„Dat zijn de torens van Smolensko!” riep Rasinski, toen hij aan de
spits van zijn regiment eene boschrijke hoogte bestegen had, vanwaar
men de grijze stad op nauwelijks een uur afstand voor zich zag. „Wij
moeten nu langs den zoom van den heuvel, door het kreupelhout, afdalen,
om ongemerkt tot dicht onder de muren te komen.—Ik vrees, ik vrees,
dat wij een harden strijd zullen te kampen hebben. Ziet gij daar die
stofwolken op de heuvels aan gindschen oever van den Dnieper? Dat
kunnen geen troepen van ons leger zijn! In den zwavelpoel der hel zou
ik den Jood wenschen; want het is zoo goed als zeker dat hij het opzet
van den keizer beluisterd of geraden en aan Barclay overgebracht heeft.
Mijn kop wil ik er op verwedden, dat het de russische hoofdarmee is,
die daar aanrukt!”
„Nu, dan is de gewenschte slag immers daar?” hervatte Bernard op
vragenden toon.
„Misschien; maar nog niet zeker, en in allen gevalle onder veel
ongunstiger omstandigheden, dan wanneer wij Smolensko vroeger bereikt,
het bezet en zoo den weg naar Moskou voor den vijand afgesneden hadden.
Dan moest hij ons de vesting ontrukken; thans zullen wij duizenden voor
haar bezit opofferen.—Ware het ons slechts gelukt, Newerowskoi af te
snijden, dan zouden wij nog de eersten geweest zijn!”
Onrustig stoof Rasinski alleen vooruit naar een nabijliggenden heuvel,
die een vrijer uitzicht vergunde; het regiment trok intusschen langs
den aangeduiden weg, die in breede bochten op de stad aanliep, langzaam
voorwaarts.
„De landstreek is toch niet geheel onbevallig,” sprak Lodewijk tot
Bernard, daar eene breede opening in het kreupelhout juist een verren
blik in het Dnieperdal vergunde. „Ziet gij ginds dat kasteel aan genen
oever op den heuvel?”
„Een statig gebouw,” hervatte Bernard. „Het schijnt van zonderlingen,
voorvaderlijken bouwtrant, voor zoover men van hier kan zien. Wellicht
zullen wij er spoedig ons nachtkwartier in opslaan, daar het, met het
aanzienlijke dorp, dat zich ginds ter zijde uitstrekt, waarschijnlijk
even verlaten zal zijn, als alle plaatsen, die wij tot hiertoe
doortrokken.”
„Inderdaad eene treurige wildernis, die wij doortrekken!” hernam
Lodewijk. „Maar het gindsche slot brengt een zonderlingen indruk op mij
te weeg. Ik ondervind hier voor het eerst, dat de verte, de vreemdheid,
haren invloed merkbaar doen gelden. De bouworde, de ligging, alles wekt
een zonderling, zeldzaam gevoel in mij op.”
„Ook in mij flikkeren eenige vonken van avontuurlijk romantische
verschijningen op,” sprak Bernard luchtig. „Hoe, wanneer daar eene
bekoorlijke prinses woonde, of wanneer het slot bestormd werd, in brand
vloog, en wij een liefelijk wezen van onbegrijpelijke schoonheid uit de
vlammende zalen redden? Mij dunkt, ik zie den rooden gloed nu reeds om
de zonderlinge torenspitsen spelen.”
„Scherts niet,” sprak Lodewijk ernstig. „Uwe voorzegging kon ten minste
gedeeltelijk bewaarheid worden; wie weet, met welk vreeselijk onheil de
ongelukkige bewoners werkelijk bedreigd worden!”
„Licht mogelijk, dat zij zelven de pekkransen in hunne bezitting
slingeren; het slot schijnt niet ver van den landweg gelegen, die
langs den anderen oever heenloopt, en tot hiertoe hebben wij niet vele
onverwoeste dorpen en sloten op onzen weg aangetroffen. Het schijnt,
dat de Russen ons liever eene verwoeste provincie, dan eene onvernielde
stad inruimen. Doch daar komt immers Rasinski met lossen teugel terug.”
Inderdaad kwam deze met zulk een spoed aanrennen, dat zijn paard
wild uit de neusgaten blies en het stof in dwarlende wolken achter
hem opsteeg. Reeds van verre wenkte hij met de sabel. Zijn naaste
plaatsbekleeder, majoor Negolinski, verstond dit teeken en liet het
regiment in vliegenden galop bij den volgenden heuvel oprukken. Thans
zag men Smolensko voor zich; tegelijk kon men de gansche landstreek
tot in de verte overzien en ontdekte verschillende korpsen der groote
armee, die op eenige punten reeds tot binnen de geschutlijn der vesting
waren doorgedrongen. Op genen oever werd men daarentegen de tallooze
russische legermassa's gewaar, die in vliegenden stormmarsch op
Smolensko aanrukten, om de stad te bezetten, eer de Franschen zich van
haar hadden meester gemaakt.
„Voorwaarts, voorwaarts!” schreeuwde Rasinski. „Het dal af, langs den
stroom op, wellicht gelukt het ons den vijand te verrassen.” Hij zelf
rende wederom ver vooruit, alsof hij het oogenblik, waarop men zich met
den vijand meten zoude, niet kon afwachten.
Toen men de rivier bereikt had, lag Smolensko op zijne beide steile
heuvels aan deze en gene zijde van den Dnieper, dicht voor de
aanvallers, ja bijna boven hen. Reeds hoorde men kanongedonder en klein
geweervuur. Wolken van stof en rook omhulden het dal en den stroom;
slechts de tinnen van den ouden stadsmuur en de hooge torens verhieven
zich boven den nevel. De ruiters volgden hun aanvoerder, zonder te
weten, of zij vriend of vijand voor zich hadden; want in den dichten
damp, dien de wind hun te gemoet joeg, was niets te onderscheiden.
Plotseling kwam Rasinski weder op hen toe. „Halt!” was zijn commando.
Het regiment stond als een muur; de ruiters, door den overhaasten rit
op den oneffen grond ten deele uit hunne gelederen gedrongen, ordenden
zich in stilte weder. „Eerste escadron links zwenkt! Regiment marsch!”
Langzaam voerde Rasinski de zijnen de helling weder op en boven over de
heuvelachtige vlakte naar eene, met hout bedekte hoogte, die buiten het
bereik der vesting lag.
„Het was te laat,” zeide hij in het terugrijden. „De koning van Napels
wilde van deze zijde met de cavalerie, de maarschalk Ney van gene
zijde met de infanterie de stad overvallen, maar de Russen zijn te
vast verschanst en hebben te veel geschut. Binnen een half uur moet
bovendien de hoofdarmee hier zijn, en dan ware het dwaasheid, juist
hier den kamp te beginnen. Echter heb ik hoop, dat men zich morgen door
een slag van het bezit der vesting zal trachten te verzekeren, daar
het er hier op aankomt, de hoofdpoort te verdedigen, die naar Rusland
voert.”
Het regiment betrok het bivak.
Tegen den avond kwam een adjudant van den generalen staf aanrennen en
vroeg naar Rasinski. Hij werd bij den keizer ontboden, die, benevens
de maarschalken, ook alle der landstreek kundige officieren om zich
verzameld had, ten einde betrekkelijk den aanval, dien hij morgen op
de stad wilde ondernemen, van hen eenige inlichtingen te bekomen. Om
mogelijke bevelen spoedig te kunnen afzenden, liet Rasinski zich door
Bernard en Lodewijk verzellen. Zij hadden moeite de tent van den keizer
te bereiken, wijl de tot nabij de stad voortgerukte troepen op bevel
van Napoleon hun bivak ontruimen en het verder achterwaarts weder
moesten opslaan.
„Wat beteekent die beweging?” vroeg Rasinski aan een adjudant, die met
hem den zelfden weg nam.
„De keizer wil den vijand een slagveld vrijlaten; hij hoopt, dat de
russische liniën morgen eindelijk geordend voor ons staan en den kamp
zullen aannemen.”
„En onze stelling?” vroeg Rasinski verder.
„Daar op het gindsche amphitheater van heuvels, die een halven kring om
de stad sluiten. Het zijn slechts holle wegen en engten, waartegen wij
leunen; bij een terugtocht eene bedenkelijke stelling!”
„Het woord terugtocht heeft de keizer in zijn woordenboek
doorgestreken,” hernam Rasinski; „voor elk ander veldheer ware de
misslag groot. Hij echter heeft de zekerheid van de overwinning; tot
hiertoe ontbrak hem niets dan de vijand. Gave de hemel dat die morgen
toch eindelijk stand hield!”
„Hm! Ik twijfel er aan. Waarom zou hij vóór de vesting een slag wagen,
wanneer hij het daarachter even goed kan?”
„Bagration heeft, naar men verneemt, den grootsten lust tot een
gevecht.”
„Barclay des te minder.”
„Hij is niet bemind; de Rus haat hem, slechts de keizer is zijn
steun. In zijn eigen vaderland aangetast, moet het den Rus in zijne
eer ten diepste krenken, dat hij, zonder weerstand te bieden, telkens
wijken moet. Barclay zal _moeten_ vechten, daar het leger hem
anders niet langer gehoorzaamt. In zeker opzicht staat de veldheer,
niettegenstaande zijne onbeperkte macht, nog altijd onder het bevel
des legers. En het zwaarst van alles is, den strijdzuchtigen soldaat
van den slag terug te houden; tevens is het ook het gevaarlijkst, want
hij toont naderhand juist in het beslissende oogenblik onwil, wanneer
men vroeger zijne dapperheid met geweld in boeien heeft gelegd. Een
veldheer moet niet slechts het terrein, hij moet ook den innerlijken
mensch weten te beoordeelen; verrekent hij zich dáár, dan zal al zijne
taktiek hem weinig baten.”
„Hoopt gij iets goeds van den slag?” vroeg de officier na eene poos
stilzwijgen.
„Zonder twijfel de beslissendste overwinning; echter zal zij bloed
kosten.”
„Voorzeker, veel. Reeds bij den aanval van heden hebben wij een geducht
verlies geleden. Van het bataljon, waarmede de maarschalk Ney liet
aangrijpen, zijn twee derden gebleven. Zij geraakten in het flankvuur
der russische batterij, één enkele kogel trof zoo moorddadig, dat hij
vier en twintig soldaten verpletterde. Wij konden het van de hoogte
maar te duidelijk aanzien.”
„Te vallen is de ernstige bestemming van den soldaat,” hernam Rasinski.
„Maar hoor! Tirailleursvuur!”
„De keizer heeft bevolen, dat het eerste korps den vijand verontrusten
zal, om hem misschien op dezen oever der rivier te lokken.”
Gedurende dit gesprek was men, deels tusschen bivaksvuren en gelegerde
troepen door, deels om terugtrekkende afdeelingen heenrijdende, aan de
legerplaats der oude garde gekomen, in welker nabijheid de tent des
keizers op eene boschachtige hoogte was opgeslagen. Men zag hem juist
met een vrij talrijk geleide afrijden, vermoedelijk om den omtrek te
verkennen; Rasinski stoof in gestrekten galop na, de beide vrienden
volgden op een behoorlijken afstand. Ongeveer een half uur reed de
keizer met zijn gevolg van den eenen heuveltop naar den anderen.
Van wat inmiddels verhandeld werd konden Lodewijk en Bernard niets
verstaan, daar zij met andere ordonnans- en jongere officieren ten
minste dertig tot veertig schreden achter de maarschalken reden. Thans
hield de keizer stil en sprak met den maarschalk Ney en den koning van
Napels; hierop wenkte hij Rasinski, dien hij een uitvoerig bevel scheen
te geven, want hij sprak lang en met driftige gebaren.
Dadelijk reed deze terug, liet zich door Lodewijk verzellen en beval
Bernard, den trein verder te volgen en daarna bij de keizerlijke
tent te wachten, tot hij eenig schriftelijk of mondeling bevel ter
overbrenging zou hebben ontvangen.
Bij het toenemen der duisternis keerde Napoleon naar zijne tent terug.
De maarschalken Berthier, Ney, Murat, Davoust en de onderkoning van
Italië volgden hem. Twee grenadiers van de garde hielden wacht aan de
tent; Bernard en drie ordonnans-officieren plaatsten zich nabij den
ingang, om de bevelen af te wachten. Binnen een kwartier werden de drie
afgevaardigd, Bernard bleef alleen zonder verdere bestemming. Het was
stil geworden; de vermoeide troepen lagen in hunne mantels gewikkeld en
sliepen; ook het minste geruisch in de verte begon hoorbaar te worden.
Zoo kon Bernard thans onderscheiden, dat in de tent levendig gesproken
werd; echter was het hem onmogelijk den loop van het gesprek te volgen.
Slechts enkele woorden verstond hij en wel bij herhaling de namen
Smolensko en Moskou. Gaarne ware hij eenige schreden nader getreden,
maar de beide baardige grenadiers met hunne hooge berenmutsen, die met
afgemeten passen voor de tent op- en nedergingen, hielden hem door den
ernstigen blik hunner zwarte oogen op een eerbiedigen afstand.
„Men spreekt van den slag, dien wij wellicht morgen leveren,” begon hij
eindelijk; „kunt gij het gesprek volgen, mijne vrienden?”
„De schildwacht des keizers hoort niets, kameraad,” antwoordde een der
grenadiers met strengen blik.
„En spreekt ook niet,” voegde de andere er op verwijtenden toon bij.
Pas had men deze woorden gewisseld, toen de maarschalken Ney en
Davoust, beiden zichtbaar in hevige gemoedsbeweging, met rassche
schreden de tent verlieten en een verschillenden weg insloegen, zonder
van elkander afscheid te nemen. Het viel onmiskenbaar in het oog, dat
zij zich in een uiterst verbitterde stemming bevonden. Intusschen werd
het gesprek in de tent nog driftiger. Bernard onderscheidde duidelijk
de stem van den keizer, die luid en heftig sprak. De vice-koning van
Napels verliet eenige oogenblikken later de tent. De schildwachten
trokken het geweer aan, toen hij voorbij kwam; maar de anders zoo
vriendelijke, welwillende man verzuimde den groet te beantwoorden;
hij scheen, innerlijk zoo geschokt en ontroerd, dat de uiterlijke
voorwerpen hem geheel ontgingen. Bernard kon bij den schijn van een,
niet ver van de tent brandend vuur, waaraan de keizerlijke keuken
bezorgd werd, de edele veelbeteekenende trekken van den vorst, op wiens
voorhoofd zorg en kommer duistere wolken samentrokken, vrij duidelijk
onderscheiden. Er lag zooveel zachtheid in dat gelaat en zooveel
mannelijke stoutheid met vriendelijken adel gepaard, dat de indruk,
dien het teweeg bracht, onvergetelijk zijn moest. Nog volgde Bernard
met onafgewende blikken de edele gestalte, toen het kletteren eener
sabel zijn oog opnieuw naar den ingang der keizerlijke tent trok. Het
was de koning van Napels, die in zijne avontuurlijk vreemdsoortige
dracht, een reigerveer op de met pels omzoomde muts, onder het
onverstaanbaar mompelen van eenige, toorn en ijver verradende woorden
uit de tent te voorschijn trad. Zonder Bernard te bemerken, ging hij
strijkelings diens paard voorbij, en duidelijk kon deze verstaan, dat
hij stampvoetend en met eene halfgesmoorde stem uitriep: „_Moscou!
Moscou! Cette ville nous pendra._”
Nauwelijks was hij echter eenige schreden verder, toen hij eensklaps
als zich bezinnend, bleef staan, zich omwendde en riep: „Waar is de
ordonnans van overste Rasinski?”
Bernard wilde van het paard springen en zich aanmelden, doch de koning
riep hem toe: „Blijf zitten! Deze order voor den overste! Haast u!”
Met deze woorden verwijderde hij zich, en Bernard rende met lossen
teugel op het bivak van zijn regiment toe.
Met een gelukkig plaatsgeheugen begaafd, gelukte het hem, in weerwil
der duisternis en der van alle zijden verwarrend flikkerende
legervuren, die, wijl hunne verte en nabijheid zoo moeilijk te
berekenen zijn, dikwijls als dwaallichten van den rechten weg afleiden,
toch in korten tijd de legerplaats zijner kameraden te ontdekken.
Rasinski brak de order met driftig ongeduld open en verslond de regels
bij den glans van het vuur.
„Goed, goed,” mompelde hij, „ik vrees maar, dat het onnoodig zal zijn.”
De nacht verstreek zonder eenige bijzondere ontmoeting; men had de
wachten verdubbeld, en een deel der manschappen bleef onder de wapenen;
intusschen werd de rust der overigen door niets gestoord. Bij het
aanbreken van den dag verwachtte men den vijand in slagorde geschaard
te zien. Men had zich bedrogen. De wijde ruimte, die men hem tot een
slagveld had gelaten, was eenzaam en ledig. De stad met hare oude,
dikke, met achttien torens gekroonde muren lag stil en doodsch in de
vale morgenschemering; geen geluid liet zich daaruit vernemen. Het
gansche leger der Franschen stond onder de wapens; op den eersten wenk
konden de troepen in slagorde uitrukken. Men zag den keizer, door
maarschalken omstuwd, meermalen over het veld rijden; hij rende de
eene hoogte na de andere op en zag in het rond, deels om, ingeval het
tot een treffen kwam, zijne maatregelen te nemen, deels in de gestadige
verwachting, dat de vijand toch eindelijk nog zou komen opdagen.
Een maarschalk, het was Belliard, kwam op Rasinski toe, wenkte en
sprak eenige woorden met hem. Dadelijk beval deze het eerste escadron,
hetwelk door Boleslaw werd aangevoerd, hem te volgen.
Zij reden een eindweegs langs den Dnieper voort; bij eene kromming van
den weg stieten zij op twintig of dertig kozakken, die, zoodra zij den
vijand in het oog kregen, als een zwerm opgejaagde vogels ijlings over
de vlakte stoven. In ééne minuut waren zij verdwenen; echter ontdekte
men hen eenige oogenblikken later weder aan den voet eens heuvels,
waar zij op eene plaats van den stroom, die tot hiertoe door zijne
kromming onzichtbaar was geweest, met hunne paarden naar den tegenoever
overzwommen.
„Duivel!” riep Rasinski plotseling uit en wendde zich tot den
maarschalk, terwijl hij met de sabel voor zich uit wees. „Ziet gij naar
die massa's! Het is de russische armee in vollen aftocht op den weg
naar Moskou.”
De maarschalk sloeg een mistroostigen blik naar de overzijde. „De
keizer zal buiten zich zelf zijn; tot hiertoe had hij nog altijd
gehoopt, het leger hier tot den slag te zien uitrukken, en Davoust
versterkte hem in dien waan. Nu is de begoocheling voorbij, zie slechts
die onmetelijke rijen artillerie, infanterie en cavalerie, die den weg
bedekken. Doch ik wil het dadelijk melden.” In gestrekten galop vloog
de maarschalk thans over de vlakte terug op de tent des keizers toe.
Rasinski droeg aan Boleslaw op, met het escadron den vloed hooger
opwaarts te verkennen en eene ondiepte te zoeken, waardoor men met de
ruiterij en desnoods ook met infanterie en geschut den anderen oever
konde bereiken; want hij vermoedde terstond, dat de keizer bevel zoude
geven, de armee in de flank te vallen en haren aftocht te verontrusten.
Boleslaw reed verder dan een uur langs den oeverkant voort. Overal,
waar het water slechts een schijn van ondiepte vertoonde, was hij de
eerste, die beproefde er door te waden, doch nergens vond hij, wat
hij zocht, en bijna had hij eenige manschappen bij zijn vruchtelooze
pogingen ingeschoten. Verdrietig, dat het hem niet gelukken wilde, den
last te volvoeren, was hij op het punt van den teugel om te wenden,
toen hij achter zich den donder eener batterij vernam. Hij wierp zijn
paard om en zag den oever met geweldige artilleriemassa's beplant, die
op de, aan de overzijde van den stroom zich langzaam voortbewegende
russische armee hun vuur uitbraakten. Thans wierp ook deze eenige
batterijen op, om het vijandelijke vuur tot zwijgen te brengen, en
spoedig werd men de vreeselijke uitwerking daarvan gewaar. Eene wolk
legerde zich als een nachtelijk monster op het veld; slechts eenige
roodachtige tongen bliksemden door het duister en werden onmiddellijk
daarop door den rollenden donder gevolgd. Boleslaw, die de hoop om eene
doorwaadbare plaats te vinden, nu had opgegeven, besloot met zijne
lieden terug te rijden. Zoo had hij dan het veld der verwoesting en des
doods voor zich, want niet slechts de batterijen vuurden onophoudelijk
op elkander, maar ook de gansche vlakte van Smolensko dreunde van een
verbitterd gevecht.
De keizer had den aanval op de stad bevolen, waarvan hij zich thans ten
spoedigste wilde meester maken. De zwarte massa's infanterie rukten dus
van alle zijden aan, ten einde den vijand, nadat hij door het vuur der
artillerie verzwakt was, geheel te verdrijven. De aarde scheen angstig
te zwoegen onder het dof gedreun; grijze rookwolken trokken langzaam
over de strijdenden voort en overschaduwden het veld des doods. Als
een bloedig oog blikte de verduisterde zon op de slachting neder.
De vogels fladderden angstig en verschrikt in het rond en vluchtten
van de schouwplaats der verdelging. Buiten den doffen donder van den
slag, dien Boleslaw slechts in de verte vernam, liet zich geen geluid
hooren. De natuur lag in diepe stilte; geen windje ritselde door het
loover. Zwijgend en ernstig reed Boleslaw aan de spits der zijnen langs
den rug des heuvels op het slagveld aan. De kamp, die de krijgers
met vlammenden moed vervult, wanneer zij zich midden in zijne golven
zien neergestort, verwekte thans, daar zij hem uit de verte moesten
aanzien en geen aandeel in de beslissing konden nemen, eene angstige
beklemming in hunne borst. Buiten de handeling geplaatst, gevoelden zij
hare vreeselijke beteekenis te dieper, naarmate zij die beter overzien
konden.
„Daar in dien kuil spookt de baardige satan, geloof ik,” sprak de oude
Petrowski en wees naar eene plaats, waar de fransche vuurmonden in den
dichtsten damp gehuld stonden.
„Zij schijnen in drievoudig kruisvuur te staan,” hernam Boleslaw.
„Voorzeker; de drie zwarte wolken daarboven bliksemen er al op los! En
zij treffen. De kruitwagens vliegen in de lucht, alsof zij op vlammende
mijnen stonden. Daar komt eene reservebatterij aandraven; zij moeten er
al verduiveld van gelust hebben. De Moskoviten beginnen er ernst mee
te maken. Hadden wij hen maar op de vlakte, waar de cavalerie er op
los kan houwen! De sabel is mij van daag zoo licht in de hand als een
wandelstok! Ik zou hen.... Donder en hel! alweer eene kruitkist naar
den duivel!”
Inderdaad scheen de plaats, waarop Petrowski gewezen had, vooral thans,
nu men nader kwam, een vuurspuwende vulkaan. De rook dwarrelde in dicht
opeengepakte wolken daaruit omhoog, en trok langzaam, in donkere,
zwarte wentelingen over de vlakte voort. Daardoor juist werd het
vuur van den vijand zoo verderfelijk, dat hij het voordeel had, zijn
tegenstander duidelijk te zien, terwijl hij zelf door den voorwaarts
trekkenden rook dicht omhuld was. Zoo sloegen de kogels en granaten
onophoudelijk met verheerende kracht op de batterij neer. Raderen
en assen werden tot splinters geschoten, de paarden steigerden en
verscheurden zeelen en strengen, granaten barstten, kruitkarren vlogen
in de lucht, en bij dat alles kraakte en donderde het eigen legervuur
der batterijen, dat de grond, waarop zij stonden, sidderde en dreunde.
„Wij moeten, geloof ik, nog verder links rijden,” sprak Boleslaw tot
Petrowski, „anders komen wij zelve in de geschutlijn.”
„Ik geloof het ook,” antwoordde de oude; „wij konden geheel zonder
noodzaak een half dozijn paarden kwijt raken en ik verlies niet gaarne
iets, waar niets te winnen valt.”
„Gij hebt gelijk, oude! Er zal ons dan niets overblijven, dan achter
gindschen heuvel om te rijden,” hervatte Boleslaw, na een blik over de
landstreek geworpen te hebben.
Hij sloeg een hollen weg in en was dus spoedig buiten het bereik
van het vijandelijke vuur, maar kon ook niets meer van het slagveld
overzien. Weldra had hij het bivak bereikt, waar hij Rasinski van zijne
vergeefsche pogingen bericht gaf.
„Ik wist het reeds,” antwoordde deze; „want wij hebben intusschen
eenige lieden opgespoord, die met de landstreek bekend zijn. Verder
opwaarts is evenwel nog een doortocht te vinden, waarvan wij echter
niet vóór den avond willen gebruik maken daar er slechts weinig lieden
tegelijk over kunnen trekken en de plaats door de steile oevers voor
het geschut geheel ongenaakbaar is. De aanval met een geheel korps op
de achterhoede der Russen is dus niet denkbaar, maar toch kunnen wij
wellicht een blinden schrik onder hen brengen, een troep naloopers
gevangennemen en eenigen buit maken. Dit is aan ons opgedragen. Het
verheugt mij, dat wij dan toch nog eenig aandeel in den dag van heden
krijgen zullen, daar de cavalerie overigens ledig toeschouwster blijven
moet.”
Intusschen werd het gevecht onder de muren der stad met verbittering
voortgezet. Rasinski was met zijne officieren naar een punt gereden,
waar zij het bloedig tooneel in zijn ganschen omvang konden overzien.
Ook thans nog was de stelling der batterijen aan den stroom de plaats,
waar dood en verwoesting het vreeselijkst woedden. Met bezorgdheid
richtten zich de blikken der toeschouwers daarheen, waar zoovele
kameraden aan het lot van den dag moesten worden opgeofferd. Een aantal
ruiters kwam uit de dichte rookzuilen te voorschijn rijden en nam zijn
weg over de vlakte naar de tent des keizers. Met verbazing herkende
men, toen zij naderden, den koning van Napels. Hij reed langzaam
voorbij en beantwoordde den eerbiedigen groet der officieren, zonder
verder naar hen om te zien. Een officier uit zijn gevolg rende op
Rasinski toe. Het was de overste Regnard.
„Om 's hemels wil,” vroeg hem Rasinski, „wat hadt gij daarboven in dien
ziedenden ketel te doen en bovenal wat wilde de koning daar?”
„Wat hij wilde? Bezwaarlijk, wat hij nu doet: weder terugrijden.
Er moeten gisteren zeldzame dingen tusschen hem en den keizer zijn
voorgevallen, want hij is geheel veranderd. Hij bleef hardnekkig bij
zijn voornemen, om zich in dien helschen kuil te laten neerschieten.
Toen wij hem bezwoeren terug te rijden, riep hij: „Ik wil niemand met
mij in het verderf storten,” en wilde zijne adjudanten wegzenden.
Eenstemmig verklaarden zij, geene schrede van hem te zullen wijken.
Op hetzelfde oogenblik sloeg een houwitser neer en deed het paard van
zijn lieveling Duteuil ter aarde storten, zoodat hij dezen zelf gedood
meende. Verschrikt sprong hij uit den zadel en trok hem zelf van onder
het stuiptrekkend dier weg. Toen hij hem nog in leven en ongekwetst
zag, kuste hij hem en zeide: „Laat ons dan terugrijden.””
Bernard hoorde dit verhaal met gespannen deelneming aan en bracht het
dadelijk in verband met wat hij gisteren voor de tent des keizers
waargenomen, maar aan niemand medegedeeld had.
„En vermoedt men wat tusschen den keizer en zijn zwager kan zijn
voorgevallen?” vroeg Rasinski.
„Ieder gist het zijne,” antwoordde Regnard de schouders ophalende;
„hij zal evenmin als Duroc, Daru, Lobau, kortom, als wij allen met den
veldtocht tevreden en daarover met hem in strijd geraakt zijn. Het oude
lied met het oude refrein. Nu, wanneer wij heden een twintig duizend
man laten, om den steenhoop daar ginds te veroveren, zal er wel een
luid deuntje in het geheele leger worden gezongen. Ten minste zal ieder
het stil voor zich zelf neuriën. Goeden morgen!” Met deze woorden reed
hij verder en liet Rasinski in sombere mijmeringen achter.