JAROMIR.”

Beide vrouwen waren sprakeloos van verbazing.

„Die slag moest de arme zeker verpletteren,” zeide de gravin op den

toon van diepe verontwaardiging. „Op zoo iets kon zij niet bedacht

zijn. Het is afschuwelijk, een gruwel zonder voorbeeld.” In hevige

ontroering ging zij de kamer op en neder, Maria las tot hare eigene

overtuiging het onheilbrengende blad nog eenmaal en legde het dan met

bevende handen neder. „O gij rampzalige,” zeide zij, terwijl zij zich

over het hoofd der onmachtige neerboog, „hoe zullen wij thans uw lijden

verzachten!”

De kamenier van Lodoiska was binnengetreden. Zij ontstelde bij den

aanblik van hare meesteres. „De gravin is plotseling ongesteld

geworden, zij moet te bed gebracht worden. Kasimir moet vliegend naar

den arts. Bestel dat en kom spoedig terug.” Op deze met gedwongen

bedaardheid en kalmte gesproken woorden der gravin verliet de kamenier

de zaal weder. Maria had ondertusschen Lodoiska's slapen met koud water

besprenkeld, om haar weder tot bewustzijn te brengen. De gravin ging

nog steeds driftig op en neder. „Daaraan herken ik de mannen! Hunne

eigene slechtheid opent hun hart voor ieder onwaardig vermoeden. Wie

zou hebben kunnen gelooven, dat op deze engelreine ziel de zwartste

verdenking zou kunnen worden geladen! Dit hart, dat zich zelf in den

gloed zijner liefde verteerde, wordt van trouweloosheid beschuldigd.

Afschuwelijk! Ongehoord! Grenzeloos afschuwelijk! En welke bewijzen

kan de lichtzinnige knaap, die met ruwen tred de bloesems van zijn

eigen onschatbaar geluk in het stof trapt, voor zijne onnoembaar zware

beschuldiging hebben! Een gerucht, een lasterende brief, een boosaardig

verdichtsel van den een of anderen eerloozen of tot misdadig wordens

toe lichtzinnigen kameraad!”

Zij ging voor Lodoiska staan, wier borst zich onder het verlichte

ademhalen—Maria had haar kleed losgemaakt—nauwelijks scheen te

bewegen. „Hoe zacht deze reine engel sluimert! Zelfs het ontzettende

spooksel van den schrik, die haar zoo plotseling ter neder sloeg, heeft

hare minzame trekken niet misvormd. Een blik op haar afbeeldsel moest

het bewijs harer onschuld tegen duizend getuigen geweest zijn! Hebt

gij haar vermoord, hebt gij dit teedere leven geknakt door den slag,

dien uwe ruwe hand in den blinde gedaan heeft, dan moge haar beeld u

als een schrikkelijk spook vervolgen!”

„Neen, neen, zij leeft, zij ademt, zij zal ontwaken, wij zullen haar

troosten, bemoedigen!” antwoordde Maria met eene door tranen verstikte

stem. „Alles zal tot klaarheid komen, ook dit vreeselijke misverstand.”

„Hier kan het weefsel niet meer ontward worden! De knoop is met het

ijzeren zwaard doorgehouwen; alle teedere banden, die twee jonge harten

verbonden, zijn verscheurd. Waar een zoo duistere geest des argwaans in

het heiligdom der liefde en des vertrouwens eens is ingebroken, daar

zijn zijne sporen nooit te verdelgen. Overtuigd kan Jaromir worden, dat

Lodoiska geen zonnestofje ontrouw of valschheid in haar reinen boezem

omdroeg; overtuigd, als van den glans der sterren aan den eeuwigen

helderen hemel. Doch het schoone, heilige, onschendbare _geloof_ van

beiden aan elkander is vernietigd, voor eeuwig vernietigd. Eene begane

daad, een gesproken woord zijn onherroepelijk en zoomin te achterhalen

als de vervlogen minuten. Wat gij ook doet, om het verzuimde in te

halen, om eene schuld te verzoenen, het is ijdel bedrog en schijn; het

verzuim, het vergrijp zijn begaan, zij blijven onveranderlijk en geen

godheid is in staat, de eeuwige schriftteekens in het boek van het

volbrachte uit te wisschen.”

De kamenier trad weder binnen; Lodoiska werd in hare kamer te bed

gebracht. Maria zette zich bij haar neder en wachtte vol angst den

terugkeerenden adem, het opslaan van haar oog af. De gravin stond in

ernstige, diepe treurigheid zwijgend aan het voeteneinde van haar bed

en hechtte de donkere oogen onafgewend op de levenlooze.

Eindelijk opende Lodoiska de lieve oogen weder, zag smartelijk op,

reikte toen hare lieve verzorgster de handen toe en sprak zacht, maar

uit het diepste harer borst: „O, ik ben onbeschrijfelijk rampzalig!”

1812: Historische roman · 第 87 / 154 题