„Ik begin bijna verdriet in het leven te krijgen,” zuchtte Bernard,
terwijl hij een zwaren zak van den schouder liet glijden, waarbij
Lodewijk hem behulpzaam was. „Voor mij zelf had ik den verren,
gevaarlijken strooptocht niet ondernomen, maar mijn arme magere klepper
moet toch ook iets anders te smullen hebben dan onrijpe haver en dor
heigras.”
„Gij zijt gelukkig geweest,” antwoordde Lodewijk, „wij hebben niet
zooveel gevonden. Alles in den omtrek is woest en ledig; de dorpen zijn
verlaten en verbrand. Ik weet niet, hoe dat eindigen moet!”
„Het is waar, wij stevenen een woesten oceaan in, maar hebben een
Columbus aan boord, wiens kompas nog lang streek houdt, wanneer ons
oog geene enkele star aan den hemel meer ziet, waarop wij koers kunnen
zetten.—Doch help mij de paarden voeren, ik kan de dieren niet laten
wachten, totdat Rasinski's rijknecht komt; zij zullen groote oogen
opzetten over het gastmaal, dat wij hun opdisschen.”
„Gaarne,” hernam Lodewijk.—„Het is goed,” vervolgde Bernard,
terwijl hij de haver in den voederzak schudde en den hongerigen
dieren voorhing, „dat wij hier tamelijk afgezonderd liggen en ten
minste nog een oude schuur tot stal hebben bij dit koude, vochtige
herfstweder. Stonden wij op het vrije veld, zoodat men een uur ver zien
kon, wat wij buit gemaakt hebben, wij zouden meer ongenoode gasten
krijgen, dan zomers vliegen op de melk afkomen.—Zie, zie hoe de oude
sukkels smullen! Ja, mijn bruintje, zulke haver is tegenwoordig geen
alledaagsche kost voor u.”
Terwijl beiden in deze genoegelijke bezigheid, de verzorging hunner
paarden, geheel verdiept waren, trad Rasinski binnen, die van een rit
naar het hoofdkwartier, waar hij op de parade geweest was, zoo even
terugkeerde. „Waarachtig,” riep hij, „gij voert immers zoo rijkelijk
en prachtig als in den hofstal van St. Cloud. Waar hebt gij dien schat
opgedaan?”
„Ha, goeden avond!” riepen de vrienden hem vroolijk toe. „Niet waar,”
vervolgde Bernard, „dat zal den kleppers goed doen na den langen
vastentijd? Ik had de dragonders beloerd; zij kwamen met eenige zakken
haver daar ginds uit het bosch aanslepen. Hm, dacht ik, daar is
misschien nog meer te halen, volgde als klein Duimpje het spoor der
verloren korrels en breede laarzen en kwam spoedig aan een gehucht,
waar voor acht dagen misschien een dozijn huizen gestaan hebben, maar
dat thans nog slechts een dozijn puinhoopen vertoont. Ik klauterde
over asch en balken heen, snuffelde alle gaten en spleten rond en vond
eindelijk in een hoek nog dezen zak met haver, dien de dragonders òf
niet gezien, òf, wijl zij hem niet konden meêdragen, daar verborgen
hadden.—Maar gij hebt immers brieven? Wat nieuws?”
„Voor Lodewijk; en gewichtige narichten voor ons allen. Morgen zal het
eindelijk tot een slag komen.”
„Werkelijk?” riep Bernard levendig.
„Eindelijk!” sprak Lodewijk, maar bedoelde daarmede de aankomst der
sinds verscheidene weken gewachte brieven der zijnen. Terwijl hij ze
opende, tikte Rasinski Bernard heimelijk op den schouder en wees hem
met een veelbeteekenenden oogwenk op Lodewijk.
Bernard begreep niet, wat dit beduiden moest, maar zweeg en vestigde
opmerkzame blikken op zijn vriend. Deze las met toenemende ontroering;
hij verbleekte, groote tranen rolden over zijne wangen; plotseling
bracht hij de rechterhand voor de oogen, liet de linker met den brief
zinken en reikte dien met een smartelijken zucht aan Bernard over, als
wilde hij bij dezen troost en sterkte zoeken. Deze greep driftig toe,
terwijl Rasinski den geschokten vriend de hand op den schouder legde en
hem met weemoedige aandoening aanzag.
„Mijne moeder.... mijne moeder....! Lees zelf....” meer vermocht
Lodewijk niet uit te brengen.
„Ik wist het reeds,” sprak Rasinski en sloot den jongeling met warmte
aan zijne borst, „wist het door mijne zuster, die mij den brief in den
haren toezond; maar gij moest het niet van mij vernemen. Wie kan een
bitteren kelk met zachter hand toereiken dan eene zuster?”
Bernard las intusschen met eene aandoening, welke zelfs zijne sterke
ziel niet bedwingen kon.
„Hartelijk geliefde Broeder!
„Hoe moet ik beginnen, om met de verpletterende tijding die ik u niet
onthouden kan, tegelijk ook den troost der liefde in uw hart uit te
storten? Der liefde, die u op dien verren afstand nauwelijks nog vermag
te bereiken! Ach Lodewijk, onze moeder is niet meer; dezen morgen is
zij in mijne armen ontslapen! Hare oude borstkwaal, waarvan ik reeds
zoolang het ergste vreesde, nam door onvoorziene toevallen eensklaps
zoo hevig toe, dat aan de redding van haar dierbaar leven niet te
denken was. Echter waren de laatste uren kalm en rustig; de ziel der
liefderijke moeder hield zich slechts met hare kinderen bezig. O, mijn
broeder, bij deze diepe smart komt nog die, welke veel grievender is,
dat gij eenzaam en verlaten in eene ruwe wildernis omzwerft, waar uwe
klachten door het woeste krijgsgewoel verdoofd worden. Mijne droefheid
over de afgestorvene is zacht en kalm, maar mijn hart wordt als
toegeschroefd, als ik aan u denk, mij uwen toestand voorstel. O kon ik
bij u zijn, kon ik met zusterlijke liefde uwe wangen afdrogen, als zij
door tranen bevochtigd zijn! U zijn alle goederen des levens ontrukt,
die ons in donkere dagen vertroostend toelachen. Uit uw vaderland
verdreven, in een barre wildernis geslingerd, is uwe bezigheid eer een
geesel dan een straf voor u. Gij kunt geen troost, geene afleiding
vinden in uw beroep, dat u slechts nog meer ter neerdrukt. O, ik gevoel
het, Lodewijk, dat deze slag voor u veel verpletterender zijn moet dan
voor mij. Een zachte genius voerde de ontslapene uit mijn armen weg;
een vreeselijke demon rijt haar u van het bloedend hart. Laat toch
geene zorg of bekommering over mijn lot uw lijden vermeerderen. Dat ik
diep bedroefd ben en onze lieve moeder hartelijk beween, kunt gij u
niet verhelen: maar ik treur niet alleen: moederlijke vriendschap en
zusterlijke liefde staan mij ter zijde. Vrees dus niet, dat ik eenzaam
en verlaten ben. Juist wijl het ouderlooze meisje geheel hulpeloos
is, biedt haar ieder de hand, toont ieder haar medelijden en ziet
zij zich—zoo althans ging het mij—door de roerendste liefdeblijken
overstelpt. Met den man handelt men anders, hij is sterk, hij moet door
eigen kracht staande blijven; wijl hij zelf hulp en raad kent, gaat
ieder hem koel voorbij, en zoo is hij dikwijls meer verlaten dan wij
zelve. Wie toch vermag zich alleen staande te houden in deze wereld vol
stormen?—Ach waarom kan ik niet slechts het eerste, bittere uur aan
uwe borst rusten, en u de tranen van de wangen kussen! Voorzeker, gij
zoudt minder lijden!
De warme hand der liefde zou de ijskoude der smart van uwe borst
afweren. Slechts door mannen zijt gij omgeven. Zal hunne verharde ziel
uw lijden zoo diep gevoelen? Kunnen zij u zoo teeder beminnen, als mijn
zusterhart? Kunt gij u tot hen om troost wenden, als tot mij? Maar, zij
zullen in uw lijden deelnemen, u bemoedigen, u niet verlaten in uwe
droefheid, gelijk zij u in andere bittere rampspoeden zoo trouw ter
zijde stonden. Dat smeek ik van God, die zoo genadig is, ook als Hij
ons beproevingen toezendt; ik vertrouw op hen—ach, mijn gansche hart
zal hun eeuwig dankbaar zijn.
Vaarwel, mijn broeder! Gij het eenige, dat mij nog op aarde blijft!
O, mogen duizend goede engelen u op uwe gevaarvolle paden omzweven!
Wanneer de gedachte bij mij oprijst, dat ook gij—neen, neen, dat zal
de liefderijke Vader in den hemel mij niet opleggen, want Hij weet,
dat wij zwak zijn en wat wij dragen kunnen. Leef wel! Zijn zegen, Zijn
troost zij met u!
Uwe MARIA.”
„Gij hebt een machtig schild voor u, dat morgen in het uur des
gevaars u dekken zal,” sprak Bernard met eene stem, waaraan hij
te vergeefs hare gewone vastheid poogde te geven; „omzweefden mij
zulke beschermgeesten, ik zou aan den mond van den Vesuvius rustig
insluimeren. Broeder Lodewijk, wij zouden u troosten? Troost gij ons,
die van niemand zulke woorden der liefde hooren.—Lees, lees,” dus
wendde hij zich tot Rasinski en reikte hem den brief over, „hij staat
mij in het hart gegrift.”
„Ik zal haar dus niet wederzien!” sprak Lodewijk met eene gesmoorde
stem en leunde het hoofd aan Bernards borst.
„Dat de duivel ons nu nog tot morgen op de pijnbank moet laten
omspartelen!” riep deze verdrietig. „Nu dadelijk heb ik lust tot den
slag, dadelijk. Dapper? Dapper zal ik niet zijn; maar dat mij ooit van
mijn leven iets onverschilligers ontmoeten kan, dan eene batterij, die
een Niagarastroom van kartetsen uitbraakt, dat geloof ik niet.—Kom,
laat ons naar de hutten gaan, waar Jaromir en Boleslaw liggen; op
een avond vóór den slag moet men elkander toch nog eens goeden dag
zeggen.—Maar is het dan ernst?”
Bernard had, zoolang hij sprak, Lodewijks hand niet uit de zijne
gelaten en ze bijna krampachtig vastgeklemd. De laatste woorden richtte
hij tot Rasinski, die uit eene sombere mijmering oprees.
„Ernst? Zoo zeker als de bittere slag, die onzen vriend getroffen
heeft.”—Hij drukte zich de hand op het voorhoofd, als kostte het hem
moeite zijne gedachten te verzamelen. „Wat wilde ik toch zeggen?—Ja,
ja.—Kutusow wil morgen vechten—zonder twijfel. De keizer heeft het
slagveld reeds opgenomen. De dag van gisteren was slechts een voorspel.
De zevende September is bestemd, om in de boeken der geschiedenis te
worden ingeschreven.”
„Dan zal men hem met roode letters in den almanak kunnen drukken,
denk ik,” hernam Bernard. „Mij goed. Hoe meer de dood in massa oogst,
des te koeler zie ik het aan. Wat ziet men met meer onverschilligheid
dan de sterflijsten van een groot rijk bij het einde des jaars? En
geen veldslag, de bloedigste zelfs niet, is zoo moorddadig als een
enkel jaar van den rustig voortloopenden tijdstroom. Wat zeg ik? Een
jaar? Een dag, een uur, een oogenblik, wanneer wij over den molshoop,
waarop wij rondwoelen, heenzien! Ik ken niets dwazers dan aan dood
en doodsgevaar gewicht te hechten; het gevaarlijkste is geboren te
worden, want daarmede begint niet alleen de last des stervens, maar ook
die des levens met zijn zondvloed van rampspoeden, jammer, ellende,
schurkestreken en nesterijen. Maar komt, vrienden.—De paarden smullen,
dat het een lust is. Wat doen wij langer hier.”
Met drift vatte hij Lodewijk onder den arm en geleidde hem naar buiten.
„Ik volg u dadelijk,” riep Rasinski de heengaanden na.
„Nu, een ijsbeer ben ik nou ook juist niet, vriend,” mompelde Bernard,
toen zij alleen waren; „maar mijne tranen heb ik slechts voor mij
zelf en voor hen, die ik lief heb als mijn eigen ik.” Hier klemde hij
den vriend onstuimig aan de borst en drukte een warmen kus op zijn
voorhoofd. Lodewijk voelde Bernards heete tranen en met deze zijne
gansche liefde, den vollen troost zijner opofferende trouw.
Arm in arm beklommen zij eene kleine hoogte, vanwaar zij de met mannen
en paarden bedekte vlakte geheel konden overzien. Reeds had de herfst
het loof verbleekt, de berken strooiden dorre bladeren over het gras
uit, het groen was dood en vertoonde een vaal grauw; de hemel hing
loodkleurig over de velden, ruwe windrukken gierden van tijd tot tijd
door de vochtige, nevelachtige lucht.
„Zoo is het thans in mijne ziel gesteld, beste broeder,” sprak
Lodewijk met eene onzekere stem; „zoo ledig en vreugdeloos en toch zoo
onstuimig, als in dit doode, schoon met een onrustig gewoel vervulde
landschap.”
„In de mijne is dat eigenlijk de alledaagsche kleur,” hernam Bernard,
„slechts zelden werpt de zon, als op hooge feestdagen, een vluchtigen
blik door het grijze nevelfloers. En zelfs dan wekt hare verschijning,
evenals elk te vluchtig geluk, eer smart, dan vreugde en doet slechts
het verlangen van ons hart uit zijne doffe sluimering ontwaken.
Drogbeelden naderen ons; wij zijn vol liefde, maar wanneer wij de
armen uitbreiden, om haar te omvangen, zijn zij verdwenen. Ik voor mij
pleeg dan nog gewoonlijk het geluk te hebben van met de knokkels tegen
den wand te stooten of mij de wollen deken in het gezicht te drukken
in plaats van de geliefde.—Gij wordt wellicht verdrietig, Lodewijk,
maar er is iets dat mij ergert, en ik moet het u zeggen. Het zou mij
een goed voorteeken geweest zijn, wanneer het uur en de dag waren
overeengekomen; intusschen zie ik, dat zulks het geval niet is.”
„Hoe zoo, broeder?”
„Toen wij door den Dnieper reden, moest ik, gij weet het immers, zoo
levendig aan uwe zuster denken, alsof zij voorbij ons heenzweefde.
Wanneer dat nu het doodsuur uwer moeder geweest was—ik ben een man,
ik weet het, maar ik hecht nu eenmaal aan zoo iets. Uwe moeder is des
morgens en drie dagen vroeger overleden.”
Lodewijk glimlachte weemoedig, Bernard zag strak voor zich neder,
beiden zwegen.
„De goede Maria!” begon Lodewijk eindelijk weder, „zij bekommert zich
over mijne eenzaamheid en staat toch zelve zoo geheel verlaten.”
„Zoo moet het ieder toeschijnen, die niet altijd het eerst aan zich
zelf denkt. Ook komt daar nog eene zeer algemeene dwaling bij. Nooit
kan de mensch geheel uit zijne eigene gewaarwordingen in die van een
ander overtreden. Wijl Maria u zoo ver van haar zelve gescheiden
gevoelt, meent zij u ook van allen gescheiden; en gij omgekeerd
evenzoo. Niets is bij ons natuurlijker, dan dat wij ons den bewoner
van Siberië of Spitsbergen als geheel verstooten van den aardbodem
voorstellen, want wij bedenken niet, dat een Parijzenaar de Groenlander
even verwijderd, even ver naar de uiterste grenzen van den bewoonden
aardbodem verbannen moet toeschijnen, ja dat deze hem als beroofd
en verstoken van alle weldaden der natuur beschouwt, dewijl alles,
wat Frankrijk kan opleveren, ver buiten den kring zijner wenschen en
voorstellingen ligt.—Doch zie, hoe de wind den rook der wachtvuren
over de vlakte jaagt; de damp beklemt de ademhaling.—Denkt gij met
bezorgdheid aan den slag?”
„Neen, Bernard, mijn ziel houdt zich zoo geheel anders bezig. Wanneer
wij midden in het gewoel zijn, wellicht dat het mij dan medesleept. Ik
had mij vroeger het bijwonen van een veldslag als hoogst belangrijk
voorgesteld; heeft het gevaarvolle zwervende krijgsmansleven, die
gedurige herhaling van het voorspel tot het hoofddrama, mij verstompt
of is het, omdat mijne gedachten zoo ver van hier omzwerven, althans
voor mijn gevoel is het op dit oogenblik eene schier onverschillige
omstandigheid, dat morgen het lot van twee volken beslist moet worden.
Intusschen zegt mijn verstand mij het tegendeel.”
„Vriend,” begon Bernard, „ik vroeg dat niet zonder opzet, anders had ik
thans wel over andere dingen gesproken. Maar vergeef mij, ik denk mede
aan Maria; het slot van haren brief—ik geloof wel, dat hare beden in
den grond meer afdoen dan tien beschermheiligen—en toch—om uwentwil
vrees ik den slag en het zou mij, rondweg gezegd, recht aangenaam zijn,
wanneer gij buiten het gedrang woudt blijven. Laat mij met Rasinski
spreken.”
„Neen!” antwoordde Lodewijk zacht, maar met vastheid. „Gij weet, dat
geen innerlijke beweeggrond mij tot den strijd aanvuurt, dat mijne
wenschen zelfs meer tot de zaak onzer tegenstanders overhellen, wijl
hunne overwinning ons vaderland ten minste van de onderdrukking, die
het in dit oogenblik dulden moet, bevrijden zou; maar toch druischt uw
voorslag zoozeer tegen mijn gevoel in, dat ik geene minuut weifelen
kan. Vooreerst ben ik een man; daardoor reeds zoude ik mij zelven
verlaagd gevoelen, wanneer ik mij in het uur des gevaars aan mijne
roeping onttrok.”
„Waarlijk, ik denk slechts aan Maria,” riep Bernard, „en weet, dat gij
een smartelijk offer zoudt brengen; maar ik twijfel of gij zulks niet
verplicht zijt!”
„Slechts voor haar wensch ik te leven,” hernam Lodewijk, „en de hemel
is mijn getuige, dat ik, moet ik vallen, alleen treur om de eenzaam
achtergelatene. Doch neen, neen, de scherpzinnigheid mijner gronden mag
kunnen bestreden worden, het gevoel, dat in mijne borst spreekt, kan
het nimmer. Maria zelve zou zich mijner schamen; zoomin zij mij door
iets, dat harer onwaardig is, het leven zou willen behouden, zoomin kan
zij verwachten, dat ik zulks voor haar doen zoude. Neen, Bernard, uwe
liefde voert u te ver!”
„Gij zijt door uwen waren moed boven den schijn dezer verdenking
verheven; ik ben het ook en zou mij, in geval ik reden had om mij aan
den slag te onttrekken, geen oogenblik bezinnen.”
„Ook ik niet, indien het terugblijven zelf het doel mijner handelwijze
was; maar niet, wanneer dat het middel zijn moest. Vergeet ook niet,
dat de stand dien wij kozen, eigenlijk ons leven beschermt; daardoor
rust op ons de dubbele verplichting om het heiligdom van zijne eer
ongeschonden te bewaren. En dan, Bernard, dezen weg des doods wilt gij
voor mij afsluiten; maar hoe de duizend andere paden, waarop hij ons
dagelijks kan overvallen? Sterk u met het geloovig vertrouwen, dat
Maria zelve koestert; zij vordert niet, dat ik het gevaar ontvluchten
zal, maar hare krachtige ziel vertrouwt er op, dat hoogere machten
mij zullen beschermen. En zoudt gij dan mij en Rasinski en Jaromir
en Boleslaw in den slag kunnen laten trekken en in zekerheid uit de
verte aanzien, hoe het zwaard des doods boven de hoofden uwer vrienden
zweefde? Bernard, raadpleeg uw eigen hart en laat dat u antwoorden.”
„Recht hebt gij zekerlijk, maar stond het in mijne macht u onrecht
aan te doen, ik deed het dadelijk in dit geval. Ware ik in Rasinski's
plaats, ik liet u onder eenig voorwendsel handen en voeten binden, en
heden avond nog tien dagmarschen achter onze achterhoede tusschen vier
muren zetten.”
„Gij deedt het zeker niet,” sprak Lodewijk en drukte hem met aandoening
de hand.
„Laat dan loopen het ijzeren rad van het noodlot!” riep Bernard en
stampvoette van spijt. „Het verplette wien het wil, maar dat zweer
ik u, het zal geene ruimte vinden, om tusschen u en mij door te
rollen!———Komen Jaromir en Boleslaw daar niet de hoogte op?”
Zij waren het. Door Rasinski van Lodewijks verlies onderricht,
kwamen zij den bedroefden vriend door hunne liefde en hun medelijden
vertroosten. De jeugdige, licht voor aandoeningen vatbare Jaromir
bedwong zijne tranen niet; Boleslaw, door eigen lijden meer gehard,
vermocht slechts den zachten ernst te toonen.
Zij gingen te zamen den heuvel af, om zich aan het wachtvuur bij
Rasinski's hut te legeren, waar deze alle officieren verzameld had,
om den avond vóór den slag in vriendschappelijke vertrouwelijkheid
door te brengen. De zon moest haren ondergang reeds nabij zijn; sedert
den middag had zij zich achter grauwe wolken verscholen. De avond
naderde en was gevoelig koud, zoodat zelfs het vuur en de dichte
mantels de vorst niet geheel konden afweren. De gansche dag was in
doodsche rust voorbijgesneld; het scheen, dat de beide vreeselijke,
tegenover elkander gelegerde strijdmachten zich deze korte verademing
wilden vergunnen, om den volgenden morgen met verdubbelde woede den
verbitterden kamp der verdelging te kunnen beginnen. Deze beklemmende,
alle frissche levenskrachten verlammende stilte werd door de stemming
der enkelen nog vermeerderd; want ieder zag natuurlijk het uur der
beslissing met somberen ernst te gemoet. Zoo wilde dan ook het
gesprek in den kring der gelegerde kameraden niet levendig worden, en
zelfs dan, wanneer Lodewijk en zij, die het nauwst met hen verbonden
waren, niet bijzondere oorzaken hadden gehad, om zich aan zwijgende,
afgetrokken mijmeringen over te geven, zoude op dezen avond geen
vrije, zorgelooze opgeruimdheid onder de krijgers geheerscht hebben.
De toekomst vertoonde zich te donker, de hemel was te zwart betrokken,
de donder rolde te dreigend in de verte, om aan het bloed een vrijen
omloop door de aderen te vergunnen. Te vergeefs trachtte Rasinski door
het gestadig vullen der bekers, door het herinneren aan vroegere,
belangrijke ontmoetingen, door het uiten der schoonste verwachtingen
voor de toekomst de gemoederen te vervroolijken; een oogenblik nam men
een levendig aandeel in het gesprek, maar na eenige minuten was ieder
weder in zijne eigene, stille overdenkingen verdiept.
Het schemerde reeds, toen een kanonschot uit het vijandelijk leger de
doodsche stilte afbrak. Men sprong op, vorschte, vroeg. In zulke uren,
onder zulke omstandigheden is een schot bijna altijd het teeken van
een gewichtig voorval, ieder hield het voor eene waarschuwing, om op
alles bedacht te zijn. Ditmaal echter bleek de vrees voor dadelijke
verontrusting ongegrond te zijn, schoon men reeds na eenige minuten
vernam, dat dit enkele schot misschien het lot van den ganschen
veldtocht had kunnen beslissen. Het was op eene bende ruiters gelost,
onder welke zich de keizer bevond, die, door de vrees gefolterd, dat
het russische leger zijne hoop op een veldslag andermaal door een
overhaasten nachtelijken aftocht mocht verijdelen, zich te paard
geworpen en van de schemering gebruik gemaakt had, om de stelling
van den vijand nog eenmaal op te nemen. Tot zijne vreugde had hij
uit de in zwarte massa's opdagende colonnes, die zich over de vlakte
verspreidden, uit de lange, van Moskou aanrukkende rijen van ammunitie-
en proviandwagens en de geduchte, nog gedurig versterkt wordende
verschansingen op de hoogten de zekerheid verkregen, dat de lang
gewenschte dag gekomen was. Hij aarzelde nu niet meer, zijne troepen
hiermede bekend te maken. Een half uur na het vallen van het schot werd
de legerorder rondgedeeld. Rasinski ontving ze van een adjudant en
haastte zich, de woorden des keizers aan zijne vrienden voor te lezen.
„Soldaten! De dag van den veldslag, dien gij lang gewenscht hebt,
is daar. De zege staat ons op zijde; zij is noodzakelijk, zij zal u
overvloed, veilige winterkwartieren, een spoedigen terugtocht naar het
vaderland verzekeren. Gedraagt u als te Austerlitz, Friedland, Witepsk
en Smolensko, opdat uwe late nakomelingen nog met trotschheid van hunne
voorvaderen zeggen mogen: Hij streed in den geweldigen slag onder de
muren van Moskou!”
Deze korte, ernstige woorden maakten een krachtigen indruk op het
hart der krijgers. Een edel vuur straalde uit hunne blikken, en toen
Rasinski de sabel trok, haar plechtig omhoog hief en luid uitriep:
„Leve de keizer!” werd die kreet door duizend stemmen juichend
herhaald, zoodat de daverende toon, door den wind voortgedragen, tot in
het leger des vijands weergalmde.
De komende dag vorderde groote inspanningen; Rasinski vermaande
derhalve zijne manschappen, zich tot rusten te leggen, ten einde
frissche krachten tegen den volgenden morgen te verzamelen. Om eene
opgewekte stemming levendig te houden; maar vooral ook om Lodewijk
te verstrooien, sloeg hij den officieren nog eene wandeling door de
legerplaats der gardes naar de tent des keizers voor, welke niet ver
van het bivak der cavalerie was opgeslagen.
Spoedig had men den grooten vierhoek bereikt, dien de gardes om de
keizerlijke tent gesloten hadden. De aanblik dezer uitgelezen dapperen,
onder welke men geen voorhoofd zonder litteekenen, geene borst zonder
orde zag, moest de mannelijke ziel met krachtvol zelfgevoel vervullen;
zelfs de weemoedig gestemde Lodewijk richtte zich vrijer op, toen hij
door de rijen dezer helden trad. Nog levendiger werd Bernard door dit
gezicht verrast.
„Waarlijk, eene gansche galerij van studiebeelden!” riep hij uit. „Tien
jaren zou ik hier kunnen zitten teekenen. En welk eene verscheidenheid
van koppen en drachten! Zie eens dien gindschen grenadier, die juist
zijn geweer poetst. Met welken ernst beschouwt en onderzoekt hij zijn
wapen; in elken trek leest men, dat hij het als een heiligdom in eere
houdt. Zie hoe hij den schijn der vlammen op het slot laat spelen en
zich in den blanken loop spiegelt! Hm, de oude knevel mag zich vrij
laten zien en mij dunkt, hij heeft zelf schik in den breeden naad,
die zijn rimpelig voorhoofd halveert. Nu is hij klaar, doet een paar
handgrepen, legt aan. Zeker bedenkt hij reeds, hoe hij morgen in den
dichtsten kruitdamp zijn vijand in 't vizier nemen en met oogen zal
aanzien, die doorborender schijnen dan de kogels in den loop.”—Onder
het voortwandelen zweefde zijn geoefend oog over alle groepen in het
rond, en waar hij een belangrijken kop zag, maakte hij de vrienden in
zijne levendige, schertsende voorstelling daarop opmerkzaam, vooral
ook met het doel, om zijn treurenden vriend hierdoor eenige afleiding
te verschaffen.—„Zie daar vóór ons den baardigen grijskop, die zich
het bloedig voorhoofd verbindt. Hoe koel en onverschillig scheurt hij
zijne oude slobkous tot windsels! Nu, hij is aan wonden gewoon! Ik zie
daar nog een breeden hoekigen hieroglief, die vermoedelijk door eene
Mammelukkensabel aan de piramiden geteekend is. Zijn voorhoofd is eene
volmaakte gedenkrol. Wie zich ingeschreven heeft, blijft zekerlijk in
aandenken, schoon bezwaarlijk, in het vriendschappelijkste.—Die kerel
ginds bevalt mij! Waarachtig hij scheert zich;—met gladde kin, als tot
den zondagsdans in de tuinen van Neuilly of in de lustige wijnhuizen
van St. Denys waar zooveel lieve meisjes zijn, wil hij morgen in den
slag gaan. Hij is een Spartaan, die zich ook versierden en bekransten
voor den strijd. Ik geloof, deze grenadier ziet er weinig onderscheid
in, of hij met zijn liefjen de française opvoert of aan den vleugel
van zijn regiment op eene batterij aanrukt. Muziek heeft men bij beide
gelegenheden. Ik wed, dat hij zich verzekerd houdt, morgenavond in
Moskou te zullen zijn en nu zijn toilet in orde brengt, wijl het
dan misschien aan tijd kon ontbreken. Zijn gansche voorkomen roept:
„_Vive la bagatelle!_” en een slag, een geheele veldtocht telt mee
onder de rij der bagatellen. Hij ziet er echter niet jong meer uit en
kan misschien wel van Marengo en Arcola meespreken. Geluk op reis,
goede vriend, ik hoop, dat gij morgen nog zoo vroolijk zijn moogt als
heden en bij uw avondeten zoo zorgeloos uw liedje neuriën, als op dit
oogenblik.”
„Ik heb toch deze soldaten reeds in eene geheel andere stemming
gezien,” hernam Rasinski; „zoo woelig het leger hem moge toeschijnen,
die het in dezen veldtocht voor het eerst ziet, zoo stil en doodsch
komt het hem voor, die het reeds sinds lange jaren kent. Kalmte,
bedaardheid, gevatheid op het ergste is op de gezichten dezer lieden
te lezen, maar niet dat blijde vertrouwen, die brandende begeerte naar
kamp en overwinning, die men anders op dagen vóór den slag in hunne
oogen zag blinken.—Zie, daar is de tent des keizers. Wat mag wel de
reden van dien oploop zijn?”
Men zag de soldaten in groote troepen naar de tent snellen en zich in
dicht gedrang daarom heen scharen. De terugkeerenden vertoonden een
vroolijk gelaat en waren levendig met elkander in gesprek. Uitroepen
van verwondering, van vreugde verhieven zich uit den zwarten hoop.
„Wat is daar te zien?” vroeg Rasinski een grenadier, die uit het
gedrang terugkeerde.
„Wat er te zien is, mijn kolonel? O, wat schoons en prachtigs! Een
kind, een kostelijk kind! De zoon des keizers! Ja, mijn overste,
het is een jongen van melk en bloed. O, men is ook vader! Ik heb
een zoon, die pas acht dagen ouder is. Zijn portret kan ik wel niet
laten nakomen, maar ik heb het toch in het geheugen. De schelm staat
mij hier”—daarbij wees hij op zijne met de orde van het legioen
van eer versierde borst—„zoo duidelijk afgeteekend, dat ik geen
beeltenis noodig heb. Maar het is toch aangenaam, als men die hebben
kan!—Verzuim niet, overste, 't is de moeite waard, het zelf te zien.”
De verrukte soldaat werd in den stroom zijner rede gestuit en door
den hoop medegesleept. Rasinski en zijne geleiders trachtten zich een
doortocht te banen, maar het gedrang was te groot; zij konden slechts
uit de verte zien, dat voor den ingang der tent, onder de bewaking van
twee baardige grenadiers, eene schilderij was ten toon gesteld, welke
de soldaten met nieuwsgierige deelneming beschouwden.
„Het heeft in mijn oog iets roerends,” sprak Lodewijk, „dat zich te
midden dezer vreeselijke krijgstoerusting niet alleen de veldheer, maar
ook de liefhebbende vader vertoont, die zijne dapperen in zijne vreugde
wil doen deelen.”
„Ja, ja,” sprak Rasinski glimlachend, „hij is een grondig
menschenkenner, de keizer. Door niets kan hij zijne oude knevelbaarden
levendiger aan het vaderland en hunne geliefde betrekkingen herinneren,
dan door zulk eene vertooning. Nu verlangt ieder met vurige drift naar
het schoone Frankrijk, waar deze zijne kinderen, gene zijne jonge
vrouw, die wellicht moeder is geworden, een derde zijn bevallig liefje
heeft achtergelaten. Een andere weg naar Parijs, dan die over Moskou is
er niet, dat weten zij allen te goed. Als grimmige leeuwen zullen zij
dus op den vijand instormen, die dezen weg voor hen sluiten wil.”
„Mij dunkt toch,” hernam Lodewijk, „door zulke herinneringen moest het
hart van den soldaat verteederd worden, hij moest den krijg, die hem
van alles wat hem dierbaar is scheidt, haten en met weerzin verder
voortdringen.”
„Voorzeker,” antwoordde Rasinski, „doch slechts niet op den dag vóór
den slag. Moeite en bezwaren verdraagt hij met tegenzin, gevaren
gewillig; hij waagt liever dan hij duldt. De tijd der vermoeienissen
is nu voorbij, er komt een kortstondig oogenblik van gevaar; dat gaat
hij getroost te gemoet, want er is altijd meer bij te winnen dan te
verliezen. Toon hem slechts een zekeren prijs der overwinning en
waarlijk, hij zal met vreugde de hel bestormen, om in het paradijs te
komen. De belooning echter moet ontwijfelbaar zeker zijn; hij moet zijn
vast doel hebben, dat hij, door zijn leven te wagen, bereiken kan. Zijne
geloofsartikelen luiden: zege, vrede, terugkeer. Wordt zijn verlangen
naar het laatste levendig opgewekt, dan behoeft gij voor de eersten niet
bezorgd te zijn.”
„Goeden avond, graaf,” riep eene bekende stem Rasinski toe. Het was
Regnard. „Goed, dat wij elkander heden nog aantreffen, morgen zullen
wij naar menigeen te vergeefs vragen. Ik denk, dat de slag naar
de aanstalten zal beantwoorden, die men er toe gemaakt heeft; men
marcheert geen achthonderd mijlen, om een voorpostengevecht te leveren.”
„Nu, tot hiertoe hebben wij nog weinig anders te doen gehad,”
antwoordde Rasinski.
„Elke vrucht moet rijp worden, graaf. In Rusland oogst men later dan
bij ons. Geef acht, morgen zullen de maaiers de handen vol hebben. De
Russen meenen het ditmaal zeer ernstig.”
„Is men daar reeds zoo zeker van?”
„Men kan er geen oogenblik aan twijfelen. Zoo even was ik er bij
tegenwoordig, dat een overlooper zijn bericht aflegde. De oude Kutusow
houdt zich verzekerd, dat wij morgen aanvallen, en heeft besloten
als een muur stand te houden. De Rus is op een beslissenden kamp
voorbereid, is plechtig tot den dood gewijd. Gij hoordet immers tegen
den middag die zonderlinge muziek wel overwaaien en hebt de beweging in
het leger bemerkt, toen de manschappen onder de wapens traden?”
„Voorzeker! Doch wat beteekende het?”
„Het was de feestrede voor de bruiloft, die wij vieren zullen. De oude
vorst heeft zich met al zijne priesters en archimandriten omgeven, die
in hunne prachtgewaden het leger doortrokken. Zij droegen een heilig
beeld, dat zij uit Smolensko gered hebben, door de gelederen der
soldaten. De Rus bidt het als een wonderdoenden beschermheilige aan;
zijne kerk vervult hem met geestdrijvende woede. Zijne priesters hebben
hem nu tot den kamp gewijd, wie valt, is van de hemelsche zaligheid
verzekerd. Gij kampt morgen voor de altaren van uwen God, heeft men hun
toegeroepen, gij moet uwe heilige stad Moskou, die de vijand verdelgen
wil, beschermen, uwe vrouwen en dochters voor smaad en slavernij
beschutten. Zoo iets werkt; de gemeene rus verlangt thans reikhalzend
naar den martelaarsdood, brandt van begeerte om door onze kogels te
vallen. Ik heb ook de oproeping gelezen; ik verzeker u, men vleit
ons niet, en het zou moeite kosten een hongerigen noordschen dog zoo
grimmig aan te hitsen, als de oude cycloop daarboven zijne brommende
ijsberen tegen ons opstookt. De zaak komt mij verduiveld ernstig voor,
want uit scherts, dat weet gij, windt men den soldaat zoo niet op, daar
eene dergelijke stemming geen zes weken aanhoudt en men zich wachten
moet haar noodeloos te verwekken, wijl anders de herhaling slecht
uitvalt. Daarom zeg ik u, wij vinden den vijand morgen nog op dezelfde
plek: wellicht nog overmorgen. Een ijzeren muur werpt men zoo licht
niet overhoop, en geestdrijvers zijn nog taaier dan ijzer.”
„Hoe, gij twijfelt aan de overwinning, Regnard?” riep Rasinski bijna
verdrietig.
„Geen oogenblik! Maar zij zal bloed kosten. Een twintig, dertigduizend
man kunnen morgen avond hier den grond mesten en zoo vreedzaam naast
elkander liggen, als zij gedurende den dag grimmig gevochten hebben.
Mochten wij onder dat getal zijn, overste, zoo laat ons thans afscheid
nemen, want ik moet naar mijn korps terug!” Zij drukten elkander
vriendschappelijk de hand. „Vaartwel mijne heeren, tot wederzien!
Morgenavond in Moskou; wordt intusschen de een of ander verhinderd
woord te houden, wij zullen het hem voor ditmaal niet ten kwade duiden.
Vaartwel!”
Met deze woorden verdween hij in het gedrang; op hetzelfde oogenblik
zag men Petrowski naderen, die den overste een verzegelden brief
overbracht.
„Wij moeten terug,” sprak deze, na gelezen te hebben. „De troepen
zullen nog dezen nacht andere stellingen innemen. Komt dan, vrienden,
de tijd is kostbaar.”
Zij bereikten hunne legerplaats; Rasinski beval de vuren uit te
blusschen, de manschappen moesten onder de wapens treden. Weldra bracht
een adjudant het bevel tot opzitten en het regiment begaf zich op
marsch. Onder het rijden bespeurde men, dat alle vuren in het fransche
leger waren uitgedoofd of slechts flauw en donker brandden. In dat
der Russen daarentegen vlamden zij hoog op en beschreven een breeden
gloeienden lichtkring om den zwarten gezichteinder.
De marsch was slechts kort; men had zich nader naar het centrum der
armee teruggetrokken. Aan de helling van een heuvel, die breed opliep,
maakte men halt; rechts was het terrein met struikgewas bedekt, dat den
overgang tot een hooger woud vormde. Groote massa's cavalerie schenen
hier verzameld te zijn. Tegen elf ure had men eene vaste stelling
ingenomen. Rasinski liet afzitten, echter moesten de paarden gepakt en
gezadeld blijven. De manschappen legerden zich op den vochtigen grond.
Stomme, beklemmende verwachting deed alle harten driftiger slaan, lang
scheen de slaap de oogleden te willen ontvluchten, doch eindelijk kreeg
lichamelijke vermoeidheid op de ontroering der gemoederen de overhand,
en in weerwil van den kouden, guren herfstnacht zonken alle krijgers
in diepe rust. Ook Lodewijk; maar bange, weemoedige droomen deden hem
dikwijls weder ontwaken en in eene werkelijkheid terugkeeren, zwarter
en dreigender dan zijne droombeelden zelve.