De avond was reeds gevallen. Een ruwe storm loeide over de vlakte en
ruischte hol in de toppen der hooge dennen toen Rasinski met de kleine
schaar zijner getrouwen, die hij niet meer zijn regiment durfde noemen,
het bivak bereikte. Men was moe en uitgeput; de ledematen verstijfden
in den killen wind.
„Hier, op de helling van dezen heuvel, willen wij ons nederslaan,”
beval Rasinski. „Wij hebben hier ten minste beschutting tegen den
wind.” De ruiters zwenkten linksom.
Het was een, in twee heuveltoppen vooruitspringende hoek van een oud,
donker pijnbosch, dien Rasinski tot zijne legerplaats had uitgekozen.
Hooge boomen stonden op de vrij steile ofschoon niet zeer hooge
heuvels, die eene bijna ringvormige kloof met haar bochtigen rand
omvatten. De toppen der aloude stammen kruisten zich, zoo smal was de
laatste boven haar; laag, zwaar kreupelhout klom tegen de helling op.
Tegen den herfstwind verschafte de plaats wel eenige bedekking, doch
zij was vochtig en koud, daar de zon nauwelijks in het midden van
den zomer door de sombere kronen der reusachtige dennen vermocht te
dringen, veel minder nu, in het najaar. Slechts eenige berken met
hun witten stam en bleekgeel, verdord loof stonden als spoken op den
donkeren achtergrond.
„Eene goede hinderlaag,” zeide Bernard, bij het binnenrijden door de
enge opening van de kloof.
„Ja, voor eene rooversbende mocht zij goed zijn,” hernam Rasinski.
„Waarlijk,” antwoordde Bernard, „als wij nog allen bijeen waren, zou de
legerstede wat klein uitvallen, doch voor honderd is in allen gevalle
plaats genoeg hier.”
„Halt! Front! Afzitten!” kommandeerde Rasinski. „Hier langs den rand
des heuvels naar omlaag de piketpalen gestoken en de stallijnen
gespannen. Wij legeren ons dadelijk daarachter. Twaalf man tot
fourageeren, twaalf tot houthakken, twaalf tot waterhalen. De anderen
verzorgen intusschen de paarden.”
Nadat deze bevelen gegeven waren, zette Rasinski zich mistroostig en
vermoeid op een dicht met mos begroeiden boomstam, die op den grond
lag. Hij legde zijne handen op de tusschen zijne knieën staande sabel
en keek somber voor zich neer.
„Waar zal ik ons vuur doen aanmaken?” vroeg Bernard.
„Waar gij wilt.—Daar onder dien grooten den.” Rasinski bleef,
in gedachten verzonken, onbewegelijk zitten, terwijl Bernard met
eenige manschappen toebereidselen tot de legering van het korps
maakte.—Zware, donkere voorgevoelens beroerden de ziel van den
dapperen strijder. Hij zag donker als de nacht en het woud om hem heen.
Spoedig joeg de onrust hem op. Hij ging met groote schreden op en
neder. Nu en dan gaf hij in korte, afgemeten woorden een bevel; want
hoe onrustig het ook in zijn binnenste golfde, bemerkte zijn aandachtig
oog toch alles, wat rondom hem voorviel.
„Wilt gij niet komen, om u bij het vuur te legeren?” dus stoorde
Bernard hem na eenige minuten. „Zie, het brandt al vroolijk en verlicht
de oude boomstammen en de lang uitgestrekte reuzenarmen der takken op
grillige wijze. Wanneer wij door dien ijskouden wind niet zoo verkleumd
en huiverig waren, zou ik lust hebben, deze boomgroepen af te teekenen.”
„Of Boleslaw en Lodewijk heden niet eindelijk eens terug zullen komen?
Ik verlang met ongeduld naar berichten van Jaromir,” antwoordde
Rasinski, alsof hij de woorden van Bernard in het geheel niet verstaan
had.
„Zet u dat uit het hoofd, Rasinski,” zeide Bernard op een biddenden
toon; „het is een koortsachtige droom, verder niets! Zulk een helsche
nacht, als Jaromir in Moskou doorbracht, moest wel waanzinnige
inbeeldingen in de hersenen voortbrengen. Dan nog zijn liggen in het
hospitaal, van alle vrienden verlaten, onder het gejammer der doodelijk
gewonden—geloof mij, zoodra hij hersteld is, zoodra zijne zinnen weder
helder zijn, houdt de gansche akelige droom op.”
„Ik heb den brief niet verzonden,” zeide Rasinski na een pauze. „Ik kon
hem niet afzenden!”
„En gij hebt wel gedaan!”
„Om te handelen,” hernam Rasinski, „moest ik zekerheid hebben; om de
bezorgdheid in mijne borst op te wekken ware de helft der kenteekenen
reeds genoegzaam geweest. Ja, ik geloof, Jaromir heeft zich aan eenig
vergrijp tegen Lodoiska schuldig gemaakt en het is geen koortsachtige
droom alleen, die hem op dit denkbeeld brengt. Thans eerst valt mij in,
wat hij met Lodewijk den avond vóór den brand gesproken heeft. Toen was
hij nog niet ongesteld. Geene brandwond folterde hem toen nog, geen
bovenmatige vermoeienis had hem doodelijk uitgeput, de akelige beelden
van dien nacht vervulden zijne ziel toen nog niet met schrik, en
evenwel....”
„Voor zoover ik het verhaal van Lodewijk begrepen heb,” meende Bernard,
„twijfelde hij toen aan Lodoiska's liefde. Dat kan een kwaad vermoeden
zijn, gelijk een toeval dat op het een of ander oogenblik in zijn
jong, vurig beminnend gemoed lichtelijk kon doen oprijzen. In het
naastvolgende oogenblik schaamde hij er zich over en klaagde zich
zelf aan. In die stemming van zijn gemoed vielen de verschrikkelijke
gebeurtenissen van den nacht voor. Deze herinneringen vervolgden hem in
zijn koortsachtige droomen en in zijne ontstelde verbeelding rekende
hij zich zijn wantrouwen als eene zwarte, onverzoenbare misdaad aan.
Zoo schreef hij haar den brief, die u zoo ongerust maakt. Wanneer
Lodewijk en Boleslaw terugkeeren, zullen zij ons gewis ophelderingen
geven, want met hen heeft Jaromir ongetwijfeld daarover gesproken.”
„Ik ben koud. Wij willen bij het vuur gaan. Ook ben ik moê. Verdrietige
oorlog! men hangt den geheelen dag op het paard, ziet den vijand
aan en vecht toch niet. Het is eene groote gebeurtenis, wanneer een
kozak een pistoolschot afwacht. Ja, als onze paarden nog zoo frisch
waren, als op den dag, toen wij over de Weichselbrug reden, dan
zouden die plagerijen spoedig ophouden. Weet gij, dat men mompelt,
alsof de vredesonderhandelingen zouden zijn afgesprongen? Mij dunkt,
Kutusow wist dat lang! Het is niet zonder reden, dat men haar rekt,
tot de winter ons hier overvalt. Ook in dit opzicht zie ik Boleslaws
terugkomst van Moskou met verlangen te gemoet. Ik wil hopen, dat het
hem gelukt zal zijn, ten minste iets van wat wij zoo dringend noodig
hebben, aan te schaffen.”
„Als Lodewijk een paar nieuwe laarzen meêbracht,” schertste Bernard,
„zou hij mij zeker geen kleinen dienst doen, en een pels in plaats
van dezen gescheurden, half verbranden mantel, kon ik ook kostelijk
gebruiken.”
„Spreek zoo lichtzinnig niet, Bernard,” hernam Rasinski ernstig; „gij
hebt nog niet ondervonden, hoe grimmig de scherpe tand van het gebrek
iemand kan aangrijpen. Ik, die menigmaal gezien heb, hoe moeilijk
beter uitgerusten dan wij zich daartegen verdedigen, ik moet ernstig
zorg dragen, dat wij aan zijne duizend kwetsende wapenen niet te veel
onbedekte punten bloot geven. Thans reeds maakt de nachtvorst onze
lieden ziek, thans, daar wij nog overvloed van hout hebben. Doch als de
winter inviel, als....”
„Welnu, mij dunkt, dat wij dan naar Moskou moesten terugtrekken.
Vijftien wersten zullen wij toch nog wel marcheeren kunnen.”
„Dunkt u?”
Een uitgezette post riep: „Werda!”
„Goed vriend van Moskou,” luidde het antwoord.
„Dat is Boleslaw!” riep Rasinski driftig en sprong op.
Een oogenblik later sprong Boleslaw van het paard en groette de
vrienden.
„En waar is Lodewijk, en wat brengt gij voor goed nieuws van Jaromir?”
vroegen Bernard en Rasinski bijna te gelijker tijd.
„Eerst de dienstzaken,” antwoordde Boleslaw. „Ik ben gelukkig geweest.
Hoe groot de nood en de toeloop ook zijn mochten, heb ik toch
eenigszins voor de nooddruft onzer manschappen kunnen zorgen. Uwe
mildheid, Rasinski, stelde mij in staat, de hoogste prijzen te betalen.”
„Laat dat daar!” viel hem deze in de reden.
„Ik werd den koop met twee Joden eens. Zij hebben mij tachtig
paar laarzenzolen en dertig paar nieuwe laarzen bezorgd. Doch
ik kon slechts zestig mantels bijeenkrijgen en meest oude, maar
toch bruikbare, voor een gedeelte goed gevoerd. Ook kocht ik drie
schapevachten, die 't is waar, misschien reeds jaren lang op het lijf
van russische boeren gezeten hebben, maar die ik, hoe duur ik ze ook
moest betalen, niet kon laten gaan. De winter komt en wij Polen kennen
dien ten minste zoo half. De Franschen, schijnt het, willen maar niet
gelooven, dat het heldere herfstweder, dat wij tot nu toe hadden, een
einde zal nemen. Ik zeide hun, dat zij maar eens drie nachten hier
bivakeeren moesten.”
„Nu, en waar zijn uwe schatten?”
„Lodewijk escorteert met de manschappen het transport. Zij komen op een
wagen, dien ik in beslag genomen heb. Ik ben vooruit gereden. 't Is te
hopen, dat zij ons maar spoedig vinden in dezen schuilhoek.”
„De wind heeft ons hierheen gedreven,” antwoordde Rasinski. „Wij
willen den wagen eenige lieden te gemoet zenden. Bernard, kies eenige
manschappen uit, die tot den grooten weg gaan en daar post vatten.”
Bernard ging.
„Goed! dat hebt gij uitmuntend bezorgd,” ging Rasinski thans tegen
Boleslaw voort. „Het was waarlijk hoog noodig! Hebt gij al het geld
uitgegeven?”
„Niet alles; ik kon zoo verkwistend met het uwe niet omgaan. Gij offert
u voor allen op! Ik heb nog veertig dukaten over.”
„Foei, Boleslaw! Hier alleen hadt gij niet spaarzaam moeten zijn. Als
gij wollen kousen gekocht had!”
„Die waren niet te krijgen. Daarvoor zou ik het laatste geld hebben
uitgegeven. Maar de andere dingen zijn ook waarlijk nog zoo broodnoodig
niet. Gij moest toch iets voor u zelf behouden! Het is moeielijk, hier
weder aan geld te komen.”
„Als ik het voor mijne kameraden besteed, brengt het mij de beste
renten op, Boleslaw. Ik weet, zij zullen mij in den nood niet verlaten,
en de mantel dien ik heden voor den soldaat koop, dekt morgen mij zelf,
als de nacht guur is en de trouwe kameraad ziet, dat zijn aanvoerder
dien noodig heeft. Maar zou een volle beurs mij verwarmen?”
„Gij geeft in uwe grootmoedigheid alles weg!” riep Boleslaw uit.
„Werkelijk, het zou tegen mijne eer en mijn geweten zijn, als ik zulk
een misbruik van uwe goedheid maakte. Ook wij overige officieren moeten
immers een klein deel dragen in hetgeen voor de manschappen geschiedt.
Ik breng u slechts terug, wat wij ons verplicht achten, aan te vullen.”
„Dus gij, die weinig bezit, wilt u opofferen!”
„Vertel ons nu van Jaromir,” brak Bernard, die juist weer nader trad,
het halfluid gevoerde gesprek tusschen Rasinski en Boleslaw af.
„Straks; eerst nog iets zeer gewichtigs. De onderhandelingen zijn
afgebroken.”
„Heb ik het niet gedacht,” riep Rasinski met levendigheid.
„Kutusow heeft den koning van Napels aangetast en teruggeslagen. De
keizer ontving de tijding juist toen hij in het Kremlin de troepen van
het leger van Ney inspecteerde. Dadelijk riep hij: „Oorlog dus! Welnu,
het zij zoo.” Er volgde order op order. Morgenavond breekt het leger
op, naar den kant van Kaluga heen. Wij en alle troepen, die in het
noordoosten staan, rukken morgen weder voor Moskou en sluiten ons dan
bij het groote leger aan. Ik breng u de order daartoe.”
„Dus wordt de strijd hernieuwd. Ik dacht het wel,” zeide Rasinski.
„Nu moeten wij ons een weg naar de zuidelijke provinciën banen. Daar
is hoop, dat wij nog vóór den winter vasten voet winnen of ten minste
Kiew bereiken, om daar te kantonneeren. Het was hoog tijd! Goddank dus,
dat het eindelijk bepaald is. Wanneer de krijg zich daarheen wendt dan
heb ik nog hoop. De winter begint in die streken ten minste eene maand
later, en is oneindig minder streng. Ook is het land rijk en zal ons
beter voeden dan de woestenij, die wij tot nog toe zijn doorgetogen.
Deze tijding is van eenige waarde.—Maar nu spreek op van Jaromir. Is
hij hersteld?”
Boleslaw zweeg een oogenblik. „Ja,” zeide hij daarop met een donker
gelaat, „als wij dat hersteld willen noemen! Zijne brandwonden zijn
geheeld, zijne heete koorts is verdwenen, ja hij voelt zich zelfs
sterk genoeg om met ons te marcheeren. Hij wil niet bij de achterhoede
van het leger blijven; ook geloof ik, dat hij lichaamskrachten genoeg
herkregen heeft. Maar....”
„Welnu?”
„Zijne ziel is duister, de heldere glans zijner oogen verdoofd, zijn
open voorhoofd bewolkt. Het is onze frissche, vroolijke Jaromir niet
meer. Ik vrees....” hier hield Boleslaw plotseling op. „De keizer heeft
hem,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „het kruis van het legioen
van eer gezonden. Hij heeft het afgeslagen met de woorden: „Het toeval
alleen heeft mij geleid; ik mag dit teeken niet aannemen. De keizer
beware het voor mij, tot ik eene wezenlijke daad verricht heb.”—Geen
redeneeringen hadden eenigen invloed op hem; hij bleef onbewegelijk. En
gij weet, met wat brandende begeerte hij nu al verscheiden jaren naar
dat kruis haakte en hoe hij het mij benijdde.”
„O, ik weet alles,” zeide Rasinski. „Er heerscht eene duisternis in
zijne ziel, die al de vlammen van het brandende Moskou niet in staat
zijn te verlichten. Heeft hij u van zijn brief aan mij gesproken?”
„Geen woord.”
„Hij moet hem evenwel juist den dag voor uwe aankomst geschreven
hebben.”
„Wat behelsde die brief?” vroeg Boleslaw.
„Luister!” Rasinski nam den dichtgevouwen brief uit zijn portefeuille
en las:
„Rasinski!
„Gij waart mijn tweede vader,—heden noem ik u voor het laatst
bij dezen dierbaren naam; want van heden af zult gij slechts mijn
bevelhebber zijn. Gij moogt dit zijn, want de soldateneer heb ik niet
verloren. Om één dienst, den laatsten uwe oude, vaderlijke vriendschap,
bid ik u echter nog; zend dezen brief aan Lodoiska. Driemaal heb ik vol
innig berouw aan haar geschreven en hare vergiffenis afgesmeekt; het
geschiedde nog in de verwarde droomen der ziekte; doch ik vernietigde
de brieven weder en heb er niet een van verzonden. De ziekte is
geweken; thans weet ik, wat ik doe, en handel gelijk ik moet.