HOOFDSTUK VI.

Met lossen teugel was Jaromir door de straten naar de poort van het

Kremlin gereden. Eene kille huivering bekroop zijne borst, toen hij

alleen door de stille stad voortspoedde. Noch had hij geen tweeden

brand bespeurd, noch sloeg geen vlam uit de gevels van verwijderde

daken op, om zijn weg te verlichten. Echter had hij een duister

vermoeden van de waarheid, en de zwarte steenmassa's der stad kwamen

hem als eene gestolde, uitgebrande, bedriegelijke lavakorst voor,

welker oude kloven en spleten opnieuw konden openscheuren, om aan

de bandelooze, onderaardsche vuurstroomen een vrijen doortocht te

verleenen. Hij moest door eene nauwe, kronkelende straat rijden,

wier hooge huizen hem het uitzicht in de verte eene poos lang geheel

benamen. Toen hij weder een open plein bereikte, zag hij reeds op

drie plaatsen tegelijk een roodachtigen rook opstijgen, en eensklaps

doorboorden heldere lichtstralen het floers van den nacht. Het waren

de eerste vlammen, die door de daken van den bazar uitsloegen. Spoedig

werd de hemel op verschillende plaatsen verlicht, en nog eer de

jongeling de poort van het Kremlin bereikt had, hoorde hij de tamboers

der wachten donderend alarm slaan. Adjudanten kwamen hem te gemoet

rennen; hij riep hen aan, om te vragen tot wien hij zich met zijne

berichten te wenden had. „Alles is reeds in orde,” luidde het antwoord.

„De keizer is van alles verwittigd, maarschalk Mortier in volle

bezigheid. Wij moeten alle ruiterafdeelingen en de artillerie gelasten,

onmiddellijk de stad te verlaten. Daarentegen moeten sappeurs, mineurs,

pontonniers en infanterie zich verzamelen, om te helpen blusschen. Alle

berichten worden bij maarschalk Mortier gebracht.”

Jaromir begreep, dat hij niets beters kon doen dan terugrijden, om

Rasinski het gehoorde mede te deelen. Hij gaf zijn paard de sporen,

doch deels wijl hij niet nauwkeurig met den weg bekend was, deels wijl

de zonderlinge verlichting hem misleidde, en eindelijk naardien eene

uitrukkende veldbatterij de kleine zijstraat versperde en hem zoo

tot een anderen weg dwong dan hij gekomen was, geraakte hij aan het

dwalen en kon hij zich niet losmaken uit het net van kleine, elkander

kruisende stegen en straten, die altijd op andere punten uitliepen, dan

hij uit de richting, welke zij hem bij het inrijden schenen te nemen,

meende te mogen opmaken. Ten laatste kwam hij op een open plein, dat

door de vlammen met helderen vuurglans beschenen werd, en geloofde nu

links te moeten afslaan. Zijn paard omwerpende, bespeurde hij eerst,

dat hij zich juist tegenover de plaats van zijn bivak bevond, maar uit

een anderen hoek daarop was teruggekeerd, waardoor de voorwerpen hem

bij het eerste gezicht half bekend en toch vreemd waren voorgekomen.

Het brandende gebouw aan zijne rechterhand was juist dat, waarin

Rasinski vertoefd had; de vlammen sloegen reeds over den gevel uit en

de rook wentelde zich in een breeden stroom over de tegenoverstaande

huizen en daken voort, zoodat het uitzicht naar die zijde bijna geheel

belemmerd was. Van troepen was geen spoor meer te vinden; echter maakte

Jaromir uit het nog brandende bivaksvuur op, dat zijne kameraden

nog niet lang vertrokken waren. Zij hebben het bevel, dat gij moest

overbrengen, zeker reeds door iemand anders ontvangen, dacht hij, maar

hij bleef in het onzekere, werwaarts hij zelf zich nu te wenden had,

om hen spoedig weder in te halen. De sombere gedachten, welke hem

verontrust hadden, waren door de machtige indrukken van het oogenblik

een weinig afgeleid geworden; thans echter, daar de uitbarstingen zich

vermenigvuldigden en de rook wellicht reeds uit twintig verschillende

gebouwen ten hemel steeg, overviel hem plotseling eene angstvallige

bezorgdheid voor Alisette. Zou zij gewaarschuwd, gewekt zijn? Zou zij

weten, werwaarts zij zich wenden moet in dezen akeligen nacht van

verschrikking? En wanneer zij ontwaakt door het verdoovend gedruisch,

waarheen moet de eenzame, de hulpeloos verlatene vluchten? In vele

wijken, waar geen troepen lagen, of waar bovenmatige vermoeidheid alles

in loomen slaap gedompeld had, was nog niet eenmaal alarm geslagen.

Hoe, wanneer zij in hare afgezonderde tuinkamer den trommelslag niet

hoorde, wanneer het vuur ook haar paleis aantastte, wanneer zij....!

Hij dorst niet verder nadenken; zijn besluit was genomen, hij wilde

naar haar toesnellen, haar wekken, waarschuwen, redden. Intusschen

verdeelde de storm de breede wolken van smook en damp, die tot hiertoe

naar de plaats, waar Alisette woonde, voortgestuwd en ze aan het oog

onttrokken hadden. Daar zag hij roodvlammende vuurspitsen boven de

boomen van den tuin opflikkeren; het paleis moest reeds branden; een

onbeschrijfelijke angst overviel hem. Hij rende naar de tuindeur; zij

was te eng om zijn paard door te laten. Ras wierp hij zich uit den

zadel en opende het slot. Thans zag hij duidelijk, dat het gebouw reeds

in vlam stond, schoon het woedend element nog niet geheel de overhand

had bekomen. Zonder zich om zijn ros te bekommeren, ijlde hij in

vollen vaart door de heesterperken, om de groote laan te bereiken die

midden door het park voerde. Ademloos bereikte hij het einde van den

tuin. Het paleis lag stil, eenzaam voor hem; niemand in de zwijgende

ruimte scheen ontwaakt te zijn, niemand de nabijheid van eenig gevaar

te vermoeden. Of de bewoners waren reeds ontvlucht en in veiligheid,

òf de slaap hield hen nog in vaste banden gekluisterd en leverde de

bedwelmde, weerlooze offers verraderlijk aan een zekeren ondergang

over. Nog stond het gebouw niet in vuur, maar de vlammen lekten reeds

met spitse, kronkelende tongen aan de voegen van het dak en bliksemden

door de loome, langzaam voortkruipende dampmassa's die zich op de

tinnen legerden en de muren als met een donker rouwfloers omkleedden.

De gansche binnenruimte der prachtige woning was zoozeer met gloed en

damp opgevuld, dat eene enkele aanblazing toereikend scheen, om de

vlammen naar alle zijden op te jagen en het geheel met hare verterende

golvingen te overstelpen.

Zonder zich te beraden, maar met een beklemd hart, wierp Jaromir zich

in dezen zwangeren krater des doods, vloog de trappen op en stond

weldra voor de kamer der geliefde. Hij klopte; geen antwoord; de deur

was gesloten. Alisette kon wellicht in een nevenvertrek slapen en hem

niet hooren; met een hevigen trap deed hij dus de deur uit de hengsels

springen en trad binnen.

„Alisette!” riep hij; „Alisette! Waar zijt gij?”

Alles bleef stil. Was zij reeds gevlucht, of moest hij haar elders

opzoeken? Bij het schijnsel van het vuur, dat, door de boomen voor de

vensters gebroken, slechts mat in het vertrek viel, zocht en vond hij

de deur der aangrenzende kamer. Ook daar was alles stil; echter zag hij

eene nachtlamp op de tafel branden. Van rook of damp was hier nog niets

te bespeuren, en de gloed van buiten drong niet helder genoeg door de

vensters, om iemand te doen ontwaken; ook was het doodstil en van het

gestadig luider wordende gewoel op de straat vernam men hier niets.

Jaromirs vermoeden, dat Alisette nog sluimeren zoude, werd hierdoor

bijna tot zekerheid; hij wierp onrustige blikken door het vertrek en

daar hij niets ontdekte, dat spoor van leven aanduidde, opende hij

driftig de deur van het volgende, waar hem een ledekant met gesloten

zijden gordijnen in het oog viel. Een zachte rilling liep hem door de

leden. „Alisette! Alisette!” riep hij.

„Wie is daar?” antwoordde hare stem angstig en bevend.

„Alisette, ik kom u redden, het slot staat in brand!” Met deze woorden

ijlde hij op het bed toe, waaruit de zoete stem hem tegenklonk, ten

einde het meisje op zijne armen uit het paleis te dragen. „Terug,

terug!” riep zij hem toe, terwijl zij het voorhangsel met de eene

hand gesloten hield en met de andere wenkte, dat hij zich verwijderen

moest. „Om 's hemels naam terug!”—Jaromir geloofde, dat een gevoel

van vrouwelijke schaamte haar dus beangstigde; doch de tijd bleef hem

niet, het te bekampen, want eene forsche mannelijke stem riep luid en

wrevelig: „Voor den duivel, wat is er dan?”

De jongeling stond als versteend, Françoise gaf een luiden gil. Op

hetzelfde oogenblik sprong een man van het leger op.

„Wie dringt hier binnen?” vroeg hij met grimmige stem; doch eer Jaromir

antwoorden kon, was ook Alisette opgesprongen, had zich aan zijne

voeten geworpen, omklemde zijne knieën en snikte: „Veroordeel mij niet,

ik ben onschuldig!”

Jaromir was bedwelmd, verplet, vernietigd. Hij zag zoovele

onheilspellende schrikbeelden tegelijk op hem aandringen, dat zijn

oog ze niet meer alle onderscheiden kon. Hij wierp de lamp van zich

en riep, de handen tegen het voorhoofd gedrukt, hijgende uit: „O, ik

rampzalige!”

Alisette had zijne knieën met beide armen krampachtig omstrengeld. Het

los gewoelde haar golfde over de ontbloote schouders en den zwellenden

boezem. „Ik sta niet op, eer gij mij vergeven hebt!” kermde zij en

drukte het aangezicht op den grond. „En wilt gij niet, zoo vertrap mij;

ik wil aan uwe voeten sterven.”

Jaromir hoorde en zag niet.

Eene forsche hand greep hem thans bij den arm en schudde hem hevig.

„Ik vorder eene verklaring, heer graaf, en vraag, met welk recht gij u

verstout hebt hier binnen te dringen.”

Jaromir wendde zich half bewusteloos om. Juist brak tegenover de

vensters een helle vuurgloed door het dak van een naburig gebouw,

zoodat het vertrek roodachtig verlicht werd. Bij deze schemering

herkende hij den overste Regnard, die in een haastig omgeworpen mantel

voor hem stond.

Verschrikt sprong deze terug; Alisette, die zich juist wilde oprichten,

gaf een doordringenden kreet en zonk weder half onmachtig op het

vloerkleed neder. Jaromir was zoozeer verbijsterd, dat hij de vraag van

den overste niet dadelijk vatten kon. In dezen had de onverhoedsche

schrik met den ontbrandenden toorn te kampen; zoo bleef het eenige

seconden doodstil.

„Voor den duivel! Ik vraag, wat uw indringen hier te beduiden heeft!”

riep de overste, thans in woede losbarstend; „antwoord mij, als gij een

man van eer zijt.”

Regnard geloofde het gevaar niet zoo nabij, en wat den naburigen brand

betrof, daarover had hij zich met den moed van een oud soldaat al

dadelijk weder gerustgesteld.

Alisette was thans angstvol opgesprongen. Zij wierp zich tusschen de

beide mannen in en riep, de handen wringende: „In 's hemels naam, laat

ons vluchten, vluchten! Ik wil immers alles, alles bekennen!”

Doch met onstuimig losbarstende woede greep Jaromir den naakten arm

der smeekende aan, schudde haar als een tijger het lam, en donderde:

„Beken, rampzalige! Hebt gij Lodoiska belasterd!”

„Vergeving! genade!” kermde de doodelijk beangste en wilde voor hem op

de knieën zinken. Doch Jaromir slingerde haar grimmig van zich, zoodat

zij op den grond neerstortte, en riep: „Giftige adder! vlucht, laat mij

geen vrouwenbloed op mijne ziel laden!”

Regnard wilde den razende in den arm grijpen, maar Jaromir deed hem

door een krachtigen stoot in een hoek terugtuimelen. „Wij spreken

elkander nader; thans red u, want het paleis staat in brand.”

Een doffe donderslag, die uit de diepte der aarde opwaarts dreunde,

verslond de laatste woorden. Het paleis sidderde, de vensterruiten

sprongen kletterend in stukken; kalk en pleister vielen van de

wankelende, opensplijtende zoldering naar beneden.

„Hel en duivel! Wat is dat?” riep Regnard.

„Barmhartige hemel!” kreet het meisje en wrong de handen.

„Van u weet de barmhartigheid niets,” riep Jaromir haar met doffe stem

en dreigend opgeheven hand toe. „Deze gewelven storten in over uwe

gruwelen en u verslinden de vlammen der hel.”

„Genade! erbarmen! red mij!” snikte de rampzalige en wankelde op

Jaromir toe; maar zij kon zich niet langer staande houden en zeeg bleek

en roerloos voor zijne voeten neder.

„Wij kunnen haar hier niet laten omkomen,” sprak Regnard koen beraden;

„help mij haar naar beneden dragen.” Hij trachtte haar op te richten;

Jaromir stond als eene ijzeren beeldzuil en staarde de onmachtige met

strakke blikken aan. Intusschen werd de deur van het nevenvertrek

opengestooten en het pleegkind van Françoise, de kleine driejarige

dochter harer zuster, sloop binnen en stamelde angstig: „Ik ben zoo

bang, tante.”

Bij den aanblik van dit hulpelooze wezen keerde het bewustzijn in

's jongelings borst terug en tegelijk zijn teergevoelig medelijden.

„Neen, gij zult niet omkomen, kleine, schuldelooze engel,” sprak hij

weemoedig; „gij noch deze misdadige.” Hij nam het kind op zijne armen

en wikkelde het in een sjaal van Alisette. Regnard had haar reeds een

mantel omgeworpen; echter was hij niet in staat haar op te richten,

daar de bekomen wonde zijn arm nog krachteloos maakte. Jaromir reikte

hem de kleine over en zeide: „Daar, neem gij het kind.” Hierop greep

hij de bezwijmde aan, hief haar met jeugdige kracht op zijn arm en trad

op de deur toe. „Mij na! Den tuin kunnen wij nog bereiken.” Regnard

volgde hem.

Reeds drong een dichte damp en sulferlucht tot de vertrekken door; doch

de vlammen wierpen van buiten zulk een helder licht op de voorwerpen,

dat men zich in den weg niet bedriegen kon. De kleine trap, die naar

den tuin afdaalde, was geheel met smook vervuld en een verzengende

gloed sloeg de vluchtenden tegen. Zonder te aarzelen wierp Jaromir zich

in den lichtenden nevel; in drie sprongen was hij beneden en bereikte

gelukkig de open lucht. Regnard was hem stoutmoedig op den voet

gevolgd. Ademloos, met verschroeide haren en wenkbrauwen, bleven zij op

eene veilige plek in den tuin staan. Daar legden zij hun last op het

gras neder en schepten adem.

„Wij zijn in zekerheid,” mompelde Jaromir op den doffen toon van koele

onverschilligheid; „in den tuinmuur is eene deur, zoo de poort van het

paleis reeds in brand mocht staan.—Wat ons betreft, heer overste, wij

zullen elkander wel wederzien!”

Regnard zweeg. Hij vermoedde thans den samenhang en gevoelde, dat hij

van den ongelukkige geene verklaringen te vorderen had. Deze echter

trad haastig door den tuin, om zich te paard te werpen en de zijnen op

te zoeken.

Het trouwe ros stond, hoewel niet aangebonden, geduldig aan de tuindeur

en scheen zijn heer op te wachten. Jaromir wierp zich in den zadel en

rende met lossen teugel de straat op.

Van alle zijden stonden de gebouwen thans reeds in blakenden gloed;

de nacht was helderder dan de dag. Slechts waar de opeengepakte smook

en walm of de dichte aschregens voorbij togen, was het stikduister.

De brandende straten schenen uitgestorven; alles was gevlucht. De

reddingsmiddelen wendde men slechts aan om de nog vrijgebleven panden

te beschutten, want waar het vuur eens was losgebroken, was elke

worsteling met het vernietigend element vruchteloos. De vlam knapte

en knetterde overal in het rond; het scheen Jaromir toe, dat het de

furiën der hel waren, die hem vervolgden. Zijn paard werd door de

sporen en den angst even krachtig voortgedreven; het vloog als een

pijl uit den boog met hem voort. Maar de bedwelmde zocht geen uitweg,

hij hield de teugels, maar bestuurde die niet, hij gaf geen acht op

eenige teekens, hij lette niet op de richting van den wind; zijn paard

bewusteloos de vrije keuze latende, verdoolde hij dieper en dieper in

het labyrintische warnet der vlammende straten. Eerst toen het schuwe

dier zich eensklaps van alle zijden in eene heining van vuur en vonken

en gloed en licht zag besloten, en deinsde en zich wilde omwerpen en

nogmaals deinsde, en brieschte en snoof, terwijl het zich steigerend op

de achterpooten uitrekte, en spranken en vuurvlokken uit de smeulende

manen trachtte te schudden,—eerst toen zag Jaromir, in welk een

helschen poel hij geraakt was. De doorgloeide lucht was nauwelijks meer

in te ademen, het oog brandde en sloot zich, door de hitte verblind;

eene duldelooze, stekende pijn doorpriemde de hersenen. „Dus hier moet

ik sterven?—Zijn het de vlammen der hel, die mijne misdaad zoo spoedig

straffen?”

Hij was het leven moede, doch de natuur verzette zich tegen dezen

pijnlijken marteldood. Met geweld spalkte hij de verblinde oogen

open en staarde in de vuurzee, om ergens een uitweg te ontdekken. Een

rukwind gierde huilend door de vlammen, perste ze met kracht te zamen

en dreef ze vervolgens uitéén, den waggelenden muur met vernielende

woede omversleurend. Jaromir wierp zich in de gapende kloof; een

oogenblik lang werden de vlammende golven naar boven opgestuwd,

zoodat de blik tot het punt waar de redding wenkt kon doordringen.

Doch reeds sloegen de vlammen weder over zijn hoofd samen; plotseling

hoorde hij een vreeselijk donderen en kraken; het was een dak, dat

instortte; gloeiende balken en sparren en ribben kletterden naar

beneden; zijn paard, door een zwaren hoeksteen in het kruis getroffen,

zeeg verpletterd onder hem neder. Bedwelmd tastte hij in het rond,

doch richtte zich weder op en drong te voet verder. Reeds waande hij

zich verloren; met de oogen, die, door den gloed verblind, in de holen

zengden, halfgesloten, spoedde hij voorwaarts, op de plaats toe, waar

hij voor eenige minuten eene opene ruimte bespeurd had. Daar, in dien

eenzamen vuurchaos, drong eensklaps eene ernstige, mannelijke stem tot

zijn oor door. „Weet gij ons nog een uitweg uit de vlammende straten

aan te wijzen?” hoorde hij zich van ter zijde toeroepen.

Blij verrast, toch één mede den dood gewijden makker in deze

verlatenheid te hebben aangetroffen, wendde hij zich naar de zijde,

vanwaar de stem kwam. Doch door schrik en eerbied versteend, bleef

hij roerloos staan, toen hij den _keizer_, die met een klein gevolg

uit ééne enge zijstraat vluchtte, voor zich zag. „Hoe? Hij zelf! Hij,

van wien het lot van allen afhangt, in deze golvende vuurzee, waar

nergens meer een reddingsweg te ontdekken is? Neen, zóó kan _hij_ niet

verloren gaan!”—Deze levendige, profetische overtuiging gaf hem kracht

en bezinning terug. Door de rustige kalmte van den onverzettelijken

man, die hem met dezelfde onveranderlijke trekken aanblikte, waarmede

hij in den storm van het gevecht aan het roer stond, voelde hij zijn

eigen vertrouwen versterkt. Het nam toe door een blik op de radelooze,

bevende geleiders van den veldheer, die, door schrik verblind en

verbijsterd, niet meer in staat waren de oude sporen der straten in de

wentelende vlammen weer te vinden. Met bezielende kracht doordrong hem

het gevoel, dat zijn nietig leven in vergelijking met dit onberekenbaar

gewichtige niets gold, en daarom bedwelmde het hem niet meer, dat hij

door duizend smarten verscheurd en thans door een reddeloos verderf

bedreigd werd. Eer en mannenplicht verhieven hem boven zich zelf.

„Weet gij geen uitweg!” herhaalde de keizer. „Ik vertrouw ja,” was het

vaste antwoord; „doch de weg gaat door vuur en vlammen.”

„Welaan dan! Het heeft haast,” hervatte de keizer en ging, werwaarts de

hand des jongelings heenwees. Deze ging voor, vast besloten zich stout

in den gloed te werpen. Doch het scheen, dat de losgelaten elementen

huiverden, den machtige aan te tasten; althans de stormwind verhief

zich met verdubbelde woede en brak eene baan door de vlammen. Jaromir

snelde vooruit; het pad ging door asch en vuurregens, over smeulende

balken en puinhoopen. Men ademde gloed in; het oog scheen te koken;

tong en lippen verdorden. Daar waaide eene frissche windvlaag den

jongeling leven en verkoeling toe; de ruimte was bereikt, de redding

verzekerd!

1812: Historische roman · 第 80 / 154 题