Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop
geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund
en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter,
dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar
het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen
terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers
des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers
tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te
beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om
den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne
afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche
lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende
scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag
bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke
gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts
het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en
zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de
verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.
Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken,
was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht
geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een
einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene
geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet
toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel
was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen
herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht.
Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe,
huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen
der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven,
die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om.
Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming
der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte
Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe,
waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de
baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij
de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendste
afgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen
der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog
zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij
schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld
afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare
stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het
beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder.
Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke
gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in
zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig
verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een
vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe
wonden in zijn hart achterlaten.
Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de
treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door
een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van
elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen
heuvel bij Duomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des
groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns
levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige
eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van
het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt
slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het
stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf,
het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken
was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde
uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps
voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met
innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn
achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.
„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het
oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog
in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand
zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik
ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar
na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne
bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan
gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij
ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”
„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast
mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met
warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook,
hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel,
wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan!
Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu
ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker
veld lag!”
„En Maria?”
„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”
„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door
de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde
hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik
als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en
krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Doch steeds gewoon,
zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne
lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon:
„Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd
spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete
tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”
„Hoopt gij dat?”
„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is
ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons
nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen
schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het
weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”
Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op
de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat
is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een
lijk was, waarover ik gevallen ben.”
„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier
moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten.
Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen
niet nog vermeerderen.”
Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal
der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken
stap daartegen aanstiet.
„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar
heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel
langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht
doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”
Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken
bezaaid.
„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in
duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger
is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk
zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”
Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls
waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de
boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der
hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden
verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij
diep door het hart.
Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet
zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken,
die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men
voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor
welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld
geworden.
„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige
lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front
tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.
„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige
stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe,
wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”
Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af
en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn
voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte;
hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dekte het hoofd en reed
in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine
hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!”
riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet
het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De
dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer
broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood
betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze
rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot
is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er
trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst.
Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des
krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en
het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die
gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want,
schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig
was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch
op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen
bloedigen, maar schoonen dag!”
Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken,
plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming
der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze
aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche
schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en
vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige
stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk
scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen,
de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine
bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de
behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men
nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats
onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het
bivak betrokken.
Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte
de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage
kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de
officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats
neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.
„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een
vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen
behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog
overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen
medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”
De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts
vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen,
elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten,
had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en
door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch,
door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren
slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski;
Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn
val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.
„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski;
„doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van
onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens
borst een jeugdig vuur van moed en vaderlandsliefde gloeide, schoon
zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”
„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.
„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen
den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot
staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard
doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand
en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats
liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte
ons allen mede voort.”
„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.
„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk
op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het
morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf
kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het
gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door
eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden.
Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren
gebruik maken.”
Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne
ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige
arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot
uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig
in vasten slaap.
Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van
zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de
rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt.
Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de
vlammen starende, den gloed aan.
„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.
„Middernacht.”
„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”
„Alles stil als de dood.”
„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen
rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de
overwonnenen!”
Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld
lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de
vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op;
die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.
„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand
nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten
tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij
zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward
gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het
welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd
voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”
Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.
„Werda?”
„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen
geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”
Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn
vriend! Mijne droomen zijn wellicht nog akeliger! Wanneer gij een
ervaren soldaat waart, zoudt gij mij begrijpen. Deze overwinning is
ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is
verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door
te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al
gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen
voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst
aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene
zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg
bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en
te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij
niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen,
hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven,
wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij
ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien
blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt
zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte
handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft
hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke
werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog
geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het
gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren
zal!”
Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.
Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den
duisteren nacht.
„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk
hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting
vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers
bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld
van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt.
Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den
slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele
duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure,
regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd
en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met
verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen
nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen
stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van
den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland,
aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen,
door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft
het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der
minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit
al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen,
vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de
vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van
hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper
vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend
gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer
en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie den _slag_ gezien heeft, kent
slechts de _lachende_ zijde van den krijg. Zie morgen het slag_veld_ en
gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven.
Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem,
voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding
voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst
de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles
te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die
gruwzame martelingen van een gerekten doodstrijd, die het medelijden
zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend,
dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak
is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne
schouders wentelt.”
Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals
en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar
zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed.
Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk
voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande
gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar
deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski
het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt
kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het
is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven,
het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij
zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het
oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht
toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij
helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe
smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”
Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende
morgen hen wekte.