Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in
oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en
rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder
rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den
aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der
cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan
wel naar Kaluga wendde.
Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van
de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen.
In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der
heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte
zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te
ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden.
De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden
zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en
somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord
en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige
inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo
vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen.
Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe
te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende
wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood
als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de
eenige prijs der overwinning, die men bevochten had! Vele regimenten
waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne
arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.
Zoo wachtten zij op den keizer.
Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten,
prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde
belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den
kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldaten herhaalden dien, maar het
was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije
aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder
van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige
honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.
Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde
het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden
hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten
zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.
„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij
zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard
tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voortreden. „Wat moet
dat voor eene ziel vol koene, zich boven menschenrecht en menschengeluk
stout als de Alpen verheffende ontwerpen zijn, die zulk een last van
jammer en ellende op zich durft laden, zonder daaronder verpletterd te
worden! Hoe hoog boven de aarde moet de geest omzweven, die de kleine
akkers, vruchten, hutten, genoegens en wenschen der menschheid zoozeer
uit het oog verliest, dat hij niets meer ontdekt, dan de massa's der
landen en volkeren, dan de oceanen en vesten des aardrijks. Hoe ver
moet hij met zijne gedachten over den tijd, over het tegenwoordige
heenreiken, die, te midden van het verwarde, duizendvoudige schrift der
dagelijksche gebeurtenissen zoo stout de griffel der wereldgeschiedenis
bestuurt!”
„In zijne nabijheid,” hernam Lodewijk, „is het alsof ik mij tot dat
gevoel zou kunnen verheffen. Gelijk ik mij zelf verlies en mij slechts
als eene alleenstaande kracht beschouwen kan, waaraan hij tegelijk
met duizend andere de richting geeft; gelijk ik allen, die ik anders
als de besten, de grootsten, de zelfstandigsten vereerde, hetzelfde
zie doen; gelijk zij tegen zijn groot _een_ verdwijnen, even als de
tallooze regendroppelen eens onweders, die op den oceaan vallen—zoo
wordt het mij begrijpelijk, hoe al die afzonderlijke krachten in het
ééne zwaartepunt van zijn machtigen wil te zamen dringen. Hij gevoelt
slechts de verplichting, haar naar den innerlijken, noodwendigen
aandrang zijner ziel te gebruiken; hij ziet in den mensch slechts het
stofdeeltje der enkele _kracht_, dat hij tot vorming van het geheel
verzamelen moet. Of de atomen der enkele _rechten_ daarbij verstuiven,
dat overweegt hij niet, dat mag hij niet overwegen, en wie zich bij hem
aansluit, verliest dat recht volgens eene onveranderlijke grondwet. Wie
niet wil moet het aan een anderen algemeenen wil ten offer brengen; dat
is het lot der menschenkinderen. Wie in zich zelf de kracht gevoelt,
om de draden des willens van zooveel duizenden in zich te vereenigen,
die heeft ook het recht daartoe; wie het zich ijdel inbeeldt, zal
spoedig verpletterd worden door de reusachtige knods, welke hij
niet wist te voeren. Zij echter, die aan het machtige gebod van een
beslisser der wereldgebeurtenissen gehoorzamen, mogen niet klagen,
dat zij hunne vrijheid verliezen. Zij volgen hier zoo als altijd eene
natuurwet; slechts de hoogere van den geest wordt minder algemeen
erkend, dan de lagere der lichamelijke stof. Moogt gij u beklagen,
omdat gij sterfelijk zijt? Zou het hoogste wezen, dat u aan die wet
onderwierp, eenig verwijt treffen? Immers neen. Daarom is een groot
man evenmin verantwoordelijk voor het lijden van enkelen, als deze
recht hebben zulks aan hem te wijten. Daarom ook voelt hij roeping en
recht in zich vereenigd, vindt hij zijne ziel niet bezwaard door hun
jammer en richten zij hun vloek niet tegen hem. Elk draagt en vervult
in zijne betrekking, wat eene eeuwige beschikking der waarheid en
der gerechtigheid hem oplegt. Zoo slechts vormt zich de gedachte der
Godheid; wie daaraan niet vasthoudt, mag uit de gonzende mug, die hem
in den slaap stoort, eene beschuldiging tegen de Almacht inbrengen.”
„Zie op, Lodewijk, daar rechts?” viel Bernard hem in de rede.
Juist kwam een transport wagens voorbij, waarop men gekwetsten had
geladen. De uitdrukking der bleeke, met bloed bemorste gelaatstrekken
was over het geheel die van een stil, gelaten lijden. Eenigen zagen
trotsch, wild in het rond, alsof zij zich boven hun lot wilden
verheffen. Slechts enkele stieten hartverscheurende klaagtonen
uit, terwijl nog anderen alleen vreugde over de hulp, die hun was
toegebracht, schenen te gevoelen en vroolijk om zich heenblikten, als
wilden zij zeggen; „ditmaal zijn wij nog gelukkig aan den dreigenden
dood ontsnapt en zullen in leven blijven.”
Men bereikte thans het eerste punt, waar de dood hevig gewoed had,
daar men door den hollen weg reed, dien Rasinski gisteren gekozen had,
om het met lijken bezaaide veld te vermijden. Doch nu was het anders.
Vele gewonden hadden zich tot hier voortgesleept, om bescherming tegen
den storm te zoeken. Zij lagen, in de zandkuilen gedoken, en beefden
van koude en koorts. Een ouden grenadier klapperden de tanden hoorbaar
op elkander, doch hij uitte geen klaagtoon, maar staarde slechts uit
holle, brekende oogen de voorbijrijdenden aan. Lodewijk werd door dit
gezicht zoo hevig ontroerd, dat hij van het paard springen en den
ongelukkige helpen wilde, doch juist kwamen twee treinsoldaten, die hem
op eene baar leiden en wegdroegen.
Eenige schreden verder stiet Bernard Lodewijk aan. „Zie, het is om te
ijzen.”
Een jongmensch, met blond haar, op wiens teedere, bijna vrouwelijke
trekken, niettegenstaande de diepe voren der smart, nog jeugdige
bevalligheid zichtbaar was, lag aan den weg en hief de flauwe
verglaasde oogen naar de ruiters op. Aan de half geopende lippen
schenen zachte klaagtonen te ontglippen; smeekend richtte hij zijne
blikken naar eenige krijgers, die in zijne nabijheid gekwetsten opnamen
en naar een gereedstaanden wagen droegen. Hij scheen te kermen: „O,
helpt toch eindelijk ook mij!”
Lodewijk kon dit niet aanzien, hij sprong uit den zadel, naderde den
verlatene en wilde hem oprichten, toen eene grijze grenadier hem
barsch, schoon niet zonder aandoening toeriep: „Laat hem liggen,
Kameraad, voor hem is geen kruid meer gewassen; gij verlengt slechts
zijn lijden. Hoe kan iemand met één been en eene opengescheurde borst
uit dit woeste land weer naar Frankrijk hinken? Help liever die nog
te redden zijn, als gij iets doen wilt. Wensch hem wel te rusten en
daarmeê basta.”
De ongelukkige hoorde deze woorden, die den laatsten draad zijner hoop
meêdoogenloos afsneden, en zag diep zuchtend tot Lodewijk op. Dezen
dreigde het hart te breken, zijn blik verduisterde en hij moest alle
kracht der mannelijke vastheid bijeenrapen, om uiterlijk bedaard te
blijven. Met innig medelijden boog hij zich over den jongeling neder
en zeide: „Het is zoo erg nog niet, mijn vriend; ik zal voor u zorgen;
vat moed!” De gewonde zag hem dankbaar aan; glimlachen kon hij niet
met de door pijn verwrongen spieren, echter lichtte een zachte straal
van vreugde in zijn stervend oog. Lodewijk vatte hem aan en wilde hem
oprichten, doch daar de ongelukkige den gepakten ransel nog op den rug
droeg, was de last te zwaar en moest hij hem laten terugzinken. Bernard
was inmiddels ook van het paard gesprongen, om zijn vriend behulpzaam
te zijn; doch toen beide vrienden den stervende behoedzaam wilden
opbeuren, liet deze het hoofd op de borst neerzijgen. „_Ah! ma mère!_”
ademde hij met brekende stem en was niet meer.
„Wel hem!” sprak Lodewijk, toen hij thans het stille lachje des doods
op het bleeke gelaat zag doorstralen, „wel hem, nu is zijn lijden
geëindigd.”
„Kom dan mede,” drong Bernard, bezorgd, dat hun lang achterblijven
Rasinski verdrieten mocht. Zij wierpen zich weder te paard en renden
ijlings na.
Juist toen zij het gevolg bereikten, was dit op de hoogte voor de
redoute gekomen, waar de strijd gisteren zoo vreeselijk gewoed had.
Hier lag het gansche veld vol lijken; echter zag men niet meer zoovele
gewonden, daar honderden soldaten reeds van den vroegen morgen bezig
geweest waren die op de van alle zijden bijeenverzamelde wagens te
laden. Des te schrikwekkender was de werkplaats des doods, die men
hier geopend zag. Russen en Franschen bedekten in tallooze menigte den
bodem. Men zag afgrijselijke verminkingen; de afgeschoten ledematen
lagen in het rond verspreid of waren achteloos in hoopen opgestapeld.
De lichamen van half vermorselde paarden hadden zich in de wilde
stuiptrekkingen van den doodstrijd over de zieltogenden en gekwetsten
heengewenteld, zoodat men in de verstijfde trekken van hen, die onder
die bloedige vleeschklompen bedolven lagen, nog den krampachtigen
angst kon lezen, waarmede zij onder dat akelig wicht den laatsten adem
hadden uitgeblazen. Verbrijzelde helmen, harnassen, geweren, sabels
schemerden tusschen de bloedige lijken; overblijfsels van vernield
geschut lagen in het rond verstrooid. Het was bezwaarlijk, de paarden
door dezen gruwelijken chaos voort te leiden, zonder door hunne hoeven
menschelijke lichamen, waarin zich nog altijd sporen des levens lieten
vermoeden, te beschadigen.
De keizer hield stil. Met scherpen blik zag hij in het rond; over het
tooneel der verwoesting voor zijne voeten zweefde zijn oog heen, zonder
daarop te rusten. Hij beschouwde niet het veld des doods, maar dat
van den slag met het vorschend oog des veldheers en scheen alleen te
willen zijn, want voor zoover men zien konde, gaf hij hun die hem het
naast omringden, een wenk, zich te verwijderen. Zij verstrooiden zich
in verschillende richtingen over het slagveld. De maarschalk Berthier
bleef alleen in zijne nabijheid en volgde hem op zijn verderen rit.
Rasinski richtte zich met zijne geleiders naar de plaats, waar hij
gisteren met zijn regiment het eerst in het vuur was gekomen. Spoedig
zag men de poolsche uniformen, die aan de lichtblauwe kleur gemakkelijk
te onderkennen waren, in de verte schemeren.
„Hier zocht ik u gisteren,” sprak Bernard tot den vriend; „voor den
duivel, het is mij lief, dat ik u thans nevens mij te paard zie!” Deze
woorden stiet hij bijna met woestheid uit; Lodewijk bemerkte intusschen
wel, dat hij achter dezen ruwen uitroep de op hem overweldigende
ontroering en aandoening, die de aanblik van het slagveld bij hem
verwekt had, trachtte te verbergen.
„Nu zal men er spoedig aan gewoon zijn en er bij inslapen, als
arme zondaars op de pijnbank, als zij lang gemarteld worden,”
vervolgde Bernard. „De mensch is ontzettend leerzaam in de kunst der
meêdoogenloosheid. Ik laat alles reeds bij mij afglijden als sneeuw
van den mantel.” Inderdaad maakte hij daarbij eene beweging, die met
deze woorden overeenstemde, schoon zijne trekken verrieden, dat hij de
ijskoude rilling, die hem aangreep, op deze wijze wilde ontveinzen.
„O, zoo het ons gelukte, het lijk van den braven Petrowski te vinden,”
sprak Rasinski, terwijl hij opmerkzame blikken over het veld wierp en
de dooden van zijn regiment een voor een monsterde.—„In dezen omtrek
zag ik hem vallen.—Gewonden zie ik gelukkig niet meer; het was ook het
deel van het slagveld, waarvan wij ons het eerst meester maakten, en
men kon dus hier reeds tijdig hulp brengen.—Maar is dat Jaromir niet,
die daar zoo haastig komt aanrennen?”
Men herkende hem aan een ver in het rond blinkenden appelschimmel, dien
hij sinds gisteren bereed, toen hij twee paarden verloren had. Toen
hij nader gekomen was en zag, dat men hem bemerkte, wenkte hij met de
sabel. In het veld is men steeds op belangrijke tijdingen voorbereid,
weshalve Rasinski hem ijlings te gemoet snelde; de beide vrienden
bleven natuurlijk niet achter.
„Wij marcheeren, Rasinski,” riep Jaromir. „De order is zoo even
gekomen,” vervolgde hij, terwijl zij langzaam te zamen voortreden.
„Boleslaw met het overblijfsel van ons regiment is reeds op weg. Ik
bleef achter, om u op te zoeken. Wij moeten de zijwegen van de oude
baan naar Moskou verkennen, daar men gelooft, dat de Russen derwaarts
terugtrekken en op Kaluga en op Tula aanrukken.”
„Wie heeft het bevel gebracht?”
„Een adjudant van den koning van Napels.”
„Hebt gij fourage gevonden?”
Jaromir schudde het hoofd.
„Dus hebben de paarden niets gehad?”
„Een weinig hooi en half verdord gras was alles, wat wij konden
opsporen; echter hopen wij in de dorpen rechts van den weg nog voorraad
te vinden.”
„En hoe zijn de manschappen?”
„Uitgerust, maar niet genoegzaam; ondernemend, doch niet vroolijk.
De overwinning is onvolkomen. Zij weten dat men slechts achthonderd
gevangenen gemaakt heeft, en men zou na zulk een slag toch dubbel
zooveel duizenden verwachten. De vier en twintig zware kanonnen en
ettelijke veldstukjes zijn de eenige buit, dien men gemaakt heeft.”
„En daarvoor zeventig duizend dooden en gekwetsten!” zuchtte Rasinski.
„Ja, maar aan beide zijden.”
„O, wij hebben aan de helft, die op ons valt, dubbel genoeg.—Eene
vreeselijke overwinning! Twee en veertig generaals zijn gebleven, onder
hen Caulaincourt en Montbrun. Ook de maarschalk Davoust is gewond.”
„Maar niet gevaarlijk!”
Rasinski antwoordde niet verder en rende, daar men nu een vlak terrein
bereikt had, met lossen teugel voort, om het regiment in te halen
en zich opnieuw in de woeste zee zijner krijgsmansverplichtingen te
storten.
Zoo zijn de wilde verschrikkingen van den oorlog de heelsters der
wonden, welke zij zelve toebrengen; want in het steeds voortdurend
gewoel wordt de klagende stem in de borst zoo luide overschreeuwd,
dat zij zich zelve niet meer verneemt. Wie kan, zoolang de storm met
onophoudelijk vernieuwde woede het slingerende vaartuig teistert,
hen betreuren, die hij reeds in de kolken van den afgrond heeft doen
verzinken? De ziel zelve wordt immers door onstuimige golven bewogen;
eerst wanneer deze kalm en bedaard zijn, vermag zij, de beelden des
levens weder helder in zich af te spiegelen. Dan echter, zoo heeft de
eeuwige goedheid het verordend, rust in hare diepte ook reeds weder
het reine, zuivere blauw des hemels, waarin het geloovig hart elken
troost vindt, die het zoekt en van noode heeft.