HOOFDSTUK I.

De maand September was aangevangen met een onbewolkten helderen hemel;

de dagen gingen stil, zonnig, zacht verwarmend voorbij. Wel is waar

begon het loof reeds te verkleuren, ja zelfs af te vallen, doch de

velden waren toch nog met een welig groen bekleed, dat zich met de

schoonste herfstbloemen versierde. In dit opzicht hadden de gravin,

Lodoiska en Maria eene allergenoeglijkste reis gehad; wat aan het

landschap ontbrak, vergoedde de aangenaamheid van het seizoen, dat zich

in zijne vroolijke stilte met den zachten trek van weemoedigheid, dien

de aanblik der natuur in den herfst aanbiedt, als men vriendelijke

deelneming aan de droevige zielsstemming, waarin vooral de jonge

meisjes verkeerden, aansloot.

Het paleis der gravin was, ofschoon de inrichting daarvan met

eene luisterrijke levenswijze overeenkwam, toch nu een zoo stil,

genoegelijk verblijf, als vrouwen, die afgezonderd begeeren te leven,

met mogelijkheid konden wenschen. Zij hadden de benedenkamers van

den linkerzijvleugel betrokken, die tegen den tuin aan en zelfs

gedeeltelijk reeds daarin lag. De glazen deur van de gemeenschappelijke

zaal opende zich onmiddellijk op een, van vlier en jasmijnstruiken

omgeven, zacht glooiend grasperk. Rozeboomen, die in de lente het

aangenaamste gezicht verschaffen, stonden in een halfrond er omheen

geplant; hun bloesem was wel lang afgevallen, doch daarvoor schitterde

in het midden van het perk een rijk medaillon van herfstbloemen,

waaronder eene pracht van bonte asters zich onderscheidde, aan welke de

kunst des tuiniers eene bijzondere zorg besteedde. Aan de binnenzijde

des vleugels, welke naar de bassecour en den tuin zag, woonden Maria

en Lodoiska. Zij hadden elkander als zusters lief gekregen en zich

daarom ook uiterlijk vertrouwelijk bij elkander aangesloten. Een

wijngaard liep slingerend tegen de vensters van hare slaapkamer op,

die dicht aan het ijzeren hek was gelegen, dat zich dwars van den

eenen tot den anderen vleugel van het slot uitstrekte en den tuin van

de bassecour scheidde. De vruchten werden zeker slechts zelden aan

dit staketsel rijp, doch de muren waren vriendelijk door het loof

bedekt en de stralen der zon werden door dit bewegelijk groene scherm

aangenaam gematigd, zonder geheel en al afgekeerd te worden. Van het

slaapvertrek ging men door eene boekenkamer in de woonkamer, en deze

paalde aan de zaal. Aan de andere zijde van den vleugel woonde de

gravin in de kamers, welke met die van Maria en Lodoiska evenwijdig

liepen, doch door een gang daarvan gescheiden waren. Ook deze zagen op

den tuin uit, doch naar den kant van den ringmuur; ook was de tuin hier

slechts omtrent dertig schreden breed en de gansche ruimte met hooge

en donkere struiken bezet, die den muur bedekten, welke zich langs het

zijstraatje, waar Françoise Alisette gewoond had, uitstrekte en, in

dezelfde richting door, op een zijmuur van het hoofdgebouw uitliep.

Eene rij van hooge populieren langs dezen muur benam aan de bewoners

der straat elk gezicht op den tuin of de vensters der gravin. Dus lagen

deze ook zeer stil en afgezonderd; ja, door de donkere, dichte struiken

verkreeg de woning iets sombers, dat zeer goed met den ernst der

bewoonsters overeenstemde.

Op deze wijze geheel afgezonderd in het midden der groote, levendige

stad leidden de drie vrouwen een stil en slechts onder vrouwelijke

bezigheden voortvliedend leven. Zelden ontvingen zij bezoek; nog

zeldzamer beantwoordden zij dat; hare eenzaamheid werd haar met iederen

dag dierbaarder en zij genoten die meer, naarmate zij elkander langer

leerden kennen en beminnen. Moeielijk zou men onder drie vrouwen een

grooter verschil bij eene zoo innige overeenstemming kunnen aantreffen.

De gravin, de beide meisjes in jaren aanmerkelijk vooruit, overtrof

haar evenzeer door koenheid van geest, als door rankheid van leest.

Zij bezat wel een fijn vrouwelijk gevoel en verstand, doch zonder de

weemoedige neigingen, die aan het jonkvrouwelijk gemoed eigen plegen

te zijn. Opgegroeid onder groote gebeurtenissen, was zij vroeg uit

de enge beperking van den vrouwelijken levenskring in de grootere

banen van den loop der wereld gevoerd geworden. Zij had het vaderland

voor haar vaderlijk huis verruild; hare ziel leefde in alle openbare

zaken belangstellend. Zij was met geestdrift eene dochter van haar

volk. Ook op Maria hadden de machtige gebeurtenissen des tijds een

vormenden invloed gehad; ook zij gloeide voor een in slavernij

zuchtend vaderland, doch op eene geheel andere wijze. De gravin nam

een werkdadig deel aan de algemeene aangelegenheden; haar hart sloeg

daarvoor reeds uit gewoonte en ontbeerde het verlies der huiselijke,

vrouwelijke rust des gemoeds niet meer. Daarom las zij ijverig de

dagbladen, de staatkundige geschriften van den dag; zij was met de

geschiedenis der gebeurtenissen vertrouwd, volgde die met een scherpen

blik en bracht het lot van verafgelegen volken met dat haars vaderlands

in verbinding. Maria beminde daarentegen slechts haar geboorteland, het

volk, waartoe zij behoorde, bovenal; zij was door taal en denkwijze

eene Duitsche. Haar edele haat richtte zich alleen tegen de vijanden en

onderdrukkers van haar vaderland. De geschiedenis der overige wereld

beschouwde zij niet onverschillig, maar op den schuwen afstand, met

den vrouwelijken eerbied, die erkent, dat haar rijk hier eindigt,

dat haar blik op dit gebied geen grenzen ziet en in het verwarde

gevoel geen leidraad ontwaart. Daarom keerde zij gaarne in haar stil

huiselijk heiligdom terug en was lijdelijk, waar zij niet handelend

kon zijn. Met de bevrijding van haar vaderland zou haar aandeel aan

het openlijke leven verdwenen of ten minste evenzoo op den achtergrond

teruggetreden zijn, als bij de meeste vrouwen. Zij verlangde uit

den strijd slechts een stil heiligdom van duitsche huiselijkheid te

winnen. Geheel anders de gravin, die met hare wenschen steeds over

den drempel des huizes naar buiten snelde. Maria begeerde slechts het

geluk, de rust des vredes voor haar vaderland; voor de gravin was het

zielsbehoefte, aan den glans, den roem en de macht er van te denken.

Op de bewegelijke schilderij van den strijd der volken hield Maria

slechts hare landgenooten en naaste vrienden als de vertegenwoordigers

in het oog; de gravin daarentegen hield haar blik op de helden van

den dag gericht en volgde met bange verwachting het lot der hoofden.

Maria zag wel het slagveld op het hoofdvak der schilderij; doch op den

voorgrond haar broeder, Bernard en, zooals zij zich zelve beschroomd

bekende, Rasinski. De gravin stond midden in den slag; haar blik volgde

de vanen, de veldheeren; zelfs in haar broeder zag zij op den dag

der beslissing slechts den aanvoerder. Lodoiska daarentegen, geheel

meisje, geheel liefde, hoorde den doffen donder van den slag slechts

uit de verte; maar de bloedende, verbleekte beminde zonk stervend voor

haar neer. De liefde had geheel haar hart zoo vervuld, dat er voor

niets anders plaats bleef. Zelfs de dweepende vroomheid, waarmee zij

iederen dag de mis bezocht, was slechts een andere vorm van de angst

der liefde, want haar gebed steeg slechts voor den vriend harer ziel

naar boven.—Gelijk het echter bij edele zielen pleegt te zijn, hield

elk der vrouwen de andere voor beter, volkomener, alleen wijl deze

bezat, wat haar ontbrak. Zoo beschouwde Lodoiska hare moederlijke

beschermster met den diepsten eerbied en schikte zich deemoedig onder

Maria, wijl zij in beiden de kracht bewonderde van zich te beheerschen.

De gravin en Maria daarentegen vereerden de heilige kracht der liefde

in Lodoiska's boezem, die uit hare reine vlam al het vreemde verwierp

en het gansche hart van het meisje alleen vervulde en doordrong. En

Maria zag met bewondering op tot de heldin, onder wier bescherming zij

zich in hare blooheid en angst had begeven.

Op de tafel der gravin lag eene landkaart van Rusland uitgeslagen; zij

volgde naar de courantenberichten nauwkeurig iederen marsch, iedere

beweging der legers, en teekende ze met spelden aan, welker toppen

zij met zinvolle kenteekenen voorzien had, om niet slechts vriend en

vijand, maar ook den stand der afzonderlijke korpsen met één oogopslag

te onderscheiden. Voor Rasinski's regiment had Lodoiska eene gouden

naald uit hare lokken genomen; de schitterende knop van deze toonde

haar oog iederen dag, waar haar hart den geliefde moest zoeken.

De laatste berichten had zij na het innemen van Smolensko ontvangen.

Met levendigheid sprak de gravin over deze gebeurtenis en knoopte de

vroolijkste verwachtingen over den uitslag van den strijd daaraan vast.

„Reeds wij,” zeide Maria, „die hier op een verren afstand zitten en na

den volbrachten strijd het bericht ontvangen, dat onze dierbaarsten nog

ongedeerd onder de levenden wandelen,—reeds wij volgen de tijdingen

van den dag met angstig kloppende harten. Hoe zouden wij te moede zijn,

wanneer het verderf ons zoo nabij was, als aan die arme bewoners van

Smolensko; wanneer wij, gelijk zij, wisten, dat onze broeders, vaders,

echtgenooten voor de poort waren in den strijd op leven en dood voor

vrijheid, vaderland en haardstede, voor ons leven, onze eer!”

„Mij zou het geprangde hart naar de muren drijven,” riep de gravin,

terwijl zij, zooals zij in hare levendigheid, steeds placht te doen,

snel door de kamer op en neder ging, „ik zou met mijne oogen de kansen

voor den strijd moeten volgen.”

„Dat zou ik niet vermogen,” hernam Maria met zachten nadruk; „doch mij

dunkt,” voegde zij er met den onzekeren toon der bescheidenheid bij,

„ik zou genoeg standvastigheid behouden, om de gewonden te verplegen.”

„Ach, en ik,” riep Lodoiska zuchtend uit, „ik zou zeker niets kunnen

doen, dan voor het beeld der heilige moeder Gods bescherming voor het

dierbare hoofd des geliefden afbidden.” Ook zij stond op, doch om hare

opwellende tranen te verbergen.

De vrouwen hadden zich oprecht, zonder achterhoudendheid verklaard;

slechts Lodoiska miskende zich zelve, want zij hield voor zwakheid wat

sterkte was. In het oogenblik des gevaars zou zij met den heldenmoed

eener heilige de hulpvaardige verpleging midden in den slag gedragen,

den geliefde onder de dreigende bliksems des doods opgezocht en gered

hebben.

Om haar gejaagden boezem te doen bedaren, was zij naar buiten in den

tuin getreden. De middagzon straalde helder door de hooge boomen,

een lichte wind ruischte door de takken. Zachte wolken zweefden door

de helder blauwe ruimte. Maria wier fijn gevoelend hart de vriendin

snel begrepen had, ging haar na, om haar te doen bedaren, want bij het

vertrouwelijk gesprek in het uur vóór het insluimeren had Lodoiska

haar hart geopend en zich zelve wegens de overweldigende macht, die de

liefde op haar uitoefende, aangeklaagd, zonder Maria's troost te willen

aannemen, die in deze krachtige openbaring van den hartstocht eene

zeldzame grootheid van gemoed erkende. Doch toen Lodoiska nu de fontein

genaderd was, waar zij haar verbond met Jaromir had gesloten, trad

Maria haastig op haar toe, legde den arm om haren hals, kuste hare wang

en zeide: „O, lieve, ik wenschte, dat gij mijn naam droegt.”

„Ik wenschte, dat ik uw zacht, sterk, zich zelf beheerschend hart had,

mijne dierbaarste,” hernam Lodoiska en droogde hare tranen af.—„Doch

waarom wenscht gij mij uw naam toe?”

„Om u te kunnen zeggen: „Maria heeft het goede deel uitverkoren.””

„Ja, ja, dat heeft zij,” riep Lodoiska en nieuwe tranen welden in hare

donkere oogen op. „O, ik gevoel het maar al te goed, ik ben krank van

liefde en mijn geluk wordt eene kwaal, eene misdaad.”

„Neen, neen, waarlijk niet,” hernam Maria. „Voor het edele mag men

geheel gloeien; ik bewonder u, dat gij het geheel vermoogt. Geloof

mij, onze rust ligt niet in onze sterkte, doch slechts in de mindere

kracht onzer liefde. In mijn hart kon ik moederliefde, broederliefde,

vaderlandsliefde zuiver afwegen, totdat....”

Hier zweeg zij; want van haar bestreden hartstocht voor Rasinski had

zij hare vriendin nog nooit gesproken, wijl het geheim haar niet alleen

toebehoorde en naardien zij gevoelde, dat zij zich op eene zedelijke

overwinning niet kon beroemen zonder die te verliezen.—En was zij dan

overwinnares? Vernieuwde zich de strijd niet menigmaal in de eenzame

uren des nachts in haren boezem? En stroomden hare tranen niet nog

steeds over het verloren geluk?

„Totdat?” vroeg Lodoiska, toen Maria zweeg.

„Nu ja dan,” sprak zij verward, „ook ik heb bemind. Een oogenblik!—De

jonge plant werd door den ruwen storm des tijds snel ontworteld, zij

kon hare bloesems niet openen, noch wortel schieten. Doch zelfs dit

vluchtig oogenblik, korter dan een droom, verbrak bijna de oudere,

heilige banden van liefde en plicht. En evenwel gevoelde ik mij

grooter, edeler, beter door de liefde. Waarlijk, het is iets groots,

wanneer men alles in haar en door haar vermag te zijn. Daarom bekommere

het u niet, mijne beste, dat gij geringere krachten en plichten door

deze hoogere in u opgelost en vernietigd voelt. Wanneer wij sterker

wederstand bieden, wie zegt u, dat daarom grooter sterkte in ons woont?

Wij wederstaan, omdat wij niet zoo heftig worden aangegrepen. Kleine

zielen kunnen geen groote mate van liefde bevatten. Daarom waardeer dan

ook uwe ziel naar de kracht uwer liefde.”

„Gij troost zoo beminnelijk,” antwoordde Lodoiska bewogen, „gij wilt

als een welriekend viooltje in de stille schaduw treden, waar gij zoudt

kunnen schitteren! Mijn liefde is sterker dan ik zelve; dit is mijn

vergrijp, en dikwijls heb ik een voorgevoel, dat het zich vreeselijk

gestraft moet zien. Of staat de plicht niet hooger dan de liefde?”

„Maar welken plicht hebt gij geschonden?”

„Ik gevoel, dat ik ze alle zou schenden.”

„Dat gevoel bedriegt u; slechts zou elke geringere plicht bij u voor

dezen eenen, hoogeren verdwijnen.”

„Neen, bij mij verdwijnt de blik, om die hoogere te onderscheiden.”

„Gij zult ze gewis duidelijk voor u zien, wanneer hunne vervulling

van u geëischt wordt en wanneer zich hoogere plichten voor u opdoen!

De wereld zal ze misschien vorderen; maar is dit niet eigenbaat der

wereld? Moet uw doen dan eene wet voor allen zijn? Bijzondere krachten

geven bijzondere plichten. Ik heb steeds dien Romein moeten vereeren,

die vrij uit aan de rechters bekende: „Ik zou het kapitool in brand

hebben gestoken, zoo mijn vriend dit begeerd had.”—Wanneer ik zelve

niet aldus zou handelen, dan is het nog de vraag, of mij dit als

verdienste dan wel als schuld moest toegerekend worden. Is liefde, is

vriendschap waarlijk zoo groot, wie durft haar deswege beschuldigen? De

misdaad, welke zij op zich laadt, is dan geene meer. Hier, mijne lieve,

heerscht geen koude, voor allen gelijke wet; doch ieder handelt naar

het gevoel in zijne borst, en naar dit richt ons de Eeuwige, die alleen

de maat der in ons strijdende krachten vermag te bepalen.”

In haar ijver voor de vriendin had Maria het eigenaardige in deze weten

te verdedigen, zonder zelve de heldere bewustheid van haar gevoel

te verliezen, die haar in haar handelen en gevoelen den rechten weg

aantoonde: zij had zich met levendigheid van de schoone zijde van het

karakter harer vriendin doordrongen. Lodoiska was een zuiver kind der

natuur, in de droomen harer jeugd opgegroeid, slechts overgegeven

aan de gevoelens van haar hart, die, rein en edel op zich zelve, tot

het goede en schoone haar bijna buiten haar weten heendrongen. Maria

had haar gemoed door de klare wel van een meer ontwikkeld bewustzijn

gelouterd; de ernst, de scherpzinnigheid van Lodewijk waren daar hij

zich veel met zijne zuster bemoeide, niet zonder invloed gebleven. Zij

had het ontvangen geestelijk goed in haar eigendom veranderd; op den

bodem van het vrouwelijk hart groeide het edele zaad misschien niet

meer zoo krachtig en hoog op, maar het bloeide des te schooner. Zij

gevoelde met bewustzijn; oordeel en neiging smolten in haar te zamen,

zonder dat zij het wilde of begeerde. Zoo ondervond zij ook, dat in

het gemoed, waarin het zedelijk gevoel heerscht, de hartstocht niet

zoo wild kan opschieten, en dat men dezen, wanneer hij het hart met

eene edele vlam doordringt, tevens alle andere edele krachten, die het

evenwicht verleenen moeten, toenemen.

Lodoiska zou zeker, zonder het voorbeeld der vastberaden gravin, der

zacht zich schikkende vrienden, zich zelve niet met zulke bezorgde

blikken hebben gadegeslagen. Zij leerde zich zelve eerst beter kennen

door vergelijking en tevens leerde zij de behoefte kennen eene kracht,

die ontbrak en waaraan zij onder andere omstandigheden misschien nooit

gebrek zou hebben gevoeld.

Daarbij sluimerde eene schrikbarende gedachte in het diepst harer ziel;

zij waagde niet, die voor zich zelve duidelijk te doen worden, veel

minder zou zij eene vreemde tot vertrouwde daarvan hebben gemaakt.

Van het oogenblik, waarop Jaromir haar dierbaar werd, beschouwde

zij—en zij herinnerde zich zulks maar al te wel—de verleidelijke

schoonheid van Françoise Alisette met angstige blikken. Dat meisje

scheen haar onwederstaanbaar; het voorval bij het afmarcheeren van

het regiment, dat zij mede had aangezien, was haar, hoezeer het ook

slechts eene onschuldige galanterie geleek, onvergetelijk gebleven.

Het had eene vonk van jaloezie—neen, dit woord is te hard—maar toch

van bezorgdheid in hare ziel geworpen, die, hoe menigmaal zij die ook

door ernstig ongenoegen tegen zich zelve wilde verstikken, altijd

opnieuw aanglom en bleef gloren in haar door sombere voorgevoelens

bewogen gemoed. Somwijlen meende zij, dat ze was uitgedoofd, doch

plotseling brak ze bij de eene of andere gelegenheid opnieuw uit en

scheen zich slechts dieper in de schuilhoeken harer ziel verborgen te

hebben. Dit was eigenlijk de oorzaak van haar bangen kommer; van hare

dweepachtige droefgeestigheid. Niet dat het spook van den argwaan haar

zoo vervolgde; maar zij beschouwde bij het gevoel harer onverbreekbare

trouw jegens den geliefde eene verdenking tegen de zijne als de

zwaarste misdaad. Zoo leed zij de dubbele kwaal van angst en van berouw

tevens over hare eigene schuld; slechts in de gloeiendste liefde,

in de teederste opoffering geloofde zij boete voor hare strafbare

gedachte te kunnen doen, en daarom groeide haar dweepachtige ziekelijke

hartstocht in dubbele verhouding tot de beangstigende kwaal aan, welke

zij zwijgend in haar binnenste omdroeg. Kon zij zoo door en in hare

liefde gelukkig zijn? Slechts in de bedwelming van het oogenblik,

waarin zij alles vergat, was dit mogelijk, namelijk wanneer zij brieven

van Jaromir ontving, wanneer zij hem schreef en onder het schrijven

zich meer en meer opwond, wanneer zij van zijne nabijheid, zijne

omarming droomde. Doch spoedig hingen weder zwarte wolken aan den hemel

harer verwachtingen, en vergiftige planten sproten rondom den reinen

bloesem harer liefde uit. Met deze knagende kwaal paarde zich de diepe

aanleg tot zwaarmoedigheid, die van hare jeugd af in hare ziel woonde;

deze schiep duistere, schrikkelijke beelden, welke haar, daar zij

menigmaal in hare onrustige droomen terugkeerde, spoedig als gewisse

voorgevoelens voorkwamen. Of sponnen de koortsachtige hartstocht, de

ziekelijk opgewekte aandoening harer zenuwen misschien een onzichtbaren

band tusschen haar en de toekomst? Zijn er waarschuwende, voorzeggende

stemmen voor een aandachtig luisterend oor? Is het slechts het

ruischende gewoel eener uiterlijke wereld, naar welke wij slechts al te

zeer heenneigen, dat ons verhindert haar te hooren?

Ach! Lodoiska vernam ze als het verre, akelige rollen van een naderend

onweder, als bange klaagtonen in het nachtgeruisch des winds, onder het

angstvolle kloppen harer borst.

Dan vluchtte zij in de kapel; slechts in het gebed vond hare edele

ziel de rust weder. Want daar zwegen de stemmen des levens en van den

hartstocht; de opgeruide golven legden zich neder, de troebele, vreemde

stoffen zonken op den bodem, en de hemel spiegelde zich helder en diep

in den gestilden vloed.

1812: Historische roman · 第 82 / 154 题