Roerloos, de strakke blikken onbewegelijk op den naam gevestigd, stond
de jongeling daar, toen Rasinski binnentrad. „Waar blijft gij?” vroeg
deze. „Wij hebben eene deur ontdekt; men haalt bijlen, om haar open
te breken, want nu moet ik noodzakelijk alles weten.—Maar is Bernard
nog niet terug?—In 's hemels naam, wat deert u? Wat is er gebeurd?”
vroeg hij verbaasd, toen Lodewijk als versteend voor hem stond en hem
het papier toereikte. Rasinski las het haastig door. „Hier zijn hoogere
machten in het spel,” riep hij uit; „nooit is mij zoo iets overkomen.
Maar gevaar? Welk gevaar dreigt ons? Wij zullen dit toch zeker niet
letterlijk te verstaan hebben.—Wij moeten de geheimzinnigen opsporen.
Kom, laat ons het avontuur gemeenschappelijk wagen!”
Lodewijk liet zich gewillig medeslepen. Zij vonden de rijknechten
reeds bezig, het slot der geheime deur met eene bijl te verbrijzelen.
Na eenige forsche slagen gelukte zulks. „Thans onbevreesd, maar
voorzichtig,” sprak Rasinski, greep in de eene hand eene kaars, in de
andere een pistool en ging voor.
Men bevond zich in een smallen, lagen gang, die nauwelijks hoogte en
breedte voor één man had. Het scheen, dat deze in den muur zelven
was uitgehouwen en in dezelfde richting met den breeden, buitensten
gang voortliep. Echter helde hij merkelijk en daalde zelfs op enkele
plaatsen snel naar beneden. „Mij dunkt, het riekt hier zoo brandig en
zwavelachtig,” sprak Rasinski, nadat zij ongeveer dertig schreden waren
voortgegaan. „Merkt gij niets?”
„Of ik!” kuchte de rijknecht. „Er moet hier dichtbij iets smeulen.”
Zij gingen nog een tiental schreden verder, maar nu sloeg hun een
dichte, sulferachtige damp te gemoet, zoodat de kaars eensklaps geheel
blauwachtig rood vlamde.
„Zou de waarschuwing dan toch woordelijk gemeend zijn?” fluisterde
Rasinski Lodewijk in het fransch toe. „Ik houd het niet raadzaam, hier
verder door te dringen!”
Deze, wiens angstig kloppend hart de hoop van de geliefde te zullen
wedervinden niet kon opgeven, antwoordde: „Nog kunnen wij ons veilig
verder wagen, want de terugweg is ons immers niet gesloten. Laat mij
vooruitgaan.”
„Neen, het is beter, dat ik de voorste ben; in uw ijver kondt gij u te
ver wagen en de noodige voorzichtigheid uit het oog verliezen.”
Zij traden andermaal ettelijke schreden verder; de zwaveldamp werd
dichter en dichter en maakte hun het ademhalen bezwaarlijk. Daar woei
hun plotseling eene koelte te gemoet, alsof de wind zich ergens een
vrijen doortocht gebaand had, en in hetzelfde oogenblik werden de drie
lichten, welke zij bij zich droegen, uitgebluscht. Onmiddellijk daarop
volgde een doffe knal en het gansche gebouw scheen op zijne grondvesten
te wankelen.
„Dat was eene mijn!” riep Rasinski; „wij moeten terug!”
Zelfs Lodewijk zag in, dat een verder voortdringen dolzinnigheid
zijn zoude. Men keerde dus om en tastte in het duister om zich heen.
Maar eensklaps werden zij door een verstikkenden walm omwolkt en
een smoorheete gloed vervulde de enge ruimte, zoodat zij bijna het
bewustzijn verloren. „Voort! Voort!” riep Rasinski en dreef Lodewijk
aan, terwijl deze ook de overigen voor zich uit stiet. Haastig
voortspoedende, met beklemden adem, doeken voor neus en mond houdende,
trachtten zij Rasinski's kamer te bereiken. Ademloos stormden zij
ze eindelijk binnen, maar vonden ook haar reeds met rook en smook
gevuld. Rasinski vloog op het venster toe en sloeg met de kolf van zijn
pistool de glasruiten in die kletterend op de straat rinkelden. Door
dit middel bekwam men lucht en kon onbelemmerd ademhalen. Lodewijk
ijlde naar de zaaldeur, doch nauw had hij ze geopend of ook van daar
dwarrelden hem de grijze rookwolken tegen, die uit den grond schenen
op te stijgen. Echter flikkerde de lamp nog en kon hij nog zijne kamer
bereiken, om in allerijl wapens, mantel en mantelzak bijeen te rapen.
Bianca's sluier, armband en brief droeg hij reeds op de borst. Zoo
spoedde hij weder naar Rasinski terug, die hem reeds in de zaal te
gemoet kwam. Thans weergalmde door de stilte van den nacht eensklaps
van buiten de kreet: „Brand! Brand!” en bijna terzelfder tijd roffelden
de trommen en schetterden de trompetten op het bivak onder de vensters.
Allen vlogen langs de breede marmertrappen naar beneden, om op de
straat veiligheid te zoeken. Bij de poort kwam Bernard in vollen loop
op hen toesnellen.
„Goddank, dat gij gered zijt!” riep hij: „ik vreesde reeds, dat ik te
laat zou komen. Maar maakt, dat gij buiten komt, want de vlammen slaan
reeds van alle zijden door de vensters en het dak uit. Hier is de
baardige satan los!”
Smart en zaligheid der liefde, bedwelming, verbazing, schrik, dankbare
vreugde, al deze verschillende gewaarwordingen overstelpten op eenmaal
Lodewijks boezem, doch de machtige vloed der gebeurtenissen verzwolg
ze alle in zijne bruisende golven en vergunde het hart de rust niet,
om tot zich zelf in te keeren en waarlijk te gevoelen. Het oogenblik
vorderde de daad; de bedaarde beschouwing werd van de voorwerpen,
waarop zij zich vestigen wilde, met geweld afgetrokken.
Thans echter kon men het gevaar in zijn geheelen omvang overzien.
Eene zwarte, ondoorzichtige wolk lag over het paleis; slechts enkele
roodachtig flikkerende vuurtongen bliksemden door het duister.
De rook drong uit alle vensters van het gebouw, dwarrelde uit de
benedenverdiepingen naar boven en steeg in dichte kolommen uit de
dakgaten opwaarts. Een enkelen blik was toereikend, om ten volle
overtuigd te worden, dat de brand moedwillig was aangelegd, dat de
licht ontvlambare stof door het gansche gebouw verspreid en door een
plotseling werkend middel overal tegelijk aangestoken moest zijn.
Met angstvolle verwachting zag men de ontwikkeling van het
indrukwekkend schouwspel te gemoet. Aan redding was bij het volslagen
gebrek aan water en bluschmiddelen niet te denken; men had reeds moeite
gehad, om de paarden, die op het binnenplein stonden vastgebonden, en
eenigen voorraad in veiligheid te brengen.
Rasinski liet zijne manschappen onder de wapens treden en de rotten
tellen, om te zien of iemand ontbrak. Allen waren tegenwoordig.
„Nog is het bijna windstil,” sprak hij; „de rook trekt een weinig
zijlings af; als de vlammen in dezelfde richting gejaagd worden, kunnen
wij hier zonder gevaar blijven, anders moeten wij ons naar het Kremlin
terugtrekken. In alle gevalle dient het voorval gemeld te worden.” Hij
riep Jaromir en gelastte hem, onverwijld naar het Kremlin te rijden,
ten einde den generaal-adjudant des keizers van alles te verwittigen.
De jongeling wierp zich in den zadel en rende in vliegende vaart de
straat op.
Stom en angstig, elk oogenblik verwachtende de vlammen door het dak
te zullen zien uitslaan, richtten thans allen de oogen op het in damp
en rook gehulde gebouw. Eensklaps viel een heldere lichtglans op
den breeden voorgevel, alsof deze door een plotseling opgaande zon
beschenen werd. Verwonderd zag men in het rond; de gansche hemel stond
in donkerrooden gloed en scheen in eene blakende vuurzee herschapen.
Rasinski rende de straat op tot aan den tuinmuur, waar hij een vrijer
uitzicht in de verte had. „Heilige hemel!” riep hij, hier een tweede
gebouw, dat in de nabijheid van het Kremlin moest liggen, ontdekkende,
uit welks hoog, reusachtig koepeldak de vlammen met volle woede
opsloegen, terwijl eene zwarte rookwolk voor de starren, die nog in
het zenith glansden, loom en langzaam voortwentelde. „Dat is geen
toeval; hier worden vreeselijke raadslagen volvoerd!” Hij wilde juist
terugrijden, toen Bernard hem met het bericht te gemoet kwam, dat aan
het einde der straat een magazijn in brand stond.
Thans zag Rasinski duidelijk in, waarop de vijand het had toegelegd,
en begreep hij, dat koelbloedige beradenheid hier alleen redden
konde. „Hoe is de wind?” vroeg hij en zag opmerkzaam rond. „Ik geloof
zuidwest,” hervatte Bernard. „Juist; doch hij schijnt veranderlijk!
Intusschen willen wij ons voorloopig terugtrekken, anders kon ons de
terugweg geheel worden afgesneden.”
Van de vlucht uit den geheimen gang tot op dit oogenblik waren
nauwelijks tien minuten verloopen. Tot hiertoe had men nog geen alarm
in de stad vernomen en men scheen dus op de overige bivakken van den
brand nog niet onderricht te zijn; althans de plechtige stilte van den
nacht was gedurende dit schrikwekkend verheven schouwspel in de verdere
wijken der onmetelijke keizerstad nog door niets gestoord. Thans echter
hoorde men uit de verte van alle zijden de trommen roeren, de signaal-
en jagershorens schallen, de trompetten schetteren. Er ontstond een
gewoel, alsof een groot leger werd overvallen. De ruiterij zat op, het
voetvolk greep naar de wapens en trad aan. Nog wist men niet of men
enkel een woedend element of wel ook een heimelijk loerenden vijand,
die, daardoor beschermd, te voorschijn zou springen, te bekampen had.
De onzekerheid vermeerderde dus den eersten schrik. Intusschen vlogen
de hooge gebouwen van alle zijden in lichtelaaie; de wind verhief zich
en joeg het vuur als een gloeienden stortvloed over de stad voort. Nu
was men in een ondoordringbaar duister van verstikkenden rook gehuld,
die, in de enge straten saamgeperst, niet dadelijk een uitweg vond, dan
stond men in een hellen lichtgloed en de weerschijn der vlammen deed
alle wapens roodachtig afschijnen, als waren zij in dampend Russenbloed
gedoopt.
Thans bereikte Rasinski met de zijnen eene kleine straat, waar de brand
nog niet was uitgebroken. De hoogte der huizen belette den weerglans
der op een afstand vlammende gebouwen zoo verblindend neer te vallen,
als tot nu toe bijwijlen het geval was geweest; men bevond zich in een
schemerend halfdonker, schoon de hemel nog door roodachtige rookwolken
en vliegende vuurvonken bedekt was. Het einde der straat stiet op eene
brug, die op dit oogenblik door de artillerie versperd was, die in
allerijl den terugtocht aannam, ten einde de kruit- en ammunitiewagens
zoo mogelijk nog aan het dreigend gevaar te onttrekken. Rasinski's
troep moest dus hier halthouden, totdat de baan weder geopend zou zijn.
„Ziet gij, vrienden,” sprak hij de beide vrijwilligers aan, „mijn
voorgevoel wordt bewaarheid! Thans zie ik aan het onheil geen
einde.—Ik wenschte wel, dat Jaromir weer terug was,” vervolgde hij na
eene pauze; „in het eind kan hij ons in het geheel niet wedervinden.”
„Ik ga hem opzoeken,” riep Bernard, en ook Lodewijk toonde zich
dadelijk daartoe bereid.
„Dat zou hem niets baten en mij ook om uwentwil in ongerustheid
brengen. Gij hebt ons gisterenavond reeds angst genoeg aangejaagd door
uw plotseling verdwijnen, Bernard. Waar zijt gij toch al dien tijd
geweest?”
„Ik heb in den tuin gewandeld, daar het mij toch onmogelijk was te
slapen. Bovendien heb ik daar eene ontdekking gedaan, die ons nu wel
is waar weinig meer baten zal, maar toch zekerlijk met den brand in
verband staat.”
Men zag hem vragend aan, vooral Lodewijk scheen opmerkzaam te worden.
„Ik was juist van plan om naar mijne kamer terug te keeren, want
het had reeds middernacht geslagen, toen ik, de breede heesterlaan
doorgaande, die op het portaal uitkomt eensklaps uit een zijpad een
lichtschijnsel door de struiken zag vallen. Het was een gedaante in een
mantel met eene lantaarn. Eerst dacht ik, dat men mij opzocht, maar ik
hield het toch raadzaam mij achter een dikken kastanjeboom schuil te
houden, tot ik wist, wie de onbekende was; want gij moet weten, dat ik
tegen den avond al eenige ontdekkingen gedaan had, die....”
„Ja, ja, ik weet het; Lodewijk vertelde het mij.”
„Ik bleef dan op de loer staan en zag, dat de man met de lantaarn nog
door anderen gevolgd werd. Zij sloegen uit het zijpad de hoofdlaan in
en kwamen regelrecht op mij toe. Ik telde er tien. De kerel met de
dievenlantaarn ging vooraan, daarop volgde een man in een mantel, die
eene dame met een zwarten rouwsluier aan den arm had.”
Lodewijk loosde een diepen zucht, maar zweeg.
„De overigen schenen bedienden te zijn; ik zag er nog twee vrouwen
onder; de eene was jong en rijk, maar de andere, groot en avontuurlijk
gekleed, geleek in dracht en houding volmaakt het razende wijf, dat
wij op de muren van het Kremlin gezien hebben en, schoon de lantaarn
slechts een vluchtigen lichtstraal op haar wierp, wil ik zweren, dat
zij het inderdaad geweest is. De laatste vier mannen droegen iets op
hunne schouders, dat ik niet behoorlijk onderscheiden kon; ik zou
het voor een in lakens gewikkeld lijk gehouden hebben.—Ik stond in
twijfel, of ik het verdachte gezelschap zou aanspreken ja dan neen;
maar, om de waarheid te zeggen, het was mij te talrijk om zulks te
wagen, vooral daar ik mijne pistolen niet bij mij had. Wie weet ook,
dacht ik, of het misschien niet vreedzame lieden zijn, die bij nacht
voor ons vluchten en blij en dankbaar zijn, als wij hen slechts niet
ophouden. Ik liet hen dus in vrede trekken, en toen zij voorbij waren,
wandelde ik bedaard op het slot toe. Een weinig verder rook ik reeds
pek en zwavel. Hm! dacht ik, zou deze zwarte bende tot de lijfwacht des
satans behoord hebben? De reuk werd gedurig merkbaarder. Plotseling
voelde ik de aarde onder mijne voeten beven en een doffe, holle slag
dreunt door den stillen nacht. Nu krijg ik licht en vlieg als de
wind het park door naar het slot. Eindelijk ben ik het boschje ten
einde en zie de gebouwen voor mij, maar tevens den rook, die van alle
zijden opstijgt en de roode vlammen, die zich uit de keldervensters
verheffen. Ik wilde naar boven, om u te wekken, toen gij mij op de trap
tegenkwaamt; zeker zijt gij door den rook wakker geworden.”
„O Bernard,” begon Lodewijk, „eene zonderlinge hulp was ons nabij.
Ik....”
„Voorwaarts!” brak Rasinski Lodewijks verhaal af, want juist werd de
doorgang vrij en men moest zich haasten, wilde men niet ten tweedenmale
worden afgesneden. Op de brug gekomen, had men een ruimer uitzicht. Het
vuur breidde zich van de westzijde af over de stad uit. De weerschijn
spiegelde zich prachtig in den diepen vloed.
„De wind slaat om!” sprak Rasinski en zag naar de richting van rook en
vlammen. „Ziet, hoe de vuurvonken op het Kremlin regenen!—Wij zullen
een anderen koers moeten nemen.”
Een adjudant kwam in galop aanrennen en riep: „De cavalerie en
artillerie moet zich buiten de poort op den weg naar Petersburg
bijeentrekken.” Hierop wendde hij den teugel, vermoedelijk om dit
bevel ook aan andere afdeelingen over te brengen, die, zonder te weten
waarheen, door de stad omdoolden.
„Goed; nu kennen wij ten minste onze bestemming,” sprak Rasinski, „want
waarlijk, ik wist niet, hoe ik mij in deze omstandigheden te gedragen
had.”
Zij sloegen eene straat in, die hen naar de aangewezen verzamelplaats
brengen moest. Spoedig echter zagen zij zich door een dicht gedrang
omgeven, daar verschillende infanterie-colonnes, afgezonden om den
brand in zijn verderen voortgang te stuiten en de orde bij de vlammende
gebouwen te handhaven, hun in snellen stormpas te gemoet kwamen.
„Plaats! plaats!” riep de aanvoerder en drong, de baardige sappeurs
aan de spits, met zijne manschappen voorwaarts. Zoo kon de cavalerie,
aan de rechterzijde der straat opeengepakt, niet dan stapvoets
vooruitkomen. Inmiddels namen de vlammen in haar rug meer en meer de
overhand; de rook, tot gloeiende en dreigend zwarte wolken verdikt,
dreef al dwarrelend en wentelend over torens en paleizen voort en
bedekte den hemel en zijne gesternten. Echter waren de straten niet
verduisterd, maar huizen en grond gloeiden, als door de toortsen der
furiën beschenen, in bloedrooden weerschijn.
De storm, door den vlammen-oceaan gelokt, wierp zich met grimmige,
huilende woede op den golvenden vloed, deed dien in dwarrelingen
opstuiven en joeg vonken, vuurvlokken en asch voor zich uit, die
vervolgens in een dichten regen ter aarde vielen.
Elk ander lijden, verlangen, hopen en gevoelen werd verslonden door den
ijskouden stroom des afgrijzens en der ontzetting, die midden uit de
gloeiende vuurzee opwelde en zich in het hart van den koensten uitgoot.
Het uur van het wereldgericht scheen aangebroken, het vlammend verderf
achterhaalde volken en tronen; wallen van metaal noch muren van erts
konden het onheil nu meer afwenden.