„En wat schrijft hij aan Lodoiska? Ik bid u, verberg mij dit niet,”
vroeg Boleslaw haastig, terwijl hij scheen te beven.
Rasinski sloeg een anderen brief open en las:
„Lodoiska!
„Wij zijn voor eeuwig, doch door _mijne schuld_ gescheiden; werp uw
ring in de rivier, den uwen wierp ik in een dieperen afgrond. Antwoord
mij niet, want gij zoudt in de overmaat uwer hemelsche goedheid
mij kunnen willen vergeven; ik mag geene vergiffenis aannemen. Uw
eeuwigdurend stilzwijgen zij dan ook mijne straf, gelijk ik mij voor
eeuwig uit uw gezicht verban.