Toen Bernards kalmte langzamerhand was teruggekeerd, en Rasinski en
Lodewijk met warmte daarop aandrongen, verhaalde hij hun eindelijk,
bijna met de oude, ruwe luim, zijn avontuur te Warschau met de
zonderlinge schijnverwisseling der ringen. „Zoo ben ik dan met een
nieuwen titel uitgedoscht,” besloot hij, gedwongen schertsend; „en kan
mij den broeder eener onbekende noemen; want zij was jong en schoon,
dat bezweer ik, trots den sluier, die haar omhulde. Zij kon wel is
waar ook mijne moeder zijn, maar dan ware de ontmoeting niet half zoo
romantisch.”
Nog nooit had Lodewijk een zoo diepen blik in het hart des vriends
geworpen, als op dit oogenblik. Bernard, die zich met zelfstandige
kracht van alle ketens des levens en der betrekkingen wist los te
rukken, wiens stout, koen hart de vrijheid hooger scheen te schatten,
dan zelfs de zoetste banden der liefde; hij, die vaak zoo ruw tegen
de zachtere verbindingen des levens optrad en haar met eene vastheid,
die Lodewijk verbaasde, trotseerend toeriep: Gaat, gij hebt mij niet
opgezocht, gaat dan, ik heb u ook niet noodig; de gewoonte, om
alleen te staan, heeft mij de kracht daartoe gegeven; ik ben mijzelf
genoeg!—deze ruwe, geharde borst van rots en steen brak en smolt
week, ja vernietigd te zamen alleen bij de voorstelling, dat een
liefelijk wezen, door de teedere banden des bloeds aan hem verwant,
hem was voorbijgezweefd, zonder dat hij het herkend en aan de onder
het koude omkleedsel zoo vurig gloeiende borst geklemd had. Met welk
eene ontroering beschouwde Lodewijk in dit oogenblik den vriend, die
het weekste, het meest liefdevolle hart met een ijzeren harnas van
zelfverloochening en wilskracht hield ompantserd. Voorzeker wist hij
sinds lang, dat onder het harde marmer zijner borst geen hol graf,
geen koude aschkruik rustte; doch deze macht van den innerlijken, diep
verholen gloed der liefde had hij tot hiertoe bij hem noch gekend, noch
vermoed.
„Ziet gij! Zulk een dwaas, zulk een droomer ben ik,” sprak Bernard na
een ernstig stilzwijgen, „op zulke sporen in het stuifzand bouw ik
den babylonischen toren mijner luchtkasteelen! Lacht mij maar duchtig
uit, dat long en lever schudden; waarachtig, gij hebt er recht toe,
want als men de trouwringen van onzen aardbol of slechts die van eene
enkele stad als Moskou of Dresden op een hoop schudde, zouden er
tweelingbroertjes bij dozijnen onder zijn, en ik kon ten minste op
zooveel vaders, moeders of zusters aanspraak maken, als de boheemsche
graaf, die men te Dux ziet afgebeeld, zoons had,—vier en twintig
namelijk. Wanneer ik thans alles bedaarder naga, moet ik betuigen, dat
ik, ware er niet de nacht en een romantisch avontuur bijgekomen, aan
het gansche geval niet langer zou gedacht hebben, dan ik tijd noodig
heb, om dien nietigen ring van den vinger te schuiven. Wij kunstenaars,
want daar reken ik mij nu eens onder en houd palet en penseel voor mijn
rechtmatig diploma, zijn echter vaak dweepende, maanzieke narren en,
geloof mij, ik ben in dat opzicht niet de minste onder de broeders.
Dus, lacht mij uit, en daarmede basta!”
Maar niemand lachte en Bernard zelf vermocht het slechts gedwongen met
de lippen.
„Ik heb besloten te handelen, gelijk ik tot hiertoe gedaan heb,” ging
hij voort, daar niemand antwoordde. „Wil het noodlot mij iets van mijne
geheime betrekking bekend maken, goed dan, ik heb er niets tegen, ik
zelf echter raak de gordijn met geen hand of vinger aan. De gesluierde
gestalten kan ik mij zoo lief en bekoorlijk droomen als ik wil, de
ontsluierde, de hemel weet, met wat leelijke tronies die mij misschien
konden aangrijnzen! Jong en schoon was het wezen, dat ik ontmoette,
dat weet ik zeker; daarom wil ik het als eene zuster of halfzuster
beschouwen. Onze gansche ontmoeting was die van broeder en zuster;
zijn wij het niet, zoo wil ik toch ten minste den droom vasthouden
en geen platte werkelijkheid zal mij daaruit onaangenaam wekken.
Ik heb altijd een hekel gehad aan het hanengekraai; vooral wanneer
het gillend tusschen de muziek van een droom inkakelt en ons uit de
hemelsche gewesten, waardoor wij meenden rond te zweven, op eene harde
stroomatras neerbonst, waarop wij lui en liederlijk de matte leden
uitrekken. Maar waarlijk, vrienden, het is tijd daartoe; ik heb slaap
en ga naar bed. Goeden nacht!”
Hij stond op en ging heen. Lodewijk volgde en wilde hem in de
eenzaamheid warm aan het hart drukken. Nu voelde hij, dat Bernards wang
vochtig was; doch geen woord, geen klaagtoon kwam over zijne lippen,
hij rukte zich met fierheid los en sprak slechts: „Goeden nacht,
broeder.”
Lodewijk keerde naar Rasinski terug. Thans eerst trad hem de
verrassende wending zijner eigene levensbetrekkingen weder levendig
voor den geest. „Het is zonderling,” sprak hij tot den ouden vriend,
„ik win niets, ik verlies niets bij de verwisseling van naam en het
naricht van mijn vader, dien ik reeds sedert twintig jaren gewoon ben
onder de dooden te tellen, en toch is het mij, alsof ik onberekenbaar
veel gewonnen en tegelijk verloren had.”
„De mogelijkheid van beiden moet in den beginne natuurlijk levendig
bij ons opkomen,” antwoordde Rasinski; „echter geloof ik, dat Bernard
gelijk heeft, als hij beweert, dat die indrukken van lieverlede
bijna geheel verdwijnen. Wij hebben immers zoo even gezien, hoe de
plotselinge verrassing hem onweerstaanbaar met zich voortsleepte; de
golven zijner ziel stortten bruisend over elkander als een woeste
waterval; thans zien wij dien stroom hoogstens nog met driftige vaart
tusschen de oevers voortrollen.”
„Het is mogelijk des te dieper!”
„Mogelijk!—doch ten laatste verloopt ook de Rijn in het zand.
Wonden, smart, hoop, verwachting, niet telkenreize uit nieuwe bronnen
gevoed, geloof mij, als uw ouderen vriend, zij drogen eindelijk uit,
al dreigden zij in den beginne ook alle dijken en oeverdammen te
vernielen.”
Lodewijk las Maria's brief nog eenmaal door en verdiepte zich in stille
mijmeringen over deze nieuwe, onvermoeide wendingen, waarmeê de stroom
zijns levens voortwentelde. Rasinski, niet minder in sombere gedachten
verloren, wandelde het vertrek op en neder. Thans sloeg het negen uur.
„Bernard heeft gelijk,” dus brak de laatste het stilzwijgen af; „de
vermoeide natuur laat zich niet afwijzen. Wij moeten ons ter rust
leggen. Wie weet, welke stoornis de nachtelijke uren medebrengen; want,
onder ons, ik ben nog altijd ver van gerust in deze verlatene, doodsche
stad. Telkenreize komt de gedachte aan de vloot der Grieken bij mij op,
die van Troje onder zeil ging, om 's nachts terug te keeren.”
Deze woorden herinnerden Lodewijk eerst weder aan de ontdekkingsreis,
welke zijn vriend gedaan, maar door de aankomst der brieven uit
Duitschland vergeten had, aan Rasinski mede te deelen. Hij verhaalde nu
alles, wat Bernard wilde gezien hebben.
„Hm! Is dat zoo, dan behoeven wij niet dadelijk voor vijandelijkheden
bevreesd te zijn!” antwoordde de overste. „Waarschijnlijk zijn het
schuwe bedienden of oude zieke lieden, die niet meer ontvluchten konden
en zich hier verborgen hebben, daar zij bevreesd voor ons waren.
Rostoptschin doodverft ons in al zijn berichten als moordenaars en
tempelschenders, men kan het dus het arme volk niet ten kwade duiden,
dat het zich voor zulke monsters tracht schuil te houden. Laat ons
de lieden ten minste nog dezen nacht rust gunnen. Morgen wil ik het
gansche slot laten doorzoeken. De wacht aan de poort, mijne bedienden,
die in de voorzaal slapen, en vooral wij zelven verschaffen ons
genoegzame zekerheid. Ook kunnen wij ons immers slagvaardig houden en
ons gekleed en met onze wapens neerleggen. Dit verontruste u dus niet;
verbeeld u slechts nog dezen nacht op het bivak te liggen.—Goeden
nacht, lieve vriend! Ik denk, de dag van morgen zal voor ons gewichtig
zijn.”
Lodewijk ging. Toen hij door de lange zaal trad, welke zijn
slaapvertrek van dat van Rasinski scheidde, werd het hem bijna angstig
om het hart in de wijde, eenzame ruimte, waar elke schrede, elk
geritsel langs de holle wanden fluisterend voortkroop. Hij kwam in
zijne kamer; die van Bernard stond open; hij zag naar binnen; de vriend
was er niet.
„Ik dacht dadelijk wel, dat hij niet slapen ging,” mompelde Lodewijk.
„Voorzeker gaat hij voor zijn geschokt hart in nacht en eenzaamheid
rust zoeken. Als hij zich maar niet te onvoorzichtig midden in de
vreemde stad waagt!”
Onrustig trad hij aan het venster en zag zijne kameraden aan de vuren
in diepen slaap liggen. Een officier waakte nog en ging met rassche,
ongelijke schreden de straat op en neder; bij het vuurschijnsel
herkende hij Jaromir. Om te vernemen, of deze ook iets van Bernard
wist, begaf hij zich naar beneden.
„Goeden avond, vriend; hebt gij Bernard zien uitgaan?” vroeg hij den
jongeling, die, zonder hem te herkennen, met driftige schreden wilde
voorbijsnellen.
„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” met deze woorden richtte hij bevreemd
en blijkbaar verdrietig het hoofd op.—„Ach Lodewijk! zijt gij het,”
vervolgde hij langzaam en op een somberen toon, toen hij den vriend
herkende. „Gij komt juist als geroepen. Hebt gij lust, een brief van
Lodoiska te lezen? Eerst voor een half uur, toen ik van eene wandeling
door de stad terugkwam, heeft Boleslaw mij dien overhandigd.—Hebt gij
ook brieven gehad?”
„Jawel! en van een zonderlingen aard!”
„Van een zonderlingen aard is deze ook!—Daar, lees!”
„Gij vergeet, vriend, dat ik nog te weinig met het poolsch gevorderd
ben; maar lees gij hem mij voor.”
„Voorlezen! Ach!” Hij zuchtte, bedekte zijne oogen en voorhoofd met
de hand en streek er meermalen over heen, alsof hij eene drukkende
hoofdpijn tot bedaren zocht te brengen.
„Zijt gij ongesteld, vriend?”
„Hoofdpijn!—Het woeste soldatenleven bedwelmt mij
somwijlen.—Voorlezen kan ik den brief waarachtig niet! Het vuur
verblindt mij te zeer, mijne oogen gloeien. Morgen misschien.”
„Gij schijnt in eene treurige stemming, goede Jaromir. Hebt gij
bedroevende tijding ontvangen? Rasinski heeft ons nog geen woord
gezegd, schoon hij brieven van zijne zuster heeft.”
„Van zijne zuster!—Wat zal die hem ook schrijven! Ach Lodewijk! Ik
wenschte dat ik bij mijne kameraden aan de redoute lag!”
„Mijn God!” riep Lodewijk verschrikt, „wat deert u dan? Wat schrijft u
Lodoiska? Zeg het mij ten minste, wanneer gij niet lezen kunt.”
„Neen, ik wil lezen, al zouden mij de oogen uit het hoofd springen!”
riep hij hevig, nam den brief opnieuw uit zijn boezem en trok Lodewijk
met zich naar het groote wachtvuur, waar beiden zich op het stroo
nederwierpen. Jaromir las:
„Teeder geliefde Vriend!
„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en
wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij
u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde,
wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer
keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk
zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige
uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te
vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan
mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven,
om mij op te beuren, stuit op mijne borst af, maar het gebed dringt
tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het
wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige
stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor
den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen,
als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich
met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir!
Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo
vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze
voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat
u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen
troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook
zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor
Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming,
en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk,
onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den
troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u
geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon
eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren
van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag
wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister
blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans
omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar
alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik
zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen
aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en
gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat
gij weder in de armen rust van
Uwe LODOISKA.”
„Dat edele, goede meisje! Enkel liefde, vertrouwen, onschuld en
waarheid!” riep Lodewijk, toen Jaromir geëindigd had. Deze wierp zich
met onstuimigheid aan zijn hart en drukte zijn gloeiend gelaat tegen de
borst van den vriend. Lodewijk kon niet vermoeden, wat den jongeling
zoo hevig ontroerde, en waande, dat het de overmaat van verlangen
naar de verwijderde geliefde was.—„Wees een man, Jaromir,” sprak hij
bemoedigend, „de dag des wederziens zal aanbreken; hij is misschien
niet verre meer.”
Jaromir bleef in die houding, zonder een woord te antwoorden.
Vreeselijke gedachten pijnigden zijne ziel. Ongelukkig zijt gij, riep
de stem in zijn binnenste, wanneer dit niet de taal der waarheid is,
dubbel ellendig, wanneer zij het is!
Daar hij bij voortduring zweeg en den vriend steeds vaster omklemde,
vroeg Lodewijk eindelijk, om aan zijne gedachten een andere wending te
geven, naar Bernard.
„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Jaromir zich oprichtende en het
hoofd schuddende; „ik heb niemand, niets gezien!—Lodewijk! ik moet u
verlaten, ik moet alleen zijn! Ik bid u, laat mij alleen!”
Lodewijk zag hem ontroerd na, toen hij opsprong en, met overhaaste
schreden de straat opgaande, in het duister verdween.
Zouden dan al mijne vrienden heden in zulk eene spanning verkeeren,
dacht hij, zoodat ik vreezen moet, dat zij door den drang hunner
innerlijke gewaarwordingen en aandoeningen de uiterlijke wereld en hare
gevaren vergeten? En heb ik zelf niet wellicht de sterkste oorzaken tot
eene gelijke stemming? Van waar dan, dat mijn hart zooveel rustiger
slaat? Ach—wijl ik mij reeds onder het ijzeren juk van het lot
gebogen heb, wijl mijne hoop niet meer zoo frisch bloeit en de warme,
bruisende ader der vreugde lang heeft uitgebloed?—Op den Gotthard was
ook ik niet zoo kalm en rustig. En ben ik het dan thans werkelijk? Of
ben ik slechts vermoeid?
Langzaam keerde hij naar zijne kamer terug. Hij trad aan het venster,
om te zien, of geen der beide vrienden zou terugkeeren. Een vol uur
verliep, alles bleef stil. De vuren waren bijna verteerd; slechts een
doffe, smeulende gloed glom nog te midden der zwarte, op den grond
gelegerde gestalten. Men hoorde de diepe, zware ademhaling door het
zwijgen van den nacht; zelfs de vuurwachten werden door den slaap
overweldigd en sluimerden in. Eene doodsche stilte lag over de gansche,
onmetelijke stad uitgebreid.