Den 14 September bereikten de eerste ruiterscharen, waartoe ook
Rasinski met zijne vrienden behoorde, den _Berg des Heils_, van wiens
top zij het prachtige Moskou, den ouden, gewijden zetel der czaren
in het diepe dal zagen uitgestrekt. Het was vroeg in den namiddag.
Een glanzende zonneblik brak juist door de dunne wolken, welke de
lichtblauwe ruimte des hemels doorkruisten. In duizendvoudigen
vervengloed flonkerden de tallooze koepels der kerken en paleizen,
die, in goud en schemerend groen stralende, zich hoog boven de stad
verheffen. Uit een woud van torenspitsen steeg het Kremlin als een
gekroond hoofd opwaarts: de Moskowa kronkelde als een glinsterende
zilverband door de velden. Talrijke scharen van fladderende duiven
wiegden zich op lichtende vleugels in de zonnestralen, verhieven zich
hoog boven de daken en dartelden om de tinnen der paleizen.
Een onwillekeurige uitroep van vreugde en eerbied tevens verhief
zich bij dezen verrassenden aanblik. „Moskou! Moskou!” juichten de
krijgers, die zich nauwelijks begrijpen konden, dat het onmetelijk
verre, in een geheimzinnig duister van wonderbare verhalen en sprookjes
gehulde, onder tallooze vermoeienissen en gevaren nagejaagde doel nu
werkelijk zoude bereikt zijn. Als de gouden prijs des overwinnaars, als
een stralende kroon des roems, lag de hoofdstad van het oude Rusland
voor de oogen der koene mannen, die gewaagd hadden, van de schoone
lachende oevers der stroomen van Frankrijk en Duitschland, midden
door de woestenijen voort te dringen, waarachter zich deze rijkdommen
verschansen, die aan de fabelachtige sprookjes van het Oosten
herinneren.
Vreugdegejuich en zegekreten vervullen de lucht. De voorsten roepen
en wenken hunne nakomende kameraden toe. De onder de bezwaren van den
marsch bijna bezwijkende krijgsman voelt zich plotseling door nieuwe
krachten gesterkt; elke gedachte aan zijn lijden, zijne zorgen en
gevaren is verdwenen. Als een stroom, die zich eensklaps eene nieuwe
baan heeft geopend en nu in sneller loop voortbruist, golft de menigte
in steeds wassenden spoed de hoogte op, zoodat de met onweerstaanbare
kracht voortwentelende vloed over de kruin heenstroomt. Naarmate
de zwarte massa's zich dichter op de hoogte samenpakken, worden de
vreugdekreten luider en stijgen zij door de zuivere herfstlucht
krachtiger en helderder ten hemel opwaarts.
„Ziedaar dan de beroemde, aan verhalen en wonderen rijke stad der
czaren,” riep Bernard. „Zoo hebben wij haar eindelijk toch gevonden
achter de onmetelijke wouden en steppen, die haar beschermend omgorden!”
„Het was tijd,” sprak Rasinski en wierp een blik op het leger; „hoog
tijd!”
Lodewijk beschouwde de rijke, onmetelijk uitgestrekte stad met die
eerbiedvolle, de borst verheffende en verruimende opgetogenheid,
waarmede ons de aanblik van oorden of menschen vervult, wier roem sinds
lang uit de verte tot ons is doorgedrongen en welke wij reeds in de
dagen onzer kindsheid als wonderbeelden, die ons uit onbereikbaar verre
ruimten en tijden toeschemerden, in de ziel omdroegen.
„Eene kolossale schilderij,” riep Bernard vol vuur; „dat men zoo iets
niet kopiëeren kan! Zie eens die massa's van licht en gloed daarboven
op de koepels; dat verwarde mengsel der daken en lage huizen, der
groene strepen en vlekken van tuinen, die als aderen door het gesteente
loopen; de zilvertinten, welke de stroom op het landschap werpt,
en, wanneer wij omzien, het ontzaglijke leger, dat als een zwarte
vloed door de velden golft. Zie, hoe de bajonetten in den zonnegloed
bliksemen, de vederbossen blinken en het erts der kanonnen flikkert,
die daar ginds in lange colonnes het woud voorbijtrekken. Hier en daar
verliest de blik zich in het oneindige; want de uiterste torens der
stad verdwijnen reeds in blauwen damp en nevel, en de lange sleep van
wagens en van naloopers des legers smelt in de onafzienbare ruimte
geheel weg.”
Gedurende dit gesprek was men langzaam bij de hoogte afgedaald.
Een tijdlang had eene bonte verwarring geheerscht, gelijk die bij
buitengewone ontmoetingen op marsch gemeenlijk pleegt plaats te
grijpen; doch thans werden de manschappen weder geordend, moesten in
hunne gelederen blijven en zich aan de strenge regels van den marsch
op vijandelijk grondgebied onderwerpen, daar men voorzeker op een
ernstigen tegenstand moest gevat zijn, eer men het kleinood des rijks,
het palladium der russische kroon, dat thans als een glansrijke diamant
voor de oogen der legers fonkelde, in zijne macht kreeg.
Zoo kwam men nader en nader bij de stad, elk oogenblik verwachtende,
een hardnekkigen vijand te ontmoeten. Plotseling werd halt gehouden;
van rot tot rot liep het gerucht, dat de koning van Napels met de
aanvoerders der kozakken in vriendschappelijke onderhandeling was
getreden. Reeds begon men de zoete hoop te koesteren, dat de kamp hier
een einde nam, dat de vrede nabij was, dat het loon voor de doorgestane
moeiten en gevaren zeker en onmetelijk groot zijn zoude. Rasinski reed
vooruit en trachtte de waarheid te vernemen. Deze bestond daarin, dat
de koning eenige oogenblikken met de kozakken gesproken en hun eenige
kleine geschenken gegeven had. Zij hadden intusschen slechts een
officier verzeld, die vrijen aftocht voor Kutusows achterhoede eischte;
ingeval van weigering dreigden zij, de stad aan de vlammen ten prooi
te geven. De keizer, ten spoedigste van die vordering verwittigd, had
dadelijk ingewilligd, maar rukte desniettegenstaande de stad binnen.
Terwijl prins Eugenius en vorst Poniatowski zich met hunne korpsen
ter rechter en linkerzijde van den hoofdweg uitbreidden en de stad
omsingelden, volgde Rasinski met de zijnen den koning van Napels, die
met behoedzaamheid binnentrok. Het was niet denkbaar, dat de vijand
geen weerstand zoude bieden; men moest zich integendeel op bloedige
straatgevechten voorbereiden.
Thans reed men door de straten der voorstad. Zij waren woest en ledig,
evenals de verlaten dorpen, die men op weg naar het gewenschte doel in
zoo talrijke menigte had aangetroffen.
„Zouden de arme inwoners zoo bang voor ons zijn, dat zij geen
vingerbreedte van hunne kromme haviksneuzen, geen duim lengte van
hunne spitse baarden durven vertoonen?” sprak Bernard tot Jaromir.
„Zou dan geen enkel hupsch kind nieuwsgierig genoeg zijn, om de nieuw
aangekomenen uit een dier kleine vensters ten minste eens eventjes te
begluren? Het is goed en wel, dat de vijand het noodige ontzag voor
ons heeft, maar de lieve meisjes moesten niet zoo ontzettend schuw en
eenkennig voor ons zijn. Zijn wij dan menscheneters, of houdt men ons
daarvoor?”
„Ik vermoed, dat de bewoners dezer buitenwijken naar de binnenstad
gevlucht zijn,” antwoordde Lodewijk. „Zij duchten veellicht den eersten
inval; wie weet ook, of het hier niet nog spoedig tot een gevecht kan
komen. Dan is hij er voorwaar ongelukkig aan, die geen wapens draagt.”
„En bovenal hier,” merkte Rasinski op, „waar de houten huizen, bij de
eerste granaat, die men op het dak wierp, als droog stroo in brand
zouden vliegen.”
„Het ware eene verwenschte grap,” riep Jaromir, „wanneer ons de
winterkwartieren eens boven het hoofd afbrandden. De rust van zes tot
zeven maanden, waarop ik hier stellig reken, hebben wij, dunkt mij,
hoog van noode.”
Rasinski zweeg; echter las men op zijn voorhoofd, dat hij met Jaromirs
verwachting niet instemde. „Het meest wenschelijk ware voorzeker,”
sprak hij na eenig stilzwijgen, „dat de vrede zoo spoedig mogelijk
gesloten werd. In dat geval, vermoed ik, zouden wij den winter niet
hier doorbrengen, daar de tegenwoordigheid van den keizer en van het
leger in het middelpunt van Europa stellig noodwendiger is, dan hier
bijna aan de grenzen van Azië.”
Boleslaw reed, ernstig en in zich zelf gekeerd, zooals gewoonlijk,
naast de overigen voort, zonder zich in het gesprek te mengen.
Plotseling werd de voortgang opnieuw vertraagd. Daar Rasinski zich
niet aan de spits bevond, kon hij niet zien, of dit oponthoud door
eenige uitwendige hindernis veroorzaakt werd. Terwijl hij nog met zijne
blikken door het gewoel trachtte heen te boren, zag hij den overste
Regnard de straat afkomen. Hij droeg den arm nog omwonden en eene
breede, zwarte pleister op het voorhoofd. Sinds de korte ontmoeting op
het slagveld, had Rasinski hem niet weder gesproken.
„Goeden avond, overste,” riep hij hem toe, „gij komt van de spits der
colonne; wat legt men ons nu weder in den weg?”
„Ha, vriend Rasinski, hoe gaat het?” antwoordde Regnard. „Het verheugt
mij, u wèl te zien, schoon ik uit het rapport reeds wist, dat gij
uit de schipbreuk bij Mosaisk gered waart. Wat ons ophoudt? Enkel
eene afgebroken brug over de Moskowa, die spoedig weer hersteld zal
zijn. Maar....” hier wenkte hij Rasinski ter zijde en sprak heimelijk
tot hem. Bernard, wiens scherp oog gewoonlijk door het gelaat eens
anderen tot diep in diens ziel doordrong, werd eene merkbare ontroering
in Rasinski's trekken gewaar. Ook Regnards koud, scherp geteekend
gezicht, hoewel over 't geheel voor weinig verandering vatbaar,
wijl alle lijnen daarvan als in vasten steen gesneden waren, drukte
eene angstige bevreemding en bezorgdheid uit. Het moest iets van
het uiterste gewicht, misschien wel het bericht van een dreigend
gevaar zijn, wat hij Rasinski mededeelde. Hun gesprek duurde echter
slechts drie minuten, waarop Regnard zijn weg vervolgde. Met gefronst
voorhoofd keerde Rasinski tot de zijnen terug; hij scheen juist te
willen mededeelen, wat hem de overste bericht had, toen de colonne
zich weder in beweging zette en, zooals steeds na eene stremming het
geval is, met verdubbelden spoed narukken moest. Weldra bereikte men de
Moskowa; de brug was zoo slecht hersteld, dat men verkoos door den zeer
ondiepen vloed te rijden. Bernard bespeurde, dat Rasinski de straten en
huizen met eene angstvallige opmerkzaamheid beschouwde, welke toenam,
naarmate men de eigenlijke stad meer en meer naderde. Eindelijk kwam
men aan den ringmuur, dien ze in haar ganschen omvang insluit.
„Hier worden de straten toch ruimer en de huizen aanzienlijker,” sprak
Bernard; „in het verschiet ziet men reeds verscheiden gebouwen, die
naar paleizen gelijken. Nu zullen wij toch wel spoedig hare bewoners
leeren kennen.”
„Dat juist vrees ik,” sprak Rasinski, zich omwendend, zacht, maar op
een bekommerden toon, „zullen wij _niet_. Naar Regnards berichten moet
de gansche stad verlaten en zoo doodsch en stil als het groote kerkhof
zijn, dat wij bij den inmarsch voorbijkwamen.”
Deze woorden, die slechts door zijne hem onmiddellijk omringende
vrienden gehoord werden, joegen hun een killen schrik aan. „Hoe?
Onmogelijk!” riep Jaromir; „dat zou dus een vernieuwden kamp, een
hardnekkigen tegenstand aanduiden, zelfs nadat wij tot het hart des
rijks zijn doorgedrongen?”
„Dat staat in ieder geval te vreezen. Thans worden vermoedens
bevestigd, die mij reeds bij het binnentreden van oud-Rusland duister
voor den geest zweefden. Niet de keizer Alexander en zijne legers
zullen wij meer te vreezen hebben, niet met hen zullen wij kampen,
maar een geheel, onmetelijk volk is het, dat met al de gloeiende
woede tegen ons opstaat, welke dweepzuchtige geestdrijverij in de
borst van den mensch kan doen ontvlammen. Diep verzonken in onzinnig
bijgeloof, in slaafsche onderwerping, zoowel aan hunne priesters als
aan hunne vorsten, zal het onmogelijk zijn hen voor eenige overreding
toegankelijk, voor eenige verstandelijke overtuiging vatbaar te maken
en hun te doen inzien, dat wij niet gekomen zijn, om hunne altaren te
vernietigen, hunne kerken te plunderen, hunne steden in asch te leggen.
Hier zal niet langer een krijg tusschen twee machten gevoerd worden,
waar de beslissing op het slagveld of in den raad der ministers wordt
uitgesproken, maar een gansch geslacht vat tegen ons de wapens op, een
geslacht, dat ons vervloekt als het uitbraaksel der hel. De mensch is
de vijand van den mensch; giftige haat bezielt de borst van den knaap
en het hart der vrouw. Dan kent men geen edelen, grootmoedigen kamp
der gedachten, der eer, des roems meer, maar alles ontaardt in een
afgrijselijk moorden, slachten en worgen, waarbij zege en nederlaag
even afschuwelijk en menschonteerend zijn.”
Terwijl hij sprak lichtte een donker vuur uit zijne oogen; het hooge
voorhoofd was in ernstige vouwen saamgetrokken en eene diepe smart
teekende zich om zijne lippen. Bernard staarde hem met onafgewende
oogen aan. Door de schoonheid, den verheven adel van dat mannelijk
gelaat vergat hij voor een oogenblik, waarom deze onweerswolken in zoo
ernstige majesteit daarover heentogen.—Waarlijk, dacht hij bij zich
zelf, de mensch is nooit zoo schoon, dan wanneer eene edele droefheid,
uit den diepsten grond des harten opwellende, door de lichte hulsels
van oog en gelaat schemert. Daarom vertoonden de ouden ons hunne helden
zoo diep ernstig; daarom vinden wij zelfs in hunne goden dien verheven
zweem eener zachte droefheid, die de trekken zoo veredelt en opluistert.
Maar de snelle afwisseling der voorwerpen en van de indrukken, die zij
teweeg brachten, vergunde geen lang verwijlen der gedachten op eene
en dezelfde plaats, vooral daar, waar zij te ver buiten den kring der
naastbijzijnde, machtige werkelijkheid rondzweefden.
De breede straten, waardoor men thans voorttrok, wekten eene
zonderlinge gewaarwording; zij waren vervuld met het woeste gevoel
van den oorlog en toch tevens doodstil, wijl de huizen aan beide
zijden als stomme graven oprezen, waaruit zich geen spoor, geen adem
des levens liet vernemen; niet eenmaal de rook eens schoorsteens was
in het rond te ontdekken. De koepels der hoofdkerken glansden van
stralend goud, met groene kransen omhangen; de zuilen der paleizen
rezen prachtvol omhoog. Echter scheen de tooi dezer grootsche gebouwen
die van een statig opgekleed, ter laatste openlijke beschouwing ten
toon gesteld lijk te zijn, zoo doodsch, zoo stom bleef alles. Deze
vermenging van de weelderige pracht des levens met de stille, diepe
verlatenheid des doods was zoo pijnlijk, dat zij zelfs de borst van den
ruwsten soldaat, die nog geen vermoeden van de vreeselijke waarheid
had, beklemde.
Reeds twee uren trok men door deze steenen woestenij voort en scheen
zich gestadig dieper en dieper in de labyrintische doolgangen te
verwarren. Slechts langzaam rukte men voorwaarts, daar de koning,
die nog altijd aan de waarheid twijfelde, elk oogenblik een aanval
verwachtte en de bezorgdheid nog niet verbannen kon, dat men hem
listig tot midden in dit bedriegelijk net van elkander onregelmatig
kruisende straten wilde lokken, om hem dan plotseling van alle zijden
met het zwaard in de vuist aan te tasten. Daarom zond hij in elke
zijstraat sterke troepen uit, die berichten moesten, of de vijand
ook ergens in eene hinderlaag loerde. Men vond niemand. Eene akelige
stilte heerschte in de onmetelijke stad, waar anders het gewoel der
menigte het oor verdooven moest. Slechts de doffe hoefslag der paarden
en het kletteren der wapenen werden door de stomme, hooge muren hol
en dreigend teruggekaatst. Zoodra de voortgang een oogenblik gestremd
werd, breidde zich de stilte als een lijkkleed over de scharen uit;
want ook de soldaat was van het beklemmend gevoel diep doordrongen, en
schoon hij de hoofdstad des vijands binnentrok, verhief zich geen kreet
der overwinning, geen toon van vreugde of gejuich. Ernstig, zwijgend
het verwonderd oog op de gebouwen gericht, waarin hij vruchteloos eenig
spoor van leven trachtte te ontwaren, hield hij zijn intocht in de
veste der oude czaren.
Thans rezen de muren en tinnen van het oude Kremlin boven de hoofden
der krijgers statig omhoog. Daar vernam men voor het eerst, als
ware het een verkwikkend geluid, een verward gedruisch van stemmen
en krijgsgewoel. Het was een troep samengeschoold volk, dat zich in
zwart gewemel om een transport wagens verdrong, waarop levensmiddelen
en eenige gekwetsten lagen, die men niet tijdig genoeg uit de stad
had kunnen vervoeren. Ettelijke kozakken, ter hunner bedekking
achtergelaten, stoven op hunne kleine, vlugge rossen in alle richtingen
uitéén en waren spoedig in de welbekende straten en stegen verdwenen,
zonder door de hun nagezonden kogels beschadigd te worden. Maar in het
Kremlin, welks poorten men thans genaderd was, verhief zich plotseling
een afgrijselijk gebrul van huilende stemmen. Rasinski was, alleen
door Bernard verzeld, bij het vallen der eerste schoten, naar de spits
der colonne gesneld, om te zien wat er gebeurde; zelfs zijn mannelijke
borst, aan dreigende gevaren, onder welke gedaante zij zich ook
vertoonden, sinds lang gewoon, werd door dit afgrijselijk geluid met
angst vervuld. Zijn oog volgde de richting, welke zijn oor hem aanwees.
Daar ontwaart hij op de muren van het Kremlin een aantal dreigende
gestalten, mannen en vrouwen, die den ingang van den heiligen burg der
czaren willen verdedigen. Het verwarde, vliegende haar der vrouwen, de
verwilderde stekelige baard der mannen, woeste, bloeddorstige gebaren,
lompen, gekrijsch, plompe barbaarsche wapens, dit alles voltooit het
ijzingwekkende der vertooning. „Hoe? Heeft de hel hare monsterachtigste
duivels uitgebraakt, om ons te verschrikken?” roept Rasinski uit en
houdt onwillekeurig de teugels in.—„Zijn dat weerwolven of menschen?”
vraagt Bernard sidderend. De verwoede schaar verheft opnieuw haar
grimmig gehuil, en geweerschoten vallen van de muurtransen in den
dichtsten hoop. De koning van Napels wuift met een witten doek, ten
teeken van vreedzame onderhandeling, en gelast Rasinski hun te zeggen,
dat zij den waanzinnigen, vruchteloozen kamp moeten opgeven, dat men
hun geen leed wil doen. Rasinski rijdt voor het front en roept hun
in het russisch toe: „Hoort, verneemt woorden des vredes!” maar een
gillend gekrijsch, waarbij de razende wijven de borsten slaan en zich
de haren uit het hoofd rukken, verscheurt, in stede van antwoord,
zijn oor. Eensklaps springt eene vrouw van reusachtige gestalte, wier
haarlokken wild om de schouders zwieren, op de uiterste tinne des
voorgevels. „Hond! vanéénrijten wil ik u met mijne tanden, als eene
hongerige wolvin! Roover, gij zult verscheurd worden, als de jager,
die het jong der berin uit het hol sleept. Vloek u, moordenaars onzer
mannen en kinderen! Vloek u, verwoesters onzer steden! Driemaal vloek
u, duivelsch gebroedsel, dat onze heilige altaren schendt en den
Almachtige met vervloekte tongen lastert! Wee zal over u komen, meer
dan over de verdoeming in den zwavelpoel der hel! Vloek, vloek, eeuwig
vloek!”
Rasinski rilde. De dreigende gestalte was vreeselijk, maar verwekte
geen afgrijzen. Wijde, zwartgrijze kleederen omhulden haar, een
bloedroode doek, half naar eene muts, half naar een tulband zweemende,
was om haar hoofd gewonden. Het grijze haar fladderde in den wind en
zwierde om de half ontbloote schouders, haar oog bliksemde en rolde
vurig in de diepe holen, den mond had zij tot eene luide vervloeking
geopend, de handen hief zij bezwerend ten hemel.
Alle mannelijke kracht bijeenrapend, riep Rasinski nog eenmaal met
zijne donderende stem: „Wilt gij de genade versmaden, rampzaligen?”
Een woest gebrul, met dreigende gebaren verzeld, verdoofde zijne
woorden, nog eer hij geëindigd had. Door een wenk gaf hij den koning
te kennen, dat alles vruchteloos was; deze gaf bevel, de poort te
verbrijzelen. De reeds aangespannen artillerie gaf vuur. Drie schoten,
welker gedonder door de ledige stad weergalmde, kraakten tegen de deur,
die in splinters uit de hengsels sprong. Zoodra zij neerstortte, drong
de woedende bende door de geopende bres te voorschijn en wierp zich
in dolle razernij op de gelederen der krijgers. Men had hen willen
verschoonen, daar zij te weinig in getal waren, om een overmachtigen
vijand tot noodeloos bloedvergieten te nopen; maar de waanzinnige
verbijstering der ongelukkigen maakte zulks onmogelijk. Als wilde
dieren stormden zij op de gehate tegenstanders in en trachtten, van
woede schuimbekkend, zoovelen te verdelgen, als zij vermochten. Een
razende velde met een boomstam, die naar eene knods geleek, twee
Franschen ter aarde en had door een sprong reeds den koning, die,
gelijk altijd, een der voorsten bij het gevaar was, bereikt, toen
Rasinski ijlings tusschenbeiden vloog en den dolzinnige een sabelhouw
toebracht. Doch deze viel vlak, en met al de grimmigheid van een
getergden bulhond pakte de half getroffene thans hem aan, sleurde hem
met bovenmenschelijke kracht uit den zadel, greep hem bij de keel aan
en wierp zich op hem neder. Pijlsnel, als eene toeschietende slang,
liet Bernard zich van het paard glijden en trok den tijger, die
Rasinski poogde te verworgen, terug. Een fransch officier sprong hem te
hulp. Met moeite braken zij den Rus de gespierde armen open, waarmede
hij zijne prooi hield vastgeklemd; toen hij deze niet meer roeren
konde, knarste hij grimmig met de tanden en poogde den onderliggende
daarmede in den strot aan te grijpen. Doch thans had ook Rasinski
weder den eenen arm losgewoeld, en toen de woedende naar hem beet,
stiet hij hem, daar eene andere verdediging onmogelijk was, met de
gebalde vuist zoo geweldig tegen den mond, dat een zwarte stroom van
dik bloed daaruit opgulpte en hem borst en aangezicht bevlekte. En
toch liet de barbaar nog niet los, maar trotseerde met de ongehoorde
spierkracht van zijn ijzersterk lichaam de vereenigde pogingen der drie
mannen, tot eindelijk de kogel uit het pistool eens jagers, die hem
koelbloedig met op de borst gedrukte tromp door het hart schoot, aan
zijn leven een einde maakte.
Rasinski en Bernard waren door dezen kamp geheel verpletterd; het
geleek te veel op moord, op een barbaarsch worgen en slachten, om een
edel mannelijk hart niet met diep afgrijzen te vervullen. Inmiddels
waren de overigen, die nog weerstand boden, deels neergesabeld, deels
op de vlucht gejaagd. Het scheen onnoodig hen te vervolgen; men liet
hen dus ongehinderd trekken en de koning van Napels zette den marsch
verder voort.
Verdubbelde behoedzaamheid bij het doordringen in den dedalischen
doolhof van straten werd thans echter noodzakelijker dan ooit. De
soldaat, die al deze vorstelijke huizen en paleizen van de bewoners
verlaten zag, begon zijne gedachte op den rijken buit te richten, dien
hij uit de achtergebleven bezitting hoopte bijeen te schrapen. Enkelen
poogden zich hier en daar uit de gelederen te verwijderen, om in de
huizen op roof uit te gaan; doch eene strenge bedreiging dreef hen
naar hunne plaats terug en ten bewijze, dat ze vervuld zoude worden,
schoot een generaal eigenhandig een dragonder neder, die zich in eene
dwarsstraat verbergen wilde. Zulks werkte; de menigte onderwierp zich
striktelijk aan het bevel. Echter hielden de aanvoerders nog andere
maatregelen voor noodzakelijk en zonden, zoodra zij een uitstekend
gebouw, dat aan eenige openbare inrichting gewijd scheen, of eene groep
aanzienlijke huizen naderden, sterke troepenafdeelingen zijwaarts af,
om ze tegen elke aanranding van roofgierige plunderaars te beschermen.
Zoo werd ook aan Rasinski opgedragen, een groot, van den rijkdom des
bezitters getuigend paleis, dat in eene breede, overigens slechts met
kleine huizen bezette zijstraat gelegen was, te bewaken. Met zijne
weinige manschappen en een bataljon jagers, dat hem toegevoegd werd,
scheidde hij zich dus van het groote armeekorps af en betrok midden in
de stad eene eigene legerplaats. Het paleis en de omliggende huizen
nam hij plechtstatig in bezit, en er vertoonde zich geen levende ziel,
die hem deze verovering betwistte. Hierop droeg hij aan Boleslaw op,
met een genoegzaam aantal manschappen zoodanige voorwerpen, welke tot
kleeding en voeding dienen en misschien voorhanden zijn konden, te
verzamelen en ze naar billijkheid en behoefte onder de soldaten uit te
deelen. Tevens verbood hij streng, zich in de huizen in te kwartieren,
eer hij zelf zich van de veiligheid daarvan ten volle overtuigd had,
en liet hij posten voor de deuren plaatsen, die met hun leven voor
plundering of moedwillige vernieling verantwoordelijk werden gesteld.
De troepen sloegen dus voorloopig een geregeld bivak in de breede,
bijna een marktplein gelijkende straat, welke tegenover het paleis lag,
op. In dit gebouw nam Rasinski zijn hoofdkwartier en richtte dadelijk
een bureau op, waar hij zijne dienstzaken en menigvuldige andere
bezigheden behoorlijk regelen konde. Als gewoonlijk namen Lodewijk en
Bernard de besturing daarvan op zich.