HOOFDSTUK I.

De avond was reeds gevallen. Een ruwe storm loeide over de vlakte en

ruischte hol in de toppen der hooge dennen toen Rasinski met de kleine

schaar zijner getrouwen, die hij niet meer zijn regiment durfde noemen,

het bivak bereikte. Men was moe en uitgeput; de ledematen verstijfden

in den killen wind.

„Hier, op de helling van dezen heuvel, willen wij ons nederslaan,”

beval Rasinski. „Wij hebben hier ten minste beschutting tegen den

wind.” De ruiters zwenkten linksom.

Het was een, in twee heuveltoppen vooruitspringende hoek van een oud,

donker pijnbosch, dien Rasinski tot zijne legerplaats had uitgekozen.

Hooge boomen stonden op de vrij steile ofschoon niet zeer hooge

heuvels, die eene bijna ringvormige kloof met haar bochtigen rand

omvatten. De toppen der aloude stammen kruisten zich, zoo smal was de

laatste boven haar; laag, zwaar kreupelhout klom tegen de helling op.

Tegen den herfstwind verschafte de plaats wel eenige bedekking, doch

zij was vochtig en koud, daar de zon nauwelijks in het midden van

den zomer door de sombere kronen der reusachtige dennen vermocht te

dringen, veel minder nu, in het najaar. Slechts eenige berken met

hun witten stam en bleekgeel, verdord loof stonden als spoken op den

donkeren achtergrond.

„Eene goede hinderlaag,” zeide Bernard, bij het binnenrijden door de

enge opening van de kloof.

„Ja, voor eene rooversbende mocht zij goed zijn,” hernam Rasinski.

„Waarlijk,” antwoordde Bernard, „als wij nog allen bijeen waren, zou de

legerstede wat klein uitvallen, doch voor honderd is in allen gevalle

plaats genoeg hier.”

„Halt! Front! Afzitten!” kommandeerde Rasinski. „Hier langs den rand

des heuvels naar omlaag de piketpalen gestoken en de stallijnen

gespannen. Wij legeren ons dadelijk daarachter. Twaalf man tot

fourageeren, twaalf tot houthakken, twaalf tot waterhalen. De anderen

verzorgen intusschen de paarden.”

Nadat deze bevelen gegeven waren, zette Rasinski zich mistroostig en

vermoeid op een dicht met mos begroeiden boomstam, die op den grond

lag. Hij legde zijne handen op de tusschen zijne knieën staande sabel

en keek somber voor zich neer.

„Waar zal ik ons vuur doen aanmaken?” vroeg Bernard.

„Waar gij wilt.—Daar onder dien grooten den.” Rasinski bleef,

in gedachten verzonken, onbewegelijk zitten, terwijl Bernard met

eenige manschappen toebereidselen tot de legering van het korps

maakte.—Zware, donkere voorgevoelens beroerden de ziel van den

dapperen strijder. Hij zag donker als de nacht en het woud om hem heen.

Spoedig joeg de onrust hem op. Hij ging met groote schreden op en

neder. Nu en dan gaf hij in korte, afgemeten woorden een bevel; want

hoe onrustig het ook in zijn binnenste golfde, bemerkte zijn aandachtig

oog toch alles, wat rondom hem voorviel.

„Wilt gij niet komen, om u bij het vuur te legeren?” dus stoorde

Bernard hem na eenige minuten. „Zie, het brandt al vroolijk en verlicht

de oude boomstammen en de lang uitgestrekte reuzenarmen der takken op

grillige wijze. Wanneer wij door dien ijskouden wind niet zoo verkleumd

en huiverig waren, zou ik lust hebben, deze boomgroepen af te teekenen.”

„Of Boleslaw en Lodewijk heden niet eindelijk eens terug zullen komen?

Ik verlang met ongeduld naar berichten van Jaromir,” antwoordde

Rasinski, alsof hij de woorden van Bernard in het geheel niet verstaan

had.

„Zet u dat uit het hoofd, Rasinski,” zeide Bernard op een biddenden

toon; „het is een koortsachtige droom, verder niets! Zulk een helsche

nacht, als Jaromir in Moskou doorbracht, moest wel waanzinnige

inbeeldingen in de hersenen voortbrengen. Dan nog zijn liggen in het

hospitaal, van alle vrienden verlaten, onder het gejammer der doodelijk

gewonden—geloof mij, zoodra hij hersteld is, zoodra zijne zinnen weder

helder zijn, houdt de gansche akelige droom op.”

„Ik heb den brief niet verzonden,” zeide Rasinski na een pauze. „Ik kon

hem niet afzenden!”

„En gij hebt wel gedaan!”

„Om te handelen,” hernam Rasinski, „moest ik zekerheid hebben; om de

bezorgdheid in mijne borst op te wekken ware de helft der kenteekenen

reeds genoegzaam geweest. Ja, ik geloof, Jaromir heeft zich aan eenig

vergrijp tegen Lodoiska schuldig gemaakt en het is geen koortsachtige

droom alleen, die hem op dit denkbeeld brengt. Thans eerst valt mij in,

wat hij met Lodewijk den avond vóór den brand gesproken heeft. Toen was

hij nog niet ongesteld. Geene brandwond folterde hem toen nog, geen

bovenmatige vermoeienis had hem doodelijk uitgeput, de akelige beelden

van dien nacht vervulden zijne ziel toen nog niet met schrik, en

evenwel....”

„Voor zoover ik het verhaal van Lodewijk begrepen heb,” meende Bernard,

„twijfelde hij toen aan Lodoiska's liefde. Dat kan een kwaad vermoeden

zijn, gelijk een toeval dat op het een of ander oogenblik in zijn

jong, vurig beminnend gemoed lichtelijk kon doen oprijzen. In het

naastvolgende oogenblik schaamde hij er zich over en klaagde zich

zelf aan. In die stemming van zijn gemoed vielen de verschrikkelijke

gebeurtenissen van den nacht voor. Deze herinneringen vervolgden hem in

zijn koortsachtige droomen en in zijne ontstelde verbeelding rekende

hij zich zijn wantrouwen als eene zwarte, onverzoenbare misdaad aan.

Zoo schreef hij haar den brief, die u zoo ongerust maakt. Wanneer

Lodewijk en Boleslaw terugkeeren, zullen zij ons gewis ophelderingen

geven, want met hen heeft Jaromir ongetwijfeld daarover gesproken.”

„Ik ben koud. Wij willen bij het vuur gaan. Ook ben ik moê. Verdrietige

oorlog! men hangt den geheelen dag op het paard, ziet den vijand

aan en vecht toch niet. Het is eene groote gebeurtenis, wanneer een

kozak een pistoolschot afwacht. Ja, als onze paarden nog zoo frisch

waren, als op den dag, toen wij over de Weichselbrug reden, dan

zouden die plagerijen spoedig ophouden. Weet gij, dat men mompelt,

alsof de vredesonderhandelingen zouden zijn afgesprongen? Mij dunkt,

Kutusow wist dat lang! Het is niet zonder reden, dat men haar rekt,

tot de winter ons hier overvalt. Ook in dit opzicht zie ik Boleslaws

terugkomst van Moskou met verlangen te gemoet. Ik wil hopen, dat het

hem gelukt zal zijn, ten minste iets van wat wij zoo dringend noodig

hebben, aan te schaffen.”

„Als Lodewijk een paar nieuwe laarzen meêbracht,” schertste Bernard,

„zou hij mij zeker geen kleinen dienst doen, en een pels in plaats

van dezen gescheurden, half verbranden mantel, kon ik ook kostelijk

gebruiken.”

„Spreek zoo lichtzinnig niet, Bernard,” hernam Rasinski ernstig; „gij

hebt nog niet ondervonden, hoe grimmig de scherpe tand van het gebrek

iemand kan aangrijpen. Ik, die menigmaal gezien heb, hoe moeilijk

beter uitgerusten dan wij zich daartegen verdedigen, ik moet ernstig

zorg dragen, dat wij aan zijne duizend kwetsende wapenen niet te veel

onbedekte punten bloot geven. Thans reeds maakt de nachtvorst onze

lieden ziek, thans, daar wij nog overvloed van hout hebben. Doch als de

winter inviel, als....”

„Welnu, mij dunkt, dat wij dan naar Moskou moesten terugtrekken.

Vijftien wersten zullen wij toch nog wel marcheeren kunnen.”

„Dunkt u?”

Een uitgezette post riep: „Werda!”

„Goed vriend van Moskou,” luidde het antwoord.

„Dat is Boleslaw!” riep Rasinski driftig en sprong op.

Een oogenblik later sprong Boleslaw van het paard en groette de

vrienden.

„En waar is Lodewijk, en wat brengt gij voor goed nieuws van Jaromir?”

vroegen Bernard en Rasinski bijna te gelijker tijd.

„Eerst de dienstzaken,” antwoordde Boleslaw. „Ik ben gelukkig geweest.

Hoe groot de nood en de toeloop ook zijn mochten, heb ik toch

eenigszins voor de nooddruft onzer manschappen kunnen zorgen. Uwe

mildheid, Rasinski, stelde mij in staat, de hoogste prijzen te betalen.”

„Laat dat daar!” viel hem deze in de reden.

„Ik werd den koop met twee Joden eens. Zij hebben mij tachtig

paar laarzenzolen en dertig paar nieuwe laarzen bezorgd. Doch

ik kon slechts zestig mantels bijeenkrijgen en meest oude, maar

toch bruikbare, voor een gedeelte goed gevoerd. Ook kocht ik drie

schapevachten, die 't is waar, misschien reeds jaren lang op het lijf

van russische boeren gezeten hebben, maar die ik, hoe duur ik ze ook

moest betalen, niet kon laten gaan. De winter komt en wij Polen kennen

dien ten minste zoo half. De Franschen, schijnt het, willen maar niet

gelooven, dat het heldere herfstweder, dat wij tot nu toe hadden, een

einde zal nemen. Ik zeide hun, dat zij maar eens drie nachten hier

bivakeeren moesten.”

„Nu, en waar zijn uwe schatten?”

„Lodewijk escorteert met de manschappen het transport. Zij komen op een

wagen, dien ik in beslag genomen heb. Ik ben vooruit gereden. 't Is te

hopen, dat zij ons maar spoedig vinden in dezen schuilhoek.”

„De wind heeft ons hierheen gedreven,” antwoordde Rasinski. „Wij

willen den wagen eenige lieden te gemoet zenden. Bernard, kies eenige

manschappen uit, die tot den grooten weg gaan en daar post vatten.”

Bernard ging.

„Goed! dat hebt gij uitmuntend bezorgd,” ging Rasinski thans tegen

Boleslaw voort. „Het was waarlijk hoog noodig! Hebt gij al het geld

uitgegeven?”

„Niet alles; ik kon zoo verkwistend met het uwe niet omgaan. Gij offert

u voor allen op! Ik heb nog veertig dukaten over.”

„Foei, Boleslaw! Hier alleen hadt gij niet spaarzaam moeten zijn. Als

gij wollen kousen gekocht had!”

„Die waren niet te krijgen. Daarvoor zou ik het laatste geld hebben

uitgegeven. Maar de andere dingen zijn ook waarlijk nog zoo broodnoodig

niet. Gij moest toch iets voor u zelf behouden! Het is moeielijk, hier

weder aan geld te komen.”

„Als ik het voor mijne kameraden besteed, brengt het mij de beste

renten op, Boleslaw. Ik weet, zij zullen mij in den nood niet verlaten,

en de mantel dien ik heden voor den soldaat koop, dekt morgen mij zelf,

als de nacht guur is en de trouwe kameraad ziet, dat zijn aanvoerder

dien noodig heeft. Maar zou een volle beurs mij verwarmen?”

„Gij geeft in uwe grootmoedigheid alles weg!” riep Boleslaw uit.

„Werkelijk, het zou tegen mijne eer en mijn geweten zijn, als ik zulk

een misbruik van uwe goedheid maakte. Ook wij overige officieren moeten

immers een klein deel dragen in hetgeen voor de manschappen geschiedt.

Ik breng u slechts terug, wat wij ons verplicht achten, aan te vullen.”

„Dus gij, die weinig bezit, wilt u opofferen!”

„Vertel ons nu van Jaromir,” brak Bernard, die juist weer nader trad,

het halfluid gevoerde gesprek tusschen Rasinski en Boleslaw af.

„Straks; eerst nog iets zeer gewichtigs. De onderhandelingen zijn

afgebroken.”

„Heb ik het niet gedacht,” riep Rasinski met levendigheid.

„Kutusow heeft den koning van Napels aangetast en teruggeslagen. De

keizer ontving de tijding juist toen hij in het Kremlin de troepen van

het leger van Ney inspecteerde. Dadelijk riep hij: „Oorlog dus! Welnu,

het zij zoo.” Er volgde order op order. Morgenavond breekt het leger

op, naar den kant van Kaluga heen. Wij en alle troepen, die in het

noordoosten staan, rukken morgen weder voor Moskou en sluiten ons dan

bij het groote leger aan. Ik breng u de order daartoe.”

„Dus wordt de strijd hernieuwd. Ik dacht het wel,” zeide Rasinski.

„Nu moeten wij ons een weg naar de zuidelijke provinciën banen. Daar

is hoop, dat wij nog vóór den winter vasten voet winnen of ten minste

Kiew bereiken, om daar te kantonneeren. Het was hoog tijd! Goddank dus,

dat het eindelijk bepaald is. Wanneer de krijg zich daarheen wendt dan

heb ik nog hoop. De winter begint in die streken ten minste eene maand

later, en is oneindig minder streng. Ook is het land rijk en zal ons

beter voeden dan de woestenij, die wij tot nog toe zijn doorgetogen.

Deze tijding is van eenige waarde.—Maar nu spreek op van Jaromir. Is

hij hersteld?”

Boleslaw zweeg een oogenblik. „Ja,” zeide hij daarop met een donker

gelaat, „als wij dat hersteld willen noemen! Zijne brandwonden zijn

geheeld, zijne heete koorts is verdwenen, ja hij voelt zich zelfs

sterk genoeg om met ons te marcheeren. Hij wil niet bij de achterhoede

van het leger blijven; ook geloof ik, dat hij lichaamskrachten genoeg

herkregen heeft. Maar....”

„Welnu?”

„Zijne ziel is duister, de heldere glans zijner oogen verdoofd, zijn

open voorhoofd bewolkt. Het is onze frissche, vroolijke Jaromir niet

meer. Ik vrees....” hier hield Boleslaw plotseling op. „De keizer heeft

hem,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „het kruis van het legioen

van eer gezonden. Hij heeft het afgeslagen met de woorden: „Het toeval

alleen heeft mij geleid; ik mag dit teeken niet aannemen. De keizer

beware het voor mij, tot ik eene wezenlijke daad verricht heb.”—Geen

redeneeringen hadden eenigen invloed op hem; hij bleef onbewegelijk. En

gij weet, met wat brandende begeerte hij nu al verscheiden jaren naar

dat kruis haakte en hoe hij het mij benijdde.”

„O, ik weet alles,” zeide Rasinski. „Er heerscht eene duisternis in

zijne ziel, die al de vlammen van het brandende Moskou niet in staat

zijn te verlichten. Heeft hij u van zijn brief aan mij gesproken?”

„Geen woord.”

„Hij moet hem evenwel juist den dag voor uwe aankomst geschreven

hebben.”

„Wat behelsde die brief?” vroeg Boleslaw.

„Luister!” Rasinski nam den dichtgevouwen brief uit zijn portefeuille

en las:

„Rasinski!

„Gij waart mijn tweede vader,—heden noem ik u voor het laatst

bij dezen dierbaren naam; want van heden af zult gij slechts mijn

bevelhebber zijn. Gij moogt dit zijn, want de soldateneer heb ik niet

verloren. Om één dienst, den laatsten uwe oude, vaderlijke vriendschap,

bid ik u echter nog; zend dezen brief aan Lodoiska. Driemaal heb ik vol

innig berouw aan haar geschreven en hare vergiffenis afgesmeekt; het

geschiedde nog in de verwarde droomen der ziekte; doch ik vernietigde

de brieven weder en heb er niet een van verzonden. De ziekte is

geweken; thans weet ik, wat ik doe, en handel gelijk ik moet.

1812: Historische roman · 第 89 / 154 题