HOOFDSTUK V.

Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop

geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund

en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter,

dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar

het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen

terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers

des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers

tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te

beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om

den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne

afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche

lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende

scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag

bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke

gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts

het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en

zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de

verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.

Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken,

was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht

geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een

einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene

geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet

toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel

was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen

herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht.

Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe,

huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen

der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven,

die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om.

Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming

der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte

Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe,

waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de

baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij

de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendste

afgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen

der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog

zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij

schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld

afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare

stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het

beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder.

Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke

gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in

zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig

verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een

vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe

wonden in zijn hart achterlaten.

Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de

treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door

een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van

elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen

heuvel bij Duomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des

groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns

levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige

eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van

het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt

slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het

stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf,

het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken

was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde

uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps

voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met

innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn

achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.

„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het

oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog

in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand

zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik

ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar

na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne

bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan

gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij

ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”

„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast

mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met

warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook,

hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel,

wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan!

Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu

ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker

veld lag!”

„En Maria?”

„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”

„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door

de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde

hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik

als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en

krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Doch steeds gewoon,

zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne

lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon:

„Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd

spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete

tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”

„Hoopt gij dat?”

„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is

ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons

nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen

schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het

weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”

Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op

de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat

is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een

lijk was, waarover ik gevallen ben.”

„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier

moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten.

Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen

niet nog vermeerderen.”

Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal

der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken

stap daartegen aanstiet.

„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar

heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel

langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht

doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”

Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken

bezaaid.

„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in

duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger

is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk

zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”

Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls

waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de

boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der

hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden

verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij

diep door het hart.

Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet

zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken,

die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men

voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor

welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld

geworden.

„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige

lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front

tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.

„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige

stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe,

wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”

Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af

en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn

voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte;

hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dekte het hoofd en reed

in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine

hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!”

riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet

het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De

dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer

broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood

betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze

rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot

is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er

trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst.

Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des

krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en

het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die

gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want,

schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig

was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch

op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen

bloedigen, maar schoonen dag!”

Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken,

plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming

der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze

aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche

schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en

vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige

stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk

scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen,

de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine

bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de

behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men

nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats

onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het

bivak betrokken.

Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte

de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage

kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de

officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats

neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.

„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een

vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen

behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog

overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen

medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”

De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts

vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen,

elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten,

had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en

door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch,

door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren

slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski;

Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn

val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.

„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski;

„doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van

onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens

borst een jeugdig vuur van moed en vaderlandsliefde gloeide, schoon

zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”

„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.

„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen

den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot

staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard

doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand

en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats

liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte

ons allen mede voort.”

„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.

„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk

op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het

morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf

kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het

gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door

eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden.

Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren

gebruik maken.”

Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne

ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige

arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot

uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig

in vasten slaap.

Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van

zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de

rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt.

Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de

vlammen starende, den gloed aan.

„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.

„Middernacht.”

„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”

„Alles stil als de dood.”

„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen

rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de

overwonnenen!”

Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld

lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de

vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op;

die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.

„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand

nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten

tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij

zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward

gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het

welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd

voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”

Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.

„Werda?”

„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen

geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”

Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn

vriend! Mijne droomen zijn wellicht nog akeliger! Wanneer gij een

ervaren soldaat waart, zoudt gij mij begrijpen. Deze overwinning is

ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is

verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door

te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al

gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen

voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst

aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene

zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg

bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en

te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij

niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen,

hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven,

wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij

ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien

blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt

zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte

handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft

hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke

werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog

geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het

gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren

zal!”

Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.

Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den

duisteren nacht.

„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk

hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting

vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers

bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld

van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt.

Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den

slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele

duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure,

regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd

en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met

verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen

nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen

stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van

den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland,

aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen,

door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft

het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der

minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit

al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen,

vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de

vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van

hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper

vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend

gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer

en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie den _slag_ gezien heeft, kent

slechts de _lachende_ zijde van den krijg. Zie morgen het slag_veld_ en

gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven.

Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem,

voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding

voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst

de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles

te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die

gruwzame martelingen van een gerekten doodstrijd, die het medelijden

zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend,

dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak

is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne

schouders wentelt.”

Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals

en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar

zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed.

Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk

voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande

gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar

deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski

het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt

kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het

is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven,

het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij

zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het

oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht

toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij

helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe

smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”

Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende

morgen hen wekte.

1812: Historische roman · 第 71 / 154 题