De gewichtige morgen brak aan. De hemel was helder, slechts enkele
blauwe nevelstrepen lagen over de diepe bedding der Kalotscha en eenige
andere beken, die het slagveld doorkruisten. Een frissche morgenwind
had deze vluchtige dampen spoedig verjaagd. Thans rees de zon van
achter de donkere toppen van het dennenwoud bij Utiza op en wierp haar
verblindende stralen over de vlakte, waar de massa's van het fransche
leger, reeds tot den slag geordend, hare komst met ongeduld verbeiden.
De lange rijen der bajonetten lichtten en flonkerden, de adelaars
blonken en op het harnas der kurassiers gloeide het volle beeld der
zon, zoodat het zich langs de onafzienbare gelederen gelijk eene
bloedige slang over de velden kronkelde.
„Dat is de zon van Austerlitz,” riep de keizer, die van eene hoogte ter
linkerzijde der in linie geschaarde cavalerie het slagveld overzag,
terwijl hij met den vinger op het glansrijke hemellicht duidde.
Rasinski was benevens andere hoofdofficieren den heuvel opgesneld,
om een vrijer uitzicht op de vlakte te hebben, en hem tot zoo nabij
genaderd, dat zij deze woorden konden verstaan. De generaals, tot welke
zij gericht waren, gaven geen antwoord.
Lodewijk en Bernard sloten, als Rasinski's geleiders, dicht achter
de hoofdofficieren op. Ook zij hadden den luiden uitroep des keizers
gehoord.
„De stralen vallen ons te verblindend in het oog,” fluisterde de
laatste, „wij kunnen den vijand niet zien en ons moet hij des te
duidelijker onderscheiden. Deze zon is ons dus ten minste nog niet
gunstig.”
Thans zag men de batterijen, die gedurende den nacht hare stelling te
ver van de linie der Russen genomen hadden, aanrukken, om de nabij
gelegen hoogten te bezetten. De vijand liet dit gunstig oogenblik
ongebruikt voorbijgaan. Het scheen, alsof hij in dezen oorlog, waarin
hij zich altijd slechts verdedigd had, zelfs op het gekozen slagveld
niet het eerste bloed vergieten wilde, maar den aanvaller ook thans nog
keus en gelegenheid laten, om van zijne onderneming af te zien.
Daar dreunt eensklaps aan den linkervleugel de doffe donder van het
geschut; bij het dorp Borodino ziet men rook en stofwolken opstijgen.
De heilige stilte is afgebroken, de zwarte nevelsluier der onzekerheid
vaneen gereten, de bliksem slaat verdelgend neder. Met verplettend
gewicht ontschiet het ijzeren rad aan de handen van het noodlot;
verbrijzele 't wien 't wil, geene menschelijke macht is thans meer in
staat zijn woedenden loop te stuiten.
De bevelen des keizers vliegen over het veld. Op hetzelfde oogenblik
dondert het van alle hoogten, die zoo even nog als sluimerende
nachtgedrochten in doffe stilte rustten. Rook en vlammen stijgen van
hunne kruinen omhoog, de aarde beeft, de lucht trilt in het vreeselijke
gedaver. Een breede vloed van zwarten damp wentelt zich, gelijk een
losbrekende helsche stroom, over de sidderende vlakte; het bloedig oog
der zon is te zwak, om die golvende duisternis te doorboren.
Met een angstig beklemd hart beschouwden de beide vrienden deze
ontwikkeling van het, den oudsten krijgsman ontroerende schouwspel, dat
voor hen nog alle verschrikkingen der nieuwheid met zich voerde. Echter
vonden zij, gelijk de standvastige en beschaafde altijd, kalmte en
bedaardheid in het gevoel van plicht en mannelijke waarde.
Rasinski scheen te vermoeden, wat in hen omging. Hij reed op hen toe en
zeide: „Gij hebt u met mij ingescheept, vrienden; thans stormt en woelt
de zee. Ik wenschte, dat ik een veilig eiland wist, waar ik u aan wal
kon zetten.”
„Dat ware slechts een toevluchtsoord der schande,” hernam Lodewijk met
vastheid; „wij willen ons verheugen, dat onze mannelijke gezindheid op
eene ernstige proef gesteld wordt.”
De kamp had zich thans langs de geheele heuvelreeks uitgestrekt. Ter
rechterzijde, vóór de plaats waar Rasinski stond, doch buiten het
bereik van het geschut, lagen drie vijandelijke verschansingen, die
den ijzeren dood uit ontelbare vuurmonden op de aanrukkende troepen
uitbraakten.
„Maarschalk Davoust zal veel volk verliezen,” sprak Rasinski, toen
diens colonnes zich op de vlakten ontwikkelden, om de vreeselijke
redouten te bestormen.
Vast opééngesloten, doch met verbazende snelheid drongen deze,
door strenge krijgstucht tot één lichaam, waarin slechts ééne ziel
leefde, te zamen gesmede massa's op den versterkten vijand aan.
Dertig mortieren verzelden hen. Weldra waren zij zoodanig in stof en
kruitdamp gewikkeld, dat men niets meer van hen ontdekken kon.
Met arendsblikken overzag Rasinski het slagveld. Op den rechtervleugel
had ook vorst Poniatowski den aanval begonnen; hij rukte uit het woud,
dat zijne stelling gedekt had te voorschijn en drong naar het scheen
den linkervleugel des vijands met beslissend overwicht, doch slechts
langzaam terug.
Uit den vuurspuwenden vulkaan, door welken Davoust en zijne scharen
verslonden schenen, kwam thans een adjudant met lossen teugel
aanrennen. Hij joeg recht op de plaats aan, waar de keizer zich
bevond, die zijn standpunt eenige honderden schreden verder voorwaarts
genomen had, om een duidelijker overzicht van het gevecht te hebben.
Men kon niets van zijn rapport vernemen, maar dadelijk daarop zag men
hem met den generaal Rapp in vliegenden ijl naar het dichtste gewoel
terugspoeden.
Om te vernemen, welken keer het gevecht nam, reed Rasinski op een
transport gewonde officieren toe, dat juist naar de achterhoede
vervoerd werd.
„Nu, kameraden? Hoe staat het? Gij zijt de eerste offers?” vroeg hij.
„Maar zullen niet de laatste zijn,” antwoordde een kapitein, wiens arm
verbonden was; „de batterijen daar boven braken een hagel van kartetsen
uit. Generaal Compans is gevallen, de maarschalk gewond!”
„Maarschalk Davoust?”
„Zeker, wie anders?”
„Het gevecht is dus bloedig?”
„Het zal lichter zijn de overblijvenden te tellen dan de dooden.”
„Ik dank u, kameraad, en wensch u eene spoedige genezing,” met deze
woorden reed Rasinski terug.
De slag had zich thans reeds algemeener ontsponnen. Juist rukte de
maarschalk Ney met zijne drie divisiën voorwaarts.
Een gekwetste generaal werd uit het gewoel gebracht. Het was Rapp, die,
toen hij nauwelijks in het gevecht gekomen was, door een kartetskogel
van het paard geworpen werd. Het was de _twee en twintigste_ wonde,
die de onverschrokken krijgsman op dezen dag ontving.—Langzaam droeg
men hem bij de hoogte op, waar de keizer stond.—Ney's divisiën
ontwikkelden zich thans op het vrije veld; onder het vernielend vuur
des vijands drongen zij met onbezweken moed voorwaarts. Het scheen,
dat zulks spoedig eene beslissing ten gevolge zoude hebben, waardoor
ook aan de cavalerie gelegenheid gegeven werd aandeel aan den kamp te
nemen. Rasinski begaf zich derhalve naar zijn regiment terug, om op den
eersten wenk gereed te zijn.
De koning van Napels kwam aanrennen; zijne adjudanten stoven naar alle
richtingen uiteen. Hij verzamelde de lichte cavalerie, om den vijand op
de hoogte aan te tasten. Rasinski moest mede aansluiten. In langzamen
draf stelden de massa's zich in beweging. Thans roffelden de trommen
der infanterie ten stormtred. Men zag haar met bliksemsnelheid de
hoogte opvliegen. De donder der kanonnen verdubbelde; de gansche vlakte
was eene zee van stof, rook en vuur. Men zag niet, wie viel, zag niet,
wie voortdrong. Daar verstomde plotseling het gedreun der mortieren;
een luid jubelgeschrei verhief zich; de redouten waren door Ney's en
Davousts dappere scharen genomen.
In vliegenden galop kletterden thans de, door den ridderlijken
koning van Napels aangevoerde ruiterbenden over het slagveld; stof
en keien werden hoog in de lucht geslingerd; de bodem dreunde onder
den stampenden hoefslag. Bernard wierp een blik op Lodewijk, die hem
ter zijde reed; deze knikte hem toe, aan spreken was niet te denken.
In weinige minuten was de hoogte bereikt. De russische troepen, uit
de batterijen verjaagd, waren grootendeels op het veld verstrooid en
werden door de cavalerie nog verder teruggeworpen. Eensklaps echter
vernam men opnieuw den donder van het geschut en bijna op hetzelfde
oogenblik sloeg eene hagelbui van kogels en kartetsen in de gelederen
neder. Tegelijk zag men nieuwe korpsen in zwarte massa's van achter de
heuvels van het verwoeste dorp Semenowskoi te voorschijn komen. Het was
de vorst Bagration, die, op Kutusows bevel, met deze frissche benden
aanrukte, om de overhoop geworpen scharen te ondersteunen. Rondom, op
alle hoogten, vertoonden zich rijdende batterijen, die hare vernielende
kogels op de voorwaarts dringenden nederslingerden. Rasinski's regiment
scheen het doelwit te zijn, waarop alle stukken tegelijk gericht waren,
daar zulk eene menigte kartetsen door het front en van ter zijde door
de rechterflank in de gelederen nedersloeg, dat in weinige oogenblikken
de ontzettendste verwoesting was aangericht. Het verpletterend ijzer
had wijde bressen geboord, paarden en menschen stortten ter aarde, het
luid jammergeschrei der gewonden en half verbrijzelden verscheurde het
oor. Het scheen, alsof men zich in den maalstroom van eene woedende
windhoos bevond, zoo wild raasde de dood door de rijen. Rasinski hief
de sabel omhoog en riep met al de kracht zijner metalen stem den zijnen
een: „Voorwaarts!” toe. Door de onverschrokkenheid des aanvoerders
bemoedigd, drongen de reeds wankelende gelederen met een nieuwen,
geweldigen aanloop voort. Doch in dit oogenblik kletterde hun een
kartetsenhagel tegen, welks dichtheid de lucht bijna verduisterde.
Lodewijks paard werd getroffen, steigerde, deed een zijsprong en
slingerde zijn ruiter ter aarde. Bernard zag het, een onbeschrijfelijke
angst verscheurde zijne borst, doch aan hulp was niet te denken, want
de nadringende stroom dreef hem met onweerstaanbaar geweld voorwaarts
over de gevallenen heen. Maar reeds had de verstrooide russische
infanterie zich weder verzameld en rukte in gesloten gelederen op. Van
alle zijden stormde de dood in de rijen; spoedig waren alle banden van
tucht en orde verbroken. De aanvoerders verdwenen in stof en rook of
waren reeds gevallen; naar geen bevel werd meer geluisterd, de schrik
kreeg de overhand. Twee escadrons dragonders, die ver vooruitgedrongen
waren, wierpen zich, een vernielend kartetsvuur ontwijkend, in wilde
vlucht op Rasinski's nog stand houdende manschappen. Door dezen schok
werden ook zij deels in den teruggolvenden stroom mede voortgesleurd,
deels afzonderlijk over de vlakte verstrooid. In weinige minuten was de
gansche linie der cavalerie ontbonden en op de vlucht.
Bernard was door eenige wilde zijsprongen van zijn gewond paard uit
het gedrang geraakt. Verdoofd door het gedreun en gewoel, waarin zijn
oog de enkele voorwerpen nauwelijks meer onderscheiden kon, zag hij
slechts naar Rasinski om, ten einde diens lot tot het zijne te maken.
Op eenmaal bespeurt hij aanrennende kozakken, die hem bijna reeds
omringd hadden. Driftig wil hij zijn paard omwerpen; daar ziet hij den
koning van Napels in gevaar van omsingeld te worden. Hij vliegt hem
te hulp; tegelijk dringen ook reeds de zijnen van alle zijden toe,
om den geliefden veldheer te redden. Het gelukt!—Murat wuift met
zijn golvenden vederbos ten teeken van verzameling. Zijn paard wordt
door een kogel ter aarde geworpen; hij zelf echter blijft ongekwetst.
Vast besloten, roemrijk te sneven of te overwinnen, werpt hij zich
in de redoute; de weinigen, die nog om hem verzameld zijn, volgen
hem. Ook Bernard, wien na Lodewijks val nog slechts de dood welkom
is, springt van zijn, door de wonde onbruikbaar paard, om in het lot
dezer dapperen te deelen. Thans druischen twee vijandelijke, dicht
opeengepakte kurassiersregimenten en als eene ijzeren deining over de
vlakte tegen de schans aan. Reeds geloofden de benarden zich verloren,
toen de maarschalk Ney aan de spits der herzamelde infanterie zich
opnieuw aan den rand der hoogte vertoonde. De zijwaarts oprukkende
artillerie boort met hare vuurmonden eene wijde bres in den stalen
muur der voortdringende russische kurassiers; de infanterie opent een
moorddadig bataljonsvuur en volgt in stormloop met gevelde bajonet
na. De vijand wankelt, deinst; zijne gelederen zijn gebroken, door
het vuur gedund; enkelen wijken voor de overmacht van den schrik; de
stroom sleept ook de koeneren met zich voort, en weldra is het veld
met vluchtenden overdekt. Onder luid gejuich dringen de overwinnaars
van alle zijden na; thans eerst, daar zij de zege bevochten, de eer
gehandhaafd, den veldheer gered zien, houden zij, ademloos, uitgeput
door de geweldige inspanning, op de hoogte stil, om krachten tot nieuwe
daden te verzamelen.
Bernard maakte van dit eerste oogenblik, waarin het mogelijk was naar
de gewonden om te zien, gebruik, om Lodewijk op te zoeken. Men was
reeds ijverig bezig, eenige generaals en hoofdofficieren achteruit te
brengen, die op het met bloed doorweekte veld gevallen waren; om de
menigte der overigen kon men zich nog niet bekommeren. Ofschoon zulks
met het uiterste gevaar verbonden was waagde Bernard zich koelbloedig
op de tusschen beide legers vrijgebleven ruimte, waar de lijken van
het regiment moesten liggen. Het bloed stolde hem in de aderen, toen
hij dit veld der verwoesting bereikt had en daarop voorttrad. Niet de
dooden vervulden hem met ontzetting, maar de afgrijselijk verminkten,
die jammerend om redding smeekten en welker ellende hij niet verzachten
kon. Huiverend, met afgewend gelaat, spoedde hij hen voorbij. Zij
strekten de bloedige armen krampachtig naar hem uit, riepen met
hartverscheurend snikken zijne hulp in. Onmogelijk! Hij moest verder.
Deze afschuwelijke aanblik bracht hem met verdubbelde levendigheid
voor den geest, dat hij, die hem het dierbaarste op aarde was, in
denzelfden hulpeloozen toestand versmachtte. Lijken van menschen en
paarden belemmerden hem bij elke schrede in het voortdringen. Een
ongelukkige, die in krampachtige zenuwtrekken op den bloedigen grond
rondwentelde, greep den voorbijsluipende aan en klemde de armen als
ijzeren boeien om zijne voeten. „Help mij, red mij, ik versmacht!”
kreunde hij. Het was een Duitscher! Bernard hoorde de taal van zijn
vaderland. Moest hij den landsman, den krijgsmakker, die kermend om
redding smeekte, die met afgrijselijk vaneen gereten lijf, waaruit
bloed en ingewanden opwelden, aan zijne voeten kroop, van zich stooten?
Moest hij met een wreeden voetschop de nog glimmende vonk der heilige
levensvlam voor eeuwig uitdooven? En anders konde hij zich niet uit
die stuipachtig saamgeknelde armen losrukken! „Lodewijk! U moge God
redden! Ik kan het niet!” snikte hij, door zijn gevoel overweldigd, en
boog zich tot den kermende neder, om hem op de schouders te laden en
naar eene veilige plaats te dragen. Doch reeds werd de vaste knoop,
waarmede de ongelukkige hem omkluisterd hield, losgebonden; de armen
zonken krachteloos neder, het met brekende oogen opgeheven gelaat
zeeg ter aarde, de alle spieren en zenuwen verwringende doodskramp
was voorbij, het leven ontvloden. Eene ijskoude rilling liep den
jongeling over de leden, bevend trad hij terug en drukte beide handen
voor de oogen.—Eensklaps hoort hij in de verte eene stem roepen,
die als hemelsche tonen in zijn oor klinkt. Hij ziet op, het is
Lodewijk, die te paard komt aanrennen, om den vriend, dien hij onder
de gevallenen waande, op te zoeken. In woesten galop vliegt deze op
hem toe; zij vallen elkander sprakeloos in de armen, tranen van vreugde
en dankbaarheid rollen langs hunne wangen.—Doch er is geen tijd te
verliezen. „Spring op!” roept Lodewijk, „wij moeten naar de onzen
terug.” In ééne seconde zit Bernard achter den vriend te paard, en deze
snelt met den kostelijken buit naar de plaats terug, waar Rasinski de
zijnen opnieuw verzamelt en ordent.
Met een luiden vreugdekreet ijlen Jaromir en Boleslaw de naderenden
te gemoet. „Gij leeft dus? Zijt ongekwetst?” luidt de wederkeerige
begroeting. Ook Rasinski komt vol vreugde aansnellen en ontvangt de
geredden, die men reeds verloren waande. „Een paard hier!” roept hij,
en terstond staat een van die, welke zonder ruiter, zich uit natuurlijk
instinct midden uit het slaggewoel weder in hunne oude gelederen
geschaard hebben, voor Bernard in gereedheid.
Eenige oogenblikken rust zijn den vermoeiden vergund. Bernard verhaalt,
hoe het hem gegaan is; Lodewijk, dat hij zich, toen zijn paard was
neergestort, hoewel door den val eenigermate bedwelmd, toch vrij
spoedig weder opgericht, een los rondloopend paard opgevangen en zich
opnieuw bij het regiment aangesloten heeft, tot de terugwijkende
benden ook hem medegesleept hadden. Toen de vrienden zich verzamelden,
ontbreekt Bernard. Zonder hem geen leven! Met lossen teugel vliegt hij
naar 't slagveld terug, maar, nog eer hij de plaats bereikt heeft, waar
zijne gevallen kameraden moeten liggen, ziet hij Bernard van verre,
herkent hem aan de uniform en redt den vriend, die hem redden wilde.
Zoo, door nieuwe banden der liefde aan elkander gesnoerd, wordt hunne
vriendschap nog versterkt en als edel goud in de vlam der beproeving
gelouterd.
Maar opnieuw sleurt de woede van den slag hen voort. Op bevel van den
koning van Napels verzamelden zich de cavalerie-regimenten ten tweeden
male, om den, door 't geschutvuur aanmerkelijk verzwakten vijand geheel
overhoop te werpen. Rasinski voegt zich bij de dappere brigades, welke
Bruyères en Nansouty aanvoeren. Deze massa's doen den vijand wijken en
werpen hem op zijn centrum terug; maar tallooze lijken, de troepen der
overwinning, bedekken het slagveld.
De zoom der hoogten achter Semenowskoi is nog altijd met sterke
batterijen beplant, die hare verderfelijke ladingen onophoudelijk
losbranden. De zege wordt twijfelachtig en schijnt nu naar deze, dan
naar gene zijde over te hellen. Met lijken koopt men elke schrede
voorwaarts, met lijken teekent men de baan van den terugtocht.
Eindelijk stormt het voetvolk met inspanning der laatste krachten de
steile heuvels op, het vuur van den vijand verflauwt en laat andermaal
een korte verademing toe.
Rasinski bevond zich met zijn regiment in eene diepte, waar hij,
terwijl de infanterie het gevecht op een voor de ruiterij ongunstig
terrein had overgebracht, voor den kogelregen gedekt was. Ernstig
reed hij de gelederen door en berekende het getal dergenen, die
hij miste. Eene sombere wolk legerde zich op zijn voorhoofd, toen
hij nauwelijks de helft der zijnen aanwezig zag; een vol derde was
gesneuveld, de overigen lagen gewond op de vlakte. En toch was het
eerst middag en de bloedigste arbeid wellicht nog te doen. Een adjudant
van Murat kwam pijlsnel aanrennen en bracht hem het bevel over om
onmiddellijk naar den linkervleugel der armee te trekken en de in
massa oprukkende artillerie te dekken. Tegelijk besteeg de officier
met hem de naaste hoogte, ten einde hem het punt, werwaarts hij zich
te begeven had, nader aan te wijzen. De slag was nu reeds tot dicht
bij de vijandelijke stellingen doorgedrongen. De Russen raapten hunne
reserves bijeen, om met hardnekkige dapperheid een tweede bedrijf van
het bloedige schouwspel te beginnen. Ter verijdeling van hun opzet
liet de keizer thans de gansche onafzienbare linie zijner artillerie
in beweging brengen, ten einde de oprukkende colonnes reeds op verren
afstand met dit vreeselijk wapen te verpletteren. Rasinski volgde
drie zware batterijen, die zich tot eene eenigszins afgezonderde
hoogte vooruitwaagden, waar zij lichtelijk door de vijandelijke lichte
cavalerie konden verrast worden, tegen welke hij haar in dat geval
beschermen moest.
Het rumoer van den slag, dat men tot hiertoe vernomen had, geleek
slechts het dof gedreun van een verwijderd onweder tegen de krakende
donderslagen, die thans over de vlakte rolden. Op de tegenovergelegen
hoogten waren de Russen in lange colonnes in slagorde geschaard. De
kogels sloegen met vreeselijke zekerheid in de zwarte massa's neder.
Men zag den vijand in gansche rijen nederstorten; echter week hij niet,
maar ordende zich telkens weder opnieuw.
„Zij bieden hardnekkig tegenstand,” sprak Rasinski, „maar zij offeren
zich te vergeefs op. Niet dáár moesten zij zich verzamelen, maar òf
verder terugtrekken òf met allen spoed voorwaarts rukken. Zij zullen
dien misslag duur betalen.”
„Zie, zie,” riep Jaromir, „hoe de blauwe hemel gedurig door den zwarten
muur zichtbaar wordt, wanneer onze kogels eene opening boren. Zij zijn
waarachtig waanzinnig, hunne beste manschappen zoo nutteloos op te
offeren.”
„Maar ook wij verzuimen onzen tijd, vrees ik,” antwoordde Rasinski.
„Wanneer thans de gardes aanrukten en van de voordeelen, die wij, met
het bloed onzer kameraden betaald hebben, gebruik maakten, moesten wij
de gansche armee der Russen op haren rechtervleugel terugwerpen en
tusschen de Moskowa en de Kalotscha insluiten kunnen. Ik zie niet in,
hoe zij ons ontkomen zouden.”
„De koning van Napels, daarvan was ik zelf in de redoute getuige, heeft
reeds voorlang zijn adjudant aan den keizer gezonden en op voortrukken
der garde aangedrongen,” hernam Bernard.
„Ook maarschalk Ney,” sprak Boleslaw.
„En hij weigerde het?” vroeg Rasinski.
„Vermoedelijk.”
„Onbegrijpelijk! onbegrijpelijk!—Hij is te ver van het slagveld
verwijderd, hij moest hier op ons standpunt staan en ik ben verzekerd
dat hij den aanval in stormmarsch bevelen zoude.”
„Ik kan mij niet voorstellen,” sprak Lodewijk, „dat een veldheer als de
keizer niet gewichtiger redenen zou hebben, om aan dit verlangen niet
te voldoen, dan zij opgeven, die het aan hem te kennen gaven.”
„Wat hem doet aarzelen, geloof ik te kunnen gissen,” antwoordde
Rasinski; „men is aan de beide vleugels nog zoover niet, als op het
centrum. Echter ziet men toch duidelijk, dat ook vorst Poniatowski
grond wint, en de onderkoning van Italië heeft ten minste nog niet
ongelukkig gevochten.—Maar is dat niet Regnard, die daar aankomt?”
Hij was het inderdaad. Met verbonden hoofd en arm reed hij langzaam,
door twee zijner soldaten ondersteund, uit het gevecht terug. Rasinski
snelde op hem toe.
„Nu, hoe staat het, vriend?” riep deze hem toe.
„Hoe het staat? Met mij verduiveld slecht, zooals gij zien kunt.
Echter kan ik nu verzekerd zijn, dat ik in dezen slag mijn leven niet
verliezen zal. Ik ben onbeduidend gekwetst, maar de helsche arbeid en
het bloedverlies hebben mij zoo verzwakt, dat ik mij niet langer te
paard kan houden. En dan het ongeluk, het verdriet, deze arglist des
satans dreigen mij razend te maken!”
„Wat dan?” vroeg Rasinski verwonderd,
„Gij vraagt nog? Ziet gij dan niet hoe de slag staat? Barsten kon ik
van spijt, dat de keizer niet meer de keizer, of liever, dat hij enkel
de keizer en niet meer de veldheer is. Hij moet ziek zijn, de koorts
spookt hem in de hersens, geen mensch kan hem begrijpen. De overwinning
ligt vóór hem en hij, die anders in eene Charybdis sprong om haar te
grijpen, is thans bevreesd er den arm naar uit te strekken. Murat,
Davoust en Ney hebben hem bezworen, hun de garde tot versterking toe
te zenden. Hij heeft het afgeslagen. Slechts op de hoogte mag zij zich
vertoonen, om den vijand voor onze reserve bevreesd te maken. Het
schijnt, dat een helsche demon zijne gedaante heeft aangenomen, om ons
in het verderf te storten!”
„Wij zullen het toch winnen!”
„Dat zullen wij ook! Maar kan het ook anders met zulke troepen? Vliegen
de kerels niet als uitgehongerde wolven op den vijand in? Mijne
manschappen hebben zich bij den aanval op de verschansing in den dood
gestort, als gold het een wedloop naar de prijzen aan den meiboom, en
het verwondert mij nog, dat zij de kogels niet met de bajonetten uit
de kanonnen geboord hebben, terwijl de artillerist de brandende lont
aan de kruitkamer bracht. Voor den duivel, ik weet wat vechten is, maar
zooals heden heb ik de Franschen nog nooit gekend.”
„De vijand doet ook het zijne!”
„Zeker; hij weert zich als een gewond everzwijn; doch juist als hij
zulk een ijzersterken tegenstander vindt, wordt de soldaat een leeuw.
Vaarwel, vriend! Ik moet mij dadelijk laten verbinden, wil ik niet
zachtjes uit den zadel glijden.”
Hij reikte hem de hand en reed verder.
Inmiddels was de bloedige worsteling met verdubbelde woede hervat.
Thans was het de moedige Eugenius, die den hachelijksten kamp te
strijden had. Op eene hoogte tusschen Borodino en Semenowskoi had de
vijand zijne stelling door eene geduchte redoute gedekt, waaruit vier
en twintig mortieren hunne ijzeren kogels op de voorwaarts dringende
regimenten nederwierpen.
„Daar is de overwinning!” riep Rasinski, toen hij het punt in het
oog kreeg, waartegen thans beide machten al hunne benden aanvoerden.
„Die redoute is het palladium van Ruriks gebied,” voegde hij er met
fonkelende oogen bij; „maar zij zal het onze worden. Thans zal de
keizer toonen, dat hij nog de veldheer van Austerlitz en Marengo is!”
Eenige oogenblikken later kreeg hij bevel, zich weder met zijn regiment
bij de hoofdcolonne der ruiterij aan te sluiten, die het ten derden
male herstelde linkercentrum van den vijand moest overhoop werpen. In
een dal, door eene kleine beek doorsneden, werden de troepen onder de
bescherming van het terrein herzameld. Tegelijk zag men dichte colonnes
infanterie ontwikkelen, die den storm op de verschansing ondernemen
moesten.
„Mij dunkt, het is lichter den zetel van den dondergod te bestormen,
dan deze helsche werkplaats der cyclopen,” riep Bernard zijnen vriend
toe.—Doch reeds drongen de colonnes met gezwinden tred met geveld
geweer voorwaarts. Een vreeselijk gedonder dreunde over de vlakte; alle
stukken der redoute werden tegelijk gelost. Een hagel van kartetsen
kletterde op de troepen neder, als moesten zij door één verpletterden
slag vernield worden. Hef hoog opdwarlende stof liet niet toe, te
onderscheiden, wie stond of viel. Doch spoedig zag men de adelaars
weder blinken, en in opnieuw gesloten rijen rukten de stormenden voort.
Het ijzeren monster op den heuvel scheen verstomd te zijn. Maar het
had slechts geloerd, om zijne prooi des te zekerder te treffen; toen
de colonnes zich weder tot eene dichte massa hadden saamgesmeed, rukte
het de bliksemende tongen uit al zijne vier- en twintig vuurmonden
tegelijk uit en het hemel en aarde schokkende gebrul kraakte door de
lucht. Gelijk een stormwind over het korenveld raast en de halmen in
breede vlakten ter aarde drukt, zoo velde thans de sikkel des doods de
koene aanvallers ter neder. Het scheen, dat de helft door dien éénen
slag was weggemaaid. De ijzeren stroom, die over hen heen bruiste,
vergunde hun nauw een vrijen ademtocht. Met onverzadelijken bloeddorst
slingerde de furie des verderfs, die, in den donkeren mantel van rook
en damp gehuld, over de strijders rondwaarde, hare bliksemen neder.
De verschrikking won de overhand; de rijen bogen, weken, vluchtten.
Nieuwe benden werden aangevoerd, om de verpletterden en vliedenden te
vervangen; maar even onuitputtelijk goot zich de alles vernielende
vloed der kartetsen over het veld uit. Lijken werden op lijken
gestapeld, als wilde men een wal van gevallenen om dezen vuurspuwenden
krater doen oprijzen.
Tegen de beide zijden der redoute, die als een onverwinnelijk Gibraltar
alle pogingen van den stoutsten heldenmoed trotseerde, leunden de
vleugels van het russische leger. Ook zij zonden den dood in de rijen
der aanvallers. Murat zendt twee cavalerie-regimenten tegen deze
colonnes af, om haar zoo mogelijk te doen wijken en vervolgens de
verschansing van ter zijde aan te tasten. Doch nauwelijks komen zij
binnen het bereik van het vijandelijk vuur, of eene bloedige slachting
verdunt hunne gelederen, en een kogel doet hun aanvoerder, den dapperen
Montbrun, van het paard storten. Hem ziende vallen, wankelen zij,
beginnen te wijken; doch ijlings springt de generaal Caulaincourt voor
het front, om Montbruns plaats in te nemen. „Vrienden!” roept hij,
„niet beweenen, wreken willen wij onzen wapenbroeder!”
Op last van den koning van Napels stelt zich nu de gansche ruiterij in
beweging. Twee saksische kurassiersregimenten vormen den linkervleugel,
een poolsch korps sluit hun ter zijde aan, hierop volgt Rasinski met
zijne scharen en eindelijk de overige lichte cavalerie.
Langzaam rukken zij voort, tot zij het vlakke veld voor zich zien.
Thans klinkt het commando, de trompet schalt, pijlsnel stormen de
ijzeren mannen over het veld. De donder van het geschut wordt verdoofd
door het stampen en trappelen der paarden, het kletteren der kurassen
en sabels, den woedenden aanvalskreet der krijgers. Eene stofwolk hult
hen in nacht; slechts de bliksems der vijandelijke mortieren wijzen hun
het spoor. Man aan man gesloten, rennen zij voort. Aan deze vereenigde
kracht vermag niets weerstand te bieden. Thans wordt de teerling
geworpen, die over den slag, over twee keizerskroonen, over het lot van
Europa beslissen moet. Met woeste onstuimigheid werpen de ruiterscharen
zich op de linie van den vijand en drijven hem naar de vlakte terug.
Dit gezicht doet den moed der reeds afdeinzende infanterie, die tegen
de verschansing wordt aangevoerd, opnieuw ontvlammen; onder wild
geschreeuw dringt zij voort. De gloeiende ijzerbrokken woelen door hare
gelederen en doen duizenden vermorzeld neerzinken. Voorwaarts over de
lijken der broeders! De adelaars vallen. Voorwaarts! De aanvoerders
storten ter aarde. Voorwaarts, dat zij op het veld der overwinning
hun heldenadem uitblazen! De aarde is eene stormende zee; gierig
verslindt de afgrond des verderfs zijn roof. Nog eenmaal kraken de
ijzeren mortieren en slingeren vlammen en erts op de bestormers. Hunne
rijen liggen geveld, doch onder jubelgeschrei dringen de overblijvende
voorwaarts.
Daar wordt het plotseling stil. Het zwarte voorhangsel van rook en damp
opent zich, en een verblindende glans straalt den dapperen in het oog.
Hoe? Is dat de godin der Overwinning? Rijst een nieuwe, ijzeren muur
voor onze schreden op?—Neen, wij vernemen vreugdegejuich, zegekreten!
Het zijn de duitsche scharen, die de schans genomen, de zege bevochten
hebben, en de zon van dezen dag spiegelt zich trotsch in hunne
flonkerende kurassen die een hart van nog ondoordringbaarder metaal
bedekken.