogen en aan het gloeiend voorhoofd.

Zwijgend reden zij nu naast elkander voort. Thans bereikten zij de

hoogten. Goede God! Welk een schouwspel! In drie breede stroomen

golfde de onmetelijke rij van soldaten en wagens door het veld. Nimmer

eindigend schenen zij uit de ruïnen van Moskou voort te stroomen; in

den blauwen nevel van de gezichteinder verloren zich hunne uiterste

spitsen. Daarenboven was het veld nog aan weerszijden met verstrooide

ruiters en voetgangers bedekt, welke rondom den opééngepakten

hoofdstroom zwierven.

Rasinski bleef op de hoogte staan. Niettegenstaande zijn omweg, was hij

toch sneller vooruit gekomen dan de keizer zelf; want hij herkende aan

de witte pluimen dezen en zijn gevolg nog ver onder aan den heuvel,

midden in het gedrang der wagens. Ook Boleslaw zag hij in de verte;

hij marcheerde reeds op het vrije veld, aan de rechterzijde van den

weg, alwaar men, om den ongebaanden weg, de een achter den ander moest

rijden.

„Waar moet dat heen!” zeide Rasinski, toen hij den trein overzag. „Hoe

zal een leger met zulk eene bagage zich bewegen? Mijn beste troost is,

dat de eerste aanval der kozakken ons ten minste van de helft van dien

lastigen overvloed zal bevrijden. Wat de hebzucht al niet in het blinde

bijeengesleept heeft! Hoe zich de begeerlijkheid met een noodeloozen

last bezwaart, waaronder zij bezwijken moet!”

„Het zou mij verwonderen, zoo de keizer niet, zoodra wij het vrije veld

bereikt hebben, den geheelen boel deed verbranden,” zeide Jaromir, die

met onverschillige blikken het gewoel overzag.

„Dat zal hij niet,” antwoordde Rasinski. „Want hij mag den soldaat,

die met zooveel moeite twee derden van Europa doormarcheerde, het loon

van den meermaals beloofden buit niet ontnemen. Doch geloof mij, nog

eer de dag voorbij is, zullen de onzen zelven hun ballast beginnen

weg te werpen. Zie maar eens naar die lieden daar! Het schijnen mij

officiersoppassers te zijn. Hebben zij zich niet voor eene handslede

gespannen en trekken zij niet hun vracht als stomme lastdieren voort?

Geen zes uren ver zijn hunne krachten toereikend; maar door de hebzucht

verblind, vergeten zij, dat de weg van Moskou naar Parijs acht honderd

uren lang is! En deze massa's van hoog bepakte wagens, waar zullen zij

tijd en plaats vinden, om voort te komen? Hoelang zullen hunne assen

het uithouden? en wanneer er eene breekt, wie zal een andere bezorgen?

Nauwelijks kan de artillerie dit volhouden. De keizer ziet dezen tros

met verdriet aan; maar hij laat het aan den tijd over, den hebzuchtigen

de onuitvoerbaarheid hunner onderneming te leeren. Daar valt een wagen

om. Ziet gij? Let op, deze laat hier, een half uur van Moskou, reeds

alles achter, wat hij misschien naar Parijs had hopen te brengen.”

De wagen, dien Rasinski zag vallen, was met buitgemaakte voorwerpen

overladen geweest; er brak eene as, en nu lag hij op den weg omver.

Dadelijk ontstond er stilstand; de achtersten schreeuwden driftig

„voorwaarts!” want ieder besefte, dat men in deze verwarring alles

moest aanwenden om vooruit te komen. De menigte belemmerde zich zelve

in hare bewegingen; de enkele persoon was daarom blijde, wanneer een

toeval het aantal der voertuigen verminderde. Toen de omgevallen wagen

niet dadelijk kon geholpen worden en er ook geen ruimte bleef om te

wijken, riep een der volgende wagenmenners: „Smijt den rommel uit

den weg! Hier moet ieder zien, hoe hij vooruit komt. Wij kunnen geen

halven dag op dien eenen wachten. Komaan, kameraden, spant de paarden

uit en werpt de geheele kraam in het veld.” Dadelijk waren er twintig,

dertig, vijftig lieden gereed om de uitnoodiging te volgen. Te vergeefs

raasde en tierde de eigenaar van den wagen en zocht hij zijn buit te

verdedigen. In twee minuten was hij van alle kanten omringd en de

wagen niet alleen ledig geplunderd, maar ook de paarden uitgespannen,

de raderen uitgelicht, en het onderstel in brokken uiteengenomen en

op zijde geworpen, zoodat de baan voor de nakomenden vrij werd. De

waanzinnige woede, waarin de beroofde uitbrak werd door het honend

gelach der overigen verdoofd; niemand bekommerde zich om het geheele

geval of hield het der moeite waard, den gewelddadig geplunderde in

bescherming te nemen, die op het laatst blij moest zijn, althans nog

zijne paarden behouden te hebben.

„Wanneer dat op den eersten dag van den marsch en voor de poorten van

Moskou geschiedt,” merkte Rasinski aan, „wat moeten wij dan verwachten,

wanneer de vijand eens deze onbeholpen massa bedreigt? Die moradeur

heeft niets gered dan een paar vermagerde paarden. De anderen mogen

blij zijn, wanneer dit hun bij den eersten aanval van slechts vijftig

kozakken ook gelukt. De kerel, die huilt en vloekt, is de gelukkigste

van allen, want hij is het onnut tuig het eerst kwijt geraakt. Hij zal

gelegenheid genoeg hebben, misschien van daag reeds, om zich schadeloos

te stellen door met het verdriet van anderen, wellicht van dezelfden

die hem verongelijkt hebben, te spotten. En eer acht dagen voorbij

zijn, prijst hij zijn lot, zeg ik u, dat hem de vergeefsche moeite, om

zijn last voort te sleepen, ontnomen heeft. Het onderscheid is maar,

dat hij vandaag verliest, wat de overigen morgen en overmorgen moeten

prijsgeven; van duizend komt er niet een zoover, dat hij genot van zijn

buit zal hebben.”

Boleslaw had thans met de ruiters de hoogte bereikt; hij verkreeg

ruimte om hen in sectiën te doen opmarcheeren en rukte zoo op het punt

aan, waar Rasinski wachtte. Deze stelde zich aan het hoofd der zijnen

en reed, zijne vrienden dicht om zich hebbend, weder nevens den weg

voort. De weg over de hoogte, dien zij genomen hadden, vergunde hun

voortdurend het overzicht over den geheelen trein.

„Het is mij lief,” zeide Bernard, „dat wij bijna de laatsten zijn;

want ik geloof niet, dat de vooruitmarcheerende regimenten er zich

een denkbeeld van kunnen maken, welk een drakenstaart zij achter

aansleepen, en het gezicht is toch aardig genoeg. De heksenprocessie

op den Bloksberg kan er niet wonderlijker uitzien, dan de maskerade

hier onder en nevens ons. Bij den torenbouw van Babel heeft men niet in

zoovele talen gevloekt als hier, en een inventaris van alle dingen, die

in een rond jaar in Londen gestolen zijn, zoude een prul zijn tegen die

van dit landloopersameublement. Ik geloof, dat in Moskou geen koperen

ketel, geen braadpan, geen oude drievoet, geen tang of bezemsteel meer

te vinden is, zulk een rommelzoô ligt er op deze wagens gepakt! Zie

maar eens,” zoo wendde hij zich tot Jaromir, om diens donker gelaat

wat op te helderen, „zie maar die rij van wagens eens, waarbij de

keizer zoo zal aankomen. Het schijnt mij wel een amazonentroep, want ik

zie bijna enkel vrouwen, en zij zijn toegetakeld, als wilden zij zoo

terstond een oostersch stuk met groot spectakel opvoeren, de Turandot

of zoo iets.”

„Het zullen denkelijk de acteurs zijn, die in Moskou waren,” merkte

Lodewijk aan.

Bij het woord acteurs schrikte Jaromir hevig en wierp snel een blik

op den troep; eene woeste, koude grimmigheid vervulde zijne borst.

Alisette kon er bij zijn. Hij moest het vermoeden.

Sedert dien verschrikkelijken nacht had hij niets verder van haar

vernomen. Regnard had, het valt moeilijk te beslissen, of het uit

grootmoedigheid, uit gevoel van zijn onrecht of uit medelijden met

Jaromir geschiedde, de zaak niet weder aangeroerd, ofschoon hij

tweemaal in het hospitaal was gekomen, om kranke officieren van zijn

regiment, die daar ziek lagen, te bezoeken, bij welke gelegenheid

hij Jaromir natuurlijk ook had moeten zien. Regnard was anders in

zaken van eer meer dan nauwgezet; doch de vreeselijke keer, dien het

gebeurde, waarover hij zich eerst beleedigd had gevoeld, voor Jaromir

zoowel als voor Alisette genomen had, maakte dit opzettelijk vergeten

zeer natuurlijk. Jaromir van zijn kant wist niet, of des oversten

betrekking met haar (want hij was het, die haar onderhield en bewerkt

had, dat zij naar Moskou was gekomen) nog voortduurde, dan of hij

de trouwelooze thans aan haar lot overliet; ja hij zou niet eenmaal

vernomen hebben, of zij zich in dien nacht gered had, wanneer niet eene

toevallige vermelding van het meisje door een officier van Regnards

regiment hem bewezen had, dat zij nog leefde. Thans was zij misschien

geen honderd schreden van hem verwijderd. Daar de weg zich deelde en

Rasinski slechts een gunstig oogenblik afwachtte om dien te bereiken,

kon het gebeuren, dat hij haar weder van aangezicht tot aangezicht

zou moeten zien. Die gedachte joeg zijn boezem weder in wilde golven

op. Hij gevoelde, dat, zoo hij de verraderes plotseling ontmoet had,

hij de heerschappij over zich zelf zoude verloren hebben. Nu, door

Bernards wenk voorbereid, had hij tijd zijne gedachten te verzamelen.

Hij besloot haar met de koelste minachting met blik noch woord te

verwaardigen, wanneer het toeval hem in hare nabijheid mocht brengen.

Bernard en Lodewijk reden naast den somber zwijgende voort. Rasinski

had hun en Boleslaw slechts met een vluchtig woord toegefluisterd, dat

hij thans Jaromirs geheim wist. Hij scheen eene nadere mededeeling tot

gelegener tijd te willen besparen. De deelneming zijner vrienden in het

lot van hun trouwen makker was even warm gebleven als te voren, daar

zij hem van geen schuld konden verdacht houden, doch slechts het ergste

onheil voor hem vreesden. Bernard, wiens scherpen blik zelden eene

gelaatsuitdrukking ontging, merkte de verandering in Jaromirs wezen,

toen hij van de acteurs sprak, oogenblikkelijk op. Hij had echter geen

vermoeden, dat Alisette te Moskou was; want na den brand had hij,

alles saamgenomen, geen twee dagen in Moskou doorgebracht, daar het

regiment dadelijk een bivak voor de stad betrok en vijf dagen later in

de noordelijke voorpostenlinie rukte. Doch zijn scherpzinnig verstand,

zoo bijzonder geschikt tot het ontdekken van intriges, gaf hem dadelijk

duistere vermoedens der waarheid. Echter verried hij deze ook zelfs

door het geringste teeken niet, maar zette zijne opmerkingen over het

hem omringend schouwspel voort.

„Wat mag het zijn, dat daar beneden zoo schittert?” vroeg hij

plotseling. „Ik geloof, dat het de gouden tooverspiegel uit de „Duizend

en Een Nacht” is, die daar op den wagen met acht paarden ligt, of een

bundel bliksems, of een hoop vuur als staaltje van den brand.”

Ook Lodewijk en Rasinski zagen daarheen; want inderdaad flikkerde

tusschen de zwarte gedaanten, die in de laagte voorttrokken, iets als

een schitterende zon door. De menigte der voorbijtrekkende ruiters

en wagens verhinderde nochtans, het voorwerp te onderkennen. Toen er

evenwel gedurende een oogenblik eene opening ontstond, bemerkte men,

dat het een vervaarlijk groot gouden kruis was.

„Het is,” zeide Jaromir op een ernstigen toon, „het kruis van den

heiligen Iwan, dat op den toren van het Kremlin heeft gestaan. De

Russen vereeren het als hun grootste heiligdom, als het palladium

hunner stad. Uit mijn venster heb ik het zien afnemen. Het was een

donkere dag; de avondschemering was reeds ingevallen. Ontelbare raven

doorkruisten de lucht en fladderden krassend rondom den glanzenden,

hoogen top. Men had eene stellage gebouwd, ladders aangebracht,

windassen geplaatst, strikken omgeslagen, en de arbeiders waren

zonder ophouden bezig, doch de zwermen van raven weken niet, maar

klapwiekten met heesch geschrei nu in wijder, dan in enger kringen

om het schitterende kruis heen. Onder mijne vensters stond een hoop

Russen; er waren ook vele vrouwen bij. Zij kruisten hunne armen over

de borst, bogen zich vol eerbied en mompelden zacht gebeden. Eene der

vrouwen, avontuurlijk gekleed, een rooden doek als tulband om het

grijze haar gebonden, stond midden onder hen, hief de handen omhoog,

maakte allerlei wonderlijke gebaren en sprak op een bezwerenden toon

in onverstaanbare woorden. Het gezicht had iets angstverwekkends. Toen

nu de windassen werkten en het kruis zich begon te bewegen, verhief

de schare een luid geschreeuw, sloeg zich op de borst, rukte zich de

haren uit het hoofd en stoof als ontzet uit elkander. Het scheen, dat

zij geloofd hadden, door hunne bezweringen en gebeden het heiligdom

te zullen redden, en nu waren zij buiten zich zelven van schrik, daar

zij het onder de schennende handen gevallen en hunne goden overwonnen

zagen. Ondertusschen klonk een rauw gekras en geruisch door de lucht;

het gansche heer van raven stoof verschrikt uiteen, daar hun oude

toevluchtsoord, het kruis, waaronder zij eeuwen lang hunne nesten

gebouwd hadden, plotseling begon te wankelen, en trok in eene zwarte

wemelende schaar onder de grauwe wolken voort.”

„Een nachtstuk!” merkte Bernard aan. „Mij dunkt, ik heb de vrouw, die

gij schildert, ook dadelijk den eersten dag in Moskou op de muren van

het Kremlin gezien. Zij zag er waarlijk als eene priesteres der Druïden

of als de tooveres van Endor uit.”

De anderen zwegen; doch ieder voelde zijne borst door eene vreemde

beangstheid benepen, te meer daar Jaromir op zulk een ernstigen toon

sprak, als hij hem nooit te voren eigen was, en zijne bleeke lippen en

wangen, de matte blik zijner oogen het hart der vrienden met meewarige

droefheid vervulden.

Bernard hing met onafgewende blikken aan zijn gelaat. Wat was er van

dien nog onlangs zoo bloeienden jongeling geworden! Het krullende

blonde haar zelfs hing sluik langs zijn schedel neder. Gelijkt hij dan

nog op zich zelf? dacht Bernard. Wanneer gij hem nevens het portret

steldet, dat gij in Warschau van hem geschetst hebt, zoudt gij het dan

nog herkennen?—Hij legde den jongeling de hand trouwhartig op den

schouder. „Richt u op, mijn vriend, verzamel uwe krachten, denk aan

geen treurige voorteekens meer. Vóór ons ligt de krijg, daar heeft

men moed en kracht noodig. Wat waart gij een soldaat! Ik kreeg moed,

wanneer ik u zag; thans zoudt gij mij tot een lafaard kunnen maken.

Komaan, broeder mijns harten, schud alles, wat u den nek nederbuigt,

van u af en richt uw edel hoofd weer fier omhoog.”

Juist wilde Jaromir antwoorden, toen het trekken van den trein rondom

een heuvel, die den grooten weg eenige oogenblikken geheel aan hun

gezicht onttrokken had, de ruiters recht daarop aanvoerde. Daar

Rasinski juist een opening bemerkte, waardoor hij tusschen de rij

wagens konde indringen, beval hij, in galop te rijden en rende zelf

vooraan.

Op deze wijze werd het gesprek, dat Bernard begonnen had, afgebroken.

Rasinski's voornemen gelukte; hij rukte onvoorziens de opening in en

was spoedig met zijne manschappen op den grooten weg, zoodat hij den

wagentrein nu vaneen scheidde. „Zoo,” sprak hij tevreden; „nu kunnen

wij ten minste op den weg blijven, zoolang het ons bevalt, en verlaten,

wanneer wij willen.”

Doch zooals het bij zulke marschen gewoonlijk gaat, werd de voortgang

telkens gestremd; nu en dan moest men verscheidene minuten stil houden

en dan weder met verdubbelden spoed oprijden. Dit maakte den marsch

zeer onaangenaam; ook had deze zijn vorige aantrekkelijkheid verloren,

daar men den trein van wagens niet meer tot in de verte overzag,

maar alleen de naaste voorwerpen kon waarnemen. De keizer was nog

achter Rasinski's manschappen. Vlak voor hen reed eene rij wagens,

met buitgemaakte vaandels bedekt; turksche, tartaarsche, russische

zegeteekenen lagen in bonte verwarring opeengehoopt.

„Plaats, plaats voor den keizer!” werd van achteren geroepen, en

Rasinski liet zijne manschappen bij rotten afbreken, om de halve

breedte van den weg vrij te maken. De keizer kwam van verre aangerend;

doch opeens reed hij stapvoets en scheen zich met eenige lieden, die

zich nevens hem op een wagen bevonden, te onderhouden. Hun voerman

zette zijne paarden aan, om den snelleren pas van het ros, dat de

keizer bereed, bij te houden. Zoo kwam de wagen langzamerhand nader en

reed de poolsche ruiters voorbij, zoodat deze links bleven, terwijl

Napoleon rechts van den wagen reed, waarop drie bevallige vrouwen en

een kind zaten. Toen de keizer de plaats naderde, waar Jaromir te

paard zat, zag deze slechts schroomvallig naar hem op; want half zou

hij verheugd zijn geweest, half zoude het hem gehinderd hebben, zoo

Napoleon hem herkend had. Doch de keizer was juist druk in gesprek met

eene dame, die, dicht in een fraaien pels gewikkeld, naar hare kleeding

te oordeelen de vrouw van een hoofdofficier moest zijn.

„Gij moet den moed niet verliezen,” zeide hij: „wij kunnen den

volgenden winter te Petersburg inhalen, wat wij in Moskou verzuimd

hebben. Gelukkige reis!” Met deze woorden galoppeerde hij vooruit,

zonder Jaromir te bemerken. Doch de jonge dame wendde zich thans

links. Almachtige hemel! Het was Alisette! Zij ontstelde, verbleekte

en sloeg haar blik neer. In Jaromirs ziel bruiste en kookte het

geweldig. Toorn en afschuw wisselden als ijs en vuur op hetzelfde

oogenblik in zijn boezem af; doch hij bedwong zich met geweld; slechts

een verachtelijken, vernietigenden blik wierp hij haar toe, daar zij

heimelijk het oog naar hem opsloeg, en keerde toen zijn paard af.

Alisette trok den sluier over haar gelaat en trachtte den gloed van

toorn en van schaamte, die hare wangen kleurde, onder zijne plooien te

verbergen. Nog had niemand anders haar herkend; thans wilde zij ook

van niemand meer herkend zijn. Zij nam daarom haar zusters dochtertje,

dat zij bij zich had, op haar schoot en hield zich daarmede bezig, tot

Rasinski en zijne manschappen den nu weder langzaam rijdenden wagen

opnieuw een eind weegs waren vooruitgekomen. Daar zich spoedig daarna

een gelijke grond naast den weg opdeed, waarop men sneller voort konde

komen, brak Rasinski wederom naar rechts uit en zocht de voorhoede der

colonne te bereiken, daar het zijn voorname doel was, de regelmatige

troepen weder in te halen en zich bij zijn korps aan te sluiten,

achter hetwelk hij sinds gisteren avond door den te grooten marsch was

teruggebleven.

1812: Historische roman · 第 92 / 154 题