HOOFDSTUK IV.

Toen Bernards kalmte langzamerhand was teruggekeerd, en Rasinski en

Lodewijk met warmte daarop aandrongen, verhaalde hij hun eindelijk,

bijna met de oude, ruwe luim, zijn avontuur te Warschau met de

zonderlinge schijnverwisseling der ringen. „Zoo ben ik dan met een

nieuwen titel uitgedoscht,” besloot hij, gedwongen schertsend; „en kan

mij den broeder eener onbekende noemen; want zij was jong en schoon,

dat bezweer ik, trots den sluier, die haar omhulde. Zij kon wel is

waar ook mijne moeder zijn, maar dan ware de ontmoeting niet half zoo

romantisch.”

Nog nooit had Lodewijk een zoo diepen blik in het hart des vriends

geworpen, als op dit oogenblik. Bernard, die zich met zelfstandige

kracht van alle ketens des levens en der betrekkingen wist los te

rukken, wiens stout, koen hart de vrijheid hooger scheen te schatten,

dan zelfs de zoetste banden der liefde; hij, die vaak zoo ruw tegen

de zachtere verbindingen des levens optrad en haar met eene vastheid,

die Lodewijk verbaasde, trotseerend toeriep: Gaat, gij hebt mij niet

opgezocht, gaat dan, ik heb u ook niet noodig; de gewoonte, om

alleen te staan, heeft mij de kracht daartoe gegeven; ik ben mijzelf

genoeg!—deze ruwe, geharde borst van rots en steen brak en smolt

week, ja vernietigd te zamen alleen bij de voorstelling, dat een

liefelijk wezen, door de teedere banden des bloeds aan hem verwant,

hem was voorbijgezweefd, zonder dat hij het herkend en aan de onder

het koude omkleedsel zoo vurig gloeiende borst geklemd had. Met welk

eene ontroering beschouwde Lodewijk in dit oogenblik den vriend, die

het weekste, het meest liefdevolle hart met een ijzeren harnas van

zelfverloochening en wilskracht hield ompantserd. Voorzeker wist hij

sinds lang, dat onder het harde marmer zijner borst geen hol graf,

geen koude aschkruik rustte; doch deze macht van den innerlijken, diep

verholen gloed der liefde had hij tot hiertoe bij hem noch gekend, noch

vermoed.

„Ziet gij! Zulk een dwaas, zulk een droomer ben ik,” sprak Bernard na

een ernstig stilzwijgen, „op zulke sporen in het stuifzand bouw ik

den babylonischen toren mijner luchtkasteelen! Lacht mij maar duchtig

uit, dat long en lever schudden; waarachtig, gij hebt er recht toe,

want als men de trouwringen van onzen aardbol of slechts die van eene

enkele stad als Moskou of Dresden op een hoop schudde, zouden er

tweelingbroertjes bij dozijnen onder zijn, en ik kon ten minste op

zooveel vaders, moeders of zusters aanspraak maken, als de boheemsche

graaf, die men te Dux ziet afgebeeld, zoons had,—vier en twintig

namelijk. Wanneer ik thans alles bedaarder naga, moet ik betuigen, dat

ik, ware er niet de nacht en een romantisch avontuur bijgekomen, aan

het gansche geval niet langer zou gedacht hebben, dan ik tijd noodig

heb, om dien nietigen ring van den vinger te schuiven. Wij kunstenaars,

want daar reken ik mij nu eens onder en houd palet en penseel voor mijn

rechtmatig diploma, zijn echter vaak dweepende, maanzieke narren en,

geloof mij, ik ben in dat opzicht niet de minste onder de broeders.

Dus, lacht mij uit, en daarmede basta!”

Maar niemand lachte en Bernard zelf vermocht het slechts gedwongen met

de lippen.

„Ik heb besloten te handelen, gelijk ik tot hiertoe gedaan heb,” ging

hij voort, daar niemand antwoordde. „Wil het noodlot mij iets van mijne

geheime betrekking bekend maken, goed dan, ik heb er niets tegen, ik

zelf echter raak de gordijn met geen hand of vinger aan. De gesluierde

gestalten kan ik mij zoo lief en bekoorlijk droomen als ik wil, de

ontsluierde, de hemel weet, met wat leelijke tronies die mij misschien

konden aangrijnzen! Jong en schoon was het wezen, dat ik ontmoette,

dat weet ik zeker; daarom wil ik het als eene zuster of halfzuster

beschouwen. Onze gansche ontmoeting was die van broeder en zuster;

zijn wij het niet, zoo wil ik toch ten minste den droom vasthouden

en geen platte werkelijkheid zal mij daaruit onaangenaam wekken.

Ik heb altijd een hekel gehad aan het hanengekraai; vooral wanneer

het gillend tusschen de muziek van een droom inkakelt en ons uit de

hemelsche gewesten, waardoor wij meenden rond te zweven, op eene harde

stroomatras neerbonst, waarop wij lui en liederlijk de matte leden

uitrekken. Maar waarlijk, vrienden, het is tijd daartoe; ik heb slaap

en ga naar bed. Goeden nacht!”

Hij stond op en ging heen. Lodewijk volgde en wilde hem in de

eenzaamheid warm aan het hart drukken. Nu voelde hij, dat Bernards wang

vochtig was; doch geen woord, geen klaagtoon kwam over zijne lippen,

hij rukte zich met fierheid los en sprak slechts: „Goeden nacht,

broeder.”

Lodewijk keerde naar Rasinski terug. Thans eerst trad hem de

verrassende wending zijner eigene levensbetrekkingen weder levendig

voor den geest. „Het is zonderling,” sprak hij tot den ouden vriend,

„ik win niets, ik verlies niets bij de verwisseling van naam en het

naricht van mijn vader, dien ik reeds sedert twintig jaren gewoon ben

onder de dooden te tellen, en toch is het mij, alsof ik onberekenbaar

veel gewonnen en tegelijk verloren had.”

„De mogelijkheid van beiden moet in den beginne natuurlijk levendig

bij ons opkomen,” antwoordde Rasinski; „echter geloof ik, dat Bernard

gelijk heeft, als hij beweert, dat die indrukken van lieverlede

bijna geheel verdwijnen. Wij hebben immers zoo even gezien, hoe de

plotselinge verrassing hem onweerstaanbaar met zich voortsleepte; de

golven zijner ziel stortten bruisend over elkander als een woeste

waterval; thans zien wij dien stroom hoogstens nog met driftige vaart

tusschen de oevers voortrollen.”

„Het is mogelijk des te dieper!”

„Mogelijk!—doch ten laatste verloopt ook de Rijn in het zand.

Wonden, smart, hoop, verwachting, niet telkenreize uit nieuwe bronnen

gevoed, geloof mij, als uw ouderen vriend, zij drogen eindelijk uit,

al dreigden zij in den beginne ook alle dijken en oeverdammen te

vernielen.”

Lodewijk las Maria's brief nog eenmaal door en verdiepte zich in stille

mijmeringen over deze nieuwe, onvermoeide wendingen, waarmeê de stroom

zijns levens voortwentelde. Rasinski, niet minder in sombere gedachten

verloren, wandelde het vertrek op en neder. Thans sloeg het negen uur.

„Bernard heeft gelijk,” dus brak de laatste het stilzwijgen af; „de

vermoeide natuur laat zich niet afwijzen. Wij moeten ons ter rust

leggen. Wie weet, welke stoornis de nachtelijke uren medebrengen; want,

onder ons, ik ben nog altijd ver van gerust in deze verlatene, doodsche

stad. Telkenreize komt de gedachte aan de vloot der Grieken bij mij op,

die van Troje onder zeil ging, om 's nachts terug te keeren.”

Deze woorden herinnerden Lodewijk eerst weder aan de ontdekkingsreis,

welke zijn vriend gedaan, maar door de aankomst der brieven uit

Duitschland vergeten had, aan Rasinski mede te deelen. Hij verhaalde nu

alles, wat Bernard wilde gezien hebben.

„Hm! Is dat zoo, dan behoeven wij niet dadelijk voor vijandelijkheden

bevreesd te zijn!” antwoordde de overste. „Waarschijnlijk zijn het

schuwe bedienden of oude zieke lieden, die niet meer ontvluchten konden

en zich hier verborgen hebben, daar zij bevreesd voor ons waren.

Rostoptschin doodverft ons in al zijn berichten als moordenaars en

tempelschenders, men kan het dus het arme volk niet ten kwade duiden,

dat het zich voor zulke monsters tracht schuil te houden. Laat ons

de lieden ten minste nog dezen nacht rust gunnen. Morgen wil ik het

gansche slot laten doorzoeken. De wacht aan de poort, mijne bedienden,

die in de voorzaal slapen, en vooral wij zelven verschaffen ons

genoegzame zekerheid. Ook kunnen wij ons immers slagvaardig houden en

ons gekleed en met onze wapens neerleggen. Dit verontruste u dus niet;

verbeeld u slechts nog dezen nacht op het bivak te liggen.—Goeden

nacht, lieve vriend! Ik denk, de dag van morgen zal voor ons gewichtig

zijn.”

Lodewijk ging. Toen hij door de lange zaal trad, welke zijn

slaapvertrek van dat van Rasinski scheidde, werd het hem bijna angstig

om het hart in de wijde, eenzame ruimte, waar elke schrede, elk

geritsel langs de holle wanden fluisterend voortkroop. Hij kwam in

zijne kamer; die van Bernard stond open; hij zag naar binnen; de vriend

was er niet.

„Ik dacht dadelijk wel, dat hij niet slapen ging,” mompelde Lodewijk.

„Voorzeker gaat hij voor zijn geschokt hart in nacht en eenzaamheid

rust zoeken. Als hij zich maar niet te onvoorzichtig midden in de

vreemde stad waagt!”

Onrustig trad hij aan het venster en zag zijne kameraden aan de vuren

in diepen slaap liggen. Een officier waakte nog en ging met rassche,

ongelijke schreden de straat op en neder; bij het vuurschijnsel

herkende hij Jaromir. Om te vernemen, of deze ook iets van Bernard

wist, begaf hij zich naar beneden.

„Goeden avond, vriend; hebt gij Bernard zien uitgaan?” vroeg hij den

jongeling, die, zonder hem te herkennen, met driftige schreden wilde

voorbijsnellen.

„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” met deze woorden richtte hij bevreemd

en blijkbaar verdrietig het hoofd op.—„Ach Lodewijk! zijt gij het,”

vervolgde hij langzaam en op een somberen toon, toen hij den vriend

herkende. „Gij komt juist als geroepen. Hebt gij lust, een brief van

Lodoiska te lezen? Eerst voor een half uur, toen ik van eene wandeling

door de stad terugkwam, heeft Boleslaw mij dien overhandigd.—Hebt gij

ook brieven gehad?”

„Jawel! en van een zonderlingen aard!”

„Van een zonderlingen aard is deze ook!—Daar, lees!”

„Gij vergeet, vriend, dat ik nog te weinig met het poolsch gevorderd

ben; maar lees gij hem mij voor.”

„Voorlezen! Ach!” Hij zuchtte, bedekte zijne oogen en voorhoofd met

de hand en streek er meermalen over heen, alsof hij eene drukkende

hoofdpijn tot bedaren zocht te brengen.

„Zijt gij ongesteld, vriend?”

„Hoofdpijn!—Het woeste soldatenleven bedwelmt mij

somwijlen.—Voorlezen kan ik den brief waarachtig niet! Het vuur

verblindt mij te zeer, mijne oogen gloeien. Morgen misschien.”

„Gij schijnt in eene treurige stemming, goede Jaromir. Hebt gij

bedroevende tijding ontvangen? Rasinski heeft ons nog geen woord

gezegd, schoon hij brieven van zijne zuster heeft.”

„Van zijne zuster!—Wat zal die hem ook schrijven! Ach Lodewijk! Ik

wenschte dat ik bij mijne kameraden aan de redoute lag!”

„Mijn God!” riep Lodewijk verschrikt, „wat deert u dan? Wat schrijft u

Lodoiska? Zeg het mij ten minste, wanneer gij niet lezen kunt.”

„Neen, ik wil lezen, al zouden mij de oogen uit het hoofd springen!”

riep hij hevig, nam den brief opnieuw uit zijn boezem en trok Lodewijk

met zich naar het groote wachtvuur, waar beiden zich op het stroo

nederwierpen. Jaromir las:

„Teeder geliefde Vriend!

„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en

wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij

u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde,

wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer

keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk

zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige

uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te

vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan

mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven,

om mij op te beuren, stuit op mijne borst af, maar het gebed dringt

tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het

wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige

stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor

den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen,

als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich

met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir!

Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo

vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze

voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat

u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen

troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook

zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor

Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming,

en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk,

onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den

troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u

geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon

eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren

van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag

wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister

blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans

omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar

alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik

zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen

aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en

gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat

gij weder in de armen rust van

Uwe LODOISKA.”

„Dat edele, goede meisje! Enkel liefde, vertrouwen, onschuld en

waarheid!” riep Lodewijk, toen Jaromir geëindigd had. Deze wierp zich

met onstuimigheid aan zijn hart en drukte zijn gloeiend gelaat tegen de

borst van den vriend. Lodewijk kon niet vermoeden, wat den jongeling

zoo hevig ontroerde, en waande, dat het de overmaat van verlangen

naar de verwijderde geliefde was.—„Wees een man, Jaromir,” sprak hij

bemoedigend, „de dag des wederziens zal aanbreken; hij is misschien

niet verre meer.”

Jaromir bleef in die houding, zonder een woord te antwoorden.

Vreeselijke gedachten pijnigden zijne ziel. Ongelukkig zijt gij, riep

de stem in zijn binnenste, wanneer dit niet de taal der waarheid is,

dubbel ellendig, wanneer zij het is!

Daar hij bij voortduring zweeg en den vriend steeds vaster omklemde,

vroeg Lodewijk eindelijk, om aan zijne gedachten een andere wending te

geven, naar Bernard.

„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Jaromir zich oprichtende en het

hoofd schuddende; „ik heb niemand, niets gezien!—Lodewijk! ik moet u

verlaten, ik moet alleen zijn! Ik bid u, laat mij alleen!”

Lodewijk zag hem ontroerd na, toen hij opsprong en, met overhaaste

schreden de straat opgaande, in het duister verdween.

Zouden dan al mijne vrienden heden in zulk eene spanning verkeeren,

dacht hij, zoodat ik vreezen moet, dat zij door den drang hunner

innerlijke gewaarwordingen en aandoeningen de uiterlijke wereld en hare

gevaren vergeten? En heb ik zelf niet wellicht de sterkste oorzaken tot

eene gelijke stemming? Van waar dan, dat mijn hart zooveel rustiger

slaat? Ach—wijl ik mij reeds onder het ijzeren juk van het lot

gebogen heb, wijl mijne hoop niet meer zoo frisch bloeit en de warme,

bruisende ader der vreugde lang heeft uitgebloed?—Op den Gotthard was

ook ik niet zoo kalm en rustig. En ben ik het dan thans werkelijk? Of

ben ik slechts vermoeid?

Langzaam keerde hij naar zijne kamer terug. Hij trad aan het venster,

om te zien, of geen der beide vrienden zou terugkeeren. Een vol uur

verliep, alles bleef stil. De vuren waren bijna verteerd; slechts een

doffe, smeulende gloed glom nog te midden der zwarte, op den grond

gelegerde gestalten. Men hoorde de diepe, zware ademhaling door het

zwijgen van den nacht; zelfs de vuurwachten werden door den slaap

overweldigd en sluimerden in. Eene doodsche stilte lag over de gansche,

onmetelijke stad uitgebreid.

1812: Historische roman · 第 77 / 154 题