HOOFDSTUK V.

Eindelijk werd ook Lodewijk door zijne vermoeidheid overmand; hij

sloot het venster, hulde zich in zijn mantel en wierp zich op het in

den hoek staande rustbed neder. De bezorgdheid over Bernard en Jaromir

hield hem nog eene poos wakker, doch zij verloor zich meer en meer in

de nevel der sluimering, die hem langzaam bekroop; spoedig klonken de

verontrustende gedachten hem nog slechts als een verwijderd bruisen der

zee, als een doffe, in de verte wegstervende donder door de ziel; zij

werden gestadig dichter omsluierd, weken gedurig verder in het ledig

der wijde, donkere ruimte terug. Eindelijk zonken hem de matte oogleden

toe en hij lag in diepen slaap. Doch de ziel werkte onrustig voort in

het vermoeide lichaam, en deed bonte, begoochelende droombeelden op den

zwarten achtergrond van den nacht voorbijzweven.

Nu zag hij zich in de hitte van het gevecht en stortte, rondom door

vijanden omsingeld van zijn paard ter aarde. Dan zweefde hem eene

vriendelijke gedaante uit het vaderland te gemoet; zijne moeder

stond voor hem en wenkte hem haar te volgen. Zij voerde hem in de

vertrouwelijke woonkamer, kuste hem en vroeg: Waar zijt gij dan zoo

lang geweest, mijn zoon?—Eene zachte aandoening verteederde zijn hart;

hij smaakte in den droom de vreugde des wederziens, der hereeniging,

van welke de werkelijkheid hem zoo gruwzaam verstoken hield.—Hij

was op de wandelplaats te Pillnitz; de lieve gezellinnen zijner

jeugd verzelden hem. Eensklaps ontglipte hem een kreet van blijde

verrassing, want Maria kwam uit de donkere lindenlaan te voorschijn

en ging arm in arm met Bianca, die zich zoo vertrouwelijk aan haar

aansloot, alsof beiden zusters waren. „Zoo, hebt elkander lief, gij

dierbaarsten, die ik op aarde bezit,” sprak hij in zijn droom, en een

zalig lachje speelde om zijne lippen. Hij wilde nader treden, haar

de hand reiken, de armen ter omhelzing uitstrekken, maar een vreemde

hield hem terug. Het was Rasinski, die hem gelastte, dadelijk te paard

te stijgen. De schoone gestalten verdwenen, hij zag zich weder te

midden van het onrustige woelen en warren van den veldtocht; lange,

onafzienbare rijen soldaten trokken hem voorbij; hij sloot zich bij den

trein aan, en toch rezen onophoudelijk nieuwe gestalten vóór, achter

en nevens hem op en zweefden strijkelings langs hem heen. Verwijlen

en voorwaarts dringen geschiedde in hetzelfde oogenblik, gelijk zoo

dikwijls het dubbele en tegenstrijdige in den droom. Thans verbeeldde

hij zich, Moskou binnen te trekken; hij reed met Bernard en Rasinski

door de straten, die zich in onafzienbare verte voor hem uitstrekten.

De huizen en paleizen van den omtrek mengden zich voor zijne blikken

tot een verwarden chaos dooréén: hij zag steeds het huis voor zich,

dat hij bewoonde, maar gestadig drongen nieuwe straten daartusschen

in, eer hij het bereiken kon. Met elke schrede scheen zich de weg

te verlengen. Eindelijk stond hij met beide vrienden voor de breede

poort; Petrowski hield den teugel, zij stegen af en beklommen de

trappen. Uitgeput van vermoeidheid legde hij zich in den droom in

hetzelfde vertrek, op hetzelfde bed neder, waar hij werkelijk sliep.

Droom en werkelijkheid begonnen zich thans zonderling dooreen te

mengen. Hij hoorde het aanroepen van den schildwacht, die beneden

zijne vensters werd afgelost, en ontwaakte. Daar echter zijn geopend

oog dezelfde beelden zag, als het sluimerende, namelijk het door

den matten glans der wachtvuren flauw beschenen vertrek, daar zijn

wakend oor dezelfde tonen hoorde, die hij in den slaap vernomen had,

zoo deed de bedwelming, die nog op zijne zinnen rustte, schijn en

waarheid onafscheidelijk dooréénsmelten. Zoo zag hij, half droomend,

half wakend, de deur zijner kamer langzaam openen en eene in het zwart

gekleede, gesluierde gestalte, die eene flauw schemerende lamp in de

hand droeg, binnentreden. Als eene geestverschijning zweefde zij op hem

toe; thans stond zij dicht voor zijn leger stil en sloeg het floers

terug dat haar gelaat bedekte. Het was Bianca; maar bleek, doodsbleek,

met ingevallen, smartelijke trekken. „Waar is Maria?” vroeg Lodewijk

het droombeeld; „en waarom komt gij in een rouwkleed, geliefde? Ach, is

uwe moeder óók gestorven?” Met weemoedig verlangen strekte hij de hand

naar de dierbare uit; stom, bevende stond zij voor hem. Het was, alsof

zij zich over hem wilde nederbuigen; doch eensklaps wankelde zij een

schrede terug, hief de hand op, als een teeken, dat hij haar niet mocht

aanraken, en schudde langzaam en droevig het edele hoofd.

„Ontvliedt gij reeds weder?—Waarom hoont gij mij zoo, gij liefelijke

droombeelden?” sprak Lodewijk in halve bewusteloosheid. „Ach, vertoont

u niet, als gij steeds weder van mij vlieden wilt.” Hij rilde, als door

nachtvorst verkleumd en hulde zich dichter in den mantel.

Het gezicht was verdwenen; maar uit het duister van den nacht drongen

den sluimerende de woorden in het oor: „Vlucht, vlucht! Uw leven is

niet veilig onder dit dak!—Neem dit ten aandenken!”

Eene zachte aanraking gleed thans over zijne wangen. Hij ontwaakte en

sloeg met moeite de loodzware oogleden op.—Alle beelden van zijn droom

lagen in dagend schemerlicht om hem heen verspreid. Bianca's gestalte

verdween als eene schaduw; de vuurglans aan de zoldering was duister

omneveld; zelfs de verlichte vensters schenen hem met een zwart weefsel

bespannen. Met moeite zocht hij zijne nog geheel verstrooide zinnen

bijeen te rapen,—daar klaterde een schot uit het nevenvertrek hem in

het oor. Dit geluid rukte hem gewelddadig uit de banden des slaaps

los; hij was wakker, sprong op. Echter bleven de voorwerpen ook nu nog

als door rook omneveld; thans was het niet meer eene begoocheling van

den droom, maar zijn oog moest op eene onbegrijpelijke wijze verblind

zijn. Opeens voelde hij weder, gelijk vroeger in den halven sluimer,

een zachte, trillende aanraking over wang en voorhoofd glijden, even

alsof eene donsachtige pluim daarover heenstreek. Als door tooverkracht

was het verduisterend hulsel plotseling van zijn oog afgelicht en zag

hij alle voorwerpen om zich heen weder in de volle scherpte hunner

omtrekken. Nog was hij van zijne verbazing niet tot zich zelf gekomen,

toen Rasinski's donderende stem, die hem en Bernard opriep, zich uit

het aangrenzende vertrek hooren liet; hij vloog dus de zaal binnen, die

door eene nachtlamp beschenen werd. Rasinski trad reeds met driftige

schreden op hem toe, en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen de door

het schot gewekte manschappen uit de voorzaal aanstormen. „Licht! meer

licht!” beval de overste. Zij spoedden heen, om het te zoeken.

„Wat is er toch? Wat zaagt gij?” vroeg Lodewijk.

„Wij zijn in een wonderbaar spookhol. Hebt gij niets gezien?”

„Niet het minste; maar toch....”

„Door mijn vertrek sloop zoo even eene zwarte gestalte, naar alle

waarschijnlijkheid eene vrouw.”

„Hoe?” riep Lodewijk, als door den bliksem getroffen uit; „eene zwarte,

gesluierde gestalte....”

„Juist! Maar hoe weet gij......”

„En gij zaagt het werkelijk? Het was geen droombeeld?” riep Lodewijk en

stond als versteend voor den vriend.

„Neen, bij den hemel, want ik was wakker als in dit oogenblik,” hernam

Rasinski, die zich nog te zeer met zijne eigene ontmoeting bezig hield,

om den indruk, die ze op Lodewijk maakte, waar te nemen. „Voor vijf

minuten wist ik werkelijk zelf niet, of ik gedroomd had, of wezenlijke

dingen aanschouwde. Ik meende iets voorbij mijn bed te hooren ruischen

en ontwaakte, want gij weet, hoe licht mijn slaap is. Nu zag ik eene

donkere schaduw langs den wand glijden en een mat lichtschijnsel scheen

mij uit de geopende zaaldeur in mijn vertrek te vallen. Echter drong

ik mij op, dat het de flikkering der vuren op de straat was, die mij

bedroog. Intusschen was ik volkomen wakker geworden en lag, nog over de

verschijning nadenkende, op mijn leger. Juist had ik mij weder in de

lakens gewikkeld en de oogen gesloten, toen ik hetzelfde geritsel als

vroeger hoorde. Ik sprong op en zie eene zwarte, gesluierde gestalte

dicht voorbij mijn bed sluipen. „Werda!” riep ik; zij verschrikt

kennelijk, maar geeft geen antwoord en snelt met rassche schreden door

de kamer. „Antwoord, of ik geef vuur,” riep ik en greep naar mijne

pistolen....”

„Almachtige hemel!” riep Lodewijk en greep onwillekeurig, alsof hij het

schot verhinderen wilde, den arm, dien Rasinski in het vuur van zijn

verhaal hield uitgestrekt. „Gij hebt dus op haar geschoten?”

„Zekerlijk heb ik; en terstond daarop hoorde ik den kreet eener

vrouwelijke stem.”

„Zij is getroffen? Waar?”

Met deze woorden wilde Lodewijk Rasinski ter zijde dringen en in zijn

vertrek vliegen; doch deze, die thans eerst de hevige ontroering van

den vriend gewaar werd, hield hem terug en vervolgde haastig: „Het was

slechts een kreet van schrik. Dadelijk daarop, juist toen ik driftig

was opgesprongen en op de geheimzinnige verschijning toesnelde, hoorde

ik eene deur ras ontsluiten en weder in het slot werpen. Of nu het

vuur en de rook van het schot mij verblindden, of het schemerdonker

van het vertrek de vlucht der onbekende begunstigde, dat weet ik niet,

althans zij was spoorloos verdwenen en scheen in den grond weggezonken.

Oogenblikkelijk liep ik nu naar de zaal en riep u en de manschappen op.

Langs dezen weg kan zij niet ontkomen zijn, want ik was bij de deur,

eer zij die met mogelijkheid kon bereikt hebben.”

Inmiddels hadden eenige bedienden licht gebracht en Rasinski snelde

naar zijn slaapvertrek, om het ten nauwkeurigste te doorzoeken.

Lodewijk volgde hem met een onbeschrijfelijk zonderling gevoel. Doch de

kamer was ledig; zij had slechts twee deuren; de eene kwam op de zaal

uit, de andere bracht in de verder voortloopende reeks van vertrekken.

Deze laatste was echter door twee stoelen, die nog evenzoo stonden

als den vorigen avond, gesloten; onmogelijk kon iemand ze geopend

hebben, zonder de stoelen omver te werpen of ter zijde te schuiven.

De bedienden daarentegen verzekerden eenstemmig, dat niemand door de

zaaldeur kon ontkomen zijn, daar zij schuins voor deze hunne legers

hadden opgeslagen, zoodat men niet dan over hun lijf heen kon uit- en

ingaan. Op de plaats, waar Rasinski op de verschijning gevuurd had,

was geen deur te vinden; het was die hoek der rug- en zijwanden van

het kabinet, welke niet aan de zijde der zaal, maar aan de overige

vertrekken grensde. Opmerkzaam onderzocht Rasinski het tapijtbehangsel.

„Daar zit mijn schot!” riep hij en wees op eene beschadigde plek,

waar de kogel was ingedrongen en nog in den muur zat. „Dus heb ik

mij niet bedrogen! Hier moet eene geheime deur zijn.” Nieuwsgierig

drongen de lieden om hem heen; Lodewijks hart klopte met angstig zoete

verwachting. Daar schoot hem plotseling door de ziel, dat nu alles,

wat hij gemeend had te droomen, wel waarheid zijn konde. „Neem dit

tot een aandenken!” had de verschijning hem toegefluisterd. Driftig

greep hij een handblaker en ijlde naar zijne kamer terug. Zijn eerste

blik viel op het rustbed; hij ontdekte niets, maar toen hij nu ook de

overige gedeelten van zijn vertrek zorgvuldig opnam, zag hij op den

grond, in de nabijheid van het venster, iets wits blinken. Hij hief het

op, het was een sluier. Toen het weefsel licht over zijne hand gleed,

bespeurde hij eensklaps weder hetzelfde gevoel, dat hij vroeger niet

geweten had, waaraan het te moeten toeschrijven; de sluier moest zijn

gelaat bedekt hebben. Hij ontvouwde dien; de hoeken waren door eene

striklis vastgeknoopt; haastig maakte hij ze los, glanzend goud werd

zichtbaar; een groene steen blonk hem in de oogen. „Genadige hemel,

is het mogelijk!” stamelde hij, en heete tranen stroomden over zijne

wangen. Hij hield denzelfden armband in de handen, dien de geliefde aan

den voet van den St. Bernard verloren had; hetzelfde dierbare kleinood,

waaraan hij het eerst het geluk van haar schoon gelaat te mogen

aanschouwen verschuldigd was. Buiten zichzelf wilde hij naar Rasinski

toeijlen, toen hij tusschen de vouwen van den sluier een blad papier

ontdekte. Met bevende hand trok hij de gouden naald, die het vasthield,

terug en las met in tranen zwemmende oogen:

„Gij waart eens mijn redder uit dreigend gevaar! Gij beschermdet

mij met broederlijke trouw! Wie vermag de wonderbare doeleinden

der Voorzienigheid te doorgronden, die ons toenmaals vereenigde en

scheidde, ons thans weder bijeenbrengt en voor eeuwig van elkander

afscheurt!—Doch de minuten zijn kostbaar. Verlaat dit huis, snel,

oogenblikkelijk! Het uiterste gevaar dreigt u! De kloof des verderfs

gaapt onder uwe voeten; onder den grond, dien gij betreedt, opent zich

een vreeselijke afgrond. Eén oogenblik te laat en gij verzinkt! Meer

mag ik u niet ontdekken.—Ach, reeds dat wordt mij als eene zware

misdaad toegerekend! Doch een heilige plicht der dankbaarheid gebood

mij, ze te begaan.—De toekomst is duister als de nacht, mijn leven aan

stormen prijsgegeven.—Wat ook mijn lot zij, met zusterlijke trouw zal

mijn hart het beeld van den edelen vriend bewaren; mocht ook ik niet

geheel door hem vergeten zijn!

1812: Historische roman · 第 78 / 154 题