Deze eerste berichten van de eigen hand der beminden maakten de vrouwen
onbeschrijfelijk gelukkig. Ieder spoor van twijfel was nu verdwenen,
zij gaven zich geheel aan het zalig gevoel over, dat na de doorgestane
bange zorgen en gevaren aan het hart de zoetste belooning schenkt.
Voor en na bezocht Lodoiska dagelijks de mis. Doch hare gebeden waren
nu dankgebeden geworden, en hare tranen werden niet meer door angst en
verlangen afgeperst, maar vloten uit dankbare aandoening.
Zoo verliep eene week.
Daar kwam het bericht van het binnenrukken van het keizerlijk leger in
Moskou; uit den burcht der oude czaren was het bulletin gedagteekend,
waardoor de keizer deze nieuwe, laatste overwinning aan het verbaasde
Europa bekend maakte. Derhalve was nu het groote doel, de lang
gewenschte vrede, bereikt. Met wien toch zoude men oorlog voeren,
wanneer er geen vijanden meer te overwinnen waren? Thans herleefden
weder alle verwachtingen in alle harten, nu eindelijk geloofde men den
dag der rust, de vergelding voor de zoo oneindig vele offers te zien
aanbreken. De Pool gevoelde zich reeds weder vrij. Hij hoopte weder
een vaderland, een uit den boezem des volks te voorschijn getreden
koning, eene geschiedenis te zullen bezitten. In dit gevoel was de
gravin gelukkig en trotsch. Lodoiska leunde de hut van haar stil geluk
tegen het koene paleis van verwachtingen aan, dat hare verzorgster
opbouwde. In hare warme borst koesterde Maria de kiemen, welke Arnheims
beschouwing der dingen troostvol in haar had opgewekt. Ofschoon niet
dadelijk, zullen zij toch spoedig opschieten; gij zult nog dagen van
vrijheid zien aanbreken, zult uw vervolgden broeder weder vrij en
veilig aan het hart drukken, zult zijn trouwen vriend onbeschroomd
de hand durven reiken. Eindelijk zullen de zwarte wolken, door dezen
laatsten slag uiteengejaagd, zich verdeelen en zal de blauwe hemel
weder vroolijk over uw vaderland lichten. Lang genoeg hebben de ruwe
winterstormen geduurd. Er moet ook weder een dag der lente aanbreken.
In deze gelukkige verwachtingen wiegden zich de zielen der vrouwen
gedurende vijf dagen.
Daar verspreidde zich, het eerst door Joden, die van Brzesc Litewski
kwamen, het gerucht, dat Moskou door de Russen in brand was gestoken.
In het geheim mompelde men het, en fluisterde het elkander zacht, half
geloovig in de ooren; want men waagde niet het luid uit te spreken, om
niet de blijde hoop der opgewonden menigte door een misschien blinden
schrik neder te slaan. Zooals het gewoonlijk gaat, overdreef de een,
terwijl de ander wilde weten, dat het geheele geval zich tot enkele,
door toeval in brand geraakte gebouwen bepaalde. In het hôtel van den
gezant was alles stil, niemand vernam den inhoud der depêches, welke
de koeriers aanbrachten. Doch luider en steeds aangroeiend herhaalden
zich de geruchten; reeds durfde niemand ze meer tegenspreken.
Eindelijk was de ramp niet meer te verbergen. Openlijk bevestigden
de berichten des franschen gezants, dat de Russen in hunne razende
woede zelven hunne hoofdstad der vernieling gewijd hadden. Wat ook
gezegd werd, om het verschrikkelijke van deze tijding te verzachten,
om het vermoeden tegen te gaan, alsof deze gebeurtenis het fransche
leger gevaar of zelfs verderf konde aanbrengen,—de daad scheen te
verschrikkelijk, te ongehoord, wanneer zij niet den zekersten uitslag
met zich voerde. Slechts om Rusland met gewisheid te redden, kon Moskou
aan de vlammen zijn prijsgegeven, gelijk men, slechts om Frankrijk
te redden, de brandfakkels in Parijs zoude werpen. Dat gevoelde
ieder met onoverwinnelijk bewustzijn. Een stomme, kille schrik had
zich van de gemoederen meester gemaakt; eene huivering sloop door de
zielen der stoutmoedigsten; de tijd had de menschen aan schrikkelijke
gebeurtenissen, aan daden zonder voorbeeld gewend, deze echter ging
verre de maat te buiten, overschreed verre de grens van iemands
verbeelding. Men herinnerde zich, dat in den schrikkelijksten tijd der
fransche revolutie een der redenaars, welker woorden eene vlam, een
zwaard, een bliksemschicht werden, wanneer de opbruisende hartstocht
ze uit den krater der borst slingerde, om zijne tegenstanders te
verschrikken op de tribune had uitgeroepen: „Dan zal de dag komen,
dat men aan de Seine de woeste plek zal aantoonen, waar eens Parijs
stond.” Deze gedachte reeds had in die dagen, toen men aan bloedige
schrikbeelden, aan de ontzettendste heksendansen aller furiën en
demonen, die het menschelijk hart kunnen innemen, gewoon was, het
bloed in de aderen doen stollen. En nu zoude iets zoo schrikkelijks,
ongehoords, ondenkbaars werkelijk geschied zijn? Die stad, welke
sinds eeuwen allen roem, glans en rijkdom van het onmetelijk rijk
der czaren in hare burchten en paleizen vereenigde; die stad, waar
de weelde van Azië zich met de kunst en bedrijvigheid van Europa
wedijverend verbond; de oude hoofdstad, gewijd als een zetel van den
voorvaderlijken godsdienst!.... deze zoude tot den bodem geslecht,
in een akeligen aschhoop verkeerd zijn! Slechts het ijselijkste kon
dit ijselijke voortbrengen, het ontzettendste alleen dit ontzettende
baren. Een stortvloed van golvende vermoedens kwam bruisend nader.
Daarbij kwam, dat deze nauwelijks begrijpelijke gebeurtenis op de
vleugels des geruchts tot in het reusachtige aangroeide; men schilderde
de verwoeste stad als een aschhoop, die geen levend wezen meer eene
toevlucht verschafte als een uitgebranden krater, waarin ook de laatste
levensvonk uitgedoofd was. Onder de asch zou het verbrande gebeente der
legers begraven, slechts enkele aanvoerders en weinige personen zouden,
door een wonder gered, ontkomen zijn. Men kon zich niet verbeelden,
dat zulk een worp zou gewaagd zijn, wanneer het niet buiten twijfel
was, alles daardoor te winnen. Daarom verhaalde men, dat de keizer
reeds op de vlucht, ja deze of gene meende reeds te weten, dat hij in
Warschau was. De bedaardsten en bezadigsten geloofden ten minste niet
meer aan den vrede, maar hielden deze daad voor het onbedriegelijkste
bewijs, dat de strijd nu eerst recht zou beginnen. Zoo volgde de
dofste verdooving en de meest moedelooze schrik op den korten roes der
vreugde, die de overwinning had aangebracht.
De gravin geleek een marmeren beeld, zoo bleek zag zij, sinds deze
schrikkelijke tijdingen waren aangekomen. Zij sidderde niet voor het
lot van haren broeder, voor dat harer naaste betrekkingen, maar voor
dat van haar vaderland. Zij waande in het op den donkeren achtergrond
brandende Moskou het schrikkelijke beeld der toekomst van Warschau
te zien, en in de haar overstelpende droefheid riep zij angstig
voorzeggend uit: „Wie weet, hoe nabij de dag is, dat de vlammen boven
de tinnen mijner vaderstad opstijgen, ten zoen voor het ontzettende
brandoffer, dat Rusland zijner gebracht heeft.”
Lodoiska was geheel moedeloos en verslagen; slechts Maria vond in hare
stille gelatene ziel de rust, deze schoone vrucht des geloofs en des
bewustzijns tevens. Zij, die zich niet vrij aan de uitgelatenheid der
vreugde had kunnen overgeven, maar slechts verwijderde verwachtingen
aan het gebeurde knoopte, was ook nu niet zoo diep in den afgrond
der moedeloosheid vervallen. De gravin, het met zich zelve volkomen
eens zijnde, behoefde geen troost; zij stond ontzet, maar moedig,
zonder beven, aan de geopende poorten des verderfs. Doch Lodoiska
werd door den stroom der gebeurtenissen bewogen als eene slingerende
wijngaardrank; zij had ondersteuning noodig. De liefdevol troostende
Maria, die ieder vonkje der hoop met eene alles uitputtende liefde
wist aan te wakkeren, was haar steun; want voor de koele, moedige
gestalte der gravin beefde Lodoiska heimelijk terug, wijl zij in hare
ernstige blikken, in de diepe trekken van hare verheven droefheid het
heimelijk verwijt meende te lezen: Gij treurt om niets, dan om uwe
armzalige, kleine liefde! Uwe ziel is niet groot genoeg, om het verlies
van een vaderland te gevoelen. Mogen allen vrij hun ondergang gevonden
hebben in de vlammen, in den aschhoop, wanneer gij slechts uw minnaar
behouden hadt.—Lodoiska bedroog zich; deze strenge taal zou Johanna
niet gevoerd hebben, daartoe gevoelde haar hart te menschelijk, te
medelijdend het lijden in den boezem eens anderen.
Doch spoedig veranderde de gestaltenis der zaken weder. In deze dagen
dobberde elk levensschuitje op eene stormachtige zee. Nu zag men van
den top der baar de nabijzijnde haven, de redding, de overwinning;
dan weder stapelden zich de golven hoog boven het hoofd op en lieten
nauwelijks eene plek van den eeuwigen hemel aanschouwen. Er kwamen
latere berichten uit Moskou, die bewezen, dat het leger geen gevaar
liep, dat men, ondanks de schrikkelijkste verwoesting, genoeg woningen
voor winterkwartieren had overgehouden; dat de oorlog wel is waar nog
voortduurde, maar dat toch de eerste stappen tot vredesonderhandelingen
reeds gedaan waren. Thans verdween de verslagenheid, welke de mare des
onheils had teweeggebracht, en nieuwe verwachtingen ontsproten.
De vrouwen wachtten slechts op berichten van hare vrienden, om zich
geheel aan hare vreugde over te geven. Daar kwamen op een avond twee
brieven tegelijk aan; de eene van Jaromirs hand was aan Lodoiska, de
andere van Rasinski aan zijne zuster gericht. Dit bevreemdde, daar
anders alles in Rasinski's brieven ingesloten placht te zijn. Lodoiska
was in de vesper; de gravin opende alleen den brief van Rasinski aan
haar; hij was van den 15. September, den dag na het begin van den
brand, en luidde:
„Dierbare Zuster!
„Wij zijn, wat ons zelven betreft, een groot gevaar op de
verwonderlijkste wijze ontkomen. Moskou staat in volle vlam. Er
heerscht eene verwarring zonder voorbeeld. Wij moeten uit de stad naar
buiten rukken en liggen thans op bivak. Ik maak van de eerste minuut,
welke ik vind, gebruik, om u te melden, dat wij allen in leven en
gezond zijn. Wanneer dit briefje weggaat, weet ik niet. De overste
Regnard, dien ik zoo even sprak, bezorgt het op de veldpost.
Uw Broeder.”
Doch in den brief lag nog een afzonderlijk, gesloten briefje met het
opschrift: „Voor u alleen.”
„Wij vermissen Jaromir! Verzwijg dit voor Lodoiska. Dat hij omgekomen
zou zijn, is haast niet denkbaar. Ik moest hem met een bericht naar
den maarschalk Mortier zenden; zoo is hij van ons gegaan. In deze
onmetelijke stad, bij deze ongehoorde verwarring is echter niets
gemakkelijker dan te verdwalen. Ik hoop, dat wij allen morgen weder
bijeen zijn. Ik schrijf dit _alleen aan u_, omdat ik u heilig beloofd
heb, u nooit iets te zullen verbergen. Zoo moogt gij mij ook gelooven,
als ik u verzeker, dat ik hoegenaamd niet over Jaromir bekommerd ben.”
Toen de gravin het gesloten briefje gelezen had, geloofde zij
natuurlijk, dat de tegelijk gekomen brief van Jaromir zijn verdwijnen
zoude ophelderen. Zij hield dien met de grootste waarschijnlijkheid
voor later geschreven en tot Lodoiska's geheele geruststelling
nagezonden. Daarom verheugde zij zich op de terugkomst van deze, om
haar met den brief te verrassen. Maria dacht ook zoo. Na een klein
half uur kwam Lodoiska terug. De gravin trad haar met den brief te
gemoet, hield dien half schertsend, want zij was in eene zeer vroolijke
stemming, daar ook de laatste bezorgdheid van haar hart was weggekomen,
omhoog en riep: „Lodoiska, wat geeft gij mij voor dezen brief?”
„Van Jaromir?” riep zij met van vreugde fonkelende oogen; tegelijk
trok zij verlangend de opgestoken hand der gravin met hare linkerhand
naar beneden en streelde haar met de rechter. Een hartelijke kus was
het loon, dat het gelukkige meisje voor den schat gaf. Daarop opende
zij haastig, met wangen, die van vreugde en verwachting hoog gekleurd
waren, den brief en hield hem tegen het licht, om te lezen. Doch als
ware zij plotseling op den rand van een ontzettenden afgrond geraakt,
beefde zij terug, werd bleek als de dood, liet de handen krachteloos
zinken en het papier vallen. Een gil, dien zij wilde uitstooten, stikte
in hare benauwde borst, hare stem beefde, en nog voor de gravin of
Maria haar te hulp konden snellen, zonk zij bewusteloos neder.
„Om 's hemels wil, wat deert u?” riep de gravin en zocht met behulp van
Maria, die angstvol was toegesneld, de ongelukkige op te richten, doch
met moeite slechts vermochten zij haar op de sofa te brengen. De gravin
schelde om hulp. Maria, nam den gevallen brief van den grond op en zag,
een vluchtigen blik daarin werpende, dat hij slechts één regel bevatte.
Zij waagde niet hem te lezen, doch de gravin deed dit zonder bedenking.
Hij bevatte niets dan de woorden:
„Huichelaarster! Trouwelooze! wij zijn voor eeuwig gescheiden.