HOOFDSTUK III.

Jaromir en Boleslaw waren op dezen eersten avond in Moskou van hunne

vrienden gescheiden, daar hunne tegenwoordigheid bij de troepen

volstrekt noodzakelijk was. Toen echter de bivaksvuren vlamden en de

soldaat behoorlijk verzorgd en van spijs en drank genoegzaam voorzien

was, konden de wachthebbende officieren zich wel beurtelings voor

eenigen tijd van hunne posten verwijderen en zich door hunne kameraden

daarop laten vervangen. Dit deed ook Jaromir. Bij zijne frissche,

levendige geaardheid, bij zijne jeugdige, nog voor alle indrukken

des levens vatbare gevoeligheid, was, hoeveel hij ook reeds beleefd,

gezien en ondervonden mocht hebben, de intrede in eene nieuwe, beroemde

hoofdstad eene gebeurtenis voor hem, die zijne belangstelling en

nieuwsgierigheid in eene hooge mate gaande maakte. Met verbazing

had hij de paleizen, de lange onafzienbare straten en ruime pleinen

aangestaard; het Kremlin met de hooge koepels, torens en tinnen had

op zijne ziel den indruk van een tooverslot uit de wonderwereld der

feeën gemaakt. Hij had lust om door de straten te dwalen, de bivakken

der kameraden te bezoeken, met hen te keuvelen en te schertsen, in één

woord, om na de langdurige inspanning eens vrij en frank de vreugde

van den ongestoorden lediggang te genieten. Boleslaw bespeurde dit

en met zijne gewone welwillendheid bood hij hem, zonder eerst een

verzoek af te wachten, aan, den dienst van hem over te nemen. Met twee

officieren van het bataljon infanterie, dat Rasinski voor het oogenblik

was toegevoegd, drentelde hij, toen het reeds begon te schemeren, arm

in arm de straat op, om eene wandeling door de stad te doen.

„Hier op deze beide torens met hunne gouden koepels moeten wij het oog

houden,” zeide hij tot zijne geleiders, „zij kunnen ons, al wordt het

ook donker, weer terecht wijzen, want in den getakten knop spiegelen

onze vuren zich helder genoeg af, om hem zelfs in den nacht uit de

verte te zien blinken.”

Lebrun en Lacoste, zoo heetten zijne makkers, waren even als hij zelf

in de lustigste stemming. „_Marlborough s'en va en guerre_,” neurde

Lebrun, zich luchtig den knevel opstrijkende, en de beide anderen

bleven niet in gebreke, hem met hunne stemmen in koor te ondersteunen.

Na eenige straten, waarin hun eene batterij zware artillerie te gemoet

kwam, te hebben doorgeslenterd, kwamen zij aan het Kremlin. Hier

waren groote bivakken opgeslagen. Der jonge garde was het plein ter

legerplaats aangewezen.

Lange rijen van geweerrotten flonkerden prachtig in den weerschijn der

vuren, die men ter zijde van de straat had aangelegd. Daar de soldaat

steeds gewoon is, zijne legerplaats zooveel mogelijk te versieren, had

men ook hier voor elk bataljon eene piramide van trommels en adelaren

opgericht. Aan de uitgangen der verschillende kruisstraten stonden

de kanonnen opgesteld; zij waren afgespannen, de brandende lonten

stonden in den grond geplant. Om de lieden te vervroolijken, hoorde

men van verschillende zijden een krijgszuchtige veldmuziek; doch

slechts weinigen hadden kracht genoeg of waren in eene luim, om aan een

luchtigen dans naar de geliefkoosde française of gavotte de rust op de

met stroo bedekte straatsteenen op te offeren. Over het geheel leverde

het leger wel eene levendige, maar niet die vroolijke vertooning op,

welke zulk een krijgszuchtige nomadenstad anders, vooral na dagen van

zege en overwinning, den toeschouwer pleegt aan te bieden. De kleeding

der meeste soldaten was gescheurd, met bloed en kruit bevlekt; zelfs de

garde maakte daarop geene uitzondering, ofschoon zij bij Borodino geen

deel aan het gevecht genomen had. Later toch, toen Kutusow nogmaals eene

verschanste stelling bij Krymskoïe, drie uren vóór Moskou, aannam, had

ook zij zich eervol van haar plicht gekweten.—Hier en daar hoorde

men een lustig liedje aanheffen, doch meerendeels lagen de baardige

krijgers in hunne mantels gewikkeld aan de vuren en sliepen of staarden

geeuwend in de vlammen, waarop hunne dampende kookketels stonden.

„Laat ons daar de kaai eens opwandelen, waar al die prachtige huizen

staan,” sprak Jaromir.

Ook hier lagen soldaten; het was de oude garde. Bij deze anders aan

zoo strenge tucht gewone troepen heerschte thans weinig orde. Men had

de deuren der huizen opengebroken en zich van de ruime voorportalen

meester gemaakt; de officieren lagen op de bovenverdiepingen uit

de vensters. De soldaten sleepten hout en stroo aan; anderen

droegen beddenspreien, kussens en tapijten naar beneden, om zich

een gemakkelijk leger te spreiden, want de soldaat was de vroolijke

erfgenaam der gevluchte bezitters.—Het bivak kreeg door deze

stoffeering een bont, bijna oostersch aanzien, te meer, daar juist

eenige lijfmammelukken des keizers zich met lange pijpen in den mond

op een prachtig geborduurd tapijt en hemelsblauwe, in een naburig

paleis gevonden kussens hadden neergevlijd.

„Hm! gij zijt hier wel op uw gemak,” sprak Lacoste; „nu, geen wonder!

de garde moet altoos een streepje vóór hebben. Het is vrij onzeker, of

gij het bivak in huis, dan de huizen in het bivak gedragen hebt. Waarom

gaat gij niet liever binnen op de ledikanten liggen?”

„Er is order om te bivakeeren, heer kapitein,” antwoordde een grenadier

met blinkend zwarten knevel; „maar dat zal, naar alle verwachting, niet

lang duren. Als de nacht zoo schoon is, als nu, kan men het zich nog

licht getroosten.”

„Zoo schoon? Mij dunkt de wind zal koel genoeg blazen,” merkte Jaromir

op.

„Als hij de vuren maar niet uitblaast,” riep de knevel glimlachend,

„laat hem dan vrij zijn gang gaan.”

„Zeg liever, als hij ze maar niet aanblaast,” hernam Lebrun. „Uw bivak,

vriend, is niet het geregeldste van die ik tusschen den Ebro en hier

gezien heb. 's Nachts, als alles slaapt en de vuurwachten knikkebollen,

kan het stroo onder uw lijf in brand vliegen bij zulk een verduiveld

verwarde huishouding.”

„Waarachtig!” riep Jaromir, „het zou wat fraais zijn, als gij de

winterkwartieren boven uw hoofd in brand staakt; maar het schijnt

er volkomen op toegelegd. Zie eens, hooi en stroo zijn van het vuur

tot aan de huisdeuren gestrooid, alsof gij met een kruitslang een

artilleriepark woudt in de lucht doen springen.”

„Pah! stroo is geen kruit. Wat licht brandt, is licht gedoofd!”

antwoordde de grenadier.

„Niet altijd,” hernam Lacoste; „uw bivak wil ik met eene sigaar in

brand steken, maar het zou u moeielijk vallen, in gansch Moskou water

genoeg bijeen te halen om het uit te blusschen.”

„Wij zullen het wat voorzichtiger aanleggen, heer kapitein,” sprak de

grenadier, zich buigend, terwijl de officieren hun weg voortzetten.

„Het verwondert mij toch, dat zoo iets wordt toegelaten,” meende

Jaromir, „het is inderdaad gevaarlijk.”

„Zeker is het,” antwoordde Lacoste, de schouders ophalend; „maar bij

zijne geliefde garde ziet de keizer veel door de vingers. Hij steunt er

op, dat het enkel veteranen zijn, die met krijg en krijgstucht bekend

en van de noodzakelijkheid der laatste zoo overtuigd zijn, dat zij

vanzelf doen wat goed is. Dat is ook wezenlijk het geval op marsch,

in het leger en in den slag; maar, gij weet het, is de tijd om uit te

rusten eens voor den soldaat gekomen, dan is het onmogelijk hem tot

werken te bewegen. Zoolang hij aan den gang is, gaat het, men kan hem

opladen, wat zijne schouders kunnen dragen; strekt hij zich echter

eens moe en mat op het bivak neer, vooral zooals nu in eene veroverde

hoofdstad, dan mag gebeuren, wat wil, hij stoort zich aan niets. Nu,

men moet ook iets aan het geluk en aan den goeden hemel overlaten,

wanneer alles, wat hier op de wereld gevaarlijk is, op zijn ergst

uitviel, dan mocht de henker soldaat zijn. Onze grootste troost zijn

immers de kogels die niet treffen.”

Al pratende was men verder gewandeld; geen schrede, die niet een beeld

voor de hand eens bekwamen schilders aanbood. Hier een oud krijgsman,

die sliep, als zou hij nooit weer ontwaken, en niet bespeurde,

dat zijne zolen reeds aan het vuur verzengden, zoodat Jaromir hem

meêlijdend ter zijde schoof, om den armen duivel den volgenden dag niet

geheel blootsvoets te laten loopen. Dáár eene marketentster, die door

een zwerm lustige soldaten omgeven en vrouwelijke geslepenheid met

trots op de nauwgezette eerlijkheid van haar handel parende, allen

gelijkelijk wist tevreden te stellen. Verderop spelen, plagerijen,

liederen, dansen. Een weinig ter zijde eene groep genoegelijk

keuvelende en snappende ouden, die meer litteekens dan haren op de kale

schedels omdroegen. Eene zieke, die mistroostig, met omwonden hoofd,

in de kapot gewikkeld in het stroo dook. Een pijper, die zich in eene

schilderachtige houding als sansculotte op zijn ransel had gezet,

terwijl hij als zijn eigen kleermaker zijn eenige broek opflikte. Zelfs

eene moeder met een tweejarigen knaap zag men, aan het vuur zittende,

met het kind stoeien en dartelen. Dat was het eenige zoete loon voor

eene trouw en eene liefde, welke haar den moed hadden gegeven, deze

onmetelijke, met bloed besmette wildernissen te doorwandelen.

Terwijl Jaromir zich door een dichten hoop soldaten den weg trachtte

te banen, die elkander om een met rijst beladen wagen, waarvan zij hun

rantsoen zouden ontvangen, verdrongen, voelde hij iemand aan zijne

jasslip trekken. Hij zag op; het was een sierlijk gekleed jockey, een

knaap, naar het scheen, van ruim vijftien jaren, wiens aanwezigheid in

het leger opzien moest wekken. Een engelsche hoed met breed omslaande

randen en zwarten vederbos, versierde het hoofd en bedekte ten halve de

gelaatstrekken.

„Wat wilt gij, mijn jongen?” vroeg Jaromir verwonderd.

De kleine boog zich een weinig, als beschaamd, en fluisterde: „Ik moet

u verzoeken, mij te volgen!”

Jaromirs verbazing nam toe, toen hij den schoonen knaap opmerkzamer

aanzag, de schemering, het roodachtig schijnsel der wachtvuren

en de diepe slagschaduw van den hoed verleenden het gezicht eene

eigenaardige, romantische bekoorlijkheid.—De trekken deden levendige

herinneringen bij hem oprijzen, welke hij echter op geen bepaald

voorwerp wist te huis te brengen; evenwel hield hij zich overtuigd, dat

hij den knaap reeds vroeger ergens moest gezien hebben.

„Volgen?” vroeg hij; „gaarne; maar waarheen?”

„Slechts mij na,” sprak de kleine, zich ras omwendende, terwijl hij uit

het gedrang zocht te ontkomen. Jaromir, hoogst verrast en gespannen,

ijlde hem na, bevreesd hem in al het gewoel uit het oog te zullen

verliezen.

IJlings voortgaande sloeg de vlugge geleider eene donkere, smalle

zijstraat in, door welke zij spoedig op een open plein uitkwamen. Daar

stond plotseling het Kremlin met zijn in de diepe schemering zwart

en reusachtig opwaarts stijgende torens en muren vóór hen; door het

laatste avondlicht beschenen, blonk het gulden kruis des heiligen Iwans

op de spits der hoofdkerk en scheen zich in het blauw des hemels te

verliezen. Ofschoon Jaromir door de zeldzame ontmoeting zeer gespannen

en met gedachten en vermoedens vervuld was, die hem van wat hem omgaf

onwillekeurig aftrokken, zoo maakte toch dit onverwachte, grootsche

schouwspel een machtigen indruk op zijne jeugdige ziel. Als aan den

grond gekluisterd bleef hij roerloos staan en staarde naar de hoogte.

Zijn gids echter, die hem steeds eenige schreden was vooruitgebleven,

zag steeds aandrijvend naar hem om en wenkte met de hand, dat hij

niet zou dralen. Zij kwamen aan den voorhof van een prachtig paleis;

de knaap snelde de breede marmertrappen op, trad in het portaal en

wachtte, of Jaromir hem volgde. Nu greep hij diens hand en zeide: „Hier

moet ik u omzichtiger leiden, want in de donkere zuilengangen zoudt gij

verdwalen.”

Inderdaad was de wijde voorhal des huizes door eene kleine lamp,

die bij een boogvenster op eene marmeren tafel stond, zoo goed als

niet verlicht. Ternauwernood kon men de breede trap, die naar de

bovenverdiepingen voerde, onderscheiden. Jaromir aarzelde; zou hij

verder volgen, in de vreemde stad, in het ledige huis?—Hij was niet

vreesachtig en toch wankelde hij in zijn besluit, om zich geheel aan

zijn onbekenden geleider toe te vertrouwen.

„Halt, mijn jongen,” sprak hij, „niet verder eer gij mij zegt waarheen.”

„Een Pool, een soldaat, en vrees?” fluisterde de knaap bijna spotachtig.

Dit antwoord verdroot den moedigen jongeling. „Vrees?” riep hij;

„beeldt gij zelf u misschien ook in, mij bevreesd te maken, kleine?

Vooruit dan, in 's hemels naam, maar gij blijft mij borg voor al, wat

mij bejegent.”

De knaap antwoordde niet, maar Jaromir reikte zijne hand toe, die haar

zoo krachtig vastklemde, dat de kleine geleider hem niet ontkomen kon;

hierop trok hij zijne sabel en riep: „Voorwaarts nu, waarheen gij wilt.”

De zwijgende gids leidde hem de trap op, opende, op een bovengang

gekomen, eene kleine deur en voerde hem vervolgens door eene lange

reeks van, naar het scheen, ledig staande vertrekken, waarin eene

zwarte duisternis alle voorwerpen omsluierd hield.

Nog eenmaal traden zij door eene deur; de knaap wierp die achter zich

in het slot, wrong door eene onverhoedsche wending zijne kleine hand

uit die van Jaromir los, verdween in het duister en riep hem nog

slechts met eene welluidende zilverstem de woorden toe: „Wacht hier een

oogenblik!”

Jaromir wilde naar den vluchteling grijpen en tastte met uitgestrekte

armen om zich heen, maar het toeslaan eener tweede deur bewees hem, dat

zulks te laat en de vlugge page ontkomen was.

Alléén in den stikdonkeren nacht, klopte Jaromirs hart met hoorbare

slagen; hij trachtte de deur, waardoor hij was ingetreden, te openen;

maar zij moest een springslot hebben, althans zijne pogingen waren

vruchteloos.

„Zou de vijand mij hier in eene hinderlaag gelokt hebben?” dacht hij

bij zich zelf. „Doch wat reden kon hij hebben, om juist u onder zoovele

duizenden tot prooi uit te kiezen? En hoe toevallig stiet men op u! Er

waren wel belangrijker levens in het leger te vinden, wanneer de vijand

het daarop toelegde. Maar wat ter wereld kan men met mij voorhebben?

Waartoe die geheimzinnigheid?”

Door dergelijke gedachten verontrust, trad hij aan het venster, dat met

dichte, zijden voorhangsels gesloten, zich door eene smalle lichtstreep

kenbaar maakte. Hij schoof de gordijnen open; het vertrek zag uit op

een tuin; achter dien tuin werd men door het schemerdonker de, door

de vlammen der bivaksvuren bestraalde, beide torenspitsen gewaar,

welke Jaromir tot leidsterren op zijne wandeling hadden moeten dienen.

Bedroog hij zich niet ten eenenmale, dan moest hij door den tuin op den

naasten weg naar de zijnen uitkomen. Hij herinnerde zich tevens, in de

straat, waarin zijn regiment gelegerd was, een tamelijk langen tuinmuur

en daarin een kleine achterpoort te hebben gezien. Met de gevatheid van

een soldaat, wist hij deze omstandigheden der plaatselijke gesteldheid

dadelijk met elkander in verband te brengen en hield zich nu volkomen

verzekerd, dat hij, eerst in den tuin zijnde, ook den muur bereiken

en vandaar de hulp zijner kameraden inroepen kon. In zijne gedachten

ontwierp hij reeds het plan tot een terugtocht, ingeval het tot het

uiterste komen en zijn leven bedreigd worden mocht. Hoe in den tuin te

geraken, was slechts de zwarigheid, want het venster was hoog en een

sprong uiterst gewaagd. Daar kwam hem het toeval te hulp; hij hoorde

plotseling in zijne nabijheid eene deur in hare hengsels kraken. Op

het geluid afgaande, ontdekte hij eene kleine deur in het behangsel,

die, slecht toegemaakt door den wind heen en weder bewogen werd; hij

opende die en stond in een gang, welks venster op den tuin uitkwam.

Daar het door geen gordijn gesloten was, liet het genoegzaam licht

door, om de plaatselijke gesteldheid verder te onderzoeken, en reeds

na eenige oogenblikken vond de jongeling een kleine trap, die, tot

zijne vreugde en geruststelling, naar den tuin afdaalde en beneden niet

gesloten was. Hij stond nu aan den uitgang en was heer zijner vrijheid,

doch een gevoel van schaamte en eerzucht dreef hem weder naar boven;

tevreden, dat hij zich van een vrijen aftocht kon verzekerd houden,

besloot hij, het avontuur stoutmoedig te bestaan.—Juist had hij het

duistere vertrek weder bereikt, toen de deur, waardoor zijn geleider

verdwenen was, geopend werd en een zacht lichtschijnsel hem in de

oogen blonk. Eene vrouwelijke, in witte kleeding en sluiers gewikkelde

gedaante zweefde hem te gemoet; zij hield eene, door een mat geslepen

glas bedekte lamp van antieken vorm in de hand. Jaromir, die zich op

een vijand, althans op eene ernstige, zoo niet gevaarlijke ontmoeting

had voorbereid, was uiterst verbaasd. Met zichtbare verwarring boog

hij zich; doch de vreemde zette de lamp op de marmeren tafel, trad op

hem toe en vroeg, zonder echter den sluier op te lichten, met eene

liefelijke, hem hoogst bekend voorkomende stem: „Raadt gij niet, wie

voor u staat?”

„Bij den hemel, neen!” riep de jongeling; „maar kennen moet ik u!”

„Gij hebt geen trouw geheugen,” hervatte de onbekende, „en ik herkende

u toch te midden van het gewoel, en mijn hart sloeg ruimer, wijl ik een

vriend en beschermer hoopte te vinden. Maar ik moet u toch smeeken,

dat voor mij te zijn!” Met deze woorden sloeg zij de sluier op en zag

beschaamd voor zich neder. De schemering, die in het vertrek heerschte,

bedekte hare van het licht afgekeerde gelaatstrekken. Jaromir tot het

uiterste gespannen, greep driftig hare hand en trok haar nader bij de

lamp. Zij bood slechts flauwen wederstand, maar neigde met vrouwelijke

schaamte het hoofd op den vollen boezem.

„Alisette! Gij?” riep hij buiten zich zelf van verbazing. „Hoe is het

mogelijk, dat gij hier komt!”

Zij sloeg haar schoon blauw oog, dat in vochtigen glans schemerde,

biddend tot hem op en sprak met eene bevende stem: „Ach, voorzeker is

het mij zelve onbegrijpelijk; maar er zijn tijden en omstandigheden,

welke ook ons vrouwen in de zonderlingste en ongewoonste betrekking

plaatsen. O, ik gevoel diep”, ging zij met neergeslagen oogen voort,

„hoe vijandig de schijn is, die op mij vallen moet, nu gij mij hier

aantreft! Doch wist gij....”

„Ik zweer u,” riep Jaromir vurig uit, „dat mijn hart niet in staat is,

eenigen onwaardigen argwaan te voeden!”

„O gij edele vriend,” snikte Alisette, greep zijne hand en drukte ze

met warmte. Hierop zonk zij vermoeid en uitgeput op de sofa neder en

verborg haar lokkig hoofd in het zijden kussen. Zij scheen in stilte

te weenen. Jaromir stond voor haar en beschouwde het schoone meisje

met een kloppend hart. Het hoofd rustte op den vollen, licht verhulden

arm, de haren wierpen hunne schaduw op wangen en nek; de rechterhand

hing achteloos neder. Zacht zette hij zich naast haar, nam hare hand en

sprak met waarlijk medelijdende aandoening: „Bedaar, arm meisje! Gij

zult een vriend in mij vinden.”

Zij richtte zich langzaam op. „Ach,” zuchtte zij, „wanneer het tafereel

van mijn leven zoo met recht levendige kleuren voor mijn geest staat,

dan begeven mij de krachten. Schenk gij mij slechts vergiffenis!—Maar

hooren moet gij, welke lotswisselingen mij herwaarts voeren. Beantwoord

mij echter eerst deze ééne vraag: Herkendet gij mij niet vroeger?”

„U? Wanneer?” vroeg Jaromir verwonderd.

„Gij zoudt mij niet in de mannelijke kleeding herkend hebben!”

„Onmogelijk! Gij zelve waart de sierlijke, schelmsche bode? Nu begrijp

ik de duistere wenken der herinnering.....”

„De schelmsche bode!” viel Alisette hem met een bitteren nadruk in

de rede. „O wanneer gij wist, wat het mij gekost heeft, die rol vol

te houden. Maar ik heb op het tooneel gestaan, waar ik vaak met een

verscheurd, bloedend hart een lachend gelaat moest vertoonen!—Doch,

wilt gij mij aanhooren? Zal mijn verhaal u niet vermoeien? Zult gij mij

uw raad en bijstand niet ontzeggen?”

„Een ellendeling zou ik zijn, indien ik niet bereid ware, alles voor

u te doen!” riep Jaromir, drukte hare zachte hand, die nog immer in

de zijne rustte, aan zijne lippen en bedekte ze met gloeiende kussen.

Alisette belette dit niet en drukte haar doek voor de schoone, weenende

oogen.

„Nu, verhaal dan, verhaal mij alles,” bad Jaromir; „droog die bittere

tranen, want gij hebt een vriend, een broeder gevonden.”

„En ik wil mij aan u vertrouwen, als aan een broeder,” hervatte het

meisje en drukte liefderijk zijne hand. „Gij weet wellicht niet, dat ik

een afschuw van mijn stand heb? Waarom—behoeft eene vrouw, een meisje

u niet te verklaren. Maar de dringende nood, de zorg voor het eenig

overgebleven kind eener boven alles geliefde zuster, die ik in Engeland

verloor, drongen mij, in deze rampzalige betrekking te blijven.

Mijn talent, dat ik slechts tot eene vrijwillige veraangenaming des

levens voor mij en anderen bestemd waande, moest onder den drukkenden

slaafschen plicht, om voor het dagelijksche onderhoud te zorgen,

buigen. De treurige omstandigheden, die mij het eerst deze akelige

baan deden inslaan, behoef ik u niet op te geven. In Warschau vondt

gij mij daarop; de uren, in het huis der gravin gesleten, de vluchtige

dagen, dat ik u daar aantrof, waren de schoonste mijns levens. Gaarne

ware ik daar gebleven, maar de verfoeielijke aanbiedingen eens mans

in wiens hand daar mijn gansche lot berustte, dwongen mij, spoedig na

u, eenige dagen nadat de gravin was afgereisd, de stad te verlaten,

waar ik zooveel goeds had genoten, waar echter eensklaps al diegenen,

welke mij vriendschap hadden betoond, als door een ruwen storm naar

alle wereldstreken waren uiteengestoven. Zonder raad of hulp, bleef

mij niets over, dan den naasten tak aan te grijpen, dien ik in mijne

schipbreuk ontdekte. Een tooneeldirecteur, die op de macht en het

geluk des keizers het onbepaaldste vertrouwen stelde, beijverde zich,

leden voor eene fransche opera aan te werven, door welke hij het

winterverblijf in Rusland voor het leger dacht te veraangenamen. In den

beginne heette het, de keizer zou te Witepsk blijven; derwaarts volgde

hem de nieuwe beschikker van mijn lot. Ik waagde mij te midden van

het gewoel des oorlogs; zonder vrees, durf ik zeggen, want ik ben aan

de stormen des levens gewoon en uitwendig gevaar verschrikt mij niet

meer. Maar nauwelijks waren wij te Witepsk aangekomen, of de keizer

brak van daar op en de stad werd zoo ledig en eenzaam als vroeger. Ten

einde de groote onkosten, welke hij reeds had gemaakt, niet geheel te

verliezen, besloot de ondernemer het leger te volgen. Hij hield zich

stellig overtuigd, dat de keizer weldra te Moskou zijn zoude, en zocht

ons daardoor te overreden, hem verder te volgen. Echter zou ik zeker

naar Duitschland of Polen zijn teruggekeerd, maar.....” Zij scheen

een oogenblik huiverig om voort te gaan. „Doch waarom zoude ik mij de

bekentenis schamen,” vervolgde zij blozend, „het ontbrak mij daartoe

aan geld.”

„O, waarom zocht gij mij, waarom den graaf Rasinski niet op! Wij

stonden immers dicht bij de stad en ik zelf kwam er dagelijks.”

„Ach, had ik u gezien, ik zou misschien den moed gehad hebben, tot

u zulk eene bede te richten; maar tegenover anderen hield eene

onoverwinnelijke schaamte mij borst en lippen toegeklemd. Ook zag ik

den graaf slechts eens op zijn prachtigen schimmel voorbijrijden; ik

stond aan het venster, doch hij bemerkte mij niet.”

„De onmogelijkheid van het terugkeeren,” vervolgde het schoone meisje

na eenig stilzwijgen, „dreef mij verder en verder in de akelige

wildernis voort. Slechts voor de dagelijksche, dringende behoeften

zorgde de ondernemer; voor het overige beloofde hij ons gouden bergen

van Moskou, wellicht alleen, om elken anderen uitweg voor ons af te

sluiten. De nabijheid der armee, de vaak voor mijn gevoel stuitende

nachtverblijven, het gestadige, niet te vermijden verkeer met mannen

deden mij besluiten, de mannelijke kleeding aan te nemen. Voor een

groot voorrecht mag ik het houden, dat het mij gelukte, eene plaats

op den bagagewagen van een generaal te krijgen, want ik ging nu

voor een zijner bedienden door en de reis werd mij oneindig minder

bezwaarlijk. Wij kwamen eenige dagen na den slag door het nog smeulende

Smolensko. Hier wierp ik voor het eerst een blik op de gruwelen van

den oorlog. Door afgrijzen versteend, bevend en half bewusteloos

reed ik over den bloedigen weg voort, dien men door puin en lijken

had gebaand, en zag aan beide zijden half verbrande lijken en zwarte

menschenbeenderen opeengestapeld. Ik moest eindelijk het oog sluiten

voor deze hartverscheurende beelden. Maar zij vernieuwden zich

dagelijks. Misschien zag ik afgrijselijker tooneelen dan gij zelf;

want gij snelt op de baan des roems rusteloos voort en werpt geen

blik terug op de vreeselijke sporen van dood en verwoesting, die het

langzaam wijkende monster des krijgs achterlaat. Maar ik heb ze gezien,

die jammergestalten, aan den weg, die holoogige bleeke spooksels, die

ons hunne doffe klachten tegenkreunden. Ik heb hen gezien en moest,

schoon mij het hart brak, voorbijgaan, zonder hen te kunnen helpen.

En in deze woestenijen van gruwel en ellende dreef mijne bestemming

mij voort! Met elken tred onzer vermoeide paarden werd de terugkeer

onherroepelijker gesloten. De stroom drong langzaam voorwaarts; ik

zag, dat hij op mijn reddeloos verderf uitliep. Maar was ik in staat,

alleen om te keeren en langs den weg terug te dwalen, waar ik bij elken

voetstap op een lijk, op een stervende stooten moest? Hoe had daar,

waar duizenden in den krijg geharde mannen versmachtten, wijl hunne

krachten bezweken, een zwak, hulpeloos meisje den terugweg gevonden!

Bijna waanzinnig door de onophoudelijke verschrikking, die mijne

ziel verscheurde, liet ik mij door mijn lot meedrijven en dacht in

doffe bedwelming aan geen tegenstand meer. Zoo hoorde ik het gedonder

van den vreeselijken slag, zoo reed ik met gesloten oogen over het

lijkenveld, waaruit reeds vergiftige pestdampen opstegen, en zoo

eindelijk, dierbare vriend, bereikte ik deze stad. Daar elk hier met de

in overvloed opengelaten ruimte naar willekeur handelt, geraakte ook

ik in dit paleis, welks voorste vleugels eenige vrouwen bewonen, die

hetzelfde lot met mij deelen, maar zich met lichtvaardigen moed, ik zou

kunnen zeggen met schandelijke zorgeloosheid, daarin weten te voegen.

Zij hebben bovendien zoo spoedig innige betrekkingen aangeknoopt, dat

de mijne met haar zoo goed als verbroken is. Zoo was ik dan al dadelijk

in de eerste minuten het verlatendste wezen in deze reusachtige stad,

in dit onmetelijk rijk. Vóór ongeveer een uur waagde ik, mijn stillen

schuilhoek te verlaten; de angst dreef mij aan een anker in dezen nood

op te zoeken. Eensklaps deed een gunstig gesternte mij u ontdekken

en.... het overige behoef ik u immers niet meer te verhalen,” voegde

zij er fluisterend bij en sloeg het schoone oog verlegen ter aarde.

Het wonderbare en verrassende der ontmoeting, de eenzame,

vertrouwelijke plaats, de bevalligheid, welke Françoise Alisette zelfs

aan de geringste bewegingen en uitdrukkingen wist te verleenen, het

roerende en treffende van haar verhaal en hare levendige schildering,

de gedachte aan hare vrouwelijke hulpeloosheid in het onstuimig

woelen en stormen van den oorlog, bovenal echter de onweerstaanbare

tooverkracht der tranen van haar schoon, blauw oog—dit alles oefende

op het jeugdig hart des jongelings zulk een onuitsprekelijk vermogen

uit, dat hij, eer hij het vermoedde, in het purperen net gevangen was,

waarmede het bekoorlijke meisje hem omstrikte. Uit het vertrouwen, dat

zij hem schonk, putte hij eene hem zelf anders onverklaarbare koenheid;

het was hem, alsof zij nu haar gansche lot in zijne hand gelegd, alsof

zij hem tot heer en meester van haar doen en willen gemaakt had. Met

ras ontvlammenden gloed klemde hij zijne lippen op hare hand en trok

de schuw weerstrevende nader tot zich. Zijne gloeiende wang raakte de

hare; hij sidderde in zoete bedwelming; ook zij beefde in de armen, die

hij koen om haar slanke gestalte sloeg.

„Zoet, engelachtig wezen,” sprak hij teeder vleiende, „wees mijne

zuster, ik wil uw broeder zijn. Droog uwe tranen, wees niet meer

angstig bekommerd over uw lot, nu zal alles, alles geleden zijn.”

„O hemel, hoe overstelpt gij mij met ongehoopt geluk,” riep Alisette

en neigde zich, als overweldigd door haar gevoel, tegen den vriend en

verborg haar schoon gelaat aan zijne borst.

„Gij hebt mijne bruid later gezien dan ik,” sprak hij na eenige

minuten. „O, vertel mij van haar! Was zij zoo treurig, zoo bedrukt, als

hare brieven?”

Bij het woord bruid scheen Alisette krampachtig te rillen; een

gebroken, beklemd „ach!” rees uit hare borst op. „De schoone gravin

Lodoiska heb ik weinig meer gezien,” sprak zij met moeielijk herwonnen

kalmte; „den dag na den afmarsch was zij op het bal in het Saksische

Paleis, waar ik verschijnen moest, om op het concert te zingen.”

„Op het bal?” vroeg Jaromir op een toon, die duidelijk te kennen gaf,

dat dit bericht hem even onverwacht als onaangenaam voorkwam.

„De vorst Lichnowski geleidde haar.”

„Danste zij met hem?”

„Met hem alleen, ook slechts een paar maal. Den meesten tijd zaten zij

samen in de vensternis en spraken. Zij reden ook vroeg naar huis, want

de vorst bleef dien avond nog bij de gravin eten.”

Jaromir zweeg; een donkere gloed van toorn vloog over zijne wangen;

echter onderdrukte hij de jaloersche neiging, die in hem opwelde. Neen,

dacht hij eenige minuten later, zij bemint u teeder en hare droefheid

was zoo oprecht en ongehuicheld, als hare brieven die afschilderden.

Zou zij echter daarom het geleide van een vertrouwden vriend des huizes

niet meer aannemen? Zou zij zich aan een openlijk feest, dat nog wel

eene vaderlandsche strekking had, onttrekken? Gij doet haar onrecht!

In zijne open trekken had Françoise gelezen, wat in zijne ziel omging.

„Gij zijt eensklaps zoo verstrooid, lieve vriend,” sprak zij met

bezorgde deelneming, „de herinnering aan eene zoo schoone bruid moet

inderdaad zeer roerend zijn. Schrijft zij u dikwijls?”

„Ik heb sinds den dag voor den slag geen bericht gehad. De laatste

brief was uit Teplitz.—Maar zij schrijft dikwijls en met de

aandoenlijkste liefde.” De laatste woorden sprak hij met eene

ontroering, die scheen aan te duiden, dat hij over zijn argwaan

berouw had. Doch opeens schoot hem te binnen: Waarom heeft zij u niet

geschreven, dat zij op het bal geweest is? Zij heeft anders alles, wat

haar wedervaren is, nauwkeurig bericht, dag voor dag hare levenswijze

opgegeven—waarom....?

Alisette stoorde hem in deze gedachten. „Hoe gaarne had ik van de

gravin en uwe bruid afscheid genomen! Maar het was mij onmogelijk.

Driemalen liet ik mij aanmelden en vond telkens niemand te huis. De

portier zeide mij, dat zij naar buiten gereden waren. Zij kwamen eerst

laat weder in de stad en den morgen daarop wekte mij de wegrollende

wagen.”

„Naar buiten?” vroeg Jaromir vol verbazing, want ook daarvan had men

hem geheel onkundig gelaten. „Waarheen? Kent gij de plaats?”

„Neen,” antwoordde het meisje kennelijk verlegen, „die poolsche namen

kan ik zoo moeielijk onthouden.”

„Misschien Wikzolky; het goed van haar oom? Of Pulawy, waar vorstin

Czartoryski woont?”

Alisette ontkende zulks door eene lichte beweging met het hoofd.

„Maar naar wien dan? De naam des bezitters zult gij toch kennen?”

„De portier wist het niet,” hernam Alisette aarzelend.

„Dat is onmogelijk, lieve! Als hij de plaats kent, weet hij ook wie er

woont.—Ik bezweer u, meisje, spreek de waarheid!” riep hij eensklaps

met opbruisende heftigheid. Alisette beefde verschrikt terug.

„Mijn God!”

„De waarheid! Was het Czarnowicki?”

„Ik geloof ja!”

„Daar woont Lichnowski!” riep Jaromir en sprong woedend op. „Zij is

trouweloos, is zoo valsch als eene vrouw! Zij verzweeg mij dat bezoek;

dat had zij nooit gedaan, was zij onschuldig geweest! Een dagboek zond

zij mij; van elk uur, elke minuut gaf zij rekenschap. Eene heilige kon

niet stiller, ingetogener leven. O de huichelaarster!” Tranen welden in

de oogen des jongelings op; hij wischte ze verdrietig af en stampte met

den voet op den grond. „Het is waarachtig ook nog de moeite waard, dat

een man als een kind om haar schreien zou!” Doch zijne tranen vloten

slechts des te sterker.

Alisette was sidderend, zonder een woord te durven spreken, blijven

zitten; zij geleek een kind, dat onverhoeds een groot ongeluk heeft

aangericht en, van schrik verbleekt, zonder eene poging tot afwending

te wagen, het wassende verderf bevend aanziet. „O, wees toch bedaard,”

bad zij eindelijk vleiend: „zet u weder naast mij. Zeker, gij doet der

arme schreeuwend onrecht.”

„Neen!” riep hij heftig, „ik doe haar geen onrecht! Onwillens hebt gij,

lieve, meer verraden, dan gij vermoeden kunt! Zeg mij thans de volle

waarheid. Wat weet gij verder?”

„Werkelijk niets,” hervatte zij, door den smeekenden toon de vraag

ontwijkende.

„Alisette?” bad Jaromir onstuimig en zette zich weer. „Alisette!

Gij hebt hulp en bescherming van mij afgesmeekt! Thans heb ik u meer

noodig, dan gij mij, best meisje! O gij zijt goed, zeg mij alles, ik

bid u, alles wat gij weet en denkt.”

„Waarlijk, ik weet niets, en wat ik denk—dat mag ik niet denken. O,

dat ik mij een zoo ongelukkig woord moest laten ontvallen!”

„Slechts één ding zeg mij,” sprak hij met verkropte woede en

smart,—„is vorst Lichnowski de gravin naar Teplitz gevolgd?”

„Hij reisde denzelfden dag af,” antwoordde Alisette nauw hoorbaar.

„O, _gij_ zijt goed—_gij_ hadt mij niet zoo verraden,” riep hij met

diepe ontroering, trok de zacht weerstrevende aan zijn hart en neigde

het zware voorhoofd tot haar neder. „Maar ik wil haar vergeten! Zij zal

de voldoening niet hebben, dat een man om haar weent. Ik dacht slechts

aan _haar_ in den slag. Slechts _haar_ beeld stond voor mijne ziel; ik

zag geen dood, geen gevaar. Het scheen mij zoet te sterven, wanneer

men zoo betreurd werd—nog zoeter scheen het mij te leven! O, hoe

waanzinnig was die wensch! Waarom lig ik niet liever bij de vrienden op

de vlakte; daar zou ik rust vinden!”

„En ons brak het hart!” riep Alisette smartelijk uit en scheen van

schrik en schaamte te rillen, toen het woord aan hare lippen ontvloden

was. De uitroep, dien de macht van het te vergeefs bestreden gevoel

haar ontwrongen had, wierp een helderen lichtstraal in de verborgenste

diepte harer ziel.

Zij bemint u, dacht Jaromir en dat denkbeeld begon hem met gloeiend

leven te doordringen; zij bemint u waarachtig en heeft dat gevoel

bestreden en bedwongen in hare maagdelijk schuwe borst. Hoe kon uw

oog dat bekoorlijk wezen onachtzaam en miskennend voorbijzien! O, het

is eene wonderbare beschikking des hemels, die u in dit oogenblik der

diepste smart dezen engel van troost toezendt.

Na de onwillekeurige bekentenis had Alisette te vergeefs getracht, zich

uit Jaromirs driftige omarming los te winden, om hem te ontvlieden; hij

hield haar met klimmende liefde omstrikt; doch zij verborg hare van

schaamte gloeiende wangen schuw aan zijne borst.

„Neen, richt u op, zie mij aan, aanminnig wezen. Gij bemint mij? Mag ik

het hopen, het uitspreken? O thans eerst, in dit oogenblik eerst weet

ik, wat liefde is. Hoe koud was Lodoiska's omarming!”

Hij drukte zijne heete kussen op de lippen der hem flauw afwerende;

haar tegenstand was krachteloos tegen zijne onstuimigheid.

De donkere gestalte van zijn boozen demon trad ongezien achter

hem, hief de dreigende hand op en hield ze boven zijn hoofd

uitgestrekt.—„Nog ééne schrede en de koude, vreeselijke aanraking

treft uwen schedel en de vergiftigde adem dringt doodelijk in uwe

borst. Is geen goede genius u nabij? Treedt de reine gestalte der

geliefde niet tusschen u en het drogbeeld, dat u omstrengelt? Geen

beschermengel waakt over u—gij zinkt in het net der verdervende

machten!”

„Wilt gij de mijne zijn? Eeuwig de mijne?” smeekte Jaromir met teederen

aandrang. „Kunt gij hem vergeven, die u miskende, die den zuiveren

diamant van uw hart blind voorbijging? Alisette, ik heb zwaar onrecht

jegens u goed te maken! Maar vergeef mij—vergeef den onzinnige!”

„O onuitsprekelijk geluk!” stamelde Alisette uit en omstrikte hem

met hare blanke armen. Haar boezem vloog, hare lippen gloeiden aan

de zijne, haar adem stierf weg in zijne kussen. Jaromir sidderde in

huiverende verrukking. De bruisende kracht der jeugd stormde door al

zijne zinnen. Tot hiertoe had hij slechts de reine offervlam der liefde

gekend, van verre staande hare bezielende warmte ondervonden, haar

heiligen glans vereerd. Roekeloos trad hij het heiligdom te na. Als

gloeiend metaal rolde thans het vuur door zijne aderen, de vlam greep

den zoom van zijn kleed aan, sloeg in verterende woede over zijn hoofd

te zamen en—het heldere maanlicht der gelouterde liefde verbleekte

voor den onstuimig losbrekenden vulkaan zijner hartstochtelijke driften.

Met angstige gejaagdheid ontwaakte Alisette uit hare bedwelming en

wilde zich uit de omhelzing des geliefden losrukken; doch hij liet haar

niet los. „De mijne zijt gij voor altijd,” riep hij, „die gelofte zal

ik houden. Gij, de trouwe, de minnende, neem dezen ring. Dit gouden

teeken zij de getuige van ons verbond. Het is heilig gesloten, het is

onverbrekelijk.” Hij trok Lodoiska's ring van zijn vinger en stak hem

aan dien van Alisette. Zij hing sprakeloos aan zijne borst. „O, ik

ben eene misdadige,” riep zij eindelijk uit, „eene zwaar misdadige!

Maar gij, gij zijt er de oorzaak van, voor u heb ik die zonde op mijne

ziel geladen. Gij moogt mij niet verstooten.” En met nieuwe kussen en

tranen hing zij aan zijne lippen. „Laat mij het u slechts bekennen!

Schoon uiterlijke omstandigheden mij ook met harden nooddwang herwaarts

dreven, een machtiger aandrang des harten had mij toch het eerst op

deze gevaarlijke baan gevoerd. Een geheime stem in mijn binnenste

voorspelde mij, dat ik door de ster van mijn geluk geleid werd. Mijn

oog hing met tranen aan haar vertroostend schijnsel, maar mijn zwak

gelooven en hopen waande haar ongenaakbaar hoog. En nu, daar de

vervulling mij met geluk overstelpt..... nu.....”

Weenend verborg zij het gelaat in haar kleed, maar hield met den arm

den geliefden jongeling teeder omvat.

„Gij eenig geliefde! Is het dan waar, dat gij mij bemint?” sprak zij

vleiende en liefkoozende, daar hij stom en sprakeloos voor haar stond.

De blakende gloed was uitgedoofd; Jaromir zag thans, welke

verwoestingen de verterende vlam om hem had aangericht. Eene koude,

akelige rilling van berouw drong hem door de borst. „Of ik u bemin?”

vroeg hij met somberen weemoed. „Buiten u heeft thans de aarde

niets meer voor mij! Gij zijt het eenige gesternte, dat voor mij

flonkert—mocht _gij_!—neen, neen!—gij zult voor mij eeuwig glanzen.

Gij zoete geliefde! Uwe zachte hand heelde immers de gloeiende

wonde, door welke eene giftige verraderes mijn boezem zoo gruwzaam

verscheurde! O, gij waart mijn goede engel in een vreeselijk uur!”

Hij leunde zijn voorhoofd tegen het hare; zijne tranen vloeiden

onophoudelijk. Hoe hij het zich ook trachtte op te dringen, thans eerst

gevoelde hij het,—hij was toch niet gelukkig! Een wervelwind had hem

hoog op het toppunt des levens gedragen, maar onder zijne voeten voelde

hij geen grond; de storm trok de vleugels in en met dezen zonk hij

dieper en dieper neder. Slechts naar de lichtende starren boven hem

hief hij de oogen angstig op.

De doffe slag eener torenklok, die negen malen door den stillen nacht

drong, deed beide minnenden uit hunne verdooving ontwaken.

„Gij moet weg,” riep Alisette,—verschrikt opspringende; „als men u

hier vond, was ik verloren!”

„Verloren? Wie kan na den band, dien wij gesloten.....”

„Om aller heiligen wil, ik hoor gerucht,” viel zij hem haastig in de

rede; „de deur wordt geopend, de klank dringt door de holle gangen tot

hier door. Wij hier in het donker—wanneer men ons vond!—Geliefde, als

u mijn leven, mijne eer dierbaar is, dan verlaat mij nu! Gij weet niet,

wat een vrouwenhart gevoelt! Mij zou de schaamte vernietigen, wanneer

de vrouwen—o, ik bid u, ik smeek u, ontvlucht! Nog is het tijd! Hier

door deze deur naar den tuin!”

Zelve gaf zij hem de sabel, die hij afgelegd had, in de hand en drong

hem met angstvallige liefkoozingen te gaan.

„Gij schuwe ree!” sprak hij weemoedig glimlachend. „Hoe bekoorlijk is

deze schaamte! Wees gerust, gij moogt het oog opslaan tegen velen, die

zich vlekkeloos achten, want zuiver is uwe ziel; uw hart blijft een

ongeschonden heiligdom!”

„O, pijnig dat hart dan niet langer!” smeekte zij. „Wanneer gij mij

lief hebt, ga dan! Het zij het eerste bewijs, dat gij mij van uwe

teederheid geeft.”

Hij omarmde haar nog eenmaal, kuste met vuur hare bevende lippen en

verliet hierop stil en haastig het vertrek.

„Leef wel! Morgen! Morgen!” fluisterde Alisette hem teeder na en

verdween. Ongemerkt bereikte Jaromir den tuin. Hij wilde thans

onderzoeken, of deze werkelijk aan de straat grensde, waar zijn bivak

lag, en doorsneed derhalve in die richting de duistere heesterperken.

Na eenige minuten stiet hij op een muur en vond na kort zoeken eene

deur, die slechts van binnen gegrendeld was. Met forsche kracht schoof

hij de ingeroeste grendels af en stond inderdaad, gelijk hij vermoed

had, nauwelijks honderd schreden van de wachtvuren zijner manschappen.

Deze heimelijke weg, die hem der geliefde als in de armen voerde, was

hem een nieuw onderpand van zijn geluk, een nieuwe wenk van het lot.

En schoon zijn hart nu nog bloedde aan de plaats, waar hij de zachte

banden, die hem tot hiertoe ketenden, gewelddadig had losgescheurd,

zoo voelde hij toch ook den verzachtenden balsem, dien de hand van het

noodlot hem reikte.

1812: Historische roman · 第 76 / 154 题