JAROMIR.”

Boleslaw stond sprakeloos, de donkere blikken naar den grond geslagen;

eene vreeselijke storm van tegenstrijdige gewaarwordingen verhief

zich in zijn boezem. Jaromir verbrak den band, die hem aan Lodoiska

verbond. Een straal van hoop lichtte tusschen de donkere onweerswolken

door en wierp een zacht schijnsel in het hart van Boleslaw. Zult gij

uit denzelfden beker, die uw vriend vergiftigt, de zaligste vreugde

drinken? Terwijl uwe lippen zijn rand met huiverende zaligheid

aanraken, verbleeken die uws vriends en sluiten zij zich voor

eeuwig!—Neen, Boleslaw!—Moge het de zwarte slang der schuld zijn,

die hare kronkels om zijn hart slaat; mogen het enkel donkere droomen

zijn, die zijne ziel in hun verward weefsel verstrikken, voor u mag

geen bloesem uit dit noodlottig zaad opschieten. Wees een man. Wend

uw laatsten blik af van de deur des hemels, die zich voor u schijnt

te openen. Het is een drogbeeld; gij moogt daar niet binnentreden;

de rozekleurige uchtendschemering, waarin gij uwe brandende borst

verkoelend meent te baden, is slechts de weerglans van verborgen

vlammen des afgronds. Volgt gij de verleiding, treedt gij over de

geheiligde grens, dan stort gij tot uw eeuwig verderf naar beneden.

Hier bestaat geene twijfeling voor u. De bruid, van wie uw vriend

afstand doet, zij u nog heiliger dan die hij in zijne armen, aan zijn

hart drukt. Iedere andere gedachte, iedere andere hoop is verraad tegen

de heilige wetten der vriendschap.

In de vuurproef dezer gevoelens, die Boleslaws borst doorstroomden,

hardde zich zijn edel hart tot de sterke wilskracht der

zelfverloochening.

„Nu,” vroeg Rasinski na eene lange, ernstige pauze, „wat denkt gij van

dezen brief? Is hij een voortbrengsel van zijn koortsachtig ijlen? Of

drukt waarlijk eene misdaad tegen zijne liefde op Jaromirs hart?”

Het antwoord van Boleslaw werd door een luid „Werda!” dat Lodewijks

aankomst aankondigde, afgesneden. De vrienden verwelkomden hem

hartelijk. Doch nu dreef de dienstplicht boven; de kleedingstukken,

welke Lodewijk bracht, moesten ontvangen en verdeeld worden; dit

veroorzaakte eene drukte, die langer dan een uur duurde. Ondertusschen

was het nanacht geworden en de vermoeide strijders hadden rust noodig.

Bernard ondervroeg Lodewijk wel naar Jaromirs toestand; doch deze wist

niet meer dan de anderen. Met ijzeren dichtheid hield de jongeling het

geheim in zijne borst; want hij wilde slechts de straf zijner misdaad,

niet de goedwillige verontschuldiging, niet het medelijden, niet de

vergiffenis.

1812: Historische roman · 第 91 / 154 题