Eindelijk werd ook Lodewijk door zijne vermoeidheid overmand; hij
sloot het venster, hulde zich in zijn mantel en wierp zich op het in
den hoek staande rustbed neder. De bezorgdheid over Bernard en Jaromir
hield hem nog eene poos wakker, doch zij verloor zich meer en meer in
de nevel der sluimering, die hem langzaam bekroop; spoedig klonken de
verontrustende gedachten hem nog slechts als een verwijderd bruisen der
zee, als een doffe, in de verte wegstervende donder door de ziel; zij
werden gestadig dichter omsluierd, weken gedurig verder in het ledig
der wijde, donkere ruimte terug. Eindelijk zonken hem de matte oogleden
toe en hij lag in diepen slaap. Doch de ziel werkte onrustig voort in
het vermoeide lichaam, en deed bonte, begoochelende droombeelden op den
zwarten achtergrond van den nacht voorbijzweven.
Nu zag hij zich in de hitte van het gevecht en stortte, rondom door
vijanden omsingeld van zijn paard ter aarde. Dan zweefde hem eene
vriendelijke gedaante uit het vaderland te gemoet; zijne moeder
stond voor hem en wenkte hem haar te volgen. Zij voerde hem in de
vertrouwelijke woonkamer, kuste hem en vroeg: Waar zijt gij dan zoo
lang geweest, mijn zoon?—Eene zachte aandoening verteederde zijn hart;
hij smaakte in den droom de vreugde des wederziens, der hereeniging,
van welke de werkelijkheid hem zoo gruwzaam verstoken hield.—Hij
was op de wandelplaats te Pillnitz; de lieve gezellinnen zijner
jeugd verzelden hem. Eensklaps ontglipte hem een kreet van blijde
verrassing, want Maria kwam uit de donkere lindenlaan te voorschijn
en ging arm in arm met Bianca, die zich zoo vertrouwelijk aan haar
aansloot, alsof beiden zusters waren. „Zoo, hebt elkander lief, gij
dierbaarsten, die ik op aarde bezit,” sprak hij in zijn droom, en een
zalig lachje speelde om zijne lippen. Hij wilde nader treden, haar
de hand reiken, de armen ter omhelzing uitstrekken, maar een vreemde
hield hem terug. Het was Rasinski, die hem gelastte, dadelijk te paard
te stijgen. De schoone gestalten verdwenen, hij zag zich weder te
midden van het onrustige woelen en warren van den veldtocht; lange,
onafzienbare rijen soldaten trokken hem voorbij; hij sloot zich bij den
trein aan, en toch rezen onophoudelijk nieuwe gestalten vóór, achter
en nevens hem op en zweefden strijkelings langs hem heen. Verwijlen
en voorwaarts dringen geschiedde in hetzelfde oogenblik, gelijk zoo
dikwijls het dubbele en tegenstrijdige in den droom. Thans verbeeldde
hij zich, Moskou binnen te trekken; hij reed met Bernard en Rasinski
door de straten, die zich in onafzienbare verte voor hem uitstrekten.
De huizen en paleizen van den omtrek mengden zich voor zijne blikken
tot een verwarden chaos dooréén: hij zag steeds het huis voor zich,
dat hij bewoonde, maar gestadig drongen nieuwe straten daartusschen
in, eer hij het bereiken kon. Met elke schrede scheen zich de weg
te verlengen. Eindelijk stond hij met beide vrienden voor de breede
poort; Petrowski hield den teugel, zij stegen af en beklommen de
trappen. Uitgeput van vermoeidheid legde hij zich in den droom in
hetzelfde vertrek, op hetzelfde bed neder, waar hij werkelijk sliep.
Droom en werkelijkheid begonnen zich thans zonderling dooreen te
mengen. Hij hoorde het aanroepen van den schildwacht, die beneden
zijne vensters werd afgelost, en ontwaakte. Daar echter zijn geopend
oog dezelfde beelden zag, als het sluimerende, namelijk het door
den matten glans der wachtvuren flauw beschenen vertrek, daar zijn
wakend oor dezelfde tonen hoorde, die hij in den slaap vernomen had,
zoo deed de bedwelming, die nog op zijne zinnen rustte, schijn en
waarheid onafscheidelijk dooréénsmelten. Zoo zag hij, half droomend,
half wakend, de deur zijner kamer langzaam openen en eene in het zwart
gekleede, gesluierde gestalte, die eene flauw schemerende lamp in de
hand droeg, binnentreden. Als eene geestverschijning zweefde zij op hem
toe; thans stond zij dicht voor zijn leger stil en sloeg het floers
terug dat haar gelaat bedekte. Het was Bianca; maar bleek, doodsbleek,
met ingevallen, smartelijke trekken. „Waar is Maria?” vroeg Lodewijk
het droombeeld; „en waarom komt gij in een rouwkleed, geliefde? Ach, is
uwe moeder óók gestorven?” Met weemoedig verlangen strekte hij de hand
naar de dierbare uit; stom, bevende stond zij voor hem. Het was, alsof
zij zich over hem wilde nederbuigen; doch eensklaps wankelde zij een
schrede terug, hief de hand op, als een teeken, dat hij haar niet mocht
aanraken, en schudde langzaam en droevig het edele hoofd.
„Ontvliedt gij reeds weder?—Waarom hoont gij mij zoo, gij liefelijke
droombeelden?” sprak Lodewijk in halve bewusteloosheid. „Ach, vertoont
u niet, als gij steeds weder van mij vlieden wilt.” Hij rilde, als door
nachtvorst verkleumd en hulde zich dichter in den mantel.
Het gezicht was verdwenen; maar uit het duister van den nacht drongen
den sluimerende de woorden in het oor: „Vlucht, vlucht! Uw leven is
niet veilig onder dit dak!—Neem dit ten aandenken!”
Eene zachte aanraking gleed thans over zijne wangen. Hij ontwaakte en
sloeg met moeite de loodzware oogleden op.—Alle beelden van zijn droom
lagen in dagend schemerlicht om hem heen verspreid. Bianca's gestalte
verdween als eene schaduw; de vuurglans aan de zoldering was duister
omneveld; zelfs de verlichte vensters schenen hem met een zwart weefsel
bespannen. Met moeite zocht hij zijne nog geheel verstrooide zinnen
bijeen te rapen,—daar klaterde een schot uit het nevenvertrek hem in
het oor. Dit geluid rukte hem gewelddadig uit de banden des slaaps
los; hij was wakker, sprong op. Echter bleven de voorwerpen ook nu nog
als door rook omneveld; thans was het niet meer eene begoocheling van
den droom, maar zijn oog moest op eene onbegrijpelijke wijze verblind
zijn. Opeens voelde hij weder, gelijk vroeger in den halven sluimer,
een zachte, trillende aanraking over wang en voorhoofd glijden, even
alsof eene donsachtige pluim daarover heenstreek. Als door tooverkracht
was het verduisterend hulsel plotseling van zijn oog afgelicht en zag
hij alle voorwerpen om zich heen weder in de volle scherpte hunner
omtrekken. Nog was hij van zijne verbazing niet tot zich zelf gekomen,
toen Rasinski's donderende stem, die hem en Bernard opriep, zich uit
het aangrenzende vertrek hooren liet; hij vloog dus de zaal binnen, die
door eene nachtlamp beschenen werd. Rasinski trad reeds met driftige
schreden op hem toe, en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen de door
het schot gewekte manschappen uit de voorzaal aanstormen. „Licht! meer
licht!” beval de overste. Zij spoedden heen, om het te zoeken.
„Wat is er toch? Wat zaagt gij?” vroeg Lodewijk.
„Wij zijn in een wonderbaar spookhol. Hebt gij niets gezien?”
„Niet het minste; maar toch....”
„Door mijn vertrek sloop zoo even eene zwarte gestalte, naar alle
waarschijnlijkheid eene vrouw.”
„Hoe?” riep Lodewijk, als door den bliksem getroffen uit; „eene zwarte,
gesluierde gestalte....”
„Juist! Maar hoe weet gij......”
„En gij zaagt het werkelijk? Het was geen droombeeld?” riep Lodewijk en
stond als versteend voor den vriend.
„Neen, bij den hemel, want ik was wakker als in dit oogenblik,” hernam
Rasinski, die zich nog te zeer met zijne eigene ontmoeting bezig hield,
om den indruk, die ze op Lodewijk maakte, waar te nemen. „Voor vijf
minuten wist ik werkelijk zelf niet, of ik gedroomd had, of wezenlijke
dingen aanschouwde. Ik meende iets voorbij mijn bed te hooren ruischen
en ontwaakte, want gij weet, hoe licht mijn slaap is. Nu zag ik eene
donkere schaduw langs den wand glijden en een mat lichtschijnsel scheen
mij uit de geopende zaaldeur in mijn vertrek te vallen. Echter drong
ik mij op, dat het de flikkering der vuren op de straat was, die mij
bedroog. Intusschen was ik volkomen wakker geworden en lag, nog over de
verschijning nadenkende, op mijn leger. Juist had ik mij weder in de
lakens gewikkeld en de oogen gesloten, toen ik hetzelfde geritsel als
vroeger hoorde. Ik sprong op en zie eene zwarte, gesluierde gestalte
dicht voorbij mijn bed sluipen. „Werda!” riep ik; zij verschrikt
kennelijk, maar geeft geen antwoord en snelt met rassche schreden door
de kamer. „Antwoord, of ik geef vuur,” riep ik en greep naar mijne
pistolen....”
„Almachtige hemel!” riep Lodewijk en greep onwillekeurig, alsof hij het
schot verhinderen wilde, den arm, dien Rasinski in het vuur van zijn
verhaal hield uitgestrekt. „Gij hebt dus op haar geschoten?”
„Zekerlijk heb ik; en terstond daarop hoorde ik den kreet eener
vrouwelijke stem.”
„Zij is getroffen? Waar?”
Met deze woorden wilde Lodewijk Rasinski ter zijde dringen en in zijn
vertrek vliegen; doch deze, die thans eerst de hevige ontroering van
den vriend gewaar werd, hield hem terug en vervolgde haastig: „Het was
slechts een kreet van schrik. Dadelijk daarop, juist toen ik driftig
was opgesprongen en op de geheimzinnige verschijning toesnelde, hoorde
ik eene deur ras ontsluiten en weder in het slot werpen. Of nu het
vuur en de rook van het schot mij verblindden, of het schemerdonker
van het vertrek de vlucht der onbekende begunstigde, dat weet ik niet,
althans zij was spoorloos verdwenen en scheen in den grond weggezonken.
Oogenblikkelijk liep ik nu naar de zaal en riep u en de manschappen op.
Langs dezen weg kan zij niet ontkomen zijn, want ik was bij de deur,
eer zij die met mogelijkheid kon bereikt hebben.”
Inmiddels hadden eenige bedienden licht gebracht en Rasinski snelde
naar zijn slaapvertrek, om het ten nauwkeurigste te doorzoeken.
Lodewijk volgde hem met een onbeschrijfelijk zonderling gevoel. Doch de
kamer was ledig; zij had slechts twee deuren; de eene kwam op de zaal
uit, de andere bracht in de verder voortloopende reeks van vertrekken.
Deze laatste was echter door twee stoelen, die nog evenzoo stonden
als den vorigen avond, gesloten; onmogelijk kon iemand ze geopend
hebben, zonder de stoelen omver te werpen of ter zijde te schuiven.
De bedienden daarentegen verzekerden eenstemmig, dat niemand door de
zaaldeur kon ontkomen zijn, daar zij schuins voor deze hunne legers
hadden opgeslagen, zoodat men niet dan over hun lijf heen kon uit- en
ingaan. Op de plaats, waar Rasinski op de verschijning gevuurd had,
was geen deur te vinden; het was die hoek der rug- en zijwanden van
het kabinet, welke niet aan de zijde der zaal, maar aan de overige
vertrekken grensde. Opmerkzaam onderzocht Rasinski het tapijtbehangsel.
„Daar zit mijn schot!” riep hij en wees op eene beschadigde plek,
waar de kogel was ingedrongen en nog in den muur zat. „Dus heb ik
mij niet bedrogen! Hier moet eene geheime deur zijn.” Nieuwsgierig
drongen de lieden om hem heen; Lodewijks hart klopte met angstig zoete
verwachting. Daar schoot hem plotseling door de ziel, dat nu alles,
wat hij gemeend had te droomen, wel waarheid zijn konde. „Neem dit
tot een aandenken!” had de verschijning hem toegefluisterd. Driftig
greep hij een handblaker en ijlde naar zijne kamer terug. Zijn eerste
blik viel op het rustbed; hij ontdekte niets, maar toen hij nu ook de
overige gedeelten van zijn vertrek zorgvuldig opnam, zag hij op den
grond, in de nabijheid van het venster, iets wits blinken. Hij hief het
op, het was een sluier. Toen het weefsel licht over zijne hand gleed,
bespeurde hij eensklaps weder hetzelfde gevoel, dat hij vroeger niet
geweten had, waaraan het te moeten toeschrijven; de sluier moest zijn
gelaat bedekt hebben. Hij ontvouwde dien; de hoeken waren door eene
striklis vastgeknoopt; haastig maakte hij ze los, glanzend goud werd
zichtbaar; een groene steen blonk hem in de oogen. „Genadige hemel,
is het mogelijk!” stamelde hij, en heete tranen stroomden over zijne
wangen. Hij hield denzelfden armband in de handen, dien de geliefde aan
den voet van den St. Bernard verloren had; hetzelfde dierbare kleinood,
waaraan hij het eerst het geluk van haar schoon gelaat te mogen
aanschouwen verschuldigd was. Buiten zichzelf wilde hij naar Rasinski
toeijlen, toen hij tusschen de vouwen van den sluier een blad papier
ontdekte. Met bevende hand trok hij de gouden naald, die het vasthield,
terug en las met in tranen zwemmende oogen:
„Gij waart eens mijn redder uit dreigend gevaar! Gij beschermdet
mij met broederlijke trouw! Wie vermag de wonderbare doeleinden
der Voorzienigheid te doorgronden, die ons toenmaals vereenigde en
scheidde, ons thans weder bijeenbrengt en voor eeuwig van elkander
afscheurt!—Doch de minuten zijn kostbaar. Verlaat dit huis, snel,
oogenblikkelijk! Het uiterste gevaar dreigt u! De kloof des verderfs
gaapt onder uwe voeten; onder den grond, dien gij betreedt, opent zich
een vreeselijke afgrond. Eén oogenblik te laat en gij verzinkt! Meer
mag ik u niet ontdekken.—Ach, reeds dat wordt mij als eene zware
misdaad toegerekend! Doch een heilige plicht der dankbaarheid gebood
mij, ze te begaan.—De toekomst is duister als de nacht, mijn leven aan
stormen prijsgegeven.—Wat ook mijn lot zij, met zusterlijke trouw zal
mijn hart het beeld van den edelen vriend bewaren; mocht ook ik niet
geheel door hem vergeten zijn!