HOOFDSTUK II.

Het schemerde reeds, toen deze voorloopige aanstalten gemaakt waren.

Men bevond zich dus nu in de hoofdstad des vijands, men had haar geheel

in bezit genomen, ja meer dan men geloofde, daar alles, wat niet te

vervoeren geweest was, den inrukkenden als het ware als erfenis bleef

overgelaten. Het paleis, dat Rasinski met zijne beide jonge vrienden

had betrokken, was van voorvaderlijken, edelen bouwtrant. De poort,

hoog gewelfd, met ijzer sterk beslagen, had men met geweld moeten

openbreken; men vond ze van binnen gegrendeld, een bewijs, dat de

bewoners òf nog in het gebouw verscholen òf door den tuin ontvlucht

moesten zijn. Het laatste hield men voor meest waarschijnlijk. Toen

men de beide regelmatige wenteltrappen, die van beide zijden van het

breede voorportaal naar de tweede verdieping voerden, was opgeklommen,

kwam men in de wijde gangen, die eene reeks van zalen en vertrekken

begrensden. Deze getuigden van groote pracht, van zelfs in Rusland niet

gewonen rijkdom; echter was, gelijk meubels, spiegels, tapijten en

vergulde sieraden duidelijk bewezen, de inrichtingen daarvan ten minste

reeds door den vader van den tegenwoordigen bezitter geschied.

In een aan de trap grenzend vertrek richtten de vrienden het bureau op.

Uit dat vertrek trad men rechts in eene ruime zaal, waarnaast Rasinski

eene kleine, nette kamer tot zijn afzonderlijk gebruik had gekozen; ter

linkerzijde hadden Lodewijk en Bernard in twee groote vertrekken hunne

legersteden opgeslagen.

Het begon donker te worden; buiten op de straat flikkerden de heldere

wachtvuren, waaraan de manschappen bivakeerden. De weerschijn der

vlammen speelde tegen de zoldering der nog niet verlichte vertrekken en

bracht, met de flauwe avondschemering inéénsmeltende, een zonderling

schijnspel teweeg. Rasinski was naar beneden gegaan om de troepen te

monsteren en voor hunne behoeften te zorgen. Lodewijk zat alleen in

het ruime vertrek, dat hij tot verblijf had gekozen, in een ouden

leunstoel gedoken; want Bernard had, naar zijn lievelingsgewoonte, om

vreemde groote gebouwen dadelijk in alle richtingen te doorkruisen,

eene ontdekkingsreis, zooals hij het noemde, naar de uitgestrekte

zijvleugels van het paleis ondernomen.

In het schemerdonker van den herfstelijken avond, bij het spel van den

vuurschijn voor de vensters, onder het zacht gemompel van verwijderde

stemmen gaf Lodewijk zich ongestoord aan zijne mijmeringen over. De

schoone beelden van het verleden zweefden als glansrijke gestalten op

den donkeren grond van het tegenwoordige voorbij. Het was het eerste

eenzame, rustige uur, dat het gewoel van den oorlog hem, sinds hij de

tijding van den dood zijner moeder ontving, vergund had. Eene sombere

zwaarmoedigheid maakte zich van zijne ziel meester; het hoofd in de

hand geleund, zat hij in herinneringen verzonken en zijn oog dwaalde

onbestemd in de hooge, donkere ruimte der zaal om. Zoo bemerkte hij

niet, dat Bernard was binnengetreden en, in de half geopende deur

staande, hem aandachtig gadesloeg. Deze echter zag door de diepe

schemering in Lodewijks oog tranen blinken, waarin zich de flikkerende

weerschijn der vlammen spiegelde.

„Zoo in treurige gedachten verzonken, krijgsmakker?” sprak hij hem aan.

„Ha, Bernard, zijt gij het? Ja, wel in treurige gedachten verdiept; hoe

kan het ook anders op zulk eene sombere plaats en met eene borst zoo

vol herinneringen en smarten als de mijne!”

„Hm, mijn hart is ook juist geen voorraadschuur van vreugde en geluk

en wanneer ik mijne herinneringen voor de tooverlantaarn zet, trekt

de duivel met zijne grootmoeder aan den wand voorbij. Maar wat de

sombere plaats betreft, zoo moet ik u zeggen, dat ze mij ook huivering

aanjaagt.”

„Hoezoo?”

„Wij wonen hier niet alléén in huis, daarop zou ik een eed willen doen.”

„Hebt gij gronden voor dat vermoeden?”

„Meer dan een. Ik ging door den langen gang naar den zijvleugel, die op

den tuin uitkomt. Terwijl ik zoo aan de eene deur na de andere stoot,

die alle op slot of toegegrendeld waren, kom ik eindelijk aan eene die

terstond opengaat. Ik treed binnen en voel mij door eene aangename

warmte verrast; zulks maakt mij opmerkzaam, ik zie rond en bemerk dat

ik in eene soort van keuken sta, waar op den haard nog asch ligt. Ik

treed toe, de asch is warm; zelfs vind ik, daar ik haar met de sabel

omwoel, nog eene gloeiende kool.”

„De bewoners zullen dezen morgen nog hier geweest zijn.”

„Zoo dacht ik ook; daar hoor ik plotseling onder mij een doffen slag,

even alsof iets zwaars op den grond viel. Dat maakt mij huiverig. Ik

snel weder naar den gang, ontdek een kleine trap, die naar de onderste

verdieping brengt, en vindt daar eveneens een gang, waarop een reeks

van vertrekken met gesloten deuren uitkomt. Ik beproef ze te openen,

in te trappen; zij zijn, naar het schijnt, stevig toegegrendeld. Ik

schreeuw, roep, klop; geen antwoord. Eindelijk wordt mijne keel schor

en ik maak rechtsomkeert. Daar ik de kleine trap weer opklim, hoor ik

iets ruischen en tegelijk meen ik vrouwelijke voetstappen te vernemen.

Als een pijl vlieg ik toe, maar ontdek niets. Overtuigd, dat mijn

scherp gehoor mij niet bedrogen heeft, snuffel ik alle hoeken rond.

Daar zie ik op den vloer, dicht bij de deur der keuken, waar ik vroeger

reeds geweest was, iets wits blinken; ik raap het op en zie, het is dit

lint, dat vroeger, daarop wil ik een eed doen, daar niet gelegen had.

Ik loer en doorzoek alle kisten en kasten in het rond, om de schoone

te ontdekken, die het lint moet verloren hebben, doch te vergeefs.

Alles bleef stom en roerloos. Of het nu een goede of kwade geest, eene

stamvrouw of misschien wel de beruchte witte burchtvrouw kan geweest

zijn, die in de gangen rondspookt, dat wil ik onbeslist laten.”

„Zonderling! Zouden de ongelukkige bewoners zich misschien schuil

houden, uit vrees voor mishandeling?”

„Mogelijk! Ik voor mij houd het liever met spoken, verwenschte

jonkvrouwen, die op verlossing hopen, ingemuurde nonnen, wier ziel

geene rust kan vinden en die in de donkere gangen omdolen. Tegen

middernacht moeten wij op de vangst uitgaan; doet gij meê?”

„Als uwe vermoeidheid u niet van gedachte doet veranderen, van harte

gaarne,” antwoordde Lodewijk glimlachend.

„Hoe? Zit gij zoo in het donker, vrienden?” klonk plotseling Rasinski's

stem. „Het zal tijd zijn, dat wij licht laten aansteken, maar ook vuur,

want de herfstavonden zijn koud tusschen de salpeterachtige muren.”

Hij beval zijnen rijknecht, licht te brengen en in de kleine kamer,

die hij bewoonde, vuur aan te leggen. Zij was het eenige vertrek,

waarin zich eene haardstede bevond, die voor den herfstavond eene

meer doelmatige verwarming beloofde, dan de reusachtige kachels in de

overige zalen.

„Ik heb zoo even brieven voor mij en u ontvangen,” vervolgde hij;

„laat ons samen naar binnen gaan en elkander vertellen, wat de lieve

vrienden uit het vaderland ons schrijven. Het is een goed teeken, dat

wij den eersten dag van onze aankomst in de hoofdstad zoo aangenaam

verrast worden.”

Zij gingen.

Rasinski's bediende had eene lamp aangestoken, die aan de zoldering

hing; spoedig vlamde ook het vuur op den breeden haard. Hij gaf

Lodewijk twee brieven van verschillenden datum over, die echter

gelijktijdig met den veldpost waren aangekomen.

Bernard floot een soldatenlied en morrelde met de tang in het vuur,

terwijl de beide anderen lazen. „Men is onuitsprekelijk gelukkig,

wanneer men op de wijde wereld geen enkelen correspondent heeft,”

mompelde hij; „men behoeft geen port te betalen, niet te antwoorden, ja

niet eens te lezen. Het laatste vooral is voor een schilder, die gaarne

zijne oogen spaart, een uitstekend groot voordeel.”—Hij floot verder,

daar niemand antwoordde, en staarde onafgewend in den gloed.

„Ja, ja, gij zijt gelukkiger dan wij,” riep Lodewijk uit, terwijl hij

de hand met den brief zinken liet; „want zulke brieven te ontvangen,

daar behoede u de hemel voor!”

„Wat is het? Wat deert haar?” vroeg Bernard, van zijn stoel opspringend.

„Ik kan het vermoeden, na wat mijne zuster mij schrijft,” sprak

Rasinski; „het is een helsch schurkenstuk, maar het zal niet gelukken.”

„Zwart als de nacht en giftig als eene adder,” riep Lodewijk buiten

zich zelf. „En om mijnentwille moest de hulpelooze dat lijden!”

„Wat dan, wat? In 's duivels naam, spreek toch, wat?” riep Bernard met

rollende oogen, daar hij iets van de waarheid vermoedde.

„Lees, lees,” sprak Lodewijk en reikte hem den brief over.

Bernard greep driftig toe en wilde de letters haastig verslinden; doch

even ras wierp hij het papier weder op de tafel en riep: „Er staan mij

te veel regels op het blad; zij wriemelen door elkander als een gansche

hoop vergiftige kruisspinnen. Vertel het mij met twee woorden, ik kan

er het venijn niet zoo langzaam uitzuigen.”

„Het is verfoeilijk voor elk, die ooit een mannelijk hart in de borst

sloeg,” sprak Rasinski en ging driftig en met groote schreden de kamer

op en neder; „de schurken, die u vervolgen, hebben zijne ongelukkige

zuster opgespoord; toeval of hunne helsche kunstgrepen brachten het

geheim aan den dag....”

„Zij is in de gevangenis?” riep Bernard met donker vlammenden blik.

„Neen dat gelukkig niet; maar schandelijke aanbiedingen heeft de

ellendeling haar gedaan en voor het hoofd des broeders...”

„Spreek niet verder, Rasinski!” riep Bernard half bevelend, half

smeekend. „Moet de broeder dat tweemaal hooren?” Tegelijk vloog hij op

Lodewijk toe en klemde hem met krampachtige onstuimigheid aan zijne

hijgende borst. „O, die schuldelooze engel! Lodewijk, wij willen God

danken, dat zij gered is; want ik zie het aan uw oog, zij moet het

zijn, anders kondt gij hier niet zoo stil staan. Maar nog vaart mij

eene rilling door de leden. Goddank, Lodewijk, dat zij gered is!”

Zij hielden elkander opnieuw omsloten. Rasinski legde de hand op hunne

schouders en sprak met diepe ontroering: „Ja, wel hebben wij God vurig

te danken!”

„Laat mij nu zien, wat de gemartelde heilige u schrijft,” sprak Bernard

met eene bevende stem en wond zich uit de armen van den vriend los. Hij

nam den brief en zette zich daarmede bij het vuur.

„Hm!” sprak hij kalmer, maar nog met gesmoorde woede in toon en blik,

toen hij den brief gelezen had; „dat éene gevaar is gelukkig afgekeerd,

maar nog hangt het zwaard boven haar hoofd. Ook boven het onze... maar

dat is het minst. Ik moest den ellendeling hier hebben... hij zou een

ander liedje hooren!” Na deze woorden ging hij onrustig op en neder.

„Ik heb den tweeden brief nog niet geopend,” sprak Lodewijk; „de eerste

had mij te hevig geschokt. Wellicht bevat hij nader bericht. Laat

hooren!”

„Dresden den 19 Augustus.

„Beste Broeder!

„Welk een tijd beleven wij! In uren geschiedt meer dan voormaals in

jaren! De belangrijkste ontmoetingen van mijn leven dringen zich alle

in één punt samen. Wij verlieten Teplitz dadelijk den anderen morgen

na het afschuwelijk voorval, dat ik u nog 's avonds vluchtig meldde.

(Wees slechts op uwe hoede, lieve!) Dezen nacht brachten wij buiten

bij tante door; heden morgen in de vroegte reden wij naar de stad.

Op haar sterfbed sprak moeder mij van een geheim; maar de droefheid

had mij toen zoozeer overweldigd, dat ik er nauwelijks acht op sloeg;

ik meende, dat niets op de wereld voor mij meer belangrijk kon zijn!

En toch—maar hoor. Moeder had mij de lade harer schrijftafel, als

gewichtige papieren bevattende, aangeduid. O Lodewijk, met welk eene

ontroering heb ik deze doorgelezen! Zoodra het langs een zekeren weg

mogelijk is, zult gij de volledige bewijsstukken ontvangen; thans geef

ik u slechts een uittreksel, zoo breedvoerig, als de korte tijd het

mij toelaat. Onze ware naam is niet Rosen, maar vader heette Sternheim

en was grondbezitter in Frankenland. De getrouwste vriendschap was

zijn ongeluk. In Maart 1793 bezocht hij een der getrouwste vrienden

zijner jeugd, Waldheim genaamd, die officier geweest, maar door

de Franschen gevangen genomen was en zich in Straatsburg ophield,

werwaarts zijne jonge echtgenoote, eene engelachtige vrouw, zooals

moeder haar beschrijft, hem gevolgd was. Een Franschman, Rumigny

beleedigde de schoone, jeugdige vrouw door eerlooze voorstellen.”

Hier hield Lodewijk een oogenblik op, daar Rasinski door de komst van

een ordonnans, die hem berichten overbracht, gestoord werd. Op een

wenk ging hij echter dadelijk weder voort. „Daar deze natuurlijk met

verachting werden afgewezen, nam hij wraak door de zwartste lastertaal.

Dit kwam den beleedigden echtgenoot ter oore, die zijne getrouwe gade

kende. Hij daagde den lasteraar uit, dwong hem tot een duel; onze vader

was getuige. Doch de ellendeling, die zich van verscheiden geleiders

voorzien had, deed een verraderlijk schot, dat den ongelukkigen

Waldheim in de borst trof. Onze vader was buiten zich zelf; daar echter

de wensch, om het leven des vriends wellicht nog te redden, voor het

oogenblik de bovenhand kreeg op de met moeite onderdrukte begeerte tot

wraak, kon hij den dader niet dadelijk tuchtigen. De vriend gaf na

eenige minuten in zijne armen den geest. Vader daagt den moordenaar

uit; deze bespot hem. Nu overweldigt hem zijn menschelijk gevoel,

hij zoekt den booswicht op, om wraak aan hem te nemen of hem tot een

tweegevecht te dwingen. Zijn getrouwe bediende Willhofen vergezelt

hem; doch de snoodaard is gewaarschuwd en zoekt hem in het net te

lokken. Door beschimpingen weet hij hem tot razernij te brengen; vader

dringt met woede op hem in, de degen wordt hem ontwrongen en hij met

den trouwen Willhofen naar de gevangenis gesleept. Om zijn offer te

zekerder ten verderve te brengen, tracht de verrader hem nu als spion

verdacht te maken en beschuldigt hem van misdadige verstandhouding

met de vijanden van Frankrijk. Hij wordt naar Parijs gezonden en met

de guillotine bedreigd. Willhofen echter, die in al zijne rampspoeden

deelt, vindt in den cipier een landsman uit den Elzas. Deze begunstigt

hunne vlucht en beiden komen op een hollandsch schip behouden te Havre

aan. Van daar schrijft vader dadelijk aan onze lieve moeder al wat

gebeurd is, en bezweert haar, terstond met ons naar Hamburg af te

reizen, werwaarts hij haar spoedig hoopt te volgen. Zij komt er aan,

maar wacht hem te vergeefs. Dagen en weken verstrijken, eindelijk

is eene maand voorbij, zonder dat hare doodelijke ongerustheid een

einde neemt. Intusschen verneemt zij, dat de, zich reeds toenmaals

ver uitstrekkende macht der fransche gezagvoerders haren echtgenoot

ook reeds in zijn vaderstad vervolgt en hem, als een voortvluchtigen

moordenaar, op het spoor tracht te komen.—Wat behoef ik u alles

breedvoerig te schrijven? Vader is nooit teruggekeerd; zijn goed

werd verbeurd verklaard en, toen de Franschen Frankenland bezetten,

hij zelf eerloos verklaard, daar zijn naam bij de rechtbanken te

Parijs op de lijst der landverraders stond aangeteekend. Dit bewoog

moeder, den naam Rosen aan te nemen en zich met ons naar Dresden te

begeven, waar onze tante, hare zuster, reeds als weduwe woonde.—Nog

duizend omstandigheden had ik u te melden, lieve broeder, wanneer

het in deze korte oogenblikken mogelijk was, vooral de hartroerende

gronden van liefde en bezorgdheid, die, tegelijk met andere gewichtige

beweegredenen, onze moeder deden besluiten, hare kinderen van het

geheim, dat om het hoofd des vaders zweefde, geheel onkundig te laten.

Doch er zal immers nog wel eens een dag komen, dat de zuster hare

beklemde borst vrij en ongehinderd in die des broeders kan uitstorten.

Thans stormt en dringt alles gelijktijdig op ons aan! Binnen een uur

reeds reis ik met de gravin Micielska naar Warschau af, waar ik voor

elke vervolging beveiligd zal zijn. O, dat ook gij zulks waart! Maar

gij ziet het gevaar van den oorlog vóór u en wordt door zwart verraad

in den rug bedreigd! Ach Lodewijk, en gij draagt de wapens voor hen,

die uw vader, uw vaderland in zulk eene onuitsprekelijke ellende

gedompeld hebben! Ik doe u geen verwijt, lieve broeder, maar kan het

ongeluk hooger stijgen, kunnen wij dieper in rampspoed verzinken?

Dagelijks zend ik de warmste beden voor u ten hemel, maar ik bid ook

uit den grond van mijn hart, dat ons arm vaderland moge verlost worden

van het ijzeren juk, waaronder het thans schandelijk gebukt gaat.—Ik

moet eindigen,—groet uwe vrienden van mij, den trouwen Bernard, den

edelen Rasinski.—O, mochten wij eens andere tijden beleven!

Uwe Maria.”

Verbazing en aandoening hadden Lodewijk bijna verhinderd, den brief

ten einde toe door te lezen. Thans eerst bracht hij zich eenige

ontmoetingen uit zijne kinderjaren levendig en duidelijk weder voor

den geest—want hij telde vijf jaren ten tijde van het rampspoedig

voorval—thans eerst, nu zij verklaard werden, rezen de verschillende

toespelingen, wenken en woorden, welke hij van de moeder omtrent het

lot des vaders gehoord had, als heldere sterren aan den donkeren

nachthemel van het verledene voor hem op. Maar hoeveel bleef nog met

zwarte wolken en nevelen omsluierd!

Rasinski was vooral door de laatste woorden van den brief getroffen,

die eene wonde van zijn hart aanraakten, welke, daar hij zijne smart

steeds met mannelijke vastheid in het diepste zijner borst verborgen

hield, zelfs door Lodewijk niet vermoed werd. Met gekruiste armen

stond hij tegen den marmeren schoorsteen geleund en staarde peinzend

voor zich neder.

Op Bernard scheen deze brief den minsten indruk te maken, daar hij zich

nog geheel met het in den eersten gemelde voorval bezig hield. Hij

zat aan de andere zijde bij het vuur en speelde met zijn ring, dien

hij aan den vinger ronddraaide. „In het eerste oogenblik, mijn goede

Lodewijk,” begon hij na een lange stilte, „brengt een dergelijk bericht

ons in eene hevige ontroering, op den duur echter verflauwt die indruk.

Ik geloof aan wonderen in de borst, in het hart en wáárin men wil,

maar in het leven zijn zij zeldzaam. Iemand, die sinds twintig jaren

verdwenen is, moet onder de dooden geteld worden; om een vader dien wij

lang ontbeerden, kan ook de droefheid niet groot zijn. Maar Maria in

haren toestand, in den smaad, dien zij dulden, in den angst, dien zij

doorstaan moet, is een arm bloedend offerlam!”

„Gij zijt zoo goed, zoo trouw, Bernard,” hervatte Lodewijk; „gij

kent het hart uws vriends zoo tot den diepsten grond, en zoudt

gij niet begrijpen, dat het hem tot in zijn binnenste schokken

moet, te vernemen, dat hij wellicht nog een vader bezit, die zoo

onbeschrijfelijk veel geleden heeft en misschien nog lijdt? Waart gij

in mijn geval.....”

„En ben ik het dan niet?” stoof Bernard bijna woest op. „Ten minste in

een soortgelijk, en daarom weet ik, wat ik er van denken moet. Ik kon

misschien nog eene gansche maagschap, vader, moeder, broeders, zusters

en al wat er meer toe behoort, opschommelen, maar ik betuig u, dat ik

thans zelfs geen enkelen voet zou verzetten voor hen, die mij twintig

jaren alleen lieten loopen. Het is wel is waar met u een ander geval,

want gij weet, dat uw vader u niet verstooten heeft; gij hebt hem vroeg

verloren, en alles, wat gij van hem vernomen hebt, bewijst, dat hij een

edel man was! Nu, gij weet, ik ben ook niet van ijzer of steen—maar

Maria ligt mij thans nader aan het hart.”

„Gij hebt mij nooit gezegd, dat uwe ouders nog in leven waren,” sprak

Lodewijk met de uiterste verbazing.

„Ik vernam het zelf eerst voor twee jaren in Londen, toen mijn

pleegvader gestorven was; maar toenmaals had ik geheel andere dingen

in hoofd en hart—gij weet het immers—en naderhand heeft de tijd

mij tamelijk onverschillig gemaakt. Daar, door dien ring,” hij wierp

dien over de tafel aan Lodewijk toe, „kan ik misschien mijne ware

ouders terugvinden, en toch had ik hem voor drie maanden zonder de

minste zwarigheid voor een zeker iets, dat mij liever was, weggegeven,

wanneer ik niet de domste ezel geweest ware, die ooit door de lieve zon

beschenen is.”

Daar Rasinski en Lodewijk hem bevreemd en vragend aankeken, vervolgde

hij, terwijl de laatste den ring beschouwde: „Mijn pleegvader, dien ik

voor mijn werkelijken hield, was een arm dorpspredikant bij Würzburg.

Toen ik in mijn tiende jaar redelijk goed begon te teekenen, zond hij

mij naar Dresden bij zijn broeder, dien gij gekend hebt. Dat het mij

slecht beviel bij dien ouden, strengen ijzegrim, behoef ik u niet te

herhalen. Ik rukte mij eindelijk van alle ketenen los en ging op reis.

Omstreeks dezen tijd stierf mijn pleegvader, en zijn broeder werd

erfgenaam, dat is te zeggen, kon de nagelaten preeken en papieren naar

huis halen. Onder deze was er een, dat hij mij dadelijk overzond en

waarop de overledene met eigen hand ongeveer het volgende geschreven

had: „Op een avond, dat ik reeds te bed was, werd er herhaalde malen

driftig aan de huisdeur gescheld. De meid opende; eene vijfjarige

knaap, die zelf den knop der schel niet had kunnen bereiken,—dat was

mijn persoon—stond op de stoep en hield een aan mij gerichten brief

in de hand. Ik brak dien open en vond eene aanwijzing van twee duizend

gulden op een frankforter bankier, die men te mijner beschikking

stelde, onder voorwaarde, dat ik het kind, dat ze overbracht, zoude

opvoeden. Men kende mij als een eerlijk mensch, die van het in mij

gestelde vertrouwen geen misbruik zou maken, en wilde, na verloop van

tijd, verder voor den knaap zorgen. Ik heb mijn plicht naar mijn beste

weten vervuld, schoon de spoedig daaropvolgende oorlog mij de som, die

ik met het kind ontvangen had, voor altijd deed verliezen. Zijn aanleg

tot teekenen deed mij besluiten, hem naar mijn broeder te Dresden te

zenden. Het linnen was met eene B gemerkt, weshalve ik hem Bernard

noemde. Dit en een gouden trouwring, dien wij later toevallig in zijn

kleedje ingenaaid vonden, en waarin de letters B. W. staan, zijn de

eenige teekens, door welke hij zijne ware ouders misschien nog eens

kan opsporen.” Dit geschrift en den ring deed mijn oom, of hoe ik hem

noemen moet, mij in Londen toekomen, met aanmaning om nu zelf dáár of

in Duitschland naar mijne ouders onderzoek te doen. Verder bleef mij

ook niets over, want, gelijk gij weet, stierf de goede man voor twee

jaren zoo onverwachts, dat mijn antwoord hem niet eens meer in leven

vond.—Dus zijn wij in hetzelfde geval; maar ik betuig u, Lodewijk, dat

ik geen vinger heb uitgestoken om eene ontdekking te doen. Wat doe ik

met ouders, die zich mijn leven lang niet om mij bekommerd hebben? Rijk

of arm, voornaam of gering, 't is mij alles om 't even; liefde hebben

zij toch nooit voor mij gevoeld. Met u is dat anders, maar ook op verre

na onwaarschijnlijker—want welk verstandige rekent ooit op het groote

lot in de loterij? In uw geval zou ik slechts den schurk Romanay, of

hoe heet de schoft, op het spoor zien te komen, om hem bij gelegenheid

den nek om te draaien. Maar uw vader—twintig jaren spoorloos

verdwenen, is dood.....”

„Neen Bernard!” riep Lodewijk, „dat laat mijn gevoel zich niet

opdringen. Ik hoop, ik wil, moet hopen, dat ik mijn vader weervinden en

hem wellicht nog vreugde en levensgeluk bereiden zal. O, die liefde is

sterker dan de zucht, om mij aan een ellendige te wreken, dien de hand

der vergelding mogelijk nu reeds achterhaald heeft. Neen, ik hoop nog!”

„Dat zal acht dagen duren; de eerstvolgende maanden komt het nu en dan

nog eens bij u op, maar wanneer eindelijk jaren verloopen zijn en alles

blijft gelijk het is, dan zult gij zien, dat zulk eene zwakke hoop

vanzelve uitgaat, als eene vlam zonder brandstof.”

„Het is waar, ik ben naar het schijnt bestemd, om mijne dierbaarste

verwachtingen aan bijna onzichtbare draden te zien vastgeknoopt, en men

kon het mij vergeven, wanneer ik wanhoopte, door hen den uitweg uit den

donkeren doolhof van mijn lot te vinden.”

Rasinski had intusschen den ring opgenomen en aandachtig beschouwd.

„Hm!—Welke letters zeidet gij, dat in den ring stonden?” wendde hij

zich vragend tot Bernard.

„B. W.” antwoordde deze.

„Ja,” sprak Rasinski, niet zonder eenigen berispenden nadruk, „wanneer

men zulke fijne draden slechts onoplettend beschouwt, dan is het zeker

onmogelijk, die te vervolgen en, zooals Lodewijk zeide, door hen

geleid, den uitweg uit den doolhof te vinden. Ik lees niet B. W., maar

zeer duidelijk L. W. in dezen ring.”

„Onmogelijk!” riep Bernard, greep haastig naar den ring en hield hem

tegen het licht. „Dat is een goochelspel der hel!” stamelde hij

doodsbleek uit. „In mijn ring stond B. W., of ik wil eeuwig verdoemd

zijn. Drijft gij den spot met mij?” stoof hij woest tegen Rasinski op.

„Hoe komt gij bij die gedachte!” sprak deze en stond verwonderd van

zijn stoel op; ook Lodewijk staarde den vriend met angstige bevreemding

aan. In zijne trekken was eene ontroering te lezen, zooals hij nooit

bij hem bespeurd had; hij scheen zijne bezinning verloren te hebben en

staroogde met verwilderde blikken op den ring.

Plotseling barstte hij in een lach uit, die de vrienden deed rillen.

„Het is niets, zeg ik, niets. Een der potsierlijkste meesterstukken

van het toeval, dat echter iemand in het dolhuis kon brengen! Ik

geloof, het noodlot wil zich aan mij wreken. Ik geloofde niet aan zijne

wonderen in dit nuchtere leven, nu toont het, wat het kan, en steekt

honend den draak met mij—maar toch bijna te gruwzaam! O,” hij drukte

zich de vuist voor het voorhoofd, „dat iemand mij slechts deze enkele

maal zeggen kon, of de grijnzende spoken van een droom mij kwellen, dan

of de werkelijkheid mij dat honend masker voorhoudt. Pakt mij toch aan,

in 's duivels naam, en schudt mij wakker, als de nachtmerrie mij het

hart wil indrukken!”

„Bernard, beste Bernard,” sprak Lodewijk hem toe en greep zijne hand,

„wat deert u? Bedaar, kom tot u zelf, zeg ons, wat u zoo vreeselijk

geschokt heeft.”

Als iemand, die uit de bewustelooze vlagen eener zenuwkoorts in

het leven terugkeert en nu, doodelijk afgemat, nauw de oogleden kan

openhouden, zeeg Bernard thans aan de borst des vriends neder en ware

gevallen, wanneer Rasinski hem niet ondersteund had. „Laat mij alleen,

vrienden!” stamelde hij. „Gij hebt mij lief, het moet u even zoo

treffen. Waarom zou ik meer dan ééne borst verscheuren?—En wanneer

alles een louter spel was! Een niets, een minder dan niets, dat mijn

hart zoo vreeselijk pijnigt!—Thans weet ik, dat er ook buiten de

werkelijkheid dingen zijn, waartegen de mannelijke borst niet bestand

is, dat men aan folterende droomen sterven kan.”

1812: Historische roman · 第 75 / 154 题