HOOFDSTUK VI.

Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in

oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en

rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder

rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den

aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der

cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan

wel naar Kaluga wendde.

Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van

de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen.

In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der

heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte

zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te

ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden.

De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden

zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en

somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord

en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige

inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo

vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen.

Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe

te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende

wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood

als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de

eenige prijs der overwinning, die men bevochten had! Vele regimenten

waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne

arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.

Zoo wachtten zij op den keizer.

Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten,

prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde

belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den

kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldaten herhaalden dien, maar het

was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije

aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder

van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige

honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.

Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde

het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden

hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten

zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.

„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij

zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard

tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voortreden. „Wat moet

dat voor eene ziel vol koene, zich boven menschenrecht en menschengeluk

stout als de Alpen verheffende ontwerpen zijn, die zulk een last van

jammer en ellende op zich durft laden, zonder daaronder verpletterd te

worden! Hoe hoog boven de aarde moet de geest omzweven, die de kleine

akkers, vruchten, hutten, genoegens en wenschen der menschheid zoozeer

uit het oog verliest, dat hij niets meer ontdekt, dan de massa's der

landen en volkeren, dan de oceanen en vesten des aardrijks. Hoe ver

moet hij met zijne gedachten over den tijd, over het tegenwoordige

heenreiken, die, te midden van het verwarde, duizendvoudige schrift der

dagelijksche gebeurtenissen zoo stout de griffel der wereldgeschiedenis

bestuurt!”

„In zijne nabijheid,” hernam Lodewijk, „is het alsof ik mij tot dat

gevoel zou kunnen verheffen. Gelijk ik mij zelf verlies en mij slechts

als eene alleenstaande kracht beschouwen kan, waaraan hij tegelijk

met duizend andere de richting geeft; gelijk ik allen, die ik anders

als de besten, de grootsten, de zelfstandigsten vereerde, hetzelfde

zie doen; gelijk zij tegen zijn groot _een_ verdwijnen, even als de

tallooze regendroppelen eens onweders, die op den oceaan vallen—zoo

wordt het mij begrijpelijk, hoe al die afzonderlijke krachten in het

ééne zwaartepunt van zijn machtigen wil te zamen dringen. Hij gevoelt

slechts de verplichting, haar naar den innerlijken, noodwendigen

aandrang zijner ziel te gebruiken; hij ziet in den mensch slechts het

stofdeeltje der enkele _kracht_, dat hij tot vorming van het geheel

verzamelen moet. Of de atomen der enkele _rechten_ daarbij verstuiven,

dat overweegt hij niet, dat mag hij niet overwegen, en wie zich bij hem

aansluit, verliest dat recht volgens eene onveranderlijke grondwet. Wie

niet wil moet het aan een anderen algemeenen wil ten offer brengen; dat

is het lot der menschenkinderen. Wie in zich zelf de kracht gevoelt,

om de draden des willens van zooveel duizenden in zich te vereenigen,

die heeft ook het recht daartoe; wie het zich ijdel inbeeldt, zal

spoedig verpletterd worden door de reusachtige knods, welke hij

niet wist te voeren. Zij echter, die aan het machtige gebod van een

beslisser der wereldgebeurtenissen gehoorzamen, mogen niet klagen,

dat zij hunne vrijheid verliezen. Zij volgen hier zoo als altijd eene

natuurwet; slechts de hoogere van den geest wordt minder algemeen

erkend, dan de lagere der lichamelijke stof. Moogt gij u beklagen,

omdat gij sterfelijk zijt? Zou het hoogste wezen, dat u aan die wet

onderwierp, eenig verwijt treffen? Immers neen. Daarom is een groot

man evenmin verantwoordelijk voor het lijden van enkelen, als deze

recht hebben zulks aan hem te wijten. Daarom ook voelt hij roeping en

recht in zich vereenigd, vindt hij zijne ziel niet bezwaard door hun

jammer en richten zij hun vloek niet tegen hem. Elk draagt en vervult

in zijne betrekking, wat eene eeuwige beschikking der waarheid en

der gerechtigheid hem oplegt. Zoo slechts vormt zich de gedachte der

Godheid; wie daaraan niet vasthoudt, mag uit de gonzende mug, die hem

in den slaap stoort, eene beschuldiging tegen de Almacht inbrengen.”

„Zie op, Lodewijk, daar rechts?” viel Bernard hem in de rede.

Juist kwam een transport wagens voorbij, waarop men gekwetsten had

geladen. De uitdrukking der bleeke, met bloed bemorste gelaatstrekken

was over het geheel die van een stil, gelaten lijden. Eenigen zagen

trotsch, wild in het rond, alsof zij zich boven hun lot wilden

verheffen. Slechts enkele stieten hartverscheurende klaagtonen

uit, terwijl nog anderen alleen vreugde over de hulp, die hun was

toegebracht, schenen te gevoelen en vroolijk om zich heenblikten, als

wilden zij zeggen; „ditmaal zijn wij nog gelukkig aan den dreigenden

dood ontsnapt en zullen in leven blijven.”

Men bereikte thans het eerste punt, waar de dood hevig gewoed had,

daar men door den hollen weg reed, dien Rasinski gisteren gekozen had,

om het met lijken bezaaide veld te vermijden. Doch nu was het anders.

Vele gewonden hadden zich tot hier voortgesleept, om bescherming tegen

den storm te zoeken. Zij lagen, in de zandkuilen gedoken, en beefden

van koude en koorts. Een ouden grenadier klapperden de tanden hoorbaar

op elkander, doch hij uitte geen klaagtoon, maar staarde slechts uit

holle, brekende oogen de voorbijrijdenden aan. Lodewijk werd door dit

gezicht zoo hevig ontroerd, dat hij van het paard springen en den

ongelukkige helpen wilde, doch juist kwamen twee treinsoldaten, die hem

op eene baar leiden en wegdroegen.

Eenige schreden verder stiet Bernard Lodewijk aan. „Zie, het is om te

ijzen.”

Een jongmensch, met blond haar, op wiens teedere, bijna vrouwelijke

trekken, niettegenstaande de diepe voren der smart, nog jeugdige

bevalligheid zichtbaar was, lag aan den weg en hief de flauwe

verglaasde oogen naar de ruiters op. Aan de half geopende lippen

schenen zachte klaagtonen te ontglippen; smeekend richtte hij zijne

blikken naar eenige krijgers, die in zijne nabijheid gekwetsten opnamen

en naar een gereedstaanden wagen droegen. Hij scheen te kermen: „O,

helpt toch eindelijk ook mij!”

Lodewijk kon dit niet aanzien, hij sprong uit den zadel, naderde den

verlatene en wilde hem oprichten, toen eene grijze grenadier hem

barsch, schoon niet zonder aandoening toeriep: „Laat hem liggen,

Kameraad, voor hem is geen kruid meer gewassen; gij verlengt slechts

zijn lijden. Hoe kan iemand met één been en eene opengescheurde borst

uit dit woeste land weer naar Frankrijk hinken? Help liever die nog

te redden zijn, als gij iets doen wilt. Wensch hem wel te rusten en

daarmeê basta.”

De ongelukkige hoorde deze woorden, die den laatsten draad zijner hoop

meêdoogenloos afsneden, en zag diep zuchtend tot Lodewijk op. Dezen

dreigde het hart te breken, zijn blik verduisterde en hij moest alle

kracht der mannelijke vastheid bijeenrapen, om uiterlijk bedaard te

blijven. Met innig medelijden boog hij zich over den jongeling neder

en zeide: „Het is zoo erg nog niet, mijn vriend; ik zal voor u zorgen;

vat moed!” De gewonde zag hem dankbaar aan; glimlachen kon hij niet

met de door pijn verwrongen spieren, echter lichtte een zachte straal

van vreugde in zijn stervend oog. Lodewijk vatte hem aan en wilde hem

oprichten, doch daar de ongelukkige den gepakten ransel nog op den rug

droeg, was de last te zwaar en moest hij hem laten terugzinken. Bernard

was inmiddels ook van het paard gesprongen, om zijn vriend behulpzaam

te zijn; doch toen beide vrienden den stervende behoedzaam wilden

opbeuren, liet deze het hoofd op de borst neerzijgen. „_Ah! ma mère!_”

ademde hij met brekende stem en was niet meer.

„Wel hem!” sprak Lodewijk, toen hij thans het stille lachje des doods

op het bleeke gelaat zag doorstralen, „wel hem, nu is zijn lijden

geëindigd.”

„Kom dan mede,” drong Bernard, bezorgd, dat hun lang achterblijven

Rasinski verdrieten mocht. Zij wierpen zich weder te paard en renden

ijlings na.

Juist toen zij het gevolg bereikten, was dit op de hoogte voor de

redoute gekomen, waar de strijd gisteren zoo vreeselijk gewoed had.

Hier lag het gansche veld vol lijken; echter zag men niet meer zoovele

gewonden, daar honderden soldaten reeds van den vroegen morgen bezig

geweest waren die op de van alle zijden bijeenverzamelde wagens te

laden. Des te schrikwekkender was de werkplaats des doods, die men

hier geopend zag. Russen en Franschen bedekten in tallooze menigte den

bodem. Men zag afgrijselijke verminkingen; de afgeschoten ledematen

lagen in het rond verspreid of waren achteloos in hoopen opgestapeld.

De lichamen van half vermorselde paarden hadden zich in de wilde

stuiptrekkingen van den doodstrijd over de zieltogenden en gekwetsten

heengewenteld, zoodat men in de verstijfde trekken van hen, die onder

die bloedige vleeschklompen bedolven lagen, nog den krampachtigen

angst kon lezen, waarmede zij onder dat akelig wicht den laatsten adem

hadden uitgeblazen. Verbrijzelde helmen, harnassen, geweren, sabels

schemerden tusschen de bloedige lijken; overblijfsels van vernield

geschut lagen in het rond verstrooid. Het was bezwaarlijk, de paarden

door dezen gruwelijken chaos voort te leiden, zonder door hunne hoeven

menschelijke lichamen, waarin zich nog altijd sporen des levens lieten

vermoeden, te beschadigen.

De keizer hield stil. Met scherpen blik zag hij in het rond; over het

tooneel der verwoesting voor zijne voeten zweefde zijn oog heen, zonder

daarop te rusten. Hij beschouwde niet het veld des doods, maar dat

van den slag met het vorschend oog des veldheers en scheen alleen te

willen zijn, want voor zoover men zien konde, gaf hij hun die hem het

naast omringden, een wenk, zich te verwijderen. Zij verstrooiden zich

in verschillende richtingen over het slagveld. De maarschalk Berthier

bleef alleen in zijne nabijheid en volgde hem op zijn verderen rit.

Rasinski richtte zich met zijne geleiders naar de plaats, waar hij

gisteren met zijn regiment het eerst in het vuur was gekomen. Spoedig

zag men de poolsche uniformen, die aan de lichtblauwe kleur gemakkelijk

te onderkennen waren, in de verte schemeren.

„Hier zocht ik u gisteren,” sprak Bernard tot den vriend; „voor den

duivel, het is mij lief, dat ik u thans nevens mij te paard zie!” Deze

woorden stiet hij bijna met woestheid uit; Lodewijk bemerkte intusschen

wel, dat hij achter dezen ruwen uitroep de op hem overweldigende

ontroering en aandoening, die de aanblik van het slagveld bij hem

verwekt had, trachtte te verbergen.

„Nu zal men er spoedig aan gewoon zijn en er bij inslapen, als

arme zondaars op de pijnbank, als zij lang gemarteld worden,”

vervolgde Bernard. „De mensch is ontzettend leerzaam in de kunst der

meêdoogenloosheid. Ik laat alles reeds bij mij afglijden als sneeuw

van den mantel.” Inderdaad maakte hij daarbij eene beweging, die met

deze woorden overeenstemde, schoon zijne trekken verrieden, dat hij de

ijskoude rilling, die hem aangreep, op deze wijze wilde ontveinzen.

„O, zoo het ons gelukte, het lijk van den braven Petrowski te vinden,”

sprak Rasinski, terwijl hij opmerkzame blikken over het veld wierp en

de dooden van zijn regiment een voor een monsterde.—„In dezen omtrek

zag ik hem vallen.—Gewonden zie ik gelukkig niet meer; het was ook het

deel van het slagveld, waarvan wij ons het eerst meester maakten, en

men kon dus hier reeds tijdig hulp brengen.—Maar is dat Jaromir niet,

die daar zoo haastig komt aanrennen?”

Men herkende hem aan een ver in het rond blinkenden appelschimmel, dien

hij sinds gisteren bereed, toen hij twee paarden verloren had. Toen

hij nader gekomen was en zag, dat men hem bemerkte, wenkte hij met de

sabel. In het veld is men steeds op belangrijke tijdingen voorbereid,

weshalve Rasinski hem ijlings te gemoet snelde; de beide vrienden

bleven natuurlijk niet achter.

„Wij marcheeren, Rasinski,” riep Jaromir. „De order is zoo even

gekomen,” vervolgde hij, terwijl zij langzaam te zamen voortreden.

„Boleslaw met het overblijfsel van ons regiment is reeds op weg. Ik

bleef achter, om u op te zoeken. Wij moeten de zijwegen van de oude

baan naar Moskou verkennen, daar men gelooft, dat de Russen derwaarts

terugtrekken en op Kaluga en op Tula aanrukken.”

„Wie heeft het bevel gebracht?”

„Een adjudant van den koning van Napels.”

„Hebt gij fourage gevonden?”

Jaromir schudde het hoofd.

„Dus hebben de paarden niets gehad?”

„Een weinig hooi en half verdord gras was alles, wat wij konden

opsporen; echter hopen wij in de dorpen rechts van den weg nog voorraad

te vinden.”

„En hoe zijn de manschappen?”

„Uitgerust, maar niet genoegzaam; ondernemend, doch niet vroolijk.

De overwinning is onvolkomen. Zij weten dat men slechts achthonderd

gevangenen gemaakt heeft, en men zou na zulk een slag toch dubbel

zooveel duizenden verwachten. De vier en twintig zware kanonnen en

ettelijke veldstukjes zijn de eenige buit, dien men gemaakt heeft.”

„En daarvoor zeventig duizend dooden en gekwetsten!” zuchtte Rasinski.

„Ja, maar aan beide zijden.”

„O, wij hebben aan de helft, die op ons valt, dubbel genoeg.—Eene

vreeselijke overwinning! Twee en veertig generaals zijn gebleven, onder

hen Caulaincourt en Montbrun. Ook de maarschalk Davoust is gewond.”

„Maar niet gevaarlijk!”

Rasinski antwoordde niet verder en rende, daar men nu een vlak terrein

bereikt had, met lossen teugel voort, om het regiment in te halen

en zich opnieuw in de woeste zee zijner krijgsmansverplichtingen te

storten.

Zoo zijn de wilde verschrikkingen van den oorlog de heelsters der

wonden, welke zij zelve toebrengen; want in het steeds voortdurend

gewoel wordt de klagende stem in de borst zoo luide overschreeuwd,

dat zij zich zelve niet meer verneemt. Wie kan, zoolang de storm met

onophoudelijk vernieuwde woede het slingerende vaartuig teistert,

hen betreuren, die hij reeds in de kolken van den afgrond heeft doen

verzinken? De ziel zelve wordt immers door onstuimige golven bewogen;

eerst wanneer deze kalm en bedaard zijn, vermag zij, de beelden des

levens weder helder in zich af te spiegelen. Dan echter, zoo heeft de

eeuwige goedheid het verordend, rust in hare diepte ook reeds weder

het reine, zuivere blauw des hemels, waarin het geloovig hart elken

troost vindt, die het zoekt en van noode heeft.

1812: Historische roman · 第 72 / 154 题