HOOFDSTUK III.

Lodoiska trad weder binnen. De afwisseling van angst en vreugde had

haar teeder gestel zoo aangetast, dat het lichte rood op hare wangen

eer een ziekelijk spoor van koortsachtige aandoeningen dan een teeken

van gezondheid en inwendige tevredenheid geleek.

De gravin wist, dat lichamelijke beweging en versche lucht haar in dien

toestand het beste waren; zij zelve had eene wandeling in de open lucht

noodig, om het jagen van haar boezem te doen bedaren. Zij sloeg voor,

in den tuin te gaan; de zaaldeur openende, trad zij terstond zelve naar

buiten, de anderen volgden.

De zon had de grauwe wolken aan den hemel een weinig verdeeld, en wierp

een halflicht door de dunne witte strepen, die langs de schitterende

schijf heentogen.

Maria bleef een oogenblik staan en zag naar den hemel op; zij verloor

zich in stille bespiegelingen.

Arnheim, die steeds trachtte haar nabij te blijven, vestigde zijne

blikken op haar gelaat. Er lag oneindig veel meer zachte vrouwelijkheid

dan hoogheid in hare trekken, doch tevens iets zoo reins en edels, dat

zich alle liefde voor deze vriendelijke gedaante met eerbied of ten

minste met de teederste schroomvalligheid paarde. Misschien was de

gravin, die een scherpen blik voor alle toestanden had, niet zonder

oogmerk met Lodoiska vooruitgegaan, zoodat Maria zoo goed als alleen

met Arnheim achterbleef. Zij zelve althans had het niet bemerkt.

„En wat zoekt en vraagt het oog mijner schoone vriendin daar boven?”

vroeg hij eindelijk, haar zwijgend mijmeren afbrekende.

„Ach! ik dacht aan ons vaderland,” zeide zij op hartelijken toon en met

volkomen vrijmoedigheid. „Gij hebt zulke schoone troostwoorden voor mij

gesproken, zulke dierbare verwachtingen in mij opgewekt!—Moest mij

deze hemel niet als een zinnebeeld van onzen toestand voorkomen? Het

licht strijdt met duistere wolken. Vóór een uur lag alles nog in een

donker grauw bedolven; thans verbergen nog slechts witte, halfverlichte

sluiers de zon. Zoo hebben ook uwe woorden mijne uitzichten verhelderd;

zij liggen niet meer achter geheel donkere wolken.”

„O, deze zullen zich spoedig geheel verdeelen,” riep Arnheim met

drift uit. „Wij zijn alleen. Ik moet voorzichtig zijn; maar een hart,

dat ook in den vrouwelijken boezem zoo vaderlandsch klopt als het

uwe, mag ik wel een mannelijk geheim toevertrouwen, dat uwe hoop

gelijk een morgendauw zal verkwikken. De gezindheid van broederlijke

eendracht, waarop ik met mijne woorden doelde, is in ons vaderland

geen schoone droom, geen vrome wensch meer. Met levendigheid is zij

ontwaakt; de ijzeren druk der tijden heeft de kracht des wederstands

te voorschijn geroepen. Gelijk het staal eerst door zijne harde

aanraking de vonk uit den kouden steen lokt, zoo hebben de slagen van

het noodlot in Duitschland edele vonken doen voortkomen, die eens, tot

een stil aangroeienden gloed vereenigd, als eene heldere vlam zullen

opflikkeren. Ja, de edelste mannen reiken elkander de hand; een voor

lang gesloten verbond, dat wel voor het uiterlijk weder ontbonden

werd, doch in zijn hooger doeleinde bleef voortbestaan, vereenigt hen

en slingert zich als eene geheime keten door geheel ons vaderland.

Nader en vertrouwelijker dan ooit zijn deze edelen nu verbonden, en

in allen leeft het vaste besluit, het onwaardige niet rustig lijdend

te verdragen. Doch met de sterke teugels der matiging houden zij de

uitbarsting der diepste verontwaardiging terug, totdat de krachten in

evenredigheid met den wil zijn aangegroeid. Het gunstig oogenblik zal

worden afgewacht; het is geen traag uitzien, want dikwijls vertoont

zich de gunst van het noodlot aan het opmerkzame oog. Ondertusschen

worden alle krachten voorbereid en gevoed, vertrouwde vrienden

aangeworven en in stilte het goede zaad gestrooid. De geheime draden

tot het weefsel van groote gebeurtenissen zijn uitgespannen; één wenk,

en duizend handen zijn er aan werkzaam.” Arnheims blikken flonkerden

van geestdrift, terwijl hij zoo sprak; ook in Maria's oog schitterde

een straal van hoop.

„O,” zeide zij, „dus zullen in dit hart toch nog vreugde en hoop

terugkeeren; dat zijn gewaarwordingen, die het sinds langen tijd vreemd

waren. Hoezeer dank ik u voor dit bericht! Hoe krachtig richt zich de

reeds gezonken moed in mij op!—En gij behoort tot dit verbond?” vroeg

zij na eenige oogenblikken.

„Eerst sinds twee weken, toen waardige mannen in Pruisen mij die eer

waardig rekenden,” hernam Arnheim.

„Neem ook mij daarin op, als een zwijgend, doch niet minder getrouw

lid,” zeide Maria en reikte hem de hand. „In mijn hart behoorde ik

reeds lang tot zulk een verbond.”

Arnheim greep Maria's hand. Hij kuste ze niet, maar drukte ze met

warmte. Een zonderling gevoel beklemde hem de borst. Maria stond zoo

beminnelijk voor hem, haar blauw oog zag hem zoo trouwhartig en open

aan—o, zij was schoon en goed, en beter dan schoon!

„Hoe noemt gij dat schoone verbond, waartoe ik in stilte wil behooren?”

zeide zij, toen hij bevend stilzweeg; „ik heb echter slechts gevraagd,

wanneer gij mij moogt antwoorden.”

„Het voert een schoonen, misschien te trotschen naam. Doch deze moet

slechts van den wil en niet van het volbrengen der broeders verstaan

worden; het heet het _Deugdverbond_.”

Op dit oogenblik dreven de laatste wolken voor de zon heen en haar

schitterend licht viel rein en glansrijk op de sprekers. Tegelijk

verhief zich een statig ruischen in de herfstelijke toppen, alsof edele

geesten op machtige vleugels voorbij zweefden. De wolkengordijn werd

wijd geopend; het licht stroomde uit de blauwe ruimte neder en goot

zich als eene gouden golf over het gras en de zich trotsch wiegelende

kruinen der boomen uit.

„Dat is de nabijheid des Almachtigen, het is Zijn heilverkondende wenk,

het teeken Zijner zegenende goedkeuring,” riep Maria met geestdrift en

richtte haar verheerlijkt oog naar het gewelf des hemels, wiens donker,

zuiver blauw hoog boven de verstrooide wolken stond. „Welk hard lot mij

ook treffe, welke beproevingen Gij mij ook toezendt, aan dit teeken wil

ik mij vasthouden. Dat zal voor mij lichten in de donkere dagen, door

welke Uw wil mij voert.” Zoo sprak zij in de volheid van haar geloovig

vertrouwen.

Arnheim stond met diepen eerbied voor haar. In zijn boezem bewogen zich

hevige aandoeningen; doch een donker voorgevoel zeide hem, dat haar

hart, dat zich zoo vrij, zoo onverdeeld aan haar vaderland toewijdde,

slechts van deze hoogere vlam en niet van den stilleren gloed der

liefde vervuld werd. Smartelijk getroffen zweeg hij. Het nabijzijnde

beeld der geliefde, dat hij eerst meende te omvatten, verdween; maar

eene hoogere, edeler gedaante zweefde voor hem en zag hem uit eene

lichtende hoogte aan. Geen bruid waagde hij aan het hart te drukken,

tot eene heilige verhief hij zijn blik. Want zóó stond zij thans voor

hem. Met zijn veredeld gevoel groeide de verlangende smart in zijn

boezem aan, maar ook tevens de kracht, om over deze te heerschen.

„Ja,” hernam hij met mannelijke vastheid, „gij hebt recht. Deze

grootsche verwachting moet ons als de vlam eener baak, als het vaste

doel midden in den stormachtigen nacht dezes levens voorlichten. Ook de

schipbreukeling mag nog den laatsten blik derwaarts wenden, en, wanneer

hij edel weet te denken, den troost medenemen, dat anderen, door haar

geleid, de haven der vrijheid en des vredes, voor welke hij strandde,

zullen bereiken.”

„Ik geloof, dat de gravin ons wacht,” zeide Maria, die haar ver

achterblijven nu eerst een weinig blozend, bemerkte. „Wij zijn

inderdaad geheel achtergebleven.”

Met deze woorden ging zij sneller vooruit.

De gravin merkte beider ontroering dadelijk op; doch met ware

fijngevoeligheid verried zij dit zelfs niet door een glimlach, niet

door een oogopslag; maar scheen het achterblijven, als bloot toevallig,

niet eens een opmerking waardig te achten.

„De lucht is onze wandeling gunstig,” merkte zij aan, toen de zon

juist door de wolken brak. „Zij gaf gedurende eenige oogenblikken de

schoonste verlichting aan het park. De wolkenschaduwen vlogen er over

heen en de stroom des lichts ijlde ze als vervolgend achterna.”

„Die afwisselende verlichting maakte mij den herfst, ik meen de

herfstlandschappen, zoo lief.”

„Hij gelijkt zeker veel op een treurspel in het vierde bedrijf,” hernam

Arnheim, terwijl hij zijne gemoedsbeweging achter den lichten toon der

samenleving trachtte te verbergen.

„Waarom dat?” vroeg de gravin.

„Daar immers beginnen de gelukkige betrekkingen gewoonlijk te weifelen;

de heldere hemel, dien de dichter als contrast van den storm, welke

hij wil oproepen, over ons uitgespreid heeft, verduistert zich

langzamerhand en wij aanschouwen den strijd van het licht met den nacht

van het tragische noodlot. De melodieuse tonen van gelukkiger dagen

zijn nog niet geheel vervlogen, maar reeds rollen de doffe tonen des

donders in de verte. Evenzoo de herfst, die misschien daarin zijne

grootste bekoorlijkheid vindt, dat wij alle schoonheden der natuur

gereed zien ons te ontvluchten. Zoo worden onze betrekkingen ons eerst

recht dierbaar bij het afscheid; daar eerst erkennen wij weder thans

waarde; ja het onverschillige stijgt hoog in prijs, wanneer wij er van

moeten scheiden.”

„Gij hebt gelijk, doch ik zou aan den herfst toch ook wel eenige

zelfstandige waarde willen toekennen. Het bewijs schijnt mij daarin te

liggen, dat ik mij in den zomer reeds in zijne verschijning verheug;

wie echter hoopt op het afscheidsuur?”

„Ik wil mijne vergelijking niet verdedigen. Niet eene is er

onkwetsbaar; op de eene of andere plaats dringt de pijl der kritiek

altijd door. Alle, voornamelijk de schertsende verliezen wanneer men ze

standvastig wil volhouden. Mij schijnt het ook een zeer groot gebrek

aan poëzie te verraden, dit te willen doen; slechte dichters alleen

wagen het. De schoonheid der vergelijking bestaat slechts in de half

uitgedrukte, maar tegelijk diep verstaanbare beteekenis der waarheid;

men moet ze daaruit erkennen en gevoelen, maar niet bewijzen of

verklaren.”

De gravin luisterde opmerkzaam naar de woorden van Arnheim; een

gesprek, dat nadenken vorderde, was haar steeds het aangenaamste. Maria

had zich bij Lodoiska gevoegd, in wier vreugde zij thans met een even

verblijd hart kon deelen.

Opeens klonk tusschen het geruisch der boomen en het waaien des winds

het plechtig gelui der klokken van de nabijgelegen Andreaskerk heen.

„Op dezen ongewonen tijd? Wat mag dat beteekenen?” vroeg de gravin.

Het gelui der klokken liet zich thans van verschillende kanten hooren;

van nader en verder afgelegen kerken drong het gedreun door de stilte

des voormiddags.

„Het zal de viering der overwinning beteekenen,” merkte de ritmeester

aan.

„Gij hebt gelijk. Ja, en het is eene zege, voor welke wij den hemel

moeten danken. Hoe mij het hart vol wordt bij deze klanken! Eene zege!

Eene zege! Uit de donkere onweerswolken van den slag breekt misschien

het nieuwe morgenrood voor ons vaderland aan.—Thans versta ik dien

onrustigen aandrang in mijn boezem; onder het biddende, dankende

volk moet ik mij mengen, de gloeiende ziel in eigen gebed ten hemel

verheffen.”

Haastig wendde zij zich om en ging op het paleis aan. Haar voornemen

was een onweerstaanbaar gebod voor de overigen, ook zelfs indien hun

eigen vreugdegevoel hen niet naar het altaar des Almachtigen gedreven

had.

„Geen rijtuig, geen rijtuig!” riep de gravin eenen bediende toe, die,

daar hij bemerkte, dat men zich gereed maakte uit te gaan, de vraag,

of hij den koetsier zou bestellen, op de tong had. „Wij gaan te voet.

Gelijk het gansche volk ter kerke stroomt, zoo ook wij. Het is een dag

van deemoed en niet van trotschheid. En toch, hoe fier klopt mij het

hart!”

Ondertusschen had zij een donkeren sjaal omgeslagen. Arnheim bood haar

den arm aan. Maria en Lodoiska volgden.

Op de straten was alles in beweging. Het volk stroomde over de

pleinen naar de kerk. Alle klokken luidden, als op den feestdag eens

heiligen. Onder het hôtel van den gezant kruisten zich twee wapperende

driekleurige vanen. De in de stad aanwezige troepen vereenigden zich,

om in parade naar de kerk te worden geleid. Als door een tooverslag

was de werkdag in een hoogen feestdag veranderd. Het volk had zijne

zondagskleederen aangetrokken; mannen, vrouwen, meisjes en kinderen,

alles stroomde in bont gewoel naar het altaar des Heeren. Hoe

schitterden de vurige oogen der meisjes en jongelingen. Genen golfde

het lange, zwarte haar onder de sluiers weg en bedekte den blanken

hals. Deze hadden de hooge, met tressen versierde mutsen, van welke

rijke kwasten afhingen, trotsch in de oogen gedrukt en met mannelijke

fierheid de sabel aangegord.

Maria werd het bijna bang om het hart, toen zij de algemeene

volksvreugde aanschouwde. Ach, in haar vaderland had zij zulk een

feest nog niet beleefd. En zal men daar niet over deze overwinning

treuren? Is ons hart niet aan de zijde des vijands, ofschoon ook onze

landgenooten, door de macht der wereldgebeurtenissen gedwongen, tegen

hem zijn uitgetrokken? En zal deze slag waarlijk zulke zegenrijke

gevolgen voor ons hebben, als de verwachtingen nu gespannen zijn?

Met zulke gedachten was men de St. Andreaskerk genaderd, wier wijde

deuren openstonden. De tonen des orgels klonken den binnentredenden

plechtig tegemoet en vermengden zich met het dreunend geluid der

klokken; de kaarsen op het altaar brandden: voor alle beelden der

heiligen waren zij aangestoken. Het volk vulde bijna reeds de ruime

gewelven, doch nog steeds drongen nieuwe scharen binnen. Met moeite

bereikte de gravin nog haar afgesloten bidstoel, door welks tralies men

de gansche kerk overzag. Tegenover het koor waren de zitplaatsen van

het fransche gezantschap; links zag men het groot altaar, rechts den

kansel.

Het traliewerk van hare plaats was Maria zeer welkom, wijl zij dezen

dienst moest bijwonen zonder de uiterlijke plechtigheden mede te

verrichten en derhalve slechts als toeschouwster verscheen, terwijl

haar hart toch innig dankbaar voor het behoud der haren sloeg en

haar vurig smeekgebed voor eene zegenrijke wending van het lot haars

vaderlands tot God omhoog steeg. Zij ondervond thans, dat de ware

vroomheid, het ware, vaste geloof geen secten, geen vormen des gebeds

kent. Gij vindt uwen God overal, waar gij in waarheid tot Hem bidt.

Terwijl de gravin en Lodoiska met den rozenkrans in de hand

nederknielden, bleef Maria stil, doch aandachtig op haar afgezonderden

zetel. Arnheim was niet mede in den bidstoel der gravin getreden, wijl

het gebruik de mannen en de vrouwen in de kerk scheidde.

Lodoiska bad met den gloed eener dweepster; haar oog vestigde zich

onafgebroken op een tegen haar over hangend Mariabeeld. Zacht bewoog

zij de lippen, doch geen geluid werd hoorbaar. De gravin was ernstig;

ook knielend behield zij de majesteit harer houding, want de hoogheid

straalde van haar open voorhoofd. Haar groot, donker oog verhief zich

van tijd tot tijd onder de lange wimpers en zag met heiligen ernst

omhoog.

De mis was geëindigd, de vrouwen verlieten de Kerk. Dicht bij de deuren

kruisten zich de stroomen van menschen, zoodat er eene stremming

ontstond. Van beide kanten kwamen zij, die op het koor gezeten hadden,

de trappen af; van drie kanten drong de stroom uit het schip van

de kerk voort. Arnheim had zich niet weder bij de vrouwen kunnen

aansluiten; zij waren alleen en hielden zich stijf aan elkander vast.

Nu kwam ook de fransche gezant met zijn talrijk gevolg de trappen

af. De stroom van menschen voerde hem dicht langs de vrouwen heen.

Langzamerhand zag Maria zich geheel van uniformen omgeven; zij boog het

hoofd, om de somwijlen zeer stoute blikken dezer mannen te ontwijken.

Daar hoorde zij eenige fransche woorden door eene stem uitspreken, die

haar bekend was. Zij keek op, doch, als had zij op een adder getrapt,

deinsde zij onwillekeurig bevend achteruit en verbleekte, want zij

zag, met het gelaat half naar haar toegekeerd, den gevreesden, gehaten

Beaucaire voor zich en twee treden van hem af ook St. Luces. Zij moest

al hare tegenwoordigheid van geest bijeenroepen, om zich niet door

een gil te verraden; hare knieën knikten, nauwelijks vermocht zij een

voet te verzetten. Zij zou zekerlijk zijn neergezonken, wanneer het

gedrang der naar buiten stroomende menschen haar niet met geweld had

staande gehouden. Hare gewaarwording geleek die van een wandelaar, die

plotseling ontdekt, dat hij zich naast eene in het gras slapende slang

heeft nedergevlijd om uit te rusten; hij weet niet of vluchten dan

blijven hem in het verderf zal storten. Zooals Beaucaire en St. Luces

op dit oogenblik stonden, was het hun onmogelijk Maria te zien. Doch

of zij niet reeds lang door beiden bemerkt was, kon zij niet weten. O,

hoeveel had zij er thans niet voor gegeven, zoo zij, evenals Lodoiska

en de gravin, een sluier gedragen had, om haar gelaat te verbergen. Zij

wendde het af, bedekte het met haren zakdoek, zocht zich te verbergen

zoo goed het mogelijk was, doch de voortstuwende massa drong haar immer

nader aan het gevaar en zij zag het oogenblik komen, waarop zij in de

onmiddellijke nabijheid van Beaucaire zoude zijn en haar arm den zijnen

moest aanraken. Zij zou de gravin een wenk gegeven hebben, doch ieder

woord was gevaarlijk en kon haar verraden. In doodsangst wachtte zij

stil den afloop af en gaf zich aan haar lot over. Slechts een zwijgend

gebed zond zij tot den Almachtige op, dat Hij haar uit dit gevaar mocht

redden. Daar keerde de stroom zich plotseling zijwaarts af, daar men

eene tweede deur geopend had. De gravin volgde dezen stroom, en zoo

bereikte men in weinige minuten de open lucht, waar voor het oogenblik

ten minste veiligheid was. Thans eerst kon Maria harer moederlijke

vriendin het gevaar ontdekken, waarin zij verkeerde. Deze sloeg

dadelijk een omweg door eenige zijstraten in, om ongemerkt het paleis

te bereiken. Zij zocht Maria gerust te stellen door de verzekering,

dat niemand in Warschau het zou durven wagen, het heiligdom der

gastvriendschap te verontrusten, ook zelfs als men haar verblijf

ontdekt had. „Intusschen twijfel ik hier aan,” voer zij voort, „want

had een dezer mannen ons herkend, dan zouden zij hun oogen onafgewend

op ons gericht hebben, doch hiervan heb ik niets bemerkt.” Ook Lodoiska

voegde zich bij deze meening.

Door deze verzekering eenigermate gerustgesteld, haalde Maria weer

vrijer adem. Had de gravin gelijk, dan was zij inderdaad een groot

gevaar gelukkig ontkomen; want bij den toenmaligen stand van zaken had

zij, in Duitschland ten minste, van de willekeur van zulk een vijand

als Beaucaire en allerdenkelijkst ook St. Luces was, alles te vreezen.

Er was geene andere redding, dan de vlucht of deze of gene machtige

bescherming. Op deze hoopte Maria door het aanzien der gravin; aan

zich zelve overgelaten, ware zij verloren geweest, want het geringste

vermoeden van in staatkundige bemoeiingen gewikkeld te zijn geweest

was immers voldoende, om zelfs tegen vrouwen de hardste maatregelen

te billijken, en Maria wist zeer goed, dat zij en hare moeder deze

slechts door de ijverige en behendige tusschenkomst van Rasinski en

door het gelukkig toeval van St. Luces' vertrek uit Dresden ontkomen

waren. Wat toen de broeder voor haar gedaan had hoopte zij thans van de

zuster. Om zekerheid nopens den stand van zaken te verkrijgen, begreep

de gravin, dat men Arnheim, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk

in het geheim moest inwijden: een vertrouwen, dat Maria hem, na wat

hij haar dezen morgen geopenbaard had, volkomen waardig keurde. In de

kerk was men wel van hem gescheiden geraakt, doch men twijfelde geen

oogenblik, of hij zou zich zeer spoedig weder in het huis der gravin

laten zien. Ondertusschen werd het middag en nog verscheen hij niet.

Dit verwekte bij Maria eenige bezorgdheid, ofschoon zij over haar eigen

toestand reeds rustiger werd, daar zij, zoo Beaucaire haar bemerkt had

en vervolgen wilde, reeds nu de werking zijner booze aanslagen zou

bespeurd hebben. Immers, hij kon haar niet anders dan in gezelschap

van Lodoiska en de gravin gezien hebben, welke hij beiden kende,

hetgeen genoeg was, hem haar verblijf te ontdekken. Eindelijk tegen

den avond liet Arnheim zich aandienen. Wanneer hij geweten had, hoe

smartelijk men naar hem verlangde, was hij reeds lang daar geweest;

doch hetzelfde gevoel, dat hem zoo machtig naar deze plaats trok, hield

hem juist terug. Niet zelden toch schroomt men het meest, dáár een

bezoek te maken, waar men het liefst is, wijl men eene teleurstelling

in zijne poging zoozeer vreest, dat men die somtijds liever in het

geheel niet onderneemt. Voor dit avondbezoek had Arnheim evenwel een

geldig voorwendsel of liever eene dringende reden, want hij moest

nog dezen nacht als koerier vertrekken. Te negen uur was hij bij den

gezant bescheiden, om zijn depêches te ontvangen. Toen hij met deze

verontschuldiging zijn bezoek inleidde, begreep men terstond, dat zijne

hulp in de zaak, welke men hem wilde toevertrouwen, niet meer mogelijk

was. Doch hij bracht zelf het gesprek daarop, daar hij zich spoedig

liet ontvallen: „Het schijnt, dat alle badgasten uit Teplitz zich in

Warschau willen verzamelen, want ik ontmoette er twee bij den gezant,

de beide Franschen, die op die buitenpartij naar Aussig bij ons kwamen.”

„Hebt gij hen gesproken?” vroeg de gravin op een toon, die te haastig

was, om niet opgemerkt te worden.

„Slechts even,” antwoordde Arnheim; „doch waarom? Wenscht gij

misschien.....”

„O ja, wij wenschen zeker iets en zouden u een gewichtigen, dringenden

dienst kunnen vergen,” viel de gravin hierop in en zag Maria aan.

„Met groot genoegen stel ik mij tot uwe beschikking,” antwoordde

Arnheim.

„Het is de vraag, of gij het nog kunt. Ons verlangen namelijk is dit,

dat de beide Franschen, zoo mogelijk ons verblijf in 't geheel niet

te weten komen, want wij hebben dringende reden, om hen te mijden.

Misschien hebt gij ons echter reeds genoemd en dan....”

„Stellig niet,” viel Arnheim haar in de reden; „want ik herinner mij

nog uit Teplitz, dat deze heeren u,” hier zag hij Maria aan, „reeds

bij de toenmalige ontmoeting niet aangenaam waren; mij zijn zij het

inderdaad ook niet en wij wisselden daarom slechts eenige onbeduidende

woorden. Ook kunt gij geheel zonder zorg zijn, want zij reizen nog

heden, op hetzelfde uur als ik, van hier.”

„Goddank!” riep Maria uit, die tot hiertoe met eene angstige spanning

had toegeluisterd en wie nu de aangename verrassing dezen uitroep

uitlokte.

Arnheim was verbaasd over hare drift; doch zijne bescheidenheid verbood

hem, navraag te doen. Maria gevoelde nochtans, dat zij zich verklaren

moest, wanneer zij niet tot vreemde vermoedens aanleiding wilde geven.

„Gij moet weten, heer Von Arnheim,” begon zij dus, „dat ik de

oorzaak ben, waarom de gravin een bezoek dier beide heeren wenscht

te ontwijken. Eene aaneenschakeling van gebeurtenissen, welke ik het

recht niet heb mede te deelen, heeft bewerkt, dat ik deze beide mannen

vermijden, ja ontvlieden moet. Gij kunt u dus van mijn innigsten dank

verzekerd houden, wanneer gij nu noch ooit, waar gij hen ook moogt

ontmoeten, iets van mijn tegenwoordig verblijf alhier laat merken. Het

is een dienst, waarom uwe landgenoote u in de volste beteekenis van het

woord bidden moet.”

„Ik zou mij zelf voor een ellendeling houden, zoo ik ook maar met

een woord, met een blik tegen uw wil handelde,” riep Arnheim met

levendigheid uit.

„Ik ben overtuigd, dat gij doen zult, wat gij vermoogt, om mij iets

onaangenaams te besparen,” zeide Maria vriendelijk en reikte hem de

hand; „neem mijn warmen dank daarvoor reeds bij voorbaat aan.”

„Wanneer gij mij slechts meer, slechts iets, dat waarlijk naar eene

daad, naar een dienst geleek, had opgedragen! Wenscht gij misschien

iets anders van deze beide mannen te weten?”

„Ik weet niet, of het mij helpen zou,” antwoordde Maria; „doch zeg ons

wat gij weet; want schadelijk kan het mij nooit zijn, de betrekkingen

van hen, voor wie ik mij in acht moet nemen, te kennen.”

„Het is inderdaad weinig. Voor zoover ik weet, zijn zij beiden bij de

burgerlijke administratie, die tot de groote armee behoort, aangesteld

en in die betrekking gaan zij thans daarheen. Hun post schijnt zich

bijzonder tot de hospitalen te bepalen, die in den rug van het leger

aangelegd zijn en gedeeltelijk nog worden aangelegd.”

„Dan zullen zij misschien niet naar de armee zelve gaan?” vroeg Maria

en een zweem van hoop herleefde in haar binnenste.

„Hun naaste bestemming is Wilna; verder kan ik niets zekers opgeven.

Maar derwaarts zullen zij reeds binnen eenige uren op reis zijn.”

„Het is ook voldoende, en genoegzame geruststelling voor ons,” zeide de

gravin. „Doch uwe eigene afreize is zoo nabij, dat wij bijna vreezen

moeten, u door het verzoek, om het overige van dezen avond bij ons te

blijven, den tijd tot uwe toebereidselen te ontrooven.”

„Indien gij mij wilt veroorlooven, deze weinige uren zoo gelukkig door

te brengen, mijne bezigheden zijn afgedaan. Te negen uur ontvang ik

mijne depêche, te tien uur ben ik zeker reeds een goed van Warschau

verwijderd, want ik heb mijn wagen voor het hôtel van den gezant

besteld. Tot negen uur dus....”

„Zijt gij mij de meest welkome gast,” viel de gravin hem in de rede.

Men bracht licht in de zaal en er werd thee rondgediend. Het weêr was

weder ruwer geworden, de wind ruischte najaarsachtig door de boomen

en sloeg tegen de vensters. Dit verhoogde slechts de gezelligheid van

het vertrek; zelfs Arnheim vergat, dat hij dit geluk slechts voor zulk

een vluchtig oogenblik kon genieten, dat hij na weinige uren door de

ruwe hand des krijgs weder van alle vertrouwelijk, gezellig bijeenzijn

voor langen tijd zou gescheiden worden. Men sprak van den slag, van de

offers, welke zij geëischt had, van de nog meer beklagenswaardigen,

die eerst na een langdurig lijden het geruste perk des doods zouden

bereiken. Arnheim schilderde met kennis van zaken den dringenden nood,

die dikwijls in hospitalen heerscht, het gebrek aan werktuigen, doch

vooral aan verplegende handen.

„Ieder leger,” riep Lodoiska, door hare deelneming medegesleept, „moest

door vrouwen en meisjes gevolgd worden, om de verzorging der gewonden

op zich te nemen.”

„En zoudt gij moed tot zulk eene onderneming hebben?” vroeg de gravin

glimlachend, maar toch ernstig.

Lodoiska, die wel gevoelde, wat haar den moed hiertoe zoude verleenen,

werd hoog rood, doch antwoordde snel: „Ja, gewis, ik acht mij daartoe

in staat.”

„Ik weet niet,” zeide Maria op weifelenden toon, „of niet allen, die

betrekkingen onder de strijders hebben, zulk eene verplichting moesten

gevoelen. Wij meisjes moesten ons misschien daarvan onthouden; maar

eene vrouw, die weet, dat haar gemaal in gevaar is, moest ten minste

wel nabij genoeg zijn, om in de ure van den nood tot zijne hulp te

kunnen toesnellen.”

„Wanneer dat slechts mogelijk was en veroorloofd kon worden,” hernam

Arnheim niet onbewogen; „onze soldaten zou zulk eene verpleging met

dubbele koenheid naar het veld drijven, waar de wonden te halen zijn,

waaraan zij een zoo groot geluk zouden te danken hebben.”

„De troost voor de te huis blijvende gade,” merkte de gravin aan, „ligt

gewis in het gevoel, dat de man zijn edelste roeping vervult, dat hij

voor den roem, de eer, de vrijheid of veiligheid van zijn vaderland

strijdt. Eene waarlijk edele, den man waardige vrouw zal zoo moeten

denken en daarom ook aldus leeren gevoelen. Zij mag hem het offer, dat

alleen zijne persoonlijkheid zoude gelden, niet brengen, daar zij,

zonder hem te beschamen, niet mag veronderstellen, dat hij het vordert.

De man, die den ganschen omvang zijner plichten overziet, weet ook,

dat, wanneer hij ten strijde trekt, hij aan het vaderland vrouwen

en huismoeders moet achterlaten, die het opkomend geslacht voor _de

toekomst_ aankweeken; ja dat have en goed van ieder in het bijzonder,

die vereenigd have en goed van het algemeen zijn, ten algemeenen nutte

zorgvuldig moeten bestuurd worden. Door deze overweging schijnen de

plichten eener vrouw mij voorgeschreven, en lichter gemaakt te zijn.”

Niet slechts Arnheim, maar ook Maria en zelfs Lodoiska moesten

bekennen, dat de gravin de plichten der vrouw op de waardigste wijze

opvatte; zij luisterden met eerbied naar haar. Want wat ernstige

zelfbeheersching zij ook eischte, toch verloochende zij het teeder

vrouwelijk gemoed niet; zij vergunde het zijne rechten, slechts de

alleenheerschappij wilde zij het niet toestaan.

„In het algemeen is dat zeker het alleen ware en rechte,” zeide

Maria; „doch er komen ook gewis gevallen voor, die eene uitzondering

maken. Ten minste zullen wij die, wanneer zij zich opdoen, uit de

eigenaardigheid der karakters verklaren, dikwijls rechtvaardigen en

somtijds ook wel bewonderen kunnen.”

„Zoo is het,” riep Arnheim met levendigheid en hechtte zijn oog op

het schoone, stil gelaten wezen, dat hem, hoe nader het oogenblik des

afscheids kwam, nog gestadig dierbaarder werd. Doch hij besloot met

mannelijke kracht zijn gevoel te beheerschen en het hart van Maria

niet tot een besluit te dwingen, dat het gansche leven omvat, in een

oogenblik, waarin zij nauwelijks tijd zoude hebben, haar ja of neen uit

te spreken.

De uren waren sneller dan minuten vervlogen. De klok van den St.

Andreastoren sloeg negen uur; het strenge gebod van den plicht

veroorloofde geen langer vertoeven. Hartelijke wenschen begeleidden den

vertrekkende; het afscheid was voor allen roerend, Arnheim moest het

verhaasten, om zich niet te verraden.

1812: Historische roman · 第 84 / 154 题