HOOFDSTUK II.

Feodorowna was in de hevigste gemoedsbeweging en wist in haren angst

tot geen besluit te komen. Nu wilde zij Gregorius roepen, dan naar hare

pleegouders snellen, dan wederom haren echtgenoot alles ontdekken. Met

door tranen verduisterde oogen beschouwde zij de beeltenissen harer

ouders. „O, hoe zacht, hoe teeder zijn de trekken mijner moeder, hoe

edel, vurig, mannelijk die mijns vaders!” zuchtte zij, bij den aanblik

der geliefde, nooit gekende dooden. „Ach, gij zoudt uwe dochter warmer

bemind hebben! Thans weet ik, waarom ik geofferd werd.” Lang stond

zij besluiteloos; eindelijk schelde zij Jeannette en liet door deze

Gregorius roepen. Hij had in de voorzaal gewacht. „O mijn vader, mijn

redder, wat heb ik te doen!” riep zij hem toe en wrong de handen; „wat

moet ik rampzalige nu beginnen!” Daar voelde zij Ruschka's ring aan

haren vinger. „Dit is het eenige teeken,” vervolgde zij, „waaraan ik

mijn broeder weder herkennen kan. Ach, onlangs was ik op het punt van

het voor altijd te verliezen! Doch God waakte over mij! Het was—o

vergeef mij, ik wilde een nutteloos verhaal beginnen, nu, daar de

seconden onschatbaar zijn. Wat raadt gij mij, vader? Wat moet ik doen?

Ik ben niet langer graaf Dolgorows dochter, ben hem niet meer het offer

mijns levens schuldig.”

„Gij hebt het gebracht,” viel Gregorius haar zacht, maar ernstig in

de rede, „gij zijt de gade van vorst Ochalskoi, het onverbrekelijk

sakrament der kerk heeft u vereenigd, en die band kan alleen door den

dood verbroken worden.”

„O hemelsche barmhartigheid!” snikte Feodorowna; „ook dan niet, wanneer

hij door bedrog en leugen gesloten is?”

„Ook dan niet, mijne dochter!”

„Zoo moge ik zijne gade heeten, maar nimmer wil ik het zijn, voor en

aleer mij de broeder, die mij ontroofd werd, is teruggegeven. O, waarom

drong het licht der waarheid niet één eenige dag vroeger tot het zwarte

weefsel des bedrogs door! Gregorius, gij kondt mij hebben gered uit

dezen afgrond des jammers, maar uw mond zweeg!”

Uitgeput zonk zij op een stoel neder en liet de armen machteloos

zinken. Gregorius trad op haar toe en greep hare hand in de zijne,

terwijl hij de andere ten hemel hief: „Geloften zijn heilig, zijn

onschendbaar, mijne dochter. De Heer zegent hen, die het Hem gegeven

woord trouw gestand doen. Bedenk ook gij zulks, die heden voor Zijn

heilig aangezicht eeuwige trouw, liefde en gehoorzaamheid beloofd hebt.

Denk aan de beden der stervende, aan het lot harer....”

„Hoe?” riep Feodorowna onstuimig, „zou de vrees voor eene nieuwe

euveldaad van hem, die mij den broeder ontroofd heeft, mij beletten,

mijne heiligste rechten te doen gelden? Ruschka vreest voor het lot

harer broeders; moet ik daarom den mijnen voor eeuwig verliezen? Neen,

den graaf Dolgorow onder de oogen treden, dat wil ik en hem vragen:

Waar is mijn broeder? Hij alleen is in staat, mij hem terug te geven.”

„Dierbare dochter, gij zijt buiten u zelve, gij weet niet, wat gij

doen wilt,” sprak Gregorius; „maar gij moet kalmer worden en anders

handelen. Hoe, wanneer graaf Dolgorow Ruschka's bekentenis voor valsch

verklaarde? En kon hij anders, wanneer hij zich niet de verderfelijkste

gevolgen op het hoofd wil laden? Of waant gij, dat de moed tot die

leugen hem zou ontbreken, die den moed tot de daad bezat? Welke

bewijzen hebt gij tegen hem? Zal zijne getuigenis niet meer gelden,

dan die eener arme lijfeigene? Hebt gij den heiligen doop niet als

zijne dochter ontvangen? Heb ik zelf u niet in deze kerk de slapen

bevochtigd met het gewijde water des Heeren? O mijne dochter, bedwing

thans uw overstelpt hart, want gij zoudt slechts ramp op rampen hoopen!

Den haat des vaders, der moeder, van den echtgenoot zoudt gij op u

laden, tweedracht en verwarring uitzaaien en door dat alles noch raad

noch troost winnen. En kunt gij den heiligen eed vergeten, dien gij

voor eenige uren hebt afgelegd? Is het uw echtgenoot, die u bedrogen

heeft? Moogt gij hem trouw en gehoorzaamheid ontzeggen, wijl anderen u

onrecht deden? En was dat onrecht niet met duizende weldaden verbonden?

Zijt gij niet met liefde en zorgvuldigheid grootgebracht?—Neen, mijne

dochter, wijk niet af van het pad der zachtmoedigheid en lijdzaamheid,

dat de Heer u gebiedt te bewandelen. Blijft u nog eenige hoop, den

broeder immer weder te vinden, dan is het slechts, wanneer gij nu

zwijgt en het geheim in de diepte van uw hart bewaart. En weet gij

dan, of gij niet misschien hem zelven ten verderve brengt, wanneer gij

eischt, dat hij u worde teruggegeven? Kunt gij weten, hoe ver of hoe

nabij hij zijn kan? Hoor naar de woorden van uw ouden, trouwen vader,

beloof hem, dat gij zijn raad volgen wilt, dan zal hij u zoolang hij

nog op aarde omwandelt met getrouwe liefde op zijde staan. En roept de

Heer hem van hier weg, dan zal hij nog daar boven den zegen des hemels

op uw hoofd afsmeeken.”

De grijsaard hield Feodorowna's hand in de zijne geklemd. Eene

krampachtige trekking beefde door haren, onder den hevigsten kamp

zwoegenden boezem. „Nu welaan dan, het zij zoo,” sprak zij eindelijk.

„Ook dat is overwonnen. Ik beloof u te zwijgen, Gregorius. Maar,”

vervolgde zij, zich met hoogheid oprichtende en de rechterhand plechtig

ten hemel heffende, „ik zweer ook.... en de Almachtige moge mijn eed

vernemen!.... ik zweer ook, van dit uur af onvermoeid naar mijn broeder

te vorschen, en wanneer ik hem vind, dan zal geene macht op aarde mij

terughouden, hem aan het hart te sluiten en te roepen: Ik ben uwe

zuster!—Ik moet mij thans weder naar het gezelschap begeven; ik kan

het, ik ben bedaard. Verlaat mij, mijn vader; maar bezoek mij morgen

nog eenmaal, eer ik dit slot misschien voor eeuwig vaarwel zeg.”

Zij reikte hem de hand. Gregorius legde de zijne zegenend op haar

gebukt hoofd en knikte haar sprakeloos vaarwel toe.

Feodorowna had nog eenige oogenblikken noodig eer zij genoegzaam

bedaard was, om weder in het gezelschap te kunnen verschijnen; juist

wilde zij het vertrek verlaten, toen de deur geopend werd en Ochalskoi

binnentrad. Verschrikt en bevende week zij onwillekeurig eene schrede

terug.

„Heb ik u verschrikt, lieve?” vroeg de binnentredende, haar verbleeken

gewaar wordende, op vleienden toon en bracht hare hand aan zijne

lippen. „O, gij zult mij vergeven, dat mijn verlangen mij dreef u op te

zoeken. Bijna een uur mist men u. Ik kan u niet berispen, dat gij het

gezelschap ontvlucht; maar gij zult licht begrijpen, dat mij dezelfde

neiging voortdrijft, Feodorowna! Het gelukkigste uur mijns levens heeft

geslagen. Ik sluit de schoonste, de beste, de beminnenswaardigste

van haar geslacht in mijne armen. De scheidsmuur is nu tusschen ons

gevallen; zult gij nu ook geheel met liefde de mijne zijn?”

Hij had haar bij deze woorden vertrouwelijk omvat en kuste hare bleeke

lippen en wangen. Sidderend vermocht zij noch weerstand te bieden, noch

op zijne teedere liefdetaal te antwoorden; sprakeloos duldde zij de

liefkoozingen, waartoe hij gerechtigd was.

„Wanneer gij wilt, Feodorowna,” ging hij dringender voort, „is het

oogenblik onzer vereeniging daar. De ras voorbijsnellende minuten van

ons geluk zijn zoo spaarzaam afgemeten, dat het wreedheid ware, ze

moedwillig te verkorten. Zoudt gij dat willen, geliefde? Wij zijn in

het vertrouwelijke heiligdom der liefde, niemand kan ons meer storen.

Uwe moeder zelve zeide mij, u op te zoeken. De gasten hebben zoo even

het slot verlaten. Slechts de landlieden en bedienden vieren thans nog

op hunne wijze bij dans en spel den dag van ons geluk; ook Jeannette

heb ik weggezonden; of hebt gij nog iets noodig? Geliefde, de tijd is

kort, dien wij het lot ontrooven, dat ons morgen reeds weder vaneen

scheidt; laat ons dien dan gebruiken. Niet waar, gij laat mij niet

weder gaan?”

De angst roofde der ongelukkige de spraak. Ochalskoi hield haar zwijgen

voor maagdelijke schaamte, haar stom lijden voor minnend, niet langer

weerstrevend toegeven, het krampachtig hijgen harer borst voor de

onstuimige opwelling der overstelpende liefde.

Driftig drukte hij zijne gloeiende lippen op hare verbleekte wangen en

sloot haar met den rechterarm aan zijne kloppende borst, terwijl hij

met de linkerhand hare rijke haarvlechten losknoopte.

Met reeds bezwijmende krachten trachtte Feodorowna zich uit zijne

omarming los te winden. „Ik versta u, hemelsch meisje,” fluisterde hij,

„uw zwijgende lip is zoet welsprekend! Slechts in een heilig duister

bloeit de zachte nachtbloem der liefde.” Hier liet hij de angstig

afwerende los, om de op de tafel brandende lichten uit te dooven. Zij

wilde hem ontvluchten, maar wist niet meer, wat zij deed; de handen

wringende, wankelde zij op de deur van het bruidsvertrek toe, opende

die en zeeg met een luiden angstkreet bewusteloos op den grond neder.

Ochalskoi sprong, zelf hevig verschrikt, op haar toe; want toen

Feodorowna de deur had geopend, zag hij hare gestalte door een

donkerrooden gloed verlicht en een breeden, bloedigen vuurschijn in het

duistere vertrek vallen.

„Dood en hel, wat is dat?” riep hij, toen de gloeiende weerglans hem

uit het nevenvertrek in de oogen straalde.

Het was het brandende Smolensko, welks hoog opflikkerende vlammen juist

door het zwarte rookkleed heenbraken, dat haar zoolang omhuld had. De

vesting lag juist tegenover de vensters van het bruidsvertrek, waar de

gordijnen nog niet neergelaten waren.

Ochalskoi hief de onmachtige Feodorowna op, sloot haar in zijne armen

en trachtte haar gerust te stellen. „Wees bedaard, lieve! Het is eene

vreeselijke bruidsfakkel, die ons ontstoken wordt, maar zij zal onze

heilige verbintenis niet storen. De tijd zal komen, dat wij de toortsen

der wraak zwaaien.”

Feodorowna's oog bleef gesloten. Ochalskoi wist niet, of hij hulp

vragen dan alleen beproeven zou, haar in het leven terug te roepen.

De donkerroode weerschijn der vlammen speelde op de doodelijk bleeke

wangen der onmachtige, zoodat zij door den zachten lichtgloed der

avondschemering bestraald scheen. „Gij zult aan mijne borst ontwaken,”

stamelde hij, haar met bevende armen omvattende en gloeiende kussen op

haren mond drukkende; „Feodorowna, ontwaak, of neen, blijf....” In dit

oogenblik vielen drie schoten in de nabijheid.

„Wat was dat!” riep Ochalskoi, sprong op en rukte het venster open. Het

geschreeuw van verwarde stemmen en dadelijk daarop eene onregelmatige

losbranding van geweer- en pistoolschoten, die het gevecht van een

aantal strijders aanduidden, drongen door de stilte van den nacht in

zijn oor.

„Overrompeling! Verraad!” riep hij in dolle woede. „Dood en verderf,

en in dit uur!” Met deze woorden stoof hij onstuimig op de deur toe en

snelde naar buiten.

In het slot heerschte reeds eene onbeschrijfelijke verwarring. De

bedienden en landlieden waren het eerst door het kleppen der stormklok,

die het uitbarsten van den brand verkondigde, in hunne vreugde gestoord

geworden. Thans had men de krakende schoten gehoord en waande den

vijand reeds binnen de muren van het slot. In gangen en zalen, op

trappen en portalen verdrongen knechts en vrouwen, speellieden en

landmeisjes elkander in steeds toenemend gewoel.

„Sluit de poort,” riep Dolgorow. „De brug op! verzamel u op het

slotplein. Geen moed verloren! Het kan een blind alarm zijn!”

Terwijl hij zich te vergeefs beijverde, door deze bevelen de orde te

herstellen, kwam een boer ademloos de poort binnensnellen en riep: „De

vijand, de vijand! Zij overvallen ons! Vlucht allen in het bosch!”

De verschrikte slotbewoners, de landlieden en alle meisjes vlogen met

luid angstgeschreeuw en gejammer naar hof en tuin, deels om zich te

verbergen, deels om te ontvluchten. Anderen drongen door de slotpoort,

om hunne huizen in het dorp te bereiken. Het ophalen der brug en

sluiten der poort werd daardoor geheel onmogelijk. Schuimbekkend van

woede hieuw Dolgorow met de vlakke sabel op de vluchtenden, die hem

niet gehoorzaamden in, en vermeerderde daardoor de ontsteltenis en

verwarring.

Thans rende een troep vluchtende kozakken de poort voorbij en huilde:

„De vijand! De vijand! Vlucht, steekt aan!”

„Het is te vergeefs, weerstand te beproeven,” riep Ochalskoi, die zich

intusschen met sabel en pistolen gewapend had. „Laat ons slechts de

vrouwen redden. Wij vluchten door den tuin en bereiken zoo het woud,

waar wij volkomen in zekerheid zijn.”

„Ten minste de poort moet versperd worden,” schreeuwde Dolgorow,

„anders baat de schandelijke vlucht ons niets.”

Thans vond zijn bevel gehoor, daar de ingang juist vrij was. Hij zelf,

Ochalskoi en drie bedienden trokken ijlings de kettingen, waarmede de

vleugeldeuren aan den slotmuur vasthaakten, terug, wierpen de poort toe

en schoven de grendels er voor.

Het was hoog tijd, want juist rende Rasinski aan de spits zijner

manschappen den heuvel af, en nauwelijks was de deur gesloten, of men

hoorde reeds de donderende hoeven der paarden op de ophaalbrug.

Dolgorow en Ochalskoi vlogen de trappen op naar het bruidsvertrek, om

Feodorowna te redden, terwijl de gravin ijlings hare kleinooden en

hetgeen zij op de vlucht noodzakelijk behoefde, bijeen raapte. Het

gedruisch had de onmachtige uit hare bedwelming doen ontwaken. Met

kalmte—want uitwendige schrik oefende weinig geweld op haar uit, die

thans niets meer vreesde—had zij hare kleeding reeds veranderd en

hare belangrijkste bezitting, eenige brieven en de beeltenissen harer

ouders, bij zich gestoken. Haastig wierp zij den mantel om en snelde

met vasten tred aan de zijde van haren echtgenoot naar de zaal, waar de

gravin wachtte. Toen men het voorplein bereikte, beukten de stormenden

zoo geweldig tegen de poort, dat men elk oogenblik verwachten moest,

die te zien bezwijken. Echter konden de vluchtenden niet dan langzaam

doordringen, want een aantal bedienden en landlieden, thans van den

eersten schrik bekomen, sleepten van alle zijden groote bundels hooi,

stroo en rijshout aan, om de ruimte voor de poort daarmede op te

vullen. „Wij willen hen door een vuurwal van ons scheiden,” riep

Dolgorow en schoot zijn pistool in het droge stroo af, dat dadelijk

vuur vatte. „Nog meer hooi, stroo en takkenbosschen; dat de rook en

walm de honden verstikke, wanneer zij het slot willen indringen!”

riep de verbitterde Rus, en in hun ijver verstikten de dienaars bijna

in de vlammen door de menigte van ras opgeworpen brandstoffen. „Zoo,

goed zoo, jongens!” riep de graaf, „steekt het slot aan de vier hoeken

aan; daar wij het verlaten moeten, willen wij het ook den vijand niet

gunnen.”

Daar hij zag, dat zijn bevel werd opgevolgd, ijlde hij Ochalskoi en de

vrouwen na, die reeds door den tuin vluchtten, om door eene achterpoort

het woud te bereiken. Weldra hadden ook de teruggebleven bedienden

hunne meesters achterhaald, en toen men omzag, steeg een zwarte, dichte

rookzuil uit de slotmuren op.

„Zij zullen niet lang in het kasteel huizen,” riep een der knechten met

honende jubel; „in elken stal brandt een duchtig bos stroo. Eer tien

minuten om zijn, moet de vlam boven de daken uitslaan. Zij zal ons,

denk ik, nog een poosje in het bosch voorlichten. Jammer, dat wij de

paarden niet konden meênemen, doch daartoe was geen tijd, laat staan

tot zadelen en optoomen.”

„Zwijgt thans,” gebood Dolgorow; „onze vlucht zij zoo stil mogelijk.”

Zacht, maar met verhaaste schreden ijlden de vliedenden voorwaarts.

Nog hadden zij den grensmuur van het park niet bereikt, toen zij de

heldere vlam reeds door de groene boomen zagen blinken. Door de kleine

achterpoort geraakte men op het vrije veld en snelde langs een smal

voetpad op het nabijgelegen woud toe. Juist was men den zoom daarvan

genaderd, toen eene talrijke ruiterbende in gestrekten galop den hoek

van den tuinmuur omsloeg, om de vluchtelingen na te zetten. In vollen

loop ijlden dezen op het bosch toe, maar met losse teugels renden de

ruiters hen na, en eer het veilige toevluchtsoord nog bereikt was,

floten de pistoolkogels door de lucht, en flikkerden dadelijk daarop de

blinkende sabels boven de hoofden der vluchtenden.

Inmiddels had Rasinski met twee aan den weg gevonden boomstammen de

slotpoort onder den voet geloopen. Zoodra die opensprong, sloeg hem

een verstikkende, gloeiende rook te gemoet, doch eensklaps gierde de

stormwind door de hem geopende baan, joeg de vlam naar binnen op hof

en tuin aan en werd het smeulende hooi, stroo en rijs door den hevigen

luchtstroom mede voortgedreven, zoodat men geene kunstige kunstmiddelen

noodig had, om zich den weg te banen. In twee minuten had de storm alle

vonken uitgedoofd, en slechts een aschhoop in het voorportaal verried

nog de sporen van het aangelegde vuur. Onverwijld drong Rasinski nu

met zijne scharen het gebouw binnen en riep: „Bezet alle ingangen!

Laat niemand ontkomen. Boleslaw, gij rijdt rechts met uw escadron den

slotmuur om, Jaromir links. Alle gevangenen worden hier gebracht.

Niemand wage zich in het dorp! Het slot blijft onze verzamelplaats.”

Driftig sprong hij van het paard en ijlde, door de boden, Lodewijk,

Bernard en eenige officieren gevolgd, de trappen op, ten einde het

binnenste van het gebouw zelf te onderzoeken. Spoedig had hij de

lange rij van vertrekken doorkruist, daar alle deuren openstonden,

terwijl alles de overhaaste vlucht der bewoners verried; maar zijne

navorschingen bleven vruchteloos en verdrietig begaf hij zich naar

de groote zaal terug. „Zou het nog mislukt zijn?” riep hij mismoedig

uit. „Ik vrees, dat de brand van Smolensko ons onzen buit heeft doen

verliezen en de bruiloftsgasten te vroeg uiteengejaagd!”

De bode haalde de schouders op en hernam: „Mijne schuld is het

niet, heer overste; ik heb u goed onderricht. Was de vesting niet in

brand geraakt, zoo zouden wij hier geweest zijn, eer een mensch onze

tegenwoordigheid vermoed had, en de generaals en andere hooge gasten

waren uwe gevangenen geweest.”

„Gij hebt uw loon verdiend, neem,” antwoordde Rasinski en wierp den Rus

eene beurs toe, die deze begeerig opving.

„Wanneer wij thans slechts een weinig infanterie met een paar kanonnen

hadden,” vervolgde de overste, tot de officieren gewend, „zou ik,

zonder een oogenblik te aarzelen, daarmede de achterhoede aangrijpen

en haar door een onverhoedschen aanval ten minste een duchtigen schrik

aanjagen. Zooals wij hier zijn, is het echter niet raadzaam, ons dieper

in het land te wagen. De infanteriepatrouilles en de bende kozakken,

die wij bij het dorp aantroffen, moeten toch alarm gemaakt hebben, en

licht kon een overmachtige hoop tegen ons aanrukken, die ons, bij het

ééne smalle pad, dat ons tot den terugtocht blijft, hoogst verderfelijk

zou zijn. Mij dunkt dus, wij laten verzameling blazen, trekken onze

troepen weer bijeen en keeren even stil over den stroom terug, als wij

gekomen zijn.”

De officieren waren van dezelfde meening.

Weldra keerde Boleslaw, zonder iets ontmoet te hebben, met zijne

ruiters terug en werd spoedig daarop door Jaromir gevolgd, die eenige

bedienden van den graaf als gevangenen medevoerde. „Ik stiet,”

berichtte hij, „dicht bij het woud op de vluchtenden. Het waren de

bewoners en bedienden van het slot met eenige vrouwen; een deel vlood,

anderen boden tegenstand. Bij het licht der vlammen, die van het

slotplein oversloegen, bemerkte ik een officier, die eene jonge dame op

zijne armen naar de dichte struiken trachtte te dragen, waar wij met

onze paarden niet voortkonden. Ik sprong uit den zadel en poogde hem

in te halen; toen ik door het hout heenworstelde en hem naderde, zette

hij de dame op den grond neder en wachtte mij af. Ik riep hem toe, dat

hij zich gevangen zou geven, maar hij schoot op mij, doch miste. Nu gaf

ik vuur; hij viel. Juist wilde ik toespringen, toen eenige Russen zich

tusschen hem en mij in wierpen en mij terugdrongen, zoodat ik bijna

overweldigd was geworden. Gelukkig bereikte ik nog eene vrije plaats,

waar mijne lieden mij te hulp konden komen. Zij bevrijdden mij en wij

maakten drie gevangenen. Volgens hun zeggen was de getroffene vorst

Ochalskoi, die heden met de dochter van graaf Dolgorow, wien dit slot

toebehoort, moet getrouwd zijn.”

„Ware ons ten minste die ééne vangst gelukt,” riep Rasinski

mistroostig; „maar dat wijt ik u niet, Jaromir, want gij hebt meer dan

uw plicht gedaan,” voegde hij er vriendelijk bij. „Het geluk heeft ons

niet genoeg begunstigd. Maar laat ons nu opbreken, eer het ons nog

verder tegenloopt.”

Nadat men zich overtuigd had, dat er onder de gevangenen niemand van

beteekenis was, liet men hen vrij, met de bedreiging, van hen dadelijk

te zullen neersabelen, zoodra men hen weder in handen kreeg. Op die

wijze trachtte Rasinski te verhoeden, dat men zijn terugweg naspoorde,

wijl hij in het oogenblik, dat hij over den Dnieper terugtrok, door een

aanval in den hachelijksten toestand kon gebracht worden. Ook wilde hij

de lieden in den hun opzettelijk ingeprenten waan laten, dat hij door

een aanzienlijk legerkorps gedekt werd, dat in den nacht over de rivier

was getrokken. Zoo begaf men zich weder op marsch en liet de brandende

schuren en stallingen aan de woede der vlammen over.

Eerst toen men de rivier doorwaad en den anderen oever bereikt had,

bemerkte Rasinski dat de oude Petrowski en Bliski, een geoefend, dapper

ruiter, vermist werden. Vol bezorgdheid zond hij Boleslaw met eenige

manschappen terug, om hen op te zoeken. Twee uren wachtte hij op diens

terugkeer; eindelijk kwam hij, maar zijne pogingen waren vruchteloos

geweest, de beide wakkere kameraden schenen verloren.

„Zouden wij deze beide dapperen ten offer moeten brengen?” riep

Rasinski. „Vrienden, laat ons nog hopen, wellicht zijn zij slechts

verdwaald en keeren tot ons terug. Wij moeten er nu den geheelen nacht

aan wagen en willen langzaam verder trekken, om van tijd tot tijd

seinen te geven. Hier zijn wij immers volkomen in veiligheid.”

De trouwe krijgsmakkers gehoorzaamden gaarne, want het waarschijnlijke

lot hunner kameraden ging hun allen na aan het hart. In tragen stap en

onder diep stilzwijgen reed men langs den oeverkant voort.

„Hoor! Wat was dat?” vroeg Rasinski den nevens hem rijdenden Boleslaw.

„Ruischt het niet in het water? Het was, alsof iemand van den anderen

oever neerplompte. Halt!”

„Waarachtig, daar beweegt zich iets,” fluisterde Boleslaw. „Zal ik

aanroepen?”

„Nog niet, wij moeten eerst beter kunnen zien; men kan niet weten, wat

het is, want wij zijn hier reeds dicht bij de vesting. Het zijn twee

zwemmers.”

„Werda? Halt! Antwoord!”

„Goed vriend,” antwoordde de welbekende stem van Petrowski en eene

algemeene juichtoon ging er op. Twee minuten later sprongen zij aan

land.

„Die mij liefheeft omarme mij niet!” riep Bliski, eenige kameraden

koddig afwerende; „wij zijn van boven tot onder slijk en eendekroos;

brr! het bad was frisch.”

„Hoe komt gij te voet, spreekt op, vertelt!” vroeg Rasinski met

belangstelling.

„Bliski was mijn redder,” begon Petrowski.

„Gekheid, laat mij vertellen,” viel de vroolijke ruiter hem in de rede.

„Toen wij naar het slot wilden terugrijden, kwam hij te vallen; drie

russische spitsboeven, die zich in de struiken verborgen hadden, kwamen

voor den dag springen, om hem te plunderen. Gelukkig zag ik het en

vloog er op in. Daar beukt een van de schurken mijn arm paard met een

knuppel op de hersens, dat het schuw op zij springt en ik uit den zadel

tuimel. Des te beter, dacht ik, en stond gauw op de voeten. Tegen ons

tweeën dorsten de helden geen stand te houden; maar de paarden waren

de vlakte opgeloopen. Daar wij niet weten konden, of het kreupelhout

meer soortgelijke vruchten droeg, sukkelden wij te voet op het slot

aan, in de hoop, dat onze arme dieren den grooten hoop wel achterna

zouden draven. Maar nu sneed het uit het dorp vluchtende kanalje ons

den weg af. Wij moesten het bosch in en dwaalden in het donker heen

en weer, maar hielden altijd de vlammen van Smolensko in het oog.

Eensklaps staan wij voor een grooten weg, dien ik dadelijk voor de

baan naar Moskou herken; want ik ben lang in Rusland geweest en hier

zoo redelijk goed bekend, heer overste. Juist toen wij uit de struiken

wilden treden, om eens in het rond te loeren, ziet de wachtmeester

gelukkig, dat er een troep ruiters aankomt; wij als de wind weer onder

het hout gekropen en den mond toegehouden. Pas zijn de ruiters voorbij,

of wij hooren het ratelen van kanonnen. Het waren zoo ongeveer honderd

stukken en kruitkarren, ook ander voertuig in menigte; daarop kwam

de infanterie in lange, dichte colonnes, dan weer cavalerie; kortom

een gansch legerkorps; het duurde wel een uur eer alles voorbij was.

Eindelijk werd de baan vrij, wij sprongen voor den dag en keken in het

rond; een tijdlang hielden wij den grooten weg, sloegen toen linksaf

en kwamen binnen vijf minuten aan de rivier.”

Hoe innig het Rasinski ook verheugde, zijne brave lieden gered te

zien, maakte toch Bliski's verhaal ook nog in een ander opzicht zijne

belangstelling levendig gaande. Hij werd namelijk meer en meer in het

vermoeden bevestigd, dat misschien de gansche, ten minste een deel

der bezetting de vesting verlaten had, en besloot derhalve door de

watervoorstad, welke ook voor ruiterij toegankelijk is, in de stad door

te dringen, om de eerste te zijn, die van dit gewichtige, ofschoon

thans weinig gevaarlijke voordeel gebruik maakte. Hij beval daarom

in diepe stilte voort te rukken, en hield zich bij voortduring dicht

aan den rivieroever. Zoo bereikte hij de eerste huizen, zonder op een

enkele schildwacht te stooten. De dageraad begon aan te breken, toen

hij de eerste straat insloeg. Geen geluid, geen spoor verried, dat nog

bewoners in de half ingestorte, half smeulende steenhoopen verwijlden.

Men bereikte eene dwarsstraat; met verbazing zag Rasinski ook door

deze ruiters aankomen. Zij waren van het korps van vorst Poniatowski;

men begroette elkander met vroolijke verrassing en zette den weg in

verschillende richtingen voort. Rasinski reed de buitenstad in en zag

bij de schemering eene mannelijke gedaante behoedzaam rondsluipen. Hij

hield ze voor een Rus en riep dus in die taal aan; doch de persoon

antwoordde niet en zocht te ontkomen. Hopende van hem met zekerheid

te vernemen of de vesting geheel verlaten was, rende Rasinski den

vluchteling na en had hem weldra met eenige lanciers zoozeer in het

nauw gebracht, dat hem geen uitweg meer overbleef. „_Vive l'Empereur!_”

riep de moedige soldaat en leide zijn geweer op Rasinski aan. Thans

eerst herkent deze de fransche uniform en maakte zich aan den

dappere, dien hij voor den vijand gehouden had, bekend. Het was een

onderofficier van het korps van Davoust, die de vermetele onderneming

gewaagd had, om alleen over den muur in de vesting te dringen. Zoo werd

dan de roem van de vijandelijke plaats het eerst betreden te hebben,

ten derde male twijfelachtig. Intusschen was de hoofdzaak ontwijfelbaar

zeker, men bevond er zich in; zeer spoedig overtuigde men zich ook,

dat de Russen de stad verlaten en zich, na het vernielen der bruggen,

op den anderen oever teruggetrokken hadden, waar zij de aldaar gelegen

vestingwerken waarschijnlijk nog bezet hielden.

De dag begon aan te breken en de eerste zonnestralen vielen op een

akelig tafereel. Waar men het oog wendde, ontwaarde men rookende puinen

en opeengehoopte lijken, die bloedend of half verbrand, meerendeels

geheel uitgeschud, op de omgewoelde aarde lagen neergestrekt. Andere

zag men verkoold, zwart van rook en brand, ten deele onder de smeulende

asch bedolven liggen; enkele ledematen des lichaams waren door de

vlammen verschroeid of geheel van vleesch ontbloot; slechts het naakte,

uitgebrande gebeente stak nog te voorschijn. Rasinski had het regiment

teruggevoerd, daar de enge, door ingestorte balken, steen en aschhoopen

versperde straten den doortocht belemmerden; hij zelf reed echter, door

Jaromir verzeld, weder in de vesting terug, ten einde de schouwplaats

der verwoesting nauwkeuriger op te nemen. „Eene treurige overwinning!”

zuchtte hij. „Het bloed, voor de verovering der russische wildernissen

gestort, schijnt bijna vruchteloos verspild, daar zij ons in plaats van

steden en dorpen weldra niets meer dan de aschhoopen zullen aanbieden,

waaronder zij begraven liggen.”

Ook den vroolijken, luchthartigen, aan de sombere tafereelen van

den oorlog gewonen Jaromir liep eene ijskoude rilling over de

leden, toen hij in dezen dampenden baaierd van puin en lijken

rondreed. „Inderdaad,” antwoordde hij, na eenig nadenken: „en nog

onbegrijpelijker is het mij, hoe dit verwoeste land de tallooze

volksmassa's voeden zal, die het van alle zijden overstroomen. Eer hier

niet weer opnieuw gezaaid en geoogst is, zou men gelooven, dat geen

menschelijk wezen in deze woesternij zijn aanzijn ook slechts voor

eenige dagen verlengen kon.”

„De wolf zal naar Polen en Pruisen op roof moeten uitgaan, wijl hij

hier van honger zou omkomen,” sprak Rasinski, bij den half schertsenden

vorm zijner woorden inwendig huiverend.—„Hoor! Muziek!”

Het was de fransche garde, die met vliegende vaandels en luid klinkende

tonen de stad binnentrok. Het vroolijk geschal in dit uur, in deze

omgeving, scheen de vreeselijkste hoon. Rasinski trok zijn paard in

eene zijstraat terug en liet de troepen voorbijtrekken. De muzikanten

bliezen den marseillaanschen marsch; doch deze krachtige tonen, die

anders in elk fransch hart de gloeiendste geestdrift, in elk oog den

vurigsten moed deden ontvlammen, schenen ditmaal eene onverstaanbare

taal tot de dappere krijgers te spreken. Diepe ernst stond op hunne

trekken te lezen; somber richtten zij het oog op de verwoesting rondom

en trokken de zwarte wenkbrauwen dreigend te zamen. Men ontdekte wel is

waar geen spoor van vrees en moedeloosheid op het ruwe, verschroeide,

met breede litteekens bedekte gelaat dezer dapperen, maar ook geene

schemering van vreugde en zelfvoldoening straalde uit hunne blikken.

Met stout opgericht of somber gefronst voorhoofd traden zij over

lijken, puin en asch voort; zij geleken een opkomend onweder in hunne

stomme ijzeren houding.

Thans naderde de keizer op zijn fraaien arabischen schimmel. Hij wierp

de scherpe blikken overal opmerkzaam in het rond, zonder zich daardoor

in zijn levendig gesprek met den generaal Lobau te laten storen.

„De keizer is dezelfde als op de parade te Dresden,” fluisterde Jaromir

met merkbare verwondering.

„Het ligt in zijn aard,” hernam Rasinski, „zich zelf in storm en

zonneschijn steeds gelijk te blijven. Doch wij willen hem volgen; ik

ben verlangend zijne jongste bevelen te vernemen, en misschien geven

die ons nog werk genoeg, eer het avond wordt.”

Met deze woorden drong hij, door Jaromir gevolgd, over de rookende

puinhoopen en nevens het gedrang der binnenrukkende troepen voort, om

zich bij den staf aan te sluiten, met welken de keizer de vesting nader

in oogenschouw nam.

1812: Historische roman · 第 68 / 154 题