HOOFDSTUK II.

Het was een grauwe Septemberdag, toen Lodoiska, slechts door hare

kamenier begeleid, de nabijgelegen kerk bezocht. Haar weg leidde

haar voorbij het hôtel van den heer De Pradt, den franschen gezant

in Warschau. Voor de deur stond het rijtuig van een koerier, en er

had eene in het oog vallende beweging onder de dienstboden plaats. Er

moest eene gewichtige tijding zijn aangekomen. Met een kloppend hart

naderde zij. Zeker konden er koeriers uit alle oorden van Europa, uit

Spanje, Parijs, Italië of Weenen aan het gezantschap aankomen; doch de

groote gebeurtenissen vielen dáár voor, waar haar hart zich bevond.

Eene inwendige stem zeide haar, dat er berichten van de armee moesten

gekomen zijn. Zij verhaastte haren tred, en te beschroomd, om zelve er

naar te vernemen, droeg zij dit aan hare kamenier op en wilde, langzaam

voorbijgaande, deze aan de andere zijde van het hôtel opwachten. Doch

terwijl zij de deur voorbijging, kwam een officier in groot tenue er

uit; hij stond stil toen hij haar zag, scheen haar te herkennen, trad

snel op haar toe, boog zich en sprak:

„Ik hoop misschien te veel van de welwillendheid van uw geheugen,

wanneer ik vooronderstel, dat gij mij nog zoudt kennen, genadige

gravin?”

De jonkvrouw stond verrast, maar herkende evenwel dadelijk den

ritmeester Arnheim uit Teplitz.

„O zeker herken ik u,” was haar antwoord, „ofschoon ik maar weinige

dagen in Teplitz heb doorgebracht. Doch daarentegen is het ook slechts

kort geleden dat wij het verlaten hebben. Maar wat voert u naar

Warschau?”

„Mijne herstelling is volkomen. Ik vertrek naar het leger in Volhynië.”

„Het schijnt, dat er zoo even gewichtige berichten bij den franschen

gezant zijn aangekomen,” zeide Lodoiska een weinig angstig, en zag

rond, of hare kamenier haar niet volgde.

„De gewichtigste der wereld,” hernam de ritmeester met drift; „de

koerier heeft ze zoo op het oogenblik gebracht; er is een groote slag

geleverd bij Mosaisk, twee dagmarschen van Moskou.”

„Zonder twijfel zeer bloedig?” viel Lodoiska verbleekend en sidderend

in.

Arnheim bemerkte onder het gaan niet, dat zij door dit bericht zoo

hevig werd aangegrepen, en voer daarom onvoorzichtig voort: „Bloedig

zooals er in de geschiedenis geen tweede voorbeeld te vinden is; het

aantal gesneuvelden en gewonden is nog niet juist bekend, doch in

het ruwe geeft de depêche dit op zestig of zeventig duizend man aan

beide zijden op. De overwinning des keizers is met onmetelijke offers

gekocht.”

Het tooneel van het slagveld trad plotseling met zoo akelige kleuren

voor de oogen van Lodoiska en vervulde hare ziel met zulk eene

ontzetting, dat zij, zich zelve niet meer meester, verbleekend

terugtrad en onder den uitroep: „Heilige moeder Maria!” ineenzeeg.

Arnheim sprong toe en ving haar in zijne armen op. Verlegen zag hij

rond om hulp, toen reeds Lodoiska's kamenier haastig toeschoot en

angstig riep: „Om Godswil, wat deert mijne meesteres?”

„De schrik over de tijding van den slag heeft haar zoo hevig ontroerd;

wij zullen haar hier in het huis van den gezant dragen,” zeide Arnheim.

Doch Lodoiska opende hare oogen weder. Een donkere schaamtegloed

verspreidde zich over het albast harer wangen; diep zuchtte zij;

spreken vermocht zij niet, doch zij richtte zich op en bleef slechts op

den arm harer kamenier leunen.

„Hoe zal ik vergiffenis voor mijne onverzichtigheid kunnen hopen? Wij

soldaten zijn zoo ruw, dat wij bij de tijding van een slag nooit aan de

offers denken.”

„Gij hebt geen schuld,” antwoordde Lodoiska; „het was mijne dwaze

zwakheid.” Daar barstten hare tranen met stroomen los. „Ik moet naar

huis—vergeef mij....” sprak zij met moeite.

„Mag ik u mijn arm aanbieden? Of wilt gij, dat ik een rijtuig bezorg?”

vroeg de ritmeester gedienstig.

„Wanneer gij mij ondersteunen wilt, zal ik u zeer verplicht zijn; ik

ben inderdaad ten uiterste afgemat.” Arnheim gaf haar den arm. Aan

de andere zijde leunde zij op de kamenier, en liet zich zoo naar het

paleis der gravin terugleiden.

Gelukkig had Lodoiska's onmacht slechts eene minuut geduurd, en de

opmerkzaamheid der lieden op de straat was in dat oogenblik zoozeer

op de beweging in het hôtel van den gezant gericht geweest, dat

het voorval geheel onbemerkt voorbijging. Men sloeg nu eene stille

zijstraat in, en zoo kwam de ondersteunde gelukkig aan het paleis

der gravin, zonder dat de nieuwsgierigheid van lastige kijkers haar

vervolgde.

Niet moeielijk viel het den ritmeester, zich de oorzaak van haar

hevigen schrik in het algemeen te verklaren. Wie had niet een vriend,

een broeder of vader bij het leger? Intusschen dacht hij fijn genoeg,

om geen onderzoek te doen, en zocht ook den verpletterenden indruk der

eerste tijding door verzachtende berichten te matigen.

Toen men aan de deur des huizes stond, zeide Lodoiska: „Ik dank u van

harte voor uwe deelnemende hulp; zeker moest ik u verzoeken, mij nog

verder te volgen; toch....” Arnheim liet haar niet uitspreken; met

warmte viel hij haar in de rede: „Deze eerste uren der ontroering

behooren der eenzaamheid; de welwillendste bezoeker zou hier slechts

komen storen. Doch gij verbiedt mij immers niet, op een meer gunstigen

tijd te komen?”

Lodoiska zag hem met een dankbaren blik aan. „Het zou mij zeer leed

doen, indien wij u niet zagen; ik hoop, dat wij u dan blijder welkom

zullen heeten.” Met deze woorden reikte zij hem de hand tot afscheid en

trad toen, zich ras omwendend, wijl zij haar angst niet meer betoomen

kon, binnen. Met moeite bereikte zij de stille tuinkamer. Maria was

de eerste, die haar ontmoette. „Leen mij uwe sterkte, Maria,” riep

zij haar toe en breidde hare armen uit; „leen mij uwe kracht, mijne

dierbare, om den doodsangst te kunnen doorstaan, tot wij bericht

hebben.”

„Om Gods wil, wat is er gebeurd?” riep Maria verschrikt, terwijl zij

hare vriendin, die zich buiten adem aan hare borst wierp, teeder

omarmde. Lodoiska kon een geruimen tijd niet spreken; Maria hoorde

slechts het luid kloppen van haar hart. Zij leidde de half bezwijmende

naar de sofa. Daar eerst begon deze na eenige minuten in de hevigste

aandoening: „Er is een slag geleverd. Zeventig duizend dooden en

verminkten bedekken het veld. Het verschrikkelijk beeld van dezen

oneindigen jammer zal mij waanzinnig maken. O, Maria! ik zie niets dan

bloed en het bleeke, stomme gelaat der dooden.”

De gravin trad binnen. Zij had van de kamenier reeds vernomen, wat

er was voorgevallen. Bij haar zegevierde het gevoel der overwinning

op den angst omtrent hare betrekkingen. Vriendelijk, maar rustig,

trad zij naar de beangste Lodoiska toe en zeide: „Kom aan mijn hart,

beminde dochter; ween aan de borst uwer moeder uwe smart uit. Dan

zult gij rustiger worden en met gelatenheid de verdere berichten

afwachten, welke wij toch spoedig moeten ontvangen.” Het voorbeeld

van standvastigheid vereenigd met de zachte deelneming, welke hare

moederlijke verzorgster toonde, richtte den moed der vertwijfelende

verwonderlijk op. De vriendelijke liefkoozingen van Maria, die

haar eigen angst over haar broeder zorgvuldig verborg en juist uit

Lodoiska's zwakte de kracht daartoe putte, maakten hare geruststelling,

zooverre dit thans mogelijk was, volkomen.

Na eenige minuten trad een bediende binnen en berichtte, dat de

ritmeester Arnheim zeer dringend verzocht, toegelaten te worden, daar

hij gelukkige tijding overbracht.

[Illustratie: „Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij

binnenkomend.]

Thans eerst vernam Maria, aangenaam verrast, doch een weinig verlegen,

de tegenwoordigheid van dezen bekende uit het vaderland, wiens groote

belangstelling in haar persoon haar niet kon ontgaan zijn. Lodoiska,

tot hiertoe slechts met de voor haar zoo beangstigende gebeurtenis

beziggehouden, had tot nu toe nog niet weder aan hem gedacht. De

gravin wist door de kamenier verder niets, dan dat een vreemd officier

Lodoiska ondersteund en begeleid had. „Is welkom!” sprak zij en wenkte

den bediende toe.

Lodoiska was in de grootste spanning, want zonder eene dringende reden

en, gelijk alles aanduidde, ook niet zonder eene verblijdende, kon

de ritmeester na de wijze, waarop zij afscheid van hem had genomen,

onmogelijk nu reeds een bezoek brengen. Met een kloppend hart vernam

zij zijne rassche schreden in de voorzaal.

„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend tegen

de gravin, „maar ik kon mij onmogelijk het genoegen ontzeggen, zelf

de brenger van dit blad te zijn, dat zonder twijfel uwe bekommering

omtrent den slag dadelijk zal wegnemen.” Daarbij reikte hij haar een

open papier over, waarop eenige met potlood geschreven woorden in de

poolsche taal stonden.

„Duizendmaal dank,” hernam de gravin, nadat zij een oog in het papier

geslagen had. „Hier Lodoiska, lees zelve, wat mijn broeder schrijft:

„Dierbare zuster! De slag is voorbij, ik leef, onze naaste vrienden

zijn allen ongedeerd. Eerstdaags meer.””

„Heb dank, heilige moeder Gods,” riep Lodoiska buiten zich zelve uit

en wierp zich onder een vloed van tranen aan den boezem der gravin.

„Hoe vol genade zijt gij voor uwe dochter!” Hare oogen richtten zich in

heilige vreugde ten hemel; zij vouwde de handen over de borst samen en

kon niet meer spreken.

Ook Maria was hevig aangedaan. „Allen ongedeerd,” herhaalde zij, en een

traan trilde aan hare wimpers, „dat is meer, dan ik zelfs waagde te

hopen. O, eerst nu gevoel ik aan mijne onuitsprekelijke vreugde, hoe

nameloos mijn angst geweest is! Heb dank voor deze boodschap.”

Gelijk een groot geluk of ongeluk edele harten opent en de bekrompen

grenzen, die men zich in de samenleving gesteld heeft, doet vergeten,

zoo ging Maria open en vrij op Arnheim toe en reikte hem met warmte de

hand. Deze stond ten uiterste getroffen, want Maria's tegenwoordigheid

op deze plaats, welke hij niet vermoeden kon en nog niet bemerkt had,

verraste hem nu zoo plotseling, dat zij hem bijna van stuk bracht. Met

vroolijke verwarring greep hij de hem toegereikte hand en drukte ze aan

zijne lippen. „Gij hier?” sprak hij op den toon der grootste verbazing;

„dat zou ik nooit geraden hebben.”

„Ik ben eene zeer vriendelijke uitnoodiging gevolgd,” antwoordde

Maria; „nochtans is in het vreemde land de ontmoeting van een landsman

en vooral van eenen, dien wij nader kennen, eene zeer aangename

verrassing.”

„O zeker, zeker!” riep de ritmeester en kuste hare hand met zulk een

vuur, dat Maria ze zacht moest terugtrekken.

„Wij zijn u oneindigen dank verschuldigd, heer ritmeester,” zeide de

gravin; „en zij, welke hem niet eenmaal weet te uiten, wel het meest.”

Zij wees daarbij op Lodoiska, die in tranen van dankbaarheid wegsmolt

en nog steeds het gelaat met haren zakdoek bedekt hield. „Maar hoe komt

gij aan dit papier?”

„Op de eenvoudigste wijze van de wereld,” hernam de ritmeester.

„Ik had mij juist aan het bureau van den gezant aangemeld, toen de

depêches aankwamen. Een officier, aldaar werkzaam, zeide mij, dat de

koerier, zooals gewoonlijk, eene menigte vluchtig geschreven brieven

en mededeelingen, gedeeltelijk open, gedeeltelijk in te voren gereed

gemaakte omslagen, gedeeltelijk slechts met potlood geschreven, had

medegebracht, waardoor zij, die aan een slag hebben deelgenomen, aan de

hunnen de eerste geruststelling doen toekomen in zoodanigen vorm, als

de omstandigheden het veroorloven. Dit bracht mij op de gedachte, of

er voor u, genadige vrouw, niets daarbij zoude zijn. Ik snelde naar het

bureau terug, en inderdaad er bevond zich voor u deze open met potlood

geschreven brief. Ik vroeg hem voor mij, om hem u dadelijk ter hand

te stellen, wat men terstond toestond, daar men deze brieven liefst

tegelijk met de tijding doet toekomen. Zoo werd ik de overbrenger.”

„Van ons grootste geluk,” viel hem de gravin in de reden. „Nogmaals

zijt gij als een heilverkondende bode ons hartelijk welkom.”

Lodoiska gevoelde in haar vroom gemoed de behoefte, om de hemelsche

beschermster van haar geluk den dank des gebeds toe te brengen.

Onbemerkt sloop zij het vertrek uit en zocht de eenzaamheid van hare

kamer op, waar een Mariabeeld hing, door haar zelve met herfstbloemen

versierd. Hier knielde zij neder en bad in stilte. Maria had haar

begrepen en volgde haar derhalve niet. In de diepte van haar boezem

richtte ook zij dankgebeden tot den Almachtige, die haar broeder

behouden had. Doch te gelijker tijd overviel haar een bang weemoedig

gevoel over de gevolgen van deze groote gebeurtenis. Het gesprek, dat

de gravin met den ritmeester aanving, gaf haar grootendeels uitsluitsel

omtrent de vragen, welke zij zich zelve in haar binnenste deed.

„Gij gelooft dus,” begon de gravin, „dat deze overwinning beslissend is

voor den uitslag van dezen oorlog?”

„Zonder den minsten twijfel. Twee kleine dagmarschen van de oude

hoofdstad des rijks behaald, brengt zij deze gewis in de macht des

keizers en dan kon het lot van Rusland licht opeens beslist zijn.”

„Het rijk strekt zich nog ver achter Moskou uit, de bloeiendste en

volkrijkste provinciën volgen langs de zuidelijke helling van het

Uralgebergte op elkander. Voor geheel overwonnen zou ik Rusland nog

niet willen houden, al waren ook de beide hoofdsteden in des keizers

macht.”

„O zeker niet,” hernam Arnheim; „doch zijne zedelijke kracht is

door het innemen zijner hoofdstad vernietigd. Uiterlijk is de

voortzetting van den strijd zonder twijfel mogelijk, maar innerlijk

zal zij onuitvoerbaar zijn. Aan de hoofdstad des rijks knoopen zich

te veelvuldige en verschillende belangen; zij is het punt, waar alle

wegen des rijkdoms, des handels en des vertiers zich vereenigen. En

gelijk een verpletterende slag slechts één der edele deelen behoeft te

kwetsen, om het leven in het geheele lichaam te verdelgen, zoo heeft in

den oorlog het indringen des vijands in de hoofdstad eene doodelijke

verlammende uitwerking op alle overige krachten des rijks.”

„En zoo is dus de wereldheerschappij van Napoleon beslist?” vroeg Maria

met eene stem, waarin men de onderdrukte, doch diepe smart hooren kon.

„Voor het vasteland zonder twijfel,” hernam Arnheim.

De gravin, die Maria's denkwijze kende, dacht te edel, om hare vreugde

over de wending eener gebeurtenis te uiten, die voor eene Duitsche zoo

ter nederslaand moest zijn. Maria, van haar kant, die inzonderheid

sinds haar verblijf in Polen, licht begreep hoeveel deze natie van

de overwinningen des keizers te hopen had, droeg haar kommer in

stilte, nauwelijks, dat een smartelijke trek van den gesloten mond

dien verried. Arnheim echter scheen haar, wijl hij op dezelfde wijze

dacht, te verstaan. Doch de smart over zijn vaderland tastte niet zoo

diep in zijne ziel; gedeeltelijk wijl hij hoop had, Oostenrijk, zijn

bijzonder vaderland, nu hooger gesteld te zullen zien, gedeeltelijk

wijl hij als soldaat een diepen eerbied voor den franschen keizer als

veldheer koesterde, maar voornamelijk, wijl hij zich met gelukkiger

vooruitzichten voor Duitschland streelde, dan men toen gewoon was

te hebben. Hij achtte het goed van deze te spreken. „Misschien,” dus

uitte hij zich, „is het gevolg van dezen slag zegenrijk voor geheel

Europa. Tegen wien toch wordt deze oorlog gevoerd? Naar mijne meening

niet tegen Rusland, maar tegen Engeland. Door het overwinnen der

russische legers is de keizer nu eindelijk heer over alle stranden van

Europa, want Spanje en Portugal zullen spoedig in zijne macht zijn.

Dan is hij in staat, den Engelschen zoo al niet de voorwaarden des

vredes voor te schrijven, hen ten minste tot het aannemen van billijke

schikkingen te bewegen. De macht van Engeland is zoo groot, dat het

gansche vasteland noodig is geweest, om tegen dit kleine eiland het

evenwicht te houden. Dit groote doel schijnt mij thans bereikt te

zijn; ten minste zijn wij het nabij. Dan, hoop ik, zal een algemeene

vrede, dien alle volken behoeven, naar welken alle volken en Frankrijk

misschien het meest reikhalzen, de vreeselijke beroeringen, welke

Europa sinds de laatste twintig jaren moet lijden, tot rust brengen,

de verbroken banden opnieuw aanknoopen en de met geweld geknoopte

voorzichtig los maken. Veel kwaad, dat de keizer thans, door den drang

der gebeurtenissen genoodzaakt, den volken moet aandoen, zal ophouden.

Hij gaf den overwonnen volken vreemde koningen, strenge stedehouders.

Waarom? Omdat hij niet zeker van hen was en bij zijne onmetelijke

krijgstochten toen geen gevaarlijke vijanden in zijn rug kon dulden.

Misschien herstelt hij thans, juist om den band der gerustheid vaster

te knoopen, de rechtmatige vorsten weder; want aan de personen ligt hem

niets gelegen, vooral aan zijne broeders en bloedverwanten niet. Zij

zijn slechts vorsten, wijl hij het zekerst is van hunne trouw, want

hij is de stam, op welken zij bloeien. Is hij eenmaal diep en vast

geworteld, dan kan hij de woekerende takken, die eene nadeelige schaduw

op het land werpen, ontberen. Ja, ik hoop dat zijn nauwe verwantschap

met ons keizerlijk huis het geluk van Europa zal zijn. Oostenrijk

zal de vertegenwoordiger van het duitsche volk worden. Napoleon zal

gaarne zien, dat het met hem in een vreedzaam verbond leeft; dan zal

hij, daar men liever sterke dan zwakke bondgenooten heeft, ook den

voorspoed van het land op alle mogelijke wijze bevorderen. Er moest

veel oud, lastig puin bij ons in Duitschland worden weggeruimd, eer een

nieuw gebouw vasten grond en ruimte vond. De verouderde vormen heeft

de fransche keizer, als vertegenwoordiger van een grooten, jeugdigen,

krachtigen, nieuw ontwakenden tijd, vernietigd; wat thans bestaat, is

voorbijgaande. Hij weet het zelf, dat het niet vaststaand is; want hij

zelf breekt immers dagelijks af, wat hij uit nood voor het oogenblik

opbouwde, en laat vorsten en volken met gelijke snelheid hunne

plichten verwisselen en veranderen. Maar wanneer eenmaal het groote

doel van zijn geweldigen wil bereikt en het vasteland _een even zoo

vast inwendig aaneengeschakeld geheel_ is, als de massa's van landen,

waaruit het bestaat, dan zal de groote man een vasten, duurzamen grond

leggen en op dezen een trotsch gebouw voor de toekomst grondvesten.

Daartoe moest deze laatste strijd gestreden zijn. Niemand gevoelt

zoo diep als ik, hoevele offers van deemoed, van verloochening, van

gekrenkte trotsch Duitschland moest brengen; maar thans zullen deze

een einde hebben. Zij waren eene vergelding voor oude, zware schulden;

de geschiedenis bespaart geen volk de boete voor oude misstappen.

Zij richt niet de daders, niet de personen, maar de daden, de zaken

met onverbiddelijke gerechtigheid. En kan Duitschland de voordeelen

loochenen, welke het reeds aanvankelijk door het afschaffen van zooveel

ouds, gebrekkigs gewonnen heeft, ofschoon het nieuw goede nog niet

in de plaats van het vernietigde getreden is? Laat ons ernstig ons

zelven afvragen, of het voor twintig jaren bij ons goed was? Wij

moeten antwoorden: Neen! Het stond slecht met alles, wat het geluk eens

volks moet uitmaken. Sinds eeuwen heeft Duitschland slechts oorlog met

zich zelf gevoerd. In ontelbare landen verdeeld, gehoorzaamde het aan

velerlei willekeur. De eenheid der natie was verdwenen. Slechts de

taal vormde nog den inwendigen, geestelijken band. Duizend beperkingen

stelden zich tegen de vrije werkzame ontwikkeling der volkskrachten

in den weg. Slechts tot zijn binnenste was de Duitscher bepaald; dat

heeft hij zooveel mogelijk beschaafd, maar de nieuwe kennis kon hem in

den toestand van zijn volksbestaan geene levende vrucht voortbrengen.

Een door stormen opgeruide vloed bruischte over Duitschland heen, en

onder zijne ruwe golfslag verdwenen de oude, diep ingevreten sporen van

aangeërfde vooroordeelen, onderdrukkingen en beperkingen. Wij hadden

deze kluisters reeds zoo lang gedragen, dat de gewoonte ons gevoel

daarvoor verstompt had; ja, zij waren in ons vleesch ingegroeid. Doch

wij mogen niet vergeten, hoe ruim wij ademhaalden, toen voor twintig

jaren de ijzeren hand des tijds voor het eerst aan de staven van onzen

kerker schudde. Thans knellen ons nieuwe banden, welke wij onwillig

dragen. Doch zoozeer mogen wij toch in onze gerechte smart en in onzen

toorn de oogen niet toedrukken, dat wij niet meer zouden zien, hoe

wij, ofschoon wij nieuwe kluisters dragen, toch van de oude, waaronder

wij zuchtten, bevrijd zijn. Neen, nauwelijks zuchtten wij, en dat

was bijna nog erger, want wij zonken reeds in dien staat der diepste

slavernij neder, die de behoefte aan vrijheid niet meer voelt. Thans

voelen wij ze, en zoo mogen wij niet wanhopen een doel te bereiken, dat

schitterend voor ons zweeft, het moge dan door de kracht van eigene

daden, of door een gelukkigen keer der gebeurtenissen bereikt worden.

Deze laatste nu kon juist thans misschien wel eens daar zijn.”

Arnheim had zich warm gesproken; hij sprak voor alle partijen, en

daarom hoorden zelfs de tegenstrijdigste gaarne naar hem. Maria werd

door zijne woorden in het diepst harer ziel verkwikt en hare sprekende

blikken betuigden hem liefdevol dank. Bewogen richtte zich de gravin

overeind.

„Wanneer gij reeds zulke groote verwachtingen aan de overwinning

hecht,” zeide zij, „hoe moet ons dan het hart kloppen, ons, die in

dezen slag voor de vrijheid van ons vaderland streden! O, als de dag

was aangebroken, de zoolang, zoo gloeiend verlangde dag, waarop het

in het stof gebogen Polen den edelen nek weer trotsch kon oprichten;

wanneer de witte adelaar de verlamde vleugelen kon uitbreiden en de

stoute vlucht naar de zon der vrijheid en des roems ondernemen! O,

dan, dan driewerf heil en zegen over deze overwinning! Het bloed der

gesneuvelden ware niet vergeefs gestort.” Als eene koningin stond de

fiere vrouw daar, met handen en blikken plechtig ten hemel geheven.

1812: Historische roman · 第 83 / 154 题